32001D0834

2001/834/EG: Beschikking van de Commissie van 18 juli 2001 inzake de staatssteun van Italië aan de havensector (Voor de EER relevante tekst) (kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 2346)

Publicatieblad Nr. L 312 van 29/11/2001 blz. 0005 - 0024


Beschikking van de Commissie

van 18 juli 2001

inzake de staatssteun van Italië aan de havensector

(kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 2346)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2001/834/EG)

DE COMMISSIE VAN EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzonderheid op artikel 62, lid 1, onder a),

Gelet op Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 houdende de toepassingsvoorschriften van artikel 93 van het EG-Verdrag(1) inzonderheid op artikel 14,

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen(2) te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken,

Overwegende hetgeen volgt:

I. PROCEDURE

(1) De reorganisatie van de havensector in Italië is in 1983 aangevangen en heeft, door de afschaffing van de voorgaande regeling, een diepgaande herstructurering gevergd. De oude regeling was gebaseerd op een systeem waarbij exclusieve rechten aan havenondernemingen en aan uitsluitend uit werknemers met de Italiaanse nationaliteit bestaande havencorporaties en havengroepen werden verleend. Dit systeem is door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, in antwoord op een prejudiciële vraag voor recht, bij arrest van 10 december 1991(3), bekend als het "Haven van Genua-arrest", onverenigbaar met het EG-Verdrag verklaard.

(2) Naar aanleiding van voornoemd arrest stelden de Italiaanse autoriteiten een reeks wettelijke maatregelen vast, die erop waren gericht het havenstelsel te verenigen met het Gemeenschapsrecht. De verenigbaarheid van deze maatregelen met artikel 82 en 86 van het Verdrag is door de Commissie onderzocht in het kader van de inbreukprocedure 99/2048 (voorheen nr. 92/2221)(4).

(3) Ingevolge de verschillende havenwethervormingen zijn in de loop der jaren aanzienlijke bedragen aan overheidssteun verleend. De steun was met name gericht op een vervroegde pensionering van het overtollige havenpersoneel, op de overeenstemming van het speciale socialeverzekeringssysteem van de havensector met het verplichte nationale stelsel van werknemersverzekeringen in Italië en op de dekking van de negatieve bedrijfsresultaten van de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen.

(4) Met betrekking tot bovengenoemde steun heeft de Commissie tweemaal de procedure zoals bedoeld in artikel 88, lid 2, van het Verdrag ingeleid. Met de onderhavige definitieve beschikking op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag wordt een gezamenlijke uitspraak in de twee procedures gedaan, aangezien beide betrekking hebben op steun die met hetzelfde doel aan de Italiaanse havensector is verleend.

ZAAK C-27/93 (VOORHEEN NN 103/92)

(5) Bij brief van 25 mei 1992 meldde Italië een ontwerp-wetsdecreet(5) aan - dat vervolgens werd omgezet in wet nr. 428 van 5 november 1992(6) - betreffende steun aan de havenondernemingen en havencorporaties en -groepen. Bij de brieven van 31 juli 1992 en 15 januari 1993 werden nadere inlichtingen verstrekt. Vervolgens werd de maatregel in kwestie als "niet-aangemelde steun" aangemerkt, omdat het de Commissie ter kennis was gekomen dat het overgrote deel van de steun al was uitbetaald. Verdere steunmaatregelen voor de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen zijn achtereenvolgens uitgevaardigd bij de volgende wetten: wet nr. 236 van 19 juli 1993(7), wet nr. 84 van 28 januari 1994(8), wet nr. 343 van 8 augustus 1995(9) en wet nr. 647 van 23 december 1996(10).

(6) Italië heeft de Commissie nadere informatie verstrekt in haar brieven van 16 februari 1994, 16 en 20 januari 1995, 31 maart 1995, 22 en 24 mei 1995, 13 juni 1995, 14 juli 1995, 23 augustus 1995, 6 september 1995, 5 en 19 oktober 1995, 21 december 1995, 26 februari 1996, 30 juli 1996, 2 maart 1996, 14 mei 1996, 30 juli 1996, 8 augustus 1996, 7 oktober 1996, 10 januari 1997, 17 januari 1997, 27 maart 1997 en 6 mei 1997.

