32001D0856

2001/856/EG: Beschikking van de Commissie van 4 oktober 2000 betreffende staatssteun ten gunste van Verlipack — België (Voor de EER relevante tekst) (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 2926)

Publicatieblad Nr. L 320 van 05/12/2001 blz. 0028 - 0043


Beschikking van de Commissie

van 4 oktober 2000

betreffende staatssteun ten gunste van Verlipack - België

(kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 2926)

(Slechts de teksten in de Nederlandse en de Franse taal zijn authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2001/856/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzonderheid op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken en gezien hun opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I. PROCEDURE

(1) Ingevolge in 1997 binnengekomen klachten betreffende door het Waals Gewest aan Verlipack verleende steun waarvan de verenigbaarheid met de staatssteunregels niet was vastgesteld, heeft de Commissie deze zaak op 18 november 1997 in het register van de niet-aangemelde steunmaatregelen ingeschreven.

(2) Op 16 september 1998 besloot de Commissie op grond van de officieel door België verstrekte gegevens, na een onderzoek van de maatregel in het licht van de artikelen 92 (thans artikel 87) en volgende van het EG-Verdrag en artikel 61 van de EER-overeenkomst(1), geen bezwaar tegen de maatregelen van het Waals Gewest te maken. In de beschikking werd geconcludeerd dat de maatregelen met de richtsnoeren inzake kapitaalinbreng door de overheid in ondernemingen(2), hierna "richtsnoeren" genoemd, verenigbaar waren, en dat de inbreng van het Waals Gewest overeenkwam met het gedrag van een investeerder van risicokapitaal in normale marktomstandigheden. Bovendien bewees de daarmee gepaard gaande en daadwerkelijke meerderheidsinbreng van een particuliere investeerder, de groep Heye-Glas, hierna "Heye" genoemd, dat de groep Verlipack op termijn rendabel en levensvatbaar was.

(3) Volgens de pers en verschillende klagers zouden de productievestigingen van Verlipack in 1998 nieuwe verliezen hebben geleden. Bovendien zou de van 11 april 1997 daterende particuliere inbreng in het kapitaal van de holding Verlipack I(3), volgens een klager in werkelijkheid zijn verstrekt door het Waals Gewest in de vorm van twee leningen van de SRIW(4).

(4) Bij schrijven van 14 december 1998 en 13 januari 1999 verzocht de Commissie België om inlichtingen over de ontwikkeling van Verlipack alsook over de beweringen inzake de toekenning van die twee leningen aan Heye.

(5) Bij schrijven van 25 februari 1999, dat op 1 maart 1999 werd ingeschreven, verstrekte België de gevraagde toelichtingen op grond waarvan de Commissie zich ertoe genoopt zag het onderzoek naar alle in 1997 door het Waals Gewest ten gunste van Verlipack verleende steunmaatregelen, te heropenen.

(6) Op 19 mei 1999 besloot de Commissie de procedure van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag(5) in te leiden ten aanzien van de maatregelen ten gunste van Verlipack.

(7) Bij schrijven van 1 juli 1999 stelde de Commissie België in kennis van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van deze steun.

(8) Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(6) bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel te maken.

(9) De Commissie heeft van de belanghebbenden opmerkingen terzake ontvangen. De Commissie heeft deze bij een schrijven van 3 december 1999 voor reactie aan België doorgezonden en heeft bij schrijven van 22 december 1999, dat op 3 januari 2000 ingeschreven is, de opmerkingen van België ontvangen.

II. BESCHRIJVING VAN DE MAATREGELEN

II.1. De begunstigde

(10) SA Verlipack was, totdat zij op 18 januari 1999 failliet werd verklaard, de grootste Belgische producente van hol verpakkingsglas, met een marktaandeel van 20 % in België en van 2 % in de Europese Unie. De onderneming stelde 735 werknemers te werk in haar fabrieken te Ghlin, Jumet en Mol. De twee Waalse vestigingen, Jumet en Ghlin, zijn krachtens een regionale steunregeling, de Belgische wet van 30 december 1970(7), in ontwikkelingszones gelegen. De naamloze vennootschappen Verlipack Ghlin, Verlipack Jumet en Verlipack Mol werden in 1985 opgericht in het kader van de door de Commissie goedgekeurde herstructurering van de holglassector, waarbij de Nationale Maatschappij voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren een deelneming van 49 % in deze vennootschappen nam(8).

(11) In 1989 verwierf het Waals Gewest overeenkomstig de bijzondere wet van 15 januari 1989 de aandelen zonder stemrecht van de vestigingen te Ghlin en Jumet, terwijl de aandelen van de vestiging te Mol aan het Vlaams Gewest werden overgedragen. Na verscheidene kapitaalverhogingen door de particuliere aandeelhouder (Imcopack Wallonië en Imcopack Vlaanderen, die deel uitmaken van de groep Beaulieu) werd de overheidsdeelneming succesievelijk verlaagd. Ten slotte verkocht het Waals Gewest in december 1996 zijn aandelen in de twee Waalse vestigingen, waarvan de waarde op 113712000 BEF werd geraamd, aan de groep Beaulieu. Aldus werden de Waalse Verlipackvestigingen tijdelijk vennootschappen zonder overheidsdeelneming.

(12) In september 1996 sloot de Duitse industriegroep Heye-Glas een overeenkomst inzake technische bijstand met de groep Verlipack. Deze overeenkomst werd nadien, op 11 april 1997, tot bijstand op het gebied van het management en tot financiële bijstand uitgebreid. Op deze datum nam Heye een deelneming in de op 24 januari 1997 door Beaulieu opgerichte holding Verlipack I voor een bedrag van 515 miljoen BEF. Na de verhoging van het kapitaal van de holding Verlipack I tot een totaal bedrag van 1,030 miljard BEF had Heye één aandeel meer in bezit dan de groep Beaulieu. Op 11 april 1997 werd holding Verlipack II opgericht tussen de aandeelhouders van de holding Verlipack I en het Waals Gewest (een inbreng van 350 miljoen BEF of 25,35 %), waarvan het kapitaal 1380500000 BEF bedroeg.

(13) Rekening houdend met de toetreding van Heye, de wereldleidster in de holglastechnologie, haar kapitaalinbreng, het strategische plan dat in belangrijke investeringen voorzag, alsook de oriëntatie op groeimarkten, kon het Waals Gewest erop rekenen dat deze onderneming op lange termijn rendabel en levensvatbaar zou worden.

(14) De nieuwe in 1998 geleden verliezen die volgens de bestuurders van Verlipack te wijten zijn aan een overcapaciteit op de betrokken markt, zijn in tegenspraak met de zeer gunstige vooruitzichten welke werden vastgesteld bij het sluiten van de overeenkomst met Heye inzake technische en financiële bijstand en bijstand op gebied van het management.

(15) Op 7 januari 1999 werden de staking van de activiteiten van de fabriek te Mol (Vlaanderen) en de indiening van een aanvraag om een gerechtelijk akkoord voor de fabrieken te Jumet en Ghlin (Wallonië) aangekondigd.

(16) De Rechtbank van Koophandel van Turnhout sprak op 11 januari 1999 het faillissement van de vestiging van Verlipack te Mol (Vlaanderen) uit, terwijl de Rechtbank van Koophandel van Bergen op 18 januari 1999 het faillissement van de zes vennootschappen van de glasgroep Verlipack (de vestigingen te Ghlin en Jumet, Verlipack Belgium, Verlipack Engineering, Verlimo en Imcourlease) uitsprak.

II.2. De steunmaatregelen

II.2.1. Onder de beschikking van de Commissie van 16 september 1998 vallende maatregelen

(17) Bij de oprichting van de holding Verlipack II, waarvan de holding Verlipack I aandeelhouder is met een kapitaal van 1,030 miljard BEF, dat voor de helft eigendom is van de groep Beaulieu en voor de helft van de Duitse groep Heye (die één aandeel meer bezit), nam het Waals Gewest een deelneming van 200 miljoen BEF. Door omzetting van de participatielening van 150 miljoen BEF nam zijn deelneming toe tot 350 miljoen BEF, hetgeen overeenkomt met 25,35 % van het kapitaal van de holding Verlipack II.

II.2.2. Niet onder de beschikking van de Commissie van 16 september 1998 vallende maatregelen

(18) Uit de op 25 februari 1999 door België verstrekte inlichtingen blijkt dat het Waals Gewest bijkomende maatregelen heeft genomen toen de groep Heye aandeelhoudster van Verlipack is geworden. Overeenkomstig de besluiten van 8 januari en 12 maart 1997 van de Raad van bestuur van de SRIW werden aan Heye twee leningen van elk 250 miljoen BEF toegekend, "dat wil zeggen het bedrag van de inbreng in geld van Heye in de holding A (bedrag dat overigens als kapitaal in de holding B en vervolgens als kapitaal in de exploitatievennootschappen Verlipack is ingebracht)".

(19) Het betreft in casu:

(20) - een op 27 maart 1997 uitgegeven obligatielening van 250 miljoen BEF met een looptijd van 5 jaar tegen een rente van 5,10 % plus 1 % risicopremie, bestemd voor het financieren van de kapitalisatie van de vestigingen te Ghlin en Jumet en van investeringen in de drie exploitatievestigingen van de groep Verlipack, waaronder de vestiging te Mol in Vlaanderen.

(21) Een clausule inzake de voorwaardelijke afstand van schuldvordering bepaalt dat "ingeval op de overeengekomen vervaldag van een schijf van de lening de vennootschap II ... en de drie exploitatievennootschappen SA Verlipack Jumet, SA Verlipack Ghlin en NV Verlipack Mol failliet zouden zijn verklaard, de bedragen die De Onderneming vanaf die vervaldag en met inbegrip van de op die dag vervallen termijn verschuldigd is, niet meer moeten worden terugbetaald aan de SRIW, die zich er in dat geval toe verbindt in zoverre afstand van schuldvordering te doen, mits De Onderneming tot die dag regelmatig de termijnen, zowel de hoofdsom als de rente, heeft afgelost. Deze clausule is evenwel niet van toepassing, indien het faillissement het gevolg is van een weloverwogen beleid van de meerderheidsaandeelhouder Heye, dat tot gevolg heeft dat de productie naar derde landen wordt overgebracht.".

(22) - een op 28 maart 1997 toegekende lening met een looptijd van tien jaar tegen een "rente gelijk aan de BIBOR-rente op zes maanden die geldt op de eerste werkdag van elk semester waarvoor ze verschuldigd is,..., vermeerderd met 1,5 % ... De Onderneming kan echter te allen tijde besluiten om voor de gehele resterende looptijd van de lening voor een vaste rente van 7 % per jaar te opteren".