(7) Er heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden tussen de Commissie en de Italiaanse autoriteiten en wel op de volgende data: 17 juni 1992, 4 maart 1993, 5 en 6 april 1993, 5 en 11 juni 1993, 4 oktober 1993, 18 januari 1994, 8 juni 1994, 5 mei 1995, 23 november 1995, 12 december 1995, 30 januari 1996, 17 april 1996, 19 juli 1996, 5 en 6 december 1996, 12 maart 1997, 4 juni 1997, 11 december 1997 en 18 februari 1998.

(8) Bij de brieven van 3 september 1993 en 23 juni 1996, heeft de Commissie Italië op de hoogte gesteld van haar beslissing om tegen de in overweging 5 vermelde steunmaatregelen de procedure krachtens artikel 88, lid 2 (voorheen artikel 93, lid 2) van het EG-Verdrag in te leiden respectievelijk uit te breiden. Beide beslissingen zijn, met een aanmaning aan de belanghebbenden om hun opmerkingen te maken, bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(11).

ZAAK C-81/98 (VOORHEEN N-421/97)

(9) Bij brief van 27 mei 1997 gaven de Italiaanse autoriteiten kennis van de steun ingevolge een nieuw ontwerp-wetsdecreet(12) - vervolgens omgezet in wet nr. 30 van 27 februari 1998(13) - dat onder meer maatregelen ten gunste van de havens vaststelde. In haar brieven van 27 november 1997, 11 maart, 28 mei, 10 juni, 17 juli en 17 november 1998, heeft Italië de Commissie aanvullende inlichtingen verstrekt. Op 11 december 1997, 24 juli en 23 september 1998 heeft overleg plaatsgevonden tussen de Commissie en de Italiaanse autoriteiten.

(10) Bij brief van 21 januari 1999 heeft de Commissie Italië op de hoogte gesteld van haar besluit om de procedure krachtens artikel 88, lid 2, van het Verdrag in te leiden tegen de steun voor de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen, om een definitief standpunt in te nemen ten aanzien van de aan de havenautoriteiten verleende overheidssubsidies en om over te gaan tot het verzamelen van nadere gegevens over de overheidssteun voor geplande baggerwerkzaamheden in de havens.

(11) Het besluit van de Commissie om de procedure in te leiden is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(14). In dit besluit worden de belanghebbenden aangemaand hun opmerkingen ten aanzien van de steun te maken.

(12) Bij brief van 21 april 1999, heeft de Commissie Italië verzocht aanvullende inlichtingen te verstrekken. Deze zijn deels verstrekt in de brieven van 1 juni, 28 september en 25 oktober 1999. Op 17 september en 26 november 1999 heeft overleg tussen de Commissie en de Italiaanse autoriteiten plaatsgevonden.

AANMANING TOT HET VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN

(13) Een diepgaander onderzoek van de door de Italiaanse autoriteiten toegezonden informatie heeft de twijfels van de Commissie over de steun aan de havensector enkel doen toenemen, met name wat betreft het exacte bedrag van de verleende steun en de begunstigden.

(14) Op 12 juli 2000 heeft de Commissie Italië aangemaand alle informatie toe te zenden die nodig was om te kunnen beoordelen of maatregelen ten gunste van de Italiaanse havensector verenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt. In het bijzonder werden meer gegevens gevraagd over de hoogte van de overheidssteun die krachtens de wetten nrs. 428/92, 236/93, 84/94, 343/95, 647/96 en 30/98 was uitgekeerd aan de havenondernemingen en havencorporaties en -groepen (zie de overwegingen 5 en 9) en over de maatstaven die waren gehanteerd voor de toekenning van deze steun. De gegevens moesten uiterlijk een maand na de kennisgeving van het besluit worden toegezonden. Nadat het besluit op 14 augustus 2000 ter kennis van de Italiaanse regering was gebracht, verzocht deze de termijn met een maand te verlengen. Dit verzoek werd door de Commissie ingewilligd.

(15) Bij brief van 12 oktober 2000 van het ministerie van Transporten en Scheepvaart heeft Italië gevolg gegeven aan de aanmaning om inlichtingen te verstrekken. De inhoud van de brief is door de Commissie en de Italiaanse autoriteiten besproken in de vergadering van 25 oktober 2000.

(16) Naar aanleiding van het optreden van de Commissie bij de Italiaanse autoriteiten, heeft Italië haar havenwetgeving gewijzigd en in overeenstemming gebracht met het Gemeenschapsrecht (zie overweging 25). Dientengevolge heeft de Commissie op 23 mei 2001 besloten de inbreukprocedure nr. 99/2048 (zie overweging 2) af te sluiten.

II. OMSCHRIJVING VAN DE STEUN

VOORGESCHIEDENIS EN WETTELIJK KADER

(17) De door Italië verleende steun heeft betrekking op havenwerkzaamheden in verband met het verplaatsen van goederen in alle Italiaanse havens. Onder havenwerkzaamheden wordt verstaan alle werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 16, lid 1, van wet nr. 84/94, dat wil zeggen het laden, lossen, inschepen, ontschepen, overslaan, opslaan en het verplaatsen in het algemeen van goederen en andere materialen.

(18) Ten tijde van het Haven van Genua-arrest(15) bestond op de markt van de havenwerkzaamheden, zoals geregeld in de Codice della Navigazione, een dubbel monopolie:

- op de eerste plaats hielden de havenondernemingen (over het algemeen onder toezicht van de havenautoriteit) het monopolie op de organisatie van de havenwerkzaamheden. Aan deze ondernemingen was het uitsluitend recht toegekend om havenwerkzaamheden uit te voeren. Al werd dit recht aan verscheidene ondernemingen toegekend, het was echter in de praktijk systematisch beperkt tot een specifiek marktsegment (diverse goederen, containers, verse producten, enz.), waardoor men kan stellen dat het wel degelijk om een uitsluitend recht ging (op de betrokken markt). Deze ondernemingen mochten de werkzaamheden echter niet door eigen personeel laten uitvoeren;

- op de tweede plaats hielden de havencorporaties en -groepen het monopolie op de uitvoering van de havenwerkzaamheden. In elke haven werd aan een vereniging van arbeiders in de vorm van een havencorporatie of havengroep het uitsluitend recht toegekend om de nodige arbeiders ter beschikking te stellen (van de in het vorige streepje bedoelde ondernemingen) voor de uitvoering van de betrokken havenwerkzaamheden;

- bovendien mochten de schepen de goederen niet door hun eigen boordpersoneel laten laden of lossen.

(19) Overeenkomstig de Italiaanse sociale wetgeving(16) waren de havenwerknemers bovendien onderworpen aan een bijzonder verzekeringsstelsel dat zich onderscheidde van het verplichte stelsel van werknemersverzekeringen onder beheer van het Istituto Nazionale di Previdenza Sociale (INPS). Het voor de havensector ingestelde systeem berustte op een socialeverzekeringsfonds waarin de premies van de havencorporaties en -groepen werden gestort. De sociale verzekeringen en voorzieningen die deze regeling aan havenarbeiders bood, brachten rechten en plichten met zich die niet overeen kwamen met die van het Italiaanse algemene socialezekerheidsstelsel voor werknemers in dienstverband(17).

(20) In het Haven van Genua-arrest heeft het Hof van Justitie de kwestie van de havenwerkzaamheden voor conventionele vracht in de haven van Genua aandachtig onderzocht en vastgesteld dat de betrokken havenondernemingen een wettelijk monopolie hadden op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt (respectievelijk de markt van de organisatie en die van de uitvoering van de havenwerkzaamheden).

(21) Het Hof heeft derhalve geconcludeerd dat de havenondernemingen waaraan volgens de betrokken nationale regeling uitsluitende rechten waren verleend, er om die reden toe werden gebracht ofwel betaling te verlangen voor diensten waarom niet was gevraagd, ofwel buitensporige prijzen in rekening te brengen (overtreding van artikel 82, onder a), van het Verdrag), ofwel te weigeren gebruik te maken van moderne technologie (wat leidt tot het beperken van de technische vooruitgang in de zin van artikel 82, onder b)), waardoor de kosten van de werkzaamheden hoger uitvallen en voor de uitvoering hiervan een langere termijn nodig is, ofwel aan bepaalde gebruikers kortingen te verlenen, die werden gecompenseerd door een gelijktijdige verhoging van de prijzen die aan andere gebruikers in rekening werden gebracht(18) (wat indruist tegen artikel 82, onder c)).

Inbreukprocedure

(22) Naar aanleiding van het Haven van Genua-arrest zond de Commissie, na haar constatering dat Italië niet was overgegaan tot wijziging van haar wetgeving, de Italiaanse regering op 31 juli 1992 een formeel verzoek overeenkomstig artikel 90, lid 3 (momenteel artikel 86 van het Verdrag), waarin Italië werd gemaand mee te delen welke maatregelen zij voornemens was te treffen.