(23) De in de leningovereenkomst opgenomen bestemmingsclausule bepaalt dat "het gehele bedrag ... bestemd is ter financiering van de verwezenlijking van de operaties, beschreven in de als bijlage bij deze overeenkomst gevoegde schema's". Deze clausule moest "leiden tot een verhoging in geld van het kapitaal van SA Verlipack Ghlin met ten minste 300 miljoen BEF en ... van dat van SA Verlipack Jumet met ten minste 300 miljoen BEF, alsook tot investeringen door de drie exploitatievennootschappen van de groep overeenkomstig het investeringsplan ...".

(24) De in de overeenkomst opgenomen clausule inzake onmiddellijke opeisbaarheid geeft de SRIW de mogelijkheid de onmiddellijke terugbetaling van de lening te eisen in onder meer de volgende gevallen: "wanneer kennelijk onjuiste inlichtingen worden verstrekt; wanneer De Onderneming een wettelijke of contractuele verplichting met betrekking tot de lening zelfs ten dele niet nakomt; ingeval van niet-uitvoering van de bestemmingsclausule (financieringsoperaties) uiterlijk op 31 juli 1997; wanneer de voorziene investeringen niet op 31 december 2000 ten belope van ten minste 80 % van de voorziene bedragen zijn verwezenlijkt ...; ingeval van vrijwillige liquidatie van de vennootschappen SA Verlipack Jumet, SA Verlipack Ghlin en NV Verlipack Mol ...".

(25) - Ten slotte werden door het Waals Gewest aan de groep Beaulieu betalingsfaciliteiten toegekend bij de koop van 25911 aandelen en winstaandelen van de groep Verlipack volgens de overeenkomst van december 1996. Enerzijds zou de betaling over termijnen van 20 % van 2001 tot en met 2005 gespreid worden en anderzijds zou geen rente worden berekend over de bedragen die op de in de overeenkomst vastgestelde data verschuldigd zijn.

II.3. De door de Commissie aangevoerde redenen voor de inleiding van de procedure

(26) Na de mededeling van België van 25 februari 1999 waarin werd bevestigd dat de Waalse autoriteiten Heye twee leningen van 250 miljoen BEF elk hebben toegekend voor de financiering van de intrede van deze onderneming in het kapitaal, twijfelt de Commissie eraan of het Waals Gewest bij zijn deelneming van 350 miljoen BEF in het kapitaal van Verlipack, het beginsel van een particuliere investeerder die handelt volgens de normale voorwaarden in een markteconomie, heeft nageleefd.

(27) Op grond van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 659/1999 kan de Commissie haar beschikking herroepen wanneer informatie ontbrak die van doorslaggevend belang was voor de beoordeling van een kapitaalinbreng door de overheid in de zin van de kaderregeling. De kapitaalinbreng van de Waalse autoriteiten gaat immers niet langer gepaard met een inbreng van een particuliere aandeelhouder omdat de particuliere aandeelhouder een beroep op overheidsmiddelen heeft gedaan.

(28) Een particuliere investeerder zou geen 350 miljoen BEF (25,35 %) in het kapitaal hebben ingebracht en Heye geen 500 miljoen BEF hebben geleend ter financiering van haar toetreding als meerderheidaandeelhoudster van Verlipack zoals het Waals Gewest heeft gedaan. Rekening gehouden met de toekenning van de twee leningen bedragen de maatregelen van de Waalse autoriteiten ten gunste van Verlipack 850 miljoen BEF.

(29) Wat de besteding van het bedrag van de twee leningen, in totaal 500 miljoen BEF, betreft, is in de twee overeenkomsten alsook in de besluiten van de Raad van bestuur van de SRIW van 8 januari 1997 bepaald dat de geleende bedragen tot een kapitaalverhoging van de vestigingen te Ghlin en Jumet moeten leiden alsook tot investeringen overeenkomstig het investeringsplan, welke in twee fasen (1997-1999 en 2000-2001) moeten worden verwezenlijkt. In haar beschikking van 19 mei 1999 heeft de Commissie geoordeeld dat de met die twee leningen overeenkomende steun de groep Verlipack ten goede is gekomen.

(30) De Commissie heeft geoordeeld dat de voorwaarden waaronder de twee leningen zijn toegekend evenmin met het gedrag van een particulier investeerder in een markteconomie in overeenstemming zijn. Het betreft hier ten eerste de uitgifte van een obligatielening waarin een clausule inzake afstand van een schuldvordering ingeval van faillissement is opgenomen en ten tweede de toekenning van een tweede lening die slechts vanaf het vierde jaar, namelijk vanaf 28 maart 2000 daadwerkelijk diende te worden terugbetaald.

(31) De Commissie heeft tevens vastgesteld dat de maatregelen van België niet als reddingssteun kunnen worden beschouwd daar zij niet aan de vastgestelde voorwaarden voldoen(9).

(32) Aangezien een herstructureringsplan en realistische veronderstellingen over de toekomstige exploitatievoorwaarden, voor Verlipack, meer bepaald wat de evolutie van de markt betreft, ontbraken, heeft de Commissie geoordeeld dat de maatregelen ten gunste van Verlipack niet op grond van de kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden(10) konden worden goedgekeurd.

(33) Op grond van de gegevens waarover de Commissie beschikt, kunnen de steunmaatregelen ten gunste van Verlipack evenmin als steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken worden beschouwd.

(34) Op de markt voor hol verpakkingsglas waarop Verlipack werkzaam is, is er intracommunautair handelsverkeer en in dit handelsverkeer bestaat een zekere concurrentie. Voorts is volgens de verklaringen van de leiding van Verlipack het faillisement een consequentie van de prijsdaling die te wijten is aan overcapaciteit in de glasproductie op de Europese markt. Ten slotte had de Commissie vastgesteld dat de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, door de door België verleende steun zodanig kunnen worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

(35) De Commissie heeft ook twijfel ten aanzien van het eventuele voordeel dat de groep Beaulieu zou toevallen dankzij de betalingsfaciliteiten bij de koop van de niet-stemgerechtigde bevoorrechte aandelen en de winstaandelen voor een bedrag van 113723000 BEF. De groep Beaulieu heeft het Waals Gewest na de faillietverklaring van Verlipack immers geen enkel bedrag uitgekeerd.

III. OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN

(36) Naar aanleiding van de uitnodiging opmerkingen te maken overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag, heeft de Commissie vier opmerkingen ontvangen, drie van klagers en één van de particuliere investeerder.

(37) De eerste belanghebbende die hoopte dat in deze zaak volledige klaarheid zou worden geschapen, heeft een document van 27 februari 1997 voorgelegd dat was ondertekend door de heer Robert Collignon, toenmalig minister-president bevoegd voor economische zaken in het Waals Gewest. Het document betreft het "opzetten van de holding: groep Beaulieu (Verlipack), Heye-Glas en Waals Gewest op grond van de voorziening in de begroting van 350 miljoen BEF (besluit van de Waalse Gewestregering van 12 december 1996)".

(38) Volgens dit document blijkt uit de situatie van de twee Waalse vestigingen op 31 augustus 1996 dat verliezen werden geleden die voor het einde van 1996 op 184 miljoen BEF werden geraamd en die, volgens het document, als volgt kunnen worden verklaard:

- de aanhoudende zwakte van de Europese markt die tot een daling van de verkoopprijzen heeft geleid;

- de slechte kwaliteit van de sinds enkele jaren door Verlipack gefabriceerde producten die met name te wijten is aan de gebrekkige werking van bepaalde ovens;

- ontoereikend management;

- het verlies van belangrijke markten door de bovengenoemde kwaliteitsproblemen en vertrouwensverlies ten aanzien van de onderneming en haar huidige aandeelhouders van wie wordt aangenomen dat zij zich financieel uit de sector wensen terug te trekken.

(39) Uit dit document blijkt tevens dat de meerderheidsaandeelhoudster, de groep Beaulieu, ondanks de inbreng van meer dan 2 miljard BEF en aanzienlijke investeringen, er niet in is geslaagd een behoorlijke kwaliteit en productiviteit te bereiken. Hoewel de op 1 september 1996 tussen de groep Beaulieu en Heye gesloten overeenkomst tot een spectaculair kwaliteitsherstel van het geproduceerde glas en de productiviteit van de twee Waalse vestigingen geleid heeft, zijn de resultaten zeer negatief gebleven.

(40) De aan de Commissie gezonden opmerkingen bevatten evenwel geen enkel element inzake de twee leningen ten bedrage van 500 miljoen BEF, dat de Commissie in staat stelt de verenigbaarheid van de leningen met de gemeenschappelijke markt te beoordelen.

(41) Een tweede belanghebbende heeft onder meer uitdrukking gegeven aan zijn aanhoudende bezorgdheid over de reeds toegekende of eventueel nog toe te kennen steun ten gunste van Verlipack. De belanghebbende maakt zich inzonderheid zorgen over de overname van de vestiging te Ghlin door de heer Dominique Balcaen, die de voortzetting van de activiteiten in deze vestiging(11) mogelijk heeft gemaakt. Volgens deze belanghebbende zou een oven van de overgenomen vestiging beslist binnen een of twee jaar moeten worden vervangen teneinde de productie op middellange termijn te kunnen voortzetten. De kosten hiervan zouden een investering vergen van 200 tot 300 miljoen BEF. De belanghebbende vraagt zich evenwel af of de nieuwe eigenaar van de vestiging te Ghlin in staat is een dergelijke investering te financieren zonder nieuwe staatssteun.

(42) De Commissie wordt erop gewezen dat de sector glasverpakking met overcapaciteit blijft kampen en door een scherpe concurrentie en aanzienlijk intracommunautair handelsverkeer wordt gekenmerkt. Elke nieuwe steun ten behoeve van Verlipack zou nadelige gevolgen voor de andere ondernemingen in de holglassector hebben. Rekening gehouden met de voorgeschiedenis inzake staatssteun ten gunste van Verlipack en de kennelijke pogingen van de Waalse autoriteiten om de staatssteun te verhullen door de toekenning van leningen aan een derde, wordt de Commissie uitgenodigd alle regeringen en begunstigden van dergelijke steun erop te wijzen dat een dergelijk gedrag niet kan worden geduld.

(43) De particuliere investeerder, Heye, merkt in de eerste plaats ten aanzien van de procedure op dat zij pas van de beschikking van de Commissie van 16 september 1998 kennis genomen heeft door de bekendmaking in het Publicatieblad van 9 oktober 1999 en dat zij geen toegang tot de originele tekst van deze beschikking heeft gehad.

(44) In de tweede plaats merkt zij op dat de twee op 27 en 28 maart 1997 door het Waals Gewest toegekende leningen voor een totaal bedrag van 500 miljoen BEF, "verplicht bestemd waren om volledig te worden overgedragen aan de ondernemingen Verlipack Jumet SA en Verlipack Ghlin SA, die respectievelijk de vestigingen te Jumet en Ghlin exploiteren, volgens de voorwaarden van de leningovereenkomst. Die middelen hebben de twee bedoelde dochterondernemingen bereikt door twee kapitaalverhogingen van Verlipack Holding I en vervolgens van Verlipack Holding II. De middelen zijn uiteindelijk gebruikt om het kapitaal van de exploitatiedochterondernemingen te verhogen".

(45) Heye verklaart reeds in maart 1997 (dus voor de sluiting van de leningovereenkomsten) bij het Gewest navraag te hebben gedaan of de voorgenomen maatregelen eventueel als staatssteun konden worden aangemerkt en of zij bij de Commissie dienden te worden aangemeld. Heye vat de houding van de vertegenwoordigers van de Waalse autoriteiten als volgt samen: "Zij hielden staande dat er geen staatssteun was en dat zij de gewoonte hadden steunvoornemens bij de Commissie aan te melden en dat zij dit op zich zouden nemen".

(46) Bovendien kon er volgens de Waalse autoriteiten, gelet op de hoogte van de rente die, althans de eerste jaren als vergoeding voor de twee leningen werd verlangd, in geen geval staatssteun zijn. Zij beweerden ten slotte dat het optreden vergelijkbaar was met dat van een particuliere investeerder en dat er afwijkingen van het gemene recht betreffende het toezicht op staatssteun van toepassing waren, gezien de geografische ligging van de productievestigingen van de groep Verlipack.

(47) Heye had geen redenen te twijfelen aan de verklaringen van de vertegenwoordigers van een onderneming die in overheidshanden was. Heye was evenmin verplicht inlichtingen in te winnen over de juistheid van de aanmelding, daar deze verplichting niet voor de begunstigde, en nog minder voor derden geldt(12).

(48) Volgens de investeerder heeft hij slechts een beperkte rol bij de voorbereiding van de aanmelding bij de Commissie gespeeld en de Waalse autoriteiten alle gevraagde gegevens verstrekt. Volgens Heye "mag de begunstigde vanaf het ogenblik waarop de aanmelding is geschied vertrouwen op de volledigheid en de juistheid ervan, temeer daar zij is verricht door de autoriteiten die op grond van artikel 10 van het EG-Verdrag ertoe gehouden zijn loyaal met de communautaire instellingen samen te werken". Derhalve kan het haar, noch de begunstigde onderneming worden aangewreven dat de Waalse autoriteiten in de aanmelding bij de Commissie die tot de beschikking van 16 september 1998 geleid heeft het bestaan van de twee leningen niet onthuld hebben.

(49) Aangaande de grond van de beschikking van de Commissie van 16 september 1998 om geen bezwaar te maken tegen de kapitaalinbreng door de Waalse autoriteiten merkt zij op dat de bewering dat "... Heye bij haar intrede in het kapitaal van Verlipack geen beroep heeft willen doen op eigen middelen" niet met de werkelijkheid strookt. Bij de toekenning van de leningen had zij zich immers ertoe moeten verbinden dat Holding II in de drie vestigingen van de groep Verlipack zou investeren voor een totaal bedrag van 2,452 miljard BEF volgens een gefaseerd plan dat loopt tot 2002 en waarvan een kopie bij de opmerkingen is gevoegd. Deze voor de investeringen voorziene middelen vertegenwoordigen een bedrag dat aanzienlijk hoger is dan de 500 miljoen BEF die haar door de SRIW zijn geleend.

(50) Naast de kapitaalinbreng die betrekking heeft op het door de Waalse autoriteiten geleende bedrag van 500 miljoen BEF is Heye begonnen met de tenuitvoerlegging van dit plan en heeft zij op 27 maart 1998 en op 19 juni 1998 respectievelijk 100 miljoen BEF en 200 miljoen BEF geïnvesteerd. De bewijzen van de betaling, uit eigen middelen en kredieten die door Heye's bankier tegen marktvoorwaarden zijn verleend, zijn bij de opmerkingen gevoegd. Aldus zou de investeerder voor een totaal bedrag van 800 miljoen BEF aan de kapitaalverhogingen van de groep Verlipack hebben bijgedragen.

(51) Bovendien was er volgens Heye geen enkele andere verbintenis van de Waalse autoriteiten naast de twee leningen van 500 miljoen BEF en de kapitaalinbreng van 350 miljoen BEF.

(52) Heye is van mening dat zij met de nakoming van haar verbintenissen, te weten de investering in de groep Verlipack volgens een gefaseerd plan en de overdracht van een jaarproductie van 50000 ton glas vanuit een oven in Duitsland naar een vestiging in Wallonië, de geloofwaardigheid van het destijds opgestelde herstructureringsplan heeft bewezen. Dit plan zou redelijke kansen hebben gehad om te slagen en tot de sanering van Verlipack te leiden. De moeilijkheden die Verlipack vervolgens heeft gekend en die tot het faillissement van de meeste vennootschappen van de groep in januari 1999 hebben geleid, zouden veroorzaakt zijn door externe omstandigheden, met name door de ongunstige en snelle ontwikkeling van de prijzen van hol verpakkingsglas.

(53) Volgens Heye was deze prijsontwikkeling in 1997 niet voorzienbaar. Algemeen werd aangenomen dat de prijzen dat jaar een dieptepunt hadden bereikt. Heye verstrekt vervolgens vertrouwelijke cijfers tot staving van de in 1997 geraamde prijzen.

(54) Gelet op haar verbintenis een plan uit te voeren van investeringen van in totaal bijna 1,8 miljard BEF in enkel de Waalse vestigingen, is Heye van mening dat "het optreden van de Waalse autoriteiten ten gunste van de groep Verlipack zou kunnen worden gelijkgesteld met dat van een particuliere investeerder met een omvang vergelijkbaar met die van de overheidsorganen"(13).

(55) Heye wijst erop dat onderscheid moet worden gemaakt tussen ondernemingen die slechts hebben gediend als tussenschakel voor de overdracht van de middelen, zoals in het onderhavige geval, en ondernemingen die daaruit een voordeel hebben gehaald waardoor zij kunnen worden aangemerkt als begunstigde in de zin van de regels inzake het communautaire toezicht op staatssteun(14). Volgens Heye, die overigens de aanzienlijke verliezen bij de Verlipack-transactie betreurt, kan een eventuele beschikking van de Commissie op grond van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 waarin België wordt aangemaand de steun terug te vorderen ten aanzien van Heye niet worden gegeven.

(56) Ten slotte heeft Heye bij haar opmerkingen een in januari 1999 neergelegde uiteenzetting van de gebeurtenissen bij de Rechtbank van Koophandel van Bergen gevoegd, die een van de bijlagen vormde bij het verzoek om een gerechtelijk akkoord.

IV. DE OPMERKINGEN VAN BELGIË

IV.1. Opmerkingen ten aanzien van de inleiding van de procedure

(57) België herinnert in zijn opmerkingen van 29 september 1999 in de eerste plaats aan de omstandigheden waarin de SRIW is opgetreden, met name bij de toekenning van de twee leningen, die tijdens haar onderzoek dat geleid heeft tot de beschikking van 16 september 1998 niet bij de Commissie zijn aangemeld. Volgens België zou de groep Heye, in de context van de onderhandelingen met de groep Beaulieu en vervolgens met het Waals Gewest, de SRIW in 1996 om financiering van haar inbreng in het kapitaal van de groep Verlipack hebben gevraagd. De SRIW zou Heye destijds eraan herinnerd hebben dat haar rol bestond in "het bijdragen aan de financiering van industriële of commerciële activiteiten en niet in het verlenen van subsidies waarvoor het Waals Gewest bevoegd was via de verschillende mechanismen waarover het beschikt"(15).

(58) Vervolgens beklemtoont België de talloze geloofwaardigheidselementen, waaronder met name de financieringen die door de twee particuliere aandeelhouders en de bankiers zijn toegestaan, het sluiten van een bijstandsovereenkomst, de reputatie en de vakbekwaamheid van Heye alsook het herstructureringsplan voor Verlipack en de gunstige vooruitzichten van het bedrijf, die hebben bewezen dat de SRIW evenals het Waals Gewest bij het nemen van hun besluit voorzichtig en zorgvuldig te werk zijn gegaan.

(59) Hoewel het faillissement volgens België een ongelukkig en moeilijk voorzienbaar gevolg is van de verslechtering die zich na het optreden van de overheid en de particuliere investeerders ten gunste van Verlipack heeft voorgedaan, is er geen enkel nieuw element dat aantoont dat de Belgische particuliere en overheidspartners die hun vertrouwen in Heye hebben gesteld, een beoordelingsfout van dusdanige aard hebben gemaakt dat kan worden vastgesteld dat zij destijds niet volgens de criteria van een particuliere investeerder in een markteconomie hebben gehandeld.

(60) In verband hiermee verwijst België naar de bovengenoemde brief van de SRIW aan Heye volgens welke "het niet langer zou gaan om een onderneming met een 'hoog risico'" (Verlipack) en "het ons derhalve niet buitensporig lijkt van Heye te eisen dat zij 50 % van het risico zou dekken dat Heye als gering beschouwt".

(61) België vraagt zich vervolgens af of "Heye geen blijk heeft gegeven van lichtzinnigheid ten aanzien van zijn partners die niet tot de glassector behoren door hun industriële, commerciële en financiële vooruitzichten voor te stellen die veel te optimistisch en schromelijk verkeerd waren". De autoriteiten, de groep Beaulieu en de banken zouden door hun nieuwe partner zijn misleid, "hetgeen hun vanzelfsprekend niet kan worden verweten in hun beoordeling van het hun voorgelegde dossier". België concludeert in zijn opmerkingen ten aanzien van het besluit van de SRIW om Heye te financieren dat de autoriteiten zich bij het onderzoek van het dossier als een particuliere investeerder hebben gedragen, gezien de door Heye verstrekte gegevens over de toekomst van Verlipack volledig geloofwaardig bleken te zijn. Het faillissement 22 maanden na de uitvoering van de overheidsmaatregelen bewijst volgens België niet dat de SRIW en het Waals Gewest in maart 1997 niet als een particuliere investeerder zouden hebben gehandeld.

(62) Ten aanzien van de voorwaarden van de lening en de obligatielening die bij het onderzoek dat heeft geleid tot de beschikking van 16 september 1998 niet bij de Commissie was aangemeld, maakt België in de eerste plaats opmerkingen ten aanzien van de referentierentevoet van 7,21 % die in de eerste helft van 1997 in België van toepassing was.

(63) De rente over de obligatielening ten bedrage van 250 miljoen BEF met een looptijd van 5 jaar die de SRIW op 27 maart 1997 ten gunste van Heye heeft uitgegeven, bedraagt 5,10 %, verhoogd met 1 % risicopremie.

(64) De rente over de op 28 maart 1997 toegekende lening met een looptijd van tien jaar en een aflossingsvrijstelling van drie jaar, komt overeen met de BIBOR-rente op zes maanden die van toepassing is op de eerste werkdag van elk semester waarover de rente verschuldigd is, vermeerderd met 1,5 % (hetgeen overeenstemt met een rentevoet van 4,92 % voor de periode van 28 maart 1997 tot 31 september 1997, en van 5,30 % voor de periode van 1 oktober 1997 tot 30 september 1998).

(65) België herinnert eraan dat volgens een op verzoek van de Commissie door KPMG verrichte studie over de wijze van vaststelling van referentierentevoeten in de context van steunmaatregelen in de Europese Unie de bijzondere hoge referentierentevoet destijds niet in overeenstemming was met de marktrentevoeten. Na deze studie heeft de Commissie bij een schrijven aan de lidstaten van 18 augustus 1997(16) de methode voor het vaststellen van de referentierentevoeten gewijzigd en vastgesteld dat "de rente van een overheidslening met een looptijd van vijf jaar lager kan zijn dan de EMI-rente zonder een steunelement te bevatten". De vanaf 1 augustus 1997 toepasselijke referentierentevoet bedroeg 5,55 %(17).

(66) Wat de voorwaarden van de leningen betreft, concludeert België dat zij geen steunelement bevatten en dat het faillissement van de exploitatievennootschap van Verlipack geen gevolgen voor de vergoeding, noch voor de terugvordering van de leningen heeft, aangezien de schuldenaar solvent is. Overigens zullen die leningen in een bij de Rechtbank van Koophandel te Luik aanhangige procedure worden teruggevorderd.

(67) Ten aanzien van de clausule inzake de afstand van schuldvordering van de obligatielening van 27 maart 1997 doet België een beroep op de verplichting van Heye om de lening volledig terug te betalen, d.w.z. de hoofdsom, de rente en de boeten, wegens niet-naleving van de clausule inzake de bestemming van de middelen. Volgens België is de afstand van de schuldvordering krachtens artikel 2 van de overeenkomst inzake de obligatielening voorwaardelijk. De bestemmingsclausule bepaalt dat "het totale bedrag bestemd is om op de voorgeschreven wijze de verwezenlijking van de in de bij de onderhavige overeenkomst gevoegde schema's beschreven verrichtingen te financieren" en moet "leiden tot een verhoging van het kapitaal van SA Verlipack Ghlin met minstens 400 miljoen BEF in contanten en... van SA Verlipack Jumet met minstens 300 miljoen BEF in contanten alsook tot investeringen in de drie exploitatiemaatschappijen van de groep overeenkomstig het investeringsplan...". België betoogt tevens dat de bovengenoemde overeenkomst op geldige wijze ontbonden is(18) voordat voldaan was aan de voorwaarden tot onmiddellijke opeisbaarheid van de lening, meer bepaald het faillissement van Verlipack Holding II. Volgens België zou de afstandsclausule in dit verband niet van toepassing zijn omdat "Verlipack Holding II momenteel niet failliet is"(19).

(68) Ten aanzien van de vraag of de clausule inzake de afstand van de schuldvordering al dan niet een steunmaatregel vormt, wijst België erop dat de dekking van 250 miljoen BEF die Heye van de SRIW verkreeg, slechts een "gering risico" inhield hetgeen verklaart waarom er een risicopremie van 1 % werd berekend. België erkent dat de overeengekomen rentevoet van 6,10 % hoogstens 6,50 % had kunnen bedragen.

(69) Ten slotte concludeert België ten aanzien van de door de SRIW aan Heye toegekende leningen dat "niets erop wijst dat Heye, gelet op haar resultaten en solvabiliteit, haar kapitaal in Verlipack niet had kunnen financieren door een beroep te doen op andere financiële instellingen dan de SRIW en tegen gelijkwaardige voorwaarden, uitgezonderd eventueel de vergoeding van de obligatielening".

(70) Volgens het investeringsplan moest ten minste 80 % van de voorziene bedragen op 31 december 2000 besteed zijn. Blijkens bijlage 14 bij de opmerkingen van België is in 1997 en 1998 in de drie vestigingen te Mol, Jumet en Ghlin, een totaal bedrag van 438,4 miljoen BEF geïnvesteerd, terwijl Heye zich ertoe verbonden had in totaal 2,452 miljard BEF in de drie vestigingen te investeren. Volgens België zouden de investeringen in Jumet en Ghlin 294,5 miljoen BEF bedragen, met uitsluiting van de 143,9 miljoen BEF die in de vestiging te Mol in Vlaanderen is geïnvesteerd en in het totale bedrag van de investeringen is begrepen.

(71) Ten aanzien van de verbintenis van de banken om de investeringen te financieren verwijst België naar zijn eerdere mededelingen van 28 augustus 1997, 2 april 1998 en 25 februari 1999. Volgens die mededelingen bedroeg het krediet van de groep Verlipack bij de banken op 30 september 1997 995 miljoen BEF. De brieven waarnaar België verwijst zijn ter beschikking van de Commissie (een brief van 29 november 1996 van Crédit Lyonnais België aan Verlico; brieven van 22 en 23 augustus en 29 november 1996 van de Kredietbank aan Verlico). De financiële steun van Verlico (groep Beaulieu) is op 11 april 1997 bevestigd en bedraagt een miljard BEF.

(72) Voorts maakt België opmerkingen over de conclusie waartoe de Commissie op grond van de haar ter beschikking staande gegevens is gekomen in haar besluit van 19 mei 1999 inzake de vraag of de steun van 500 miljoen BEF als herstructureringssteun aan de groep Verlipack kon worden beschouwd. België wijst erop dat destijds aan de voorwaarden van de richtsnoeren was voldaan. België verwijst daarbij naar een realistisch en duidelijk herstructureringsplan, een bedrijfsplan voor de periode 1997-2000 dat Verlipack duurzaam zou saneren en betrekking had op een herstructurering, een nieuwe industriële strategie, groepssynergie, kwaliteitsverbetering en een investeringsprogramma voor een bedrag van 2,452 miljard BEF. Ten slotte wijst België er tevens op dat de twee Waalse vestigingen van Verlipack in een steunzone in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-verdrag zijn gelegen.

(73) Ten aanzien van de voorafgaande beoordeling van de Commissie van de niet onder haar beschikking van 16 september 1998 vallende maatregelen, betoogt België in de eerste plaats, dat de Commissie "op elke afzonderlijke maatregel", meer bepaald de twee door de SRIW aan Heye toegekende leningen, "de noodzakelijke criteria moet toepassen om na te gaan of de voorschriften zijn nageleefd en bij elke maatregel moet onderzoeken of er al dan niet steun is, en zo ja, moet nagaan of de steun al dan niet met de Europese regelgeving verenigbaar is, temeer omdat de begunstigde van de geleende middelen een gezonde onderneming is en geen onderneming in herstructurering".

(74) Verder geeft België te kennen dat het Waals Gewest met zijn kapitaalinbreng het risico genomen heeft van een aandeelhouder, wiens investering gebonden is aan de resultaten van de onderneming waarin hij deelneemt: Verlipack-holding II. Ook de SRIW heeft, door leningen aan Heye toe te kennen, een risico inzake de solvabiliteit van de schuldenaar genomen.

(75) Volgens het arrest Cityflyer van 30 april 1998(20), dat door België wordt genoemd, "is er een belangrijk verschil tussen de twee, aangezien een kapitaalinbreng een definitieve overdracht is en een lening moet worden terugbetaald en dus slechts tijdelijk ter beschikking wordt gesteld". België is van mening dat Heye de geleende sommen zal moeten terugbetalen zelfs nadat zij haar volledige, met de leningen gefinancierde inbreng in Verlipack heeft verloren.

(76) Volgens België heeft Heye nooit aan het belang van haar investering in Verlipack getwijfeld aangezien zij het risico als gering beschouwde en zij Verlipack in moeilijke perioden is blijven ondersteunen, meer bepaald door twee nieuwe kapitaalverhogingen in contanten voor een bedrag van 100 miljoen BEF op 30 maart 1998 (kapitaalverhoging tot 1330500000 BEF) en 200 miljoen BEF op 26 juni 1998 (kapitaalverhoging tot 1630500000 BEF). De notariële akten van de kapitaalverhogingen zijn bij de mededeling van België gevoegd. Uit de akte van 26 juni 1998 blijkt dat naast Heye de in Luxemburg gevestigde S.A. Worldwide Investors voor een bedrag van 100 miljoen BEF op het kapitaal van Verlipack Holding II heeft ingeschreven.

(77) Ten aanzien van de twijfel van de Commissie omtrent het gedrag van het Waals Gewest als particuliere investeerder volgens de in een markteconomie normale voorwaarden, met name met betrekking tot de participatie in het kapitaal van Verlipack en de toekenning van leningen aan Heye ter financiering van Heye's intrede in het kapitaal, stelt België vast dat een "particuliere investeerder zeer goed kapitaal kon investeren in Verlipack en leningen kan toekennen aan een andere onderneming (Heye) zonder zijn risico te moeten samenvoegen aangezien hij te maken had met twee onderscheiden debiteurs" waarvan de ene solvent is en de andere failliet.

(78) België betwist het standpunt van de Commissie dat de steunmaatregelen in de vorm van de twee door de SRIW toegekende leningen daadwerkelijk aan Verlipack ten goede zijn gekomen. Volgens België is de bestemmingsclausule in de overeenkomst betreffende de obligatielening gericht op een kapitaalinbreng door de schuldenaar alsook op de aanwending van dit kapitaal om investeringen te realiseren. Verder had volgens België "Heye er alle belang bij de eigen middelen die zij in het kapitaal van Verlipack zou inbrengen, te lenen, terwijl de SRIW er alle belang bij had om financiële inkomsten te verkrijgen uit een onderneming die in het Waals Gewest investeerde".

(79) Overigens zou Heye het initiatief tot de herstructurering van Verlipack hebben genomen en van de SRIW leningen hebben gevraagd en verkregen ter financiering van de kapitaalinbreng. Ten slotte zou "de stelling dat Verlipack de daadwerkelijke begunstigde van de leningen zou zijn, op het punt van een eventuele verplichte terugbetaling van de steun, niet stroken met het feit dat de SRIW met het oog op een dergelijke terugvordering jegens Verlipack geen enkele schuldvordering kan doen gelden, daar Heye de daadwerkelijke debiteur van de SRIW is".

(80) Wat de overdracht van de deelneming van het Waals Gewest aan Beaulieu betreft, berekent België de nominale inschrijvingswaarde van de niet-stemgerechtigde aandelen en winstaandelen die het Waals Gewest in de ondernemingen Verlipack Ghlin en Verlipack Jumet bezat, op 10000 BEF. Volgens de overdrachtovereenkomst van 18 december 1996 bezat Sowagep(21) 5087 niet-stemgerechtigde bevoorrechte aandelen en 3937 winstaandelen van categorie I in de vestiging te Ghlin, alsook 2923 niet-stemgerechtigde bevoorrechte aandelen en 2267 winstaandelen van categorie I in de vestiging te Jumet. De groep Beaulieu heeft door middel van de N.V. Ter Lembeek International participaties in Ghlin gekocht voor een bedrag van 72192000 BEF en te Jumet voor een bedrag van 41520000 BEF, in totaal 113720000 BEF. Uit de genoemde overeenkomst blijkt dat dit bedrag netto en zonder rente moet worden betaald op 31 december 2001.

(81) Gelet op de resultaten op 30 april 1998, die voor de verkoop 1,195 miljard BEF en voor de verliezen 269,3 miljoen BEF bedroegen, en gezien de cash-drain van 107,3 miljoen BEF, vertoonden de financiën van de groep Verlipack een tekort van 376,8 miljoen BEF, een vervallen en onbetaald bedrag dat niet op korte termijn kon worden verminderd. Om aan deze toestand het hoofd te bieden kwamen Heye, Beaulieu, de vertegenwoordigers van het Waals Gewest en verscheidene banken bijeen, om verschillende oplossingen te onderzoeken die het herstructureringsplan van Verlipack opnieuw op gang moesten brengen. Op 5 juni 1998(22) werd een overeenkomst in die zin gesloten.

(82) Bij deze overeenkomst deden de banken afstand van vorderingen voor een bedrag van 73 miljoen BEF en kenden zij een nieuw krediet toe voor een bedrag van 100 miljoen BEF. Heye bracht 200 miljoen BEF in contanten in naar aanleiding van de kapitaalverhoging van 26 juni 1998 en het Waals Gewest zette zijn participatielening van 150 miljoen BEF om(23). Sowagep verbond zich ertoe een investeerder te zoeken voor een inbreng in contanten ten bedrage van 100 miljoen BEF. Uiteindelijk bracht de groep Beaulieu de investeerder Worldwide International aan, die op 26 juni 1998 deelnam aan de kapitaalverhoging van Holding Verlipack II. Ten slotte aanvaardde de groep Beaulieu een afstand van schuldvorderingen ten aanzien van de hoofdsom en de rente voor een bedrag van 600 miljoen BEF behoudens herstel van de winstgevendheid van de onderneming op 1 januari 2002. De financiële gevolgen van de bijkomende inspanningen van Heye en Verlipack kunnen worden berekend op 1450 miljoen BEF.

(83) Het totale kapitaal van de Holding Verlipack II bedroeg na de verhoging van 26 juni 1998 1630500000 BEF, verdeeld over 158224 aandelen waarvan 19408 in handen waren van het Waals Gewest, 29112 in handen van Heye, 9704 in handen van Worldwide Investors, en 100000 in handen van de Holding Verlipack I (Beaulieu, Heye).

(84) Sowagep kon evenwel geen nieuwe aandeelhouder aanbrengen die in de plaats van Worldwide Investors moest treden. Bij een op 20 november 1998 dagtekenend aanhangsel bij de overdrachtovereenkomst van 18 december 1996, zijn Beaulieu en Sowagep overeengekomen dat de voldoening van de prijs voor de overgedragen aandelen, die 113712000 BEF bedroeg, kon geschieden door betaling dan wel door de inbetalinggeving van 9704 kapitaalsaandelen van Verlipack Holding II die als tegenwaarde voor de inbreng van Worldwide Investors waren uitgegeven.

(85) Nadat Ter Lembeek International (groep Beaulieu) de aandelen had verworven waarop door Worldwide Investors was ingetekend, heeft zij in december 1998 9704 kapitaalsaandelen van Verlipack Holding II overgedragen aan het Waals Gewest ter delging van haar schuld van 113712000 BEF.

(86) België voert daarom aan dat "Sowagep aan Beaulieu de kapitaalverhoging heeft terugbetaald waartoe zij zich verbonden had". Het verschil van 13712000 BEF ten opzichte van het saldo van de schuld van Ter Lembeek International wordt enerzijds verklaard door de vergoeding voor de tussenkomst die Ter Lembeek International heeft willen verrichten en anderzijds door het feit dat de inbetalinggeving van december 1998 in feite een vervroegde terugbetaling was ten opzichte van de vervaldag voor de renteloze terugbetaling van de hoofdsom, die was vastgesteld op 31 december 2001.

(87) België is ten slotte van oordeel dat de nieuwe maatregel van het Waals Gewest ten gunste van Verlipack in december 1998(24) in werkelijkheid een nieuwe kapitaalverhoging van Verlipack inhoudt voor een bedrag van 100 miljoen BEF (9704 aandelen) die door Beaulieu gefinanceerd is door terugbetaling van haar schuld aan het Waals Gewest. Deze maatregel van het Waals Gewest is 15 maanden na zijn eerste maatregelen getroffen in de context van een herstelplan waaraan de particuliere partners van Verlipack een belangrijke meerderheidsbijdrage hebben geleverd.

(88) De ontwikkeling van het kapitaal van Verlipack sinds de intrede van Heye is in de onderstaande tabel weergegeven:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

IV.2. Commentaar bij de opmerkingen van de belanghebbenden

(89) België deed op 22 december 1999 zijn commentaar toekomen bij de opmerkingen van de belanghebbenden naar aanleiding van de bekendmaking van de brief van de Commissie van 1 juli 1999 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

(90) België gaat in de eerste plaats in op de betrekkingen tussen het Waals Gewest en Heye. Aangezien het een kapitaalinbreng van het Waals Gewest ten gunste van Verlipack betrof, zou volgens België een rechtstreekse samenwerking met vertegenwoordigers van Heye "niet noodzakelijk zijn gebleken daar de procedure bij de Commissie destijds niet op deze onderneming gericht was". Heye zou echter, door middel van zijn management en raad "actief geparticipeerd hebben" via Verlipack dat voortaan deel uitmaakte van de groep Heye. Uit de bijlagen bij de opmerkingen blijkt dat het Waals Gewest via zijn raadsman over dit dossier een briefwisseling onderhield met Verlipack Belgium. België verwondert zich er in dit verband over dat Heye "niet door haar dochteronderneming op de hoogte is gehouden van de evolutie van de procedure bij de Europese Commissie en niet in kennis is gesteld van de gunstige beschikking van de Commissie van 16 september 1998".

(91) Wat betreft het verzuim van België om de overheidsmaatregelen aan te melden en de onwetendheid van Heye over het feit dat er staatssteun kon zijn die bij de Europese Commissie had moeten worden aangemeld, voert België een rechtvaardiging van zijn gedrag aan dat het het gedrag van een particulier investeerder betrof. Met betrekking tot de twee leningen van de SRIW, is België van mening dat "zij zijn toegekend tegen marktvoorwaarden".

(92) Overigens is België van mening dat zijn mededeling van 2 april 1998 waarbij het heeft geantwoord op het verzoek om inlichtingen van de Commissie "geenszins kan worden gelijkgesteld met een voorafgaande aanmelding van een steunvoornemen". Derhalve kan Heye "zich niet beroepen op gewettigd vertrouwen dat de steun regelmatig was voorzover de betrokken overheidsmaatregelen niet zijn toegekend met inachtneming van de procedure van artikel 88 van het Verdrag, ingeval de Commissie, tegen alle waarschijnlijkheid in, die maatregelen als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun zou aanmerken".

(93) België deelt daarentegen de opmerkingen van Heye dat het Waalse overheidsoptreden overeenkomt met het gedrag van een particuliere investeerder.

(94) Ten aanzien van de opmerking van Heye dat zij geen enkel voordeel uit de door de SRIW geleende overheidsmiddelen zou hebben geput, herinnert België aan zijn uiteenzetting betreffende de feitelijke begunstigde van het eventuele steunelement dat in die twee leningen vervat is. Overigens is België van mening dat "dit argument door Heye klaarblijkelijk wordt gebruikt om te ontkomen aan de verplichting de eventuele steun terug te betalen...".

(95) Ten aanzien van de opmerkingen van een derde belanghebbende die zich zorgen maakt over de voortzetting van de activiteiten te Ghlin na de overname van de vestiging, bevestigt België dat indien "het Waals Gewest een maatregel wil treffen ten gunste van de nieuwe onderneming die actief is in de oude exploitatievestiging van Verlipack Ghlin, België de procedurevoorschriften van artikel 93 van het Verdrag zal toepassen zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag".

(96) Ten slotte is België van mening dat de "Commissie het document(25) dat door een anonieme persoon is toegezonden zonder meer ter zijde moet leggen, niet alleen omdat zij de auteur ervan niet kan identificeren en derhalve de betrokkene niet kan beschouwen als een belanghebbende bij de procedure, maar ook omdat zij een anonieme inzending om ethische redenen dient te negeren".

(97) In dit verband attendeert de Commissie België op artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 659/1999 waarin het volgende is bepaald: Indien een belanghebbende hierom verzoekt op grond dat hem schade kan worden berokkend, wordt zijn identiteit geheim gehouden voor de betrokken lidstaat.

V. BEOORDELING VAN DE STEUN

(98) De kapitaalinbreng door het Waals Gewest in april 1997 ten gunste van Verlipack, alsook de toekenning van twee leningen door de SRIW in maart 1997 ten gunste van Heye ter financiering van haar kapitaalinbreng in Verlipack, zijn afkomstig uit overheidsmiddelen. Krachtens artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag en artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(99) Overeenkomstig de richtsnoeren inzake kapitaalinbreng door de overheid, bestaat een vermoeden van steun wanneer de participatie gepaard gaat met andere maatregelen die op grond van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag dienen te worden aangemeld. De toekenning van twee leningen door de SRIW aan Heye ter financiering van haar kapitaalinbreng in Verlipack kan als staatssteun worden beschouwd en had, in combinatie met de door het Waals Gewest verrichte kapitaalinbreng in Verlipack, moeten worden aangemeld. De Commissie betreurt dat België de twee leningen voor een totaal bedrag van 500 miljoen BEF niet heeft aangemeld opdat de Commissie zich hierover overeenkomstig de bepalingen van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag kon uitspreken. Omdat België verzuimd heeft deze maatregelen aan te melden, is het zijn uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet nagekomen.

(100) Door het ontbreken van deze doorslaggevende informatie was de Commissie bovendien niet in staat de staatssteunregels juist en doelmatig toe te passen, en kan zij ertoe besluiten haar beschikking van 16 september 1998 te herroepen.

V.1. Verenigbaarheid met het beginsel van de particuliere investeerder

(101) Krachtens de richtsnoeren inzake kapitaalinbreng door de overheid is er geen staatssteun bij de inbreng van nieuw kapitaal in ondernemingen, indien die inbreng geschiedt in omstandigheden welke aanvaardbaar zouden zijn voor een particulier investeerder die volgens de in een markteconomie normale voorwaarden handelt. De Commissie was in haar beschikking van 16 september 1998 tot de slotsom gekomen dat dit het geval was, op grond van de gegevens die officieel door België zijn medegedeeld bij het onderzoek van de Belgische maatregelen ten belope van 350 miljoen BEF ten gunste van Verlipack, welke gepaard gingen met een inbreng van een particuliere investeerder en een minderheidsdeelneming betroffen. Volgens de gegevens die na de genoemde beschikking voor de Commissie beschikbaar zijn gekomen, zou Heye echter geen risicokapitaal hebben ingebracht maar gelden die uit staatsmiddelen afkomstig waren.

(102) Elke door een staat toegekende steun die niet met het gedrag van een particuliere investeerder overeenkomt, bevoordeelt daarentegen de begunstigde onderneming en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag.

(103) Overeenkomstig de richtsnoeren zou dit het geval zijn wanneer bij een kapitaalinjectie ten behoeve van ondernemingen waarvan het kapitaal tussen particuliere en openbare aandeelhouders is verdeeld, de overheidsparticipatie naar verhouding aanzienlijk groter is dan die van haar oorspronkelijke aandeel en de relatief kleinere deelneming van de particuliere aandeelhouders in hoofdzaak moet worden toegeschreven aan de slechte rentabiliteitsvooruitzichten van de onderneming. Bovendien kan er steun zijn wanneer de financiële positie van de onderneming en met name de structuur en de omvang van de schuldenlast zodanig zijn dat het niet gerechtvaardigd lijkt, binnen een redelijke termijn op een normaal rendement van het geïnvesteerde kapitaal te rekenen.

(104) Uit de resultaten van de vestigingen te Ghlin en Jumet is gebleken dat aanzienlijke exploitatieverliezen werden geleden en dat de omzet in 1996 sterk was gedaald in vergelijking met de voorgaande jaren. De Commissie stelt evenwel vast, dat de maatregelen van het Waals Gewest in april 1997 gepaard gingen met bijdragen van banken en dat zij zich kon baseren op een bedrijfsplan en een belangrijk investeringsplan, beide opgesteld door Heye. Blijkbaar mocht het Waals Gewest bij zijn optreden erop rekenen dat Verlipack op de lange termijn rendabel zou worden. Niettemin verwondert de Commissie zich erover, dat België zich thans afvraagt of Heye haar partners, waaronder het Waals Gewest, "die niet tot de glassector behoren" niet heeft misleid. De Commissie stelt dienaangaande vast dat het Waals Gewest aandeelhouder is van de Waalse productievestigingen van Verlipack en destijds, sinds 1989, 49 % van het kapitaal van die vestigingen in handen had en derhalve volledig op de hoogte was van de sindsdien door Verlipack behaalde resultaten alsook van de aanhoudende zwakte van de markt in Europa(26).

(105) Het Waals Gewest was er zich evenwel van bewust dat er geen particuliere inbreng van risicokapitaal was, daar deze inbreng afkomstig was van een Waalse vennootschap van openbaar nut.

(106) De Commissie stelt in dit verband een relatief kleinere deelneming van Heye vast bij haar intrede in Holding II in april 1997. Volgens België zou het initiatief om dit bedrag te lenen van Heye zijn uitgegaan. In haar brief van 21 november 1996 vraagt de SRIW aan Heye "50 % van een risico te dekken dat Heye als gering beschouwt". Gelet op de geloofwaardigheid van Heye vraagt de Commissie zich af waarom die groep een beroep op een openbare financiële instelling heeft gedaan om zijn intrede in Verlipack te financieren tenzij het erom ging het risico maximaal te beperken dankzij de voorwaarden van de leningsovereenkomsten die Heye door de SRIW zijn toegekend.

(107) De Commissie betwijfelt of Heye, waarvan de betrekkingen met Verlipack voorheen beperkt waren tot technische bijstand, zich daadwerkelijk financieel met deze onderneming zou hebben ingelaten zonder het overheidsoptreden dat bijna de totale kapitaalinbreng van Heye dekte. De Commissie merkt in dit verband op dat de financiële situatie van Verlipack voor de intrede van Heye geenszins op levensvatbaarheid wees.

(108) Er dient te worden vastgesteld dat de kapitaalinbreng van 350 miljoen BEF ten gunste van Verlipack is geschied, terwijl de leningen aan Heye zijn toegekend ter financiering van haar deelneming in het kapitaal van Verlipack. De bestemmingsclausules van de twee overeenkomsten bepalen uitdrukkelijk dat Heye zich ertoe verbindt i) de productievestigingen te Ghlin en Jumet te herkapitaliseren en ii) de investeringen in de drie vestigingen van Verlipack, met inbegrip van de vestiging te Mol (Vlaanderen), te financieren.

(109) De Commissie stelt verder vast, dat Heye de middelen niet voor andere doeleinden heeft kunnen gebruiken dan onmiddellijke doorsluizing via Holding II naar de vestigingen van Verlipack en derhalve niet het genot van de staatsmiddelen heeft gehad.

(110) De begunstigde van een steunmaatregel die de steun eventueel zal moeten terugbetalen, is niet noodzakelijkerwijze de onderneming waaraan de autoriteiten de middelen rechtstreeks hebben verstrekt, maar de onderneming die het daadwerkelijke genot ervan heeft gehad. Dit wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof van Justitie(27) dat een onderscheid maakt tussen de ondernemingen die als tussenschakel de middelen hebben doorgegeven en de ondernemingen die voordeel uit de steun hebben geput, waardoor zij kunnen worden aangemerkt als de begunstigde in de zin van de regels inzake het communautaire toezicht op staatssteun.

(111) Gelet op de bestemmingsclausules die erop gericht waren de herkapitalisatie van Verlipack met aan Heye geleende middelen te financieren, is de Commissie van mening dat die middelen door Heye alsook door Holding II zijn doorgegeven aan Verlipack. Derhalve moet Verlipack worden beschouwd als de begunstigde van de leningen waarvan zij als enige het genot heeft gehad. In dezelfde redenering moet de Commissie de voornoemde rechtspraak eveneens toepassen op Holding II.

(112) In het licht van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat een geldschieter enerzijds geen deelneming van 350 miljoen BEF zou hebben genomen en anderzijds geen risicokapitaal voor een bedrag van 500 miljoen BEF zou hebben geleend en daarbij 50 % van het risico zou hebben gedekt ingeval de rentabiliteitsvooruitzichten van Verlipack niet gunstig zouden blijken te zijn.

(113) Volgens het bepaalde in punt 3, lid 2, laatste streepje, van de richtsnoeren kan een inbreng van nieuw kapitaal in een onderneming aanvaardbaar zijn voor een particuliere investeerder "wanneer de ontwikkelingsmogelijkheden van de betrokken onderneming, samen met de innovatiecapaciteit die voortvloeit uit de gezamenlijke investeringen, het mogelijk maakt het inbrengen van kapitaal te beschouwen als een belegging waaraan een bepaald risico verbonden is, maar waarvan op termijn mag worden verwacht dat zij zal renderen". Het investeringsplan (1997-2001) voorzag in de installatie van nieuwe ovens, machines, cold end-uitrusting alsook milieubeschermende maatregelen voor een totaal bedrag van 1,754 miljard BEF voor de twee Waalse vestigingen, waarvan in juni 1998 16 % is gerealiseerd. Uit het investeringsplan blijkt niet of de nieuwe ovens de bestaande ovens vervangen. België heeft evenmin bewezen dat de voorgenomen investeringen, behalve tot rationalisatie en een betere beheersing van de processen en de producten, hadden kunnen leiden tot innovatiecapaciteit. De bovengenoemde afwijking van de richtsnoeren kan in dit geval derhalve geen toepassing vinden.

(114) De Commissie komt tot de slotsom dat België zich bij de inbreng van nieuw kapitaal ten gunste van Verlipack en de toekenning van twee leningen niet heeft gedragen als een particuliere investeerder die handelt volgens de in een markteconomie normale voorwaarden.

V.2. De door de SRIW toegekende leningen

(115) De obligatielening van 250 miljoen BEF bevat een clausule inzake de afstand van schuldvordering bij faillissement van Verlipack. Heye heeft derhalve geen enkel risico gelopen ten aanzien van dit bedrag dat de helft van Heyes inbreng in het kapitaal van Verlipack vertegenwoordigt. De Commissie deelt het standpunt van België, dat Heye ondanks haar erkende geloofwaardigheid en solvabiliteit, "gelijkwaardige voorwaarden" op de markt had kunnen krijgen, niet. Geen enkele geldschieter zou de afstand van schuldvordering voor een bedrag van 250 miljoen BEF hebben aanvaard bij de indirecte financiering van de herkapitalisatie van Verlipack, waarvan de bedrijfsresultaten vóór de intrede van Heye ondubbelzinnig bewezen dat deze groep in moeilijkheden verkeerde.

(116) Derhalve vormt de obligatielening van 250 miljoen BEF die aan Heye is toegekend ter financiering van haar inbreng in het kapitaal van Verlipack, een steunmaatregel ten gunste van Verlipack in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

(117) De Commissie stelt vast dat de lening van 250 miljoen BEF in maart 1997 is toegekend tegen een rentevoet van 4,92 % voor het tijdvak van 28 maart tot 30 september 1997, en tegen een rentevoet van 5,30 % voor het tijdvak van 1 oktober 1997 tot 30 september 1998. Bij de vergelijking van de marktvoorwaarden met die van de onderzochte leningen moet men echter uitgaan van het tijdstip van de toekenning van de leningen, d.w.z. 27 en 28 maart 1997. De referentierentevoet die bij de toekenning van de lening in België van toepassing was, bedroeg 7,21 %. Bij een looptijd van tien jaar en een aflossingsvrijstelling van drie jaar en voorzover de rentebonificatie variabel is, bevat de toekenning van deze lening een steunelement van 2,85 % bruto, hetgeen overeenkomt met een bedrag van 7,125 miljoen BEF. Bovendien stelt de Commissie vast, dat in de leningovereenkomst niet is voorzien in het geven van een onderpand door Heye voor het van de SRIW geleende bedrag. De Commissie neemt kennis van de brief van de bank die door Heye was aangezocht om de solvabiliteit van de onderneming te bevestigen, maar nu een zekerheidsstelling ontbreekt, betwijfelt de Commissie dat een particuliere financiële instelling een dergelijk risico zou hebben genomen.

(118) Gezien het voorgaande is de Commissie van mening dat het gedrag van de SRIW bij de toekenning van de lening niet kan worden gelijkgesteld met dat van een particuliere investeerder, en dat deze lening een steunelement bevat.

V.3. De afwijkingen van artikel 87

(119) Wanneer het gedrag van de autoriteiten bij een kapitaalinbreng in de vorm van participaties in een onderneming in het licht van de richtsnoeren niet blijkt overeen te stemmen met dat van een investeerder van risicokapitaal die handelt volgens de in een markteconomie normale voorwaarde, is een beoordeling op grond van artikel 87 van het EG-Verdrag geboden.

(120) De kapitaalinbreng van 350 miljoen BEF ten gunste van Verlipack en de aan Heye toegekende obligatielening van 250 miljoen BEF ten gunste van Verlipack zijn afkomstig uit staatsmiddelen en behelzen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag waaraan een steunelement van 7,125 miljoen BEF moet worden toegevoegd. Die steunmaatregelen zijn niet op grond van de afwijkingen van artikel 87, lid 2, van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar, omdat zij geen steunmaatregelen van sociale aard zijn die aan individuele verbruikers zijn verstrekt, noch bestemd zijn tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen. De afwijking van artikel 87, lid 2, onder c), is niet van toepassing. De steunmaatregelen kunnen evenmin op grond van artikel 87, lid 3, onder a), b) en d), met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden geacht. De steunmaatregelen zijn immers niet gericht op de bevordering van de economische ontwikkeling van een streek waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst in de zin van artikel 87, lid 3, onder a), in de zin van de mededeling van de Commissie inzake de wijze van toepassing van artikel 87, lid 3, onder a) en c), op regionale steunmaatregelen(28). Voorts zijn de steunmaatregelen niet bestemd om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen, noch om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen. Zij zijn evenmin bestemd om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen.

(121) Derhalve moet de Commissie de steunmaatregelen toetsen aan de afwijking van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag. In dit verband moet de toepassing van de afwijking worden onderzocht in het licht van de kaderregelingen en richtsnoeren waarin de Commissie haar uitlegging van deze afwijking op doorzichtige wijze bekend heeft gemaakt.

V.4. Herstructureringssteun

(122) In haar besluit van 19 mei 1999 tot inleiding van de procedure had de Commissie reeds de verenigbaarheid van de steunmaatregelen onderzocht op grond van de afwijking van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag alsook de toepassing van deze afwijking op grond van de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden(29), hierna ("de kaderregeling" genoemd). Volgens deze kaderregeling stelt de Commissie zich op het standpunt dat herstructureringssteun aan de ontwikkeling van de economische activiteit kan bijdragen zonder het handelsverkeer te beïnvloeden op een met het gemeenschappelijke belang strijdige wijze indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan: i) er moet een herstructureringsplan zijn dat voldoet aan alle algemene voorwaarden, en dat met name de levensvatbaarheid op lange termijn herstelt, ii) er mag geen buitensporige vervalsing van de mededinging zijn, (iii) de steun moet in verhouding staan tot de kosten en baten van de herstructurering en (iv) het herstructureringsplan moet volledig tot uitvoering worden gebracht.

(123) Volgens de kaderregeling mag herstructureringssteun normaal slechts één keer worden toegekend en moet die steun de onderneming in moeilijkheden in staat stellen na de herstructurering, op eigen kracht de concurrentie aan te gaan zonder een beroep op de staat te hoeven doen. In het licht van het voorgaande verkreeg Verlipack in april 1997 een kapitaalinbreng van 350 miljoen BEF, een financiering van 500 miljoen BEF door de toekenning van leningen aan Heye, alsook een nieuwe kapitaalinbreng van 100 miljoen BEF in december 1998 door de delging van de schuld van de groep Beaulieu jegens het Waals Gewest.

(124) Volgens België was aan de voorwaarden van de destijds geldende kaderregeling voldaan. België herinnert eraan, dat de Waalse vestigingen van Verlipack in een steunzone in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag waren gelegen.

(125) Behalve een bedrijfsplan en een investeringsplan voor een bedrag van 1,8 miljard BEF voor de twee Waalse vestigingen over de periode 1997-2001 en de door de banken toegezegde financieringen met betrekking tot een vermindering van de rentevoet en een herschikking van de aflossingen van de lopende leningen, heeft België nooit een realistisch en duidelijk herstructureringsplan ingediend. Het bedrijfsplan voorzag in een positief bedrijfsresultaat vanaf 1998. Die vooruitzichten waren evenwel niet gegrond op realistische veronderstellingen, meer bepaald met betrekking tot de marktontwikkeling. Een "strategie van de groep Heye betreffende Verlipack" die bij de nota van de SRIW van 18 december 1996 was gevoegd en de basis vormde van de financiering van de financiële inbreng van Heye-Glas, stelde een heroriëntatie van de productenmix voor naar groeisegmenten en/of -niches. Uit de beschikbare informatie blijkt tevens dat de voorziene investeringen in Verlipack de productie van de drie vestigingen in de periode 1997-2001 met gemiddeld 26 % moesten verhogen ten opzichte van de productie in 1996. Op een met overcapaciteit kampende markt had een herstructureringsplan in een vermindering van de productiecapaciteiten moeten voorzien teneinde buitensporige vervalsing van de mededinging te vermijden.

(126) Het bedrijfsplan waarop België zijn kapitaalinbreng in Verlipack en de bijkomende zijdelingse financiering door twee aan Heye toegekende leningen had gebaseerd, is, zoals blijkt uit de faillietverklaring van Verlipack in januari 1999, niet volledig ten uitvoer gelegd. Die steunmaatregelen kunnen gelet op de kaderregeling niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden geacht.

V.5. Investeringssteun

(127) De steunmaatregelen kunnen worden onderzocht als steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken. De vestigingen te Ghlin en Jumet zijn namelijk gevestigd in een steunzone in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag die in aanmerking komt voor een steunplafond van 25 % netto en 35 % bruto(30).

(128) Overeenkomstig de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen(31), kan een individuele ad-hoc-steunmaatregel ten gunste van een enkele onderneming een aanzienlijke invloed op de mededinging in de betrokken markt hebben, terwijl het gevaar bestaat dat het effect ervan op de regionale ontwikkeling te beperkt blijft.

(129) Het lijdt geen twijfel dat de door België aan Verlipack toegekende steunmaatregelen steun zijn in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag en dat die steunmaatregelen de mededinging kunnen vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Om in overeenstemming te zijn met de afwijking van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag, moeten de steunmaatregelen de ontwikkeling van de steunregio vergemakkelijken mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

(130) Verlipack is werkzaam op de markt van hol verpakkingsglas, waarop zij in België en de Europese Unie respectievelijk een marktaandeel van 20 % en 2 % heeft. Met een marktaandeel van 13 % komt de verpakkingsglasindustrie in de verpakkingssector op de derde plaats, na plastic, dat een marktaandeel van 35 % heeft en papier-karton met een marktaandeel van 32 %(32). De jaren 1996, 1997 en 1998, het tijdvak waarin België Verlipack steun heeft verleend, werden gekenmerkt door prijsdalingen die volgens Heye en de sector in het algemeen, in 1997 niet voorzienbaar waren. De snelle ongunstige ontwikkeling van de prijs van hol verpakkingsglas hield aan wegens concurrentie van andere verpakkingsproducten (PET, karton en blik) en door de ineenstorting van de Russische markt. In deze conjunctuur had de investering in Verlipack tot gevolg dat de productie van de onderneming toenam. Elke steun aan die onderneming hield het risico in dat de marktpositie van Verlipack ten opzichte van haar concurrenten in de Europese Unie werd beïnvloed.

(131) De totale voorziene investeringskosten voor de vestigingen in Wallonië bedroegen 1,8 miljard BEF. Volgens België en Heye is in 1997 en 1998 een bedrag van 294,5 miljoen BEF geïnvesteerd. Die middelen zijn volgens Heye eigen middelen. Daaruit vloeit voort, dat de door het Waals Gewest (inbreng van 350 miljoen BEF) en de SRIW (leningen voor in totaal 500 miljoen BEF) toegekende steun niet bestemd konden zijn voor investeringen in Verlipack. De steunmaatregelen kunnen derhalve niet voor de afwijking van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag in aanmerking komen.

(132) De steun kan evenmin als initiële investeringssteun worden beschouwd noch als steun voor het scheppen van werkgelegenheid die verband houdt met de totstandbrenging van een initiële investering in de zin van de genoemde richtsnoeren.

(133) Regionale steun die bedoeld is om de lopende kosten van een onderneming te verminderen (exploitatiesteun) is in beginsel verboden(33). Dergelijke steun mag evenwel bij uitzondering worden toegestaan in regio's die onder de afwijking van artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag vallen, mits de steun door de bijdrage aan de regionale ontwikkeling en de aard ervan gerechtvaardigd is en voorzover de hoogte ervan in verhouding staat tot de te verhelpen handicaps. De Commissie stelt evenwel vast dat de regio waarin de twee Waalse vestigingen gelegen zijn, niet binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag valt en dat de afwijking van het voornoemde artikel derhalve niet kan worden toegepast.

(134) Gelet op bovenstaande overwegingen kunnen de steunmaatregelen ten gunste van Verlipack niet voor de afwijkingen van artikel 87, lid 3, onder c) en a), van het Verdrag in aanmerking komen.

V.6. Nieuwe overheidsmaatregelen in het kader van het herstel in juni 1998

(135) In het kader van de op 19 mei 1999 ingeleide procedure heeft België kennisgeving gedaan van de ontwikkeling van Verlipack gedurende de maanden die voorafgingen aan en volgden op de beschikking van de Commissie van 16 september 1998. De Commissie stelt vast dat, gezien de verslechtering van de toestand van Verlipack eind mei 1998, nieuwe inspanningen van de partners (banken, groep Beaulieu en Heye) noodzakelijk waren in het kader van een op 5 juni 1998 gesloten herstelovereenkomst. Op 26 juni 1998 werd tot een nieuwe kapitaalverhoging van Verlipack besloten, waarbij Heye(34) 200 miljoen BEF zou inbrengen en 19408 nieuwe aandelen zou ontvangen en de door de groep Beaulieu aangebrachte Worldwide Investors Luxemburg 100 miljoen BEF zou inbrengen in ruil voor 9704 nieuwe aandelen.

(136) In de herfst van 1998 heeft de particuliere investeerder Worldwide Investors zich teruggetrokken en zijn aandelen overgedragen aan de groep Beaulieu die op haar beurt de aandelen heeft overgedragen aan het Waals Gewest. De overdracht is geschied als een inbetalinggeving(35) ter delging van de schuld die de groep Beaulieu jegens het Waals Gewest had voor de in december 1996 verworven aandelen ter waarde van 113712000 BEF, en die eerst vanaf 31 december 2001 moest worden afgelost, zonder dat daarover rente werd berekend. De Commissie stelt vast dat de terugtrekking van de particuliere investeerder en de inbetalinggeving ter delging van de schuld waarvan de terugbetaling op 31 december 2001 was vastgesteld, plaatsvonden enkele weken nadat Verlipack haar faillissement had aangevraagd.

(137) Volgens België kan de inbetalinggeving van december 1998 ter delging van de schulden van de groep Beaulieu jegens het Waals Gewest als een nieuwe kapitaalverhoging van Verlipack met een bedrag van 100 miljoen BEF worden beschouwd.

(138) In dit verband wenst de Commissie eraan te herinneren dat België in zijn mededeling van 10 april 1998 in antwoord op de brief van de Commissie van 26 januari 1998, gewag had gemaakt van zijn voornemen Verlipack een bedrag van 100 miljoen BEF toe te kennen in de vorm van een kapitaalinbreng of in de vorm van een langetermijnlening. Bovendien beklemtoonde België "dat het zijn voornemen niet ten uitvoer zou leggen zonder voorafgaande aanmelding bij en goedkeuring van de Commissie". Indien België van mening is dat de nieuwe maatregel van het Waals Gewest ten gunste van Verlipack in december 1998 in werkelijkheid een nieuwe verhoging van het kapitaal van Verlipack met 100 miljoen BEF behelst, is het zijn toezegging geen voornemen tot uitvoering te brengen zonder voorafgaande aanmelding bij en goedkeuring van de Commissie, niet nagekomen.

(139) Dienaangaande herinnert de Commissie eveneens aan haar brief van 14 december 1998 waarin zij een voorbehoud heeft gemaakt inzake "haar standpunt ten aanzien van alle eventuele nieuwe steun van de Waalse autoriteiten ten gunste van Verlipack". Dit standpunt is herhaald in de brief van de Commissie van 13 januari 1999. Op 4 februari 1999 heeft België verklaard dat het "nooit voornemens is geweest de periode van het gerechtelijk akkoord te financieren, met name gezien de voorwaarden van de laatste beschikking van de Europese Commissie"(36). De Commissie merkt tevens op, dat België in antwoord op de bij de Commissie ingediende opmerkingen van de belanghebbenden heeft verklaard dat zijn intentie dezelfde bleef ingeval het zou overwegen steun toe te kennen ten gunste van de nieuwe onderneming die in de oude exploitatievestiging van Verlipack Ghlin werkzaam is.

(140) Daar het een nieuwe maatregel van het Waals Gewest betreft die verband houdt met de terugbetaling van de vordering van het Waals Gewest op de groep Beaulieu voor de overdracht van zijn aandelen in de vestigingen te Ghlin en Jumet in 1996 en waarvan de nadere bijzonderheden ter kennis van de belanghebbenden zijn gebracht, beschikt de Commissie in dit stadium niet over alle noodzakelijke gegevens om de verenigbaarheid van de maatregel met artikel 87 van het EG-Verdrag te beoordelen. Derhalve heeft zij België bij schrijven van 5 juli 2000 ervan in kennis gesteld dat zij deze nieuwe maatregel in het register van de niet-aangemelde steunmaatregelen heeft ingeschreven onder nummer NN 73/2000 teneinde de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt te onderzoeken.

VI. CONCLUSIES

(141) De kapitaalinbreng van het Waals Gewest voor een bedrag van 350 miljoen BEF (8676273 EUR) ten gunste van Verlipack, in combinatie met de toekenning van twee leningen die eveneens afkomstig zijn uit staatsmiddelen, wordt als steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag aangemerkt, omdat die kapitaalinbreng niet is verricht in omstandigheden welke aanvaardbaar zouden zijn voor een particulier investeerder die handelt volgens de in een markteconomie normale voorwaarden.

(142) De toekenning van de lening van 250 miljoen BEF (6197338 EUR) door de SRIW aan Heye, doch waarvan de begunstigde Verlipack was, is een steunmaatregel in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag omdat de aanvaarding van een clausule inzake de afstand van schuldvordering bij faillissement van Verlipack niet als het gedrag van een particulier investeerder kan worden beschouwd.

(143) De toekenning van een lening van 250 miljoen BEF door de SRIW aan Heye, doch waarvan de begunstigde eveneens Verlipack was, bevat een steunelement van 7,125 miljoen BEF. Daar er geen onderpand gegeven is, kan het gedrag van de SRIW evenmin als dat van een particulier investeerder worden aangemerkt.

(144) De steunmaatregelen kunnen niet in aanmerking komen voor de afwijking van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag krachtens de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, omdat België geen duidelijk en uitvoerig op realistische veronderstellingen gebaseerd herstructureringsplan heeft overgelegd, en omdat het bedrijfsplan noch het investeringsplan volledig tot uitvoering zijn gebracht.

(145) De steunmaatregelen kunnen evenmin als investeringssteun worden beschouwd, omdat de investeringen met eigen middelen van Heye zijn verricht en de steunmaatregelen niet voor de afwijkingen van artikel 87, lid 3, onder a) en c), van het EG-Verdrag in aanmerking kunnen komen.

(146) De steun bedraagt 350 miljoen BEF voor de kapitaalinbreng en 250 miljoen BEF voor de lening, hetgeen neerkomt op een tussentotaal van 600 miljoen BEF, waaraan het in de lening van 250 miljoen BEF vervatte steunelement van 7,125 miljoen BEF moet worden gevoegd, zodat de steun in totaal 607125000 BEF bedraagt.

(147) In het licht van de bovenstaande overwegingen kan evenmin staande worden gehouden dat de kapitaalinbreng van 350 miljoen BEF van het Waals Gewest gepaard ging met de inbreng van Heye, omdat van die inbreng van 515 miljoen BEF, 500 miljoen BEF afkomstig was uit staatsmiddelen die uiteindelijk bestemd waren voor Verlipack die er als enige het genot van heeft gehad. Derhalve moet de beschikking van de Commissie van 16 september 1998 geen bezwaar te maken tegen de kapitaalinbreng van het Waals Gewest ten gunste van Verlipack, op grond van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 659/1999 worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De beschikking van de Commissie van 16 september 1998 geen bezwaar te maken tegen de kapitaalinbreng ten gunste van Verlipack wordt op grond van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag herroepen.

Artikel 2

De door België ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van de groep Verlipack voor een bedrag van 8676273 EUR (350 miljoen BEF) is met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar.

Artikel 3

De door België ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van de groep Verlipack voor een bedrag van 6197338 EUR (250 miljoen BEF) is met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar.

Artikel 4

De door België ten uitvoer gelegde staatssteun ten gunste van de groep Verlipack voor een bedrag van 6197338 EUR (250 miljoen BEF) bevat een steunelement van 176624 EUR (7,125 miljoen BEF) dat met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is.

Artikel 5

1. België neemt alle nodige maatregelen om de in de artikelen 2 tot en met 4 bedoelde en reeds onwettig ter beschikking gestelde steun van de begunstigde terug te vorderen.

2. De terugvordering geschiedt in overeenstemming met de nationaal-rechtelijke procedures. De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigde ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. De rente wordt berekend op grond van de referentierentevoet welke wordt gehanteerd ter berekening van het netto subsidie-equivalent in het kader van regionale steunregelingen.

Artikel 6

België deelt de Commissie binnen twee maanden na de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 7

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk België.

Gedaan te Brussel, 4 oktober 2000.

Voor de Commissie

Mario Monti

Lid van de Commissie

(1) PB C 29 van 4.2.1999, blz. 13.

(2) Bulletin EG 9-1984.

(3) De holding werd op 24 januari 1997 door de groep Beaulieu opgericht, zonder deelneming van het Waals Gewest.

(4) Société Régionale d'Investissement de Wallonie, société anonyme d'intérêt public (Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Wallonië, naamloze vennootschap van openbaar nut).

(5) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(6) PB C 288 van 9.10.1999, blz. 24.

(7) PB L 312 van 9.11.1982, blz. 18.

(8) Steunmaatregel N 123/85.

(9) Achtste Verslag over het mededingingsbeleid, punt 228.

(10) PB C 368 van 23.12.1994, blz. 12.

(11) Manufacture du Verre.

(12) Arrest van 11 juli 1996, Zaak C-39/94, SFEI, Jurispr., blz. I-3579, r.o. 73.

(13) Arrest van 21 maart 1991 in Zaak C-305/89, Alfa Romeo, Jurispr., blz. I-1603, r.o. 18 en 19.

(14) Arrest van 24 oktober 1996 in Zaken C-329/93, C-62/95 en C-63/95, Duitsland e.a. tegen Commissie, Jurispr., blz. 5151, punt 56.

(15) De brief van de SRIW van 21 januari 1996 aan Heye is bij de opmerkingen gevoegd.

(16) SG(97) D/7114.

(17) Voordien 7,21 %.

(18) Op 20 januari 1999 volgens de nota van 25 februari 1999 die de Commissie ter hand is gesteld bij het onderzoek dat geleid heeft tot de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag.

(19) Vonnis van 31 mei 1999 van de Rechtbank van Koophandel te Bergen waarin de faillietverklaring wordt afgewezen.

(20) Zaak T-16/96, Jurispr. blz. II-757.

(21) Onderneming die de participaties van het Waals Gewest in handelsvennootschappen beheert.

(22) Op dat tijdstip was het onderzoek van het dossier door de Commissie nog steeds gaande. De Commissie heeft haar beschikking op 16 september 1998 gegeven.

(23) Zie ook de beschikking van de Commissie van 16 september 1998.

(24) Te weten enkele weken voor het faillissement de bekentenis in januari 1999.

(25) Document van 27 februari 1997, ondertekend door R. Collignon, destijds minister-president van de Waalse regering, betreffende het opzetten van de holding: groep Beaulieu, Heye Glas en Waals Gewest.

(26) Zie het document van 27 februari 1997.

(27) Arrest van 24 oktober 1996, gevoegde zaken C-329/93, C-62/95 en C-63/95, Duitsland e.a. tegen Commissie, Jurispr. blz. 5151, r.o. 56.

(28) PB C 212 van 12.8.1988, blz. 2.

(29) PB C 368 van 23.12.1994, blz. 12.

(30) N 307/93/A - Beschikking van de Commissie van 8 juni 1994 betreffende de herziening van de ontwikkelingszones in de provincie Henegouwen, programmatie van doelstelling 1, 1994-1999.

(31) PB C 74 van 10.3.1998, blz. 9.

(32) Verre-avenir: Les chiffres clés de l'industrie du verre d'emballage.

(33) Zie punt 4.15 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen.

(34) "Perfect bekend met de statuten en de financiële situatie van de naamloze vennootschap Verlipack Holding II".

(35) Aanhangsel van 20 november 1998 bij de overdrachtovereenkomst van 18 december 1996 tussen het Waals Gewest en de groep Beaulieu welke betrekking heeft op de verwerving van 14214 aandelen.

(36) Beschikking van 16 september 1998.