(23) In antwoord op de brief van de Commissie stelde de Italiaanse regering achtereenvolgens een wetsdecreet - dat achtmaal werd verlengd en vervolgens werd omgezet in wet nr. 84/94 - tot hervorming van de havenwet vast en vervolgens een nieuw wetsdecreet tot wijziging van de betrokken wet dat een vijftiental maal werd verlengd, voor de laatste keer op 21 oktober 1996, en dat vervolgens werd omgezet in wet nr. 647/96 (zie overweging 5).

(24) Op 7 mei 1997 zond de Commissie de Italiaanse regering een tweede aanmaningsbrief toe wegens het feit dat de Italiaanse havenwetgeving zoals vermeld in overweging 23 nog steeds in strijd was met het Gemeenschapsrecht. Bij Beschikking 97/744/EG(19) stelde de Commissie vast dat enkele bepalingen van wet nr. 84/94 onverenigbaar waren met het bepaalde in artikel 86, lid 3, juncto artikel 82 van het Verdrag(20).

(25) Vervolgens heeft de Italiaanse regering een reeks maatregelen vastgesteld teneinde de havenwetgeving in overeenstemming te brengen met het Gemeenschapsrecht. De nieuwe regelgeving voor de havenwerkzaamheden in Italië werd gecompleteerd met wet nr. 186 van 30 juni 2000(21), waarbij de laatste uitsluitende rechten van de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen werden ingetrokken. Op 6 februari 2001 keurden de Italiaanse autoriteiten het uitvoeringsreglement van deze wet goed(22). Bij de inwerkingtreding van dit reglement heeft de Commissie de inbreukprocedure afgesloten.

Economische context

(26) Aan het einde van de jaren tachtig verkeerde de Italiaanse havensector in moeilijkheden. Enerzijds had hij te maken met een arbeidsoverschot (meer dan 21000 werknemers) en anderzijds ondervond hij een bijzonder hevige terugslag van de internationale crisis in de zeevervoerssector. De inkomsten van de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen waren niet voldoende om de vereiste arbeidskrachten voor de veelal zeer arbeidsintensieve havenwerkzaamheden te leveren. De financiële situatie van de verenigingen van havenarbeiders en de havenondernemingen verslechterde in 1991, toen het Hof van Justitie in het Haven van Genua-arrest bepaalde dat de Italiaanse havenwetgeving in strijd was met het EG-Verdrag. Beide factoren, de economische crisis en de noodzaak van een wetshervorming, bewogen de Italiaanse regering in 1992 tot een ingrijpende hervorming van de havenstructuren, die een vitale sector van de Italiaanse economie vormen.

(27) Volgens de Italiaanse Codice della Navigazione waren de havencorporaties en -groepen coöperaties die de taak hadden hun leden werk tegen een billijk salaris te leveren zonder winst op kapitaal te produceren. Door de bescherming die hen werd gegarandeerd door de in overweging 18 genoemde rechten konden de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen in plaats van zuiver commerciële doelstellingen hun doelstelling om het niveau van de werkgelegenheid hoog te houden nastreven. Het gevolg daarvan was dat een behoorlijk aantal werknemers non-actief was en de kosten daarvan ten laste van de corporaties kwamen.

(28) Het grote aantal werknemers, die allen leden van de havencorporaties en -groepen waren, vormde een belemmering voor de invoering van reële concurrentie in de sector. Het enkel en alleen afschaffen van de uitsluitende rechten van de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen had geen oplossing voor de kwestie kunnen bieden.

STEUNMAATREGELEN

(29) In het kader van havenwethervorming heeft de Italiaanse regering steun verleend met het doel de verliezen van de havencorporaties en -groepen te dekken, het aantal actieve havenwerkers te verminderen en de socialeverzekeringspremies en de sociale voorzieningen van deze werknemers te vergoeden.

(30) De steunmaatregelen die in het kader van de procedures betreffende staatssteun C-27/93 en C-81/98 zijn onderzocht, waren geregeld bij wetten die de havensector hebben opengesteld voor concurrentie. De Italiaanse autoriteiten hebben toegelicht dat deze maatregelen zijn getroffen met het oog op de hervorming van het havensysteem en dat deze nodig waren om een economische instorting van de Italiaanse havens na afschaffing van de oude wetgeving te voorkomen.

(31) De Italiaanse autoriteiten hebben tevens gesteld dat in de periode waarin deze steun werd uitgekeerd, de havenondernemingen en havencorporaties en -groepen nog geen particuliere ondernemingen waren, maar coöperaties overeenkomstig het Italiaanse Burgerlijk Wetboek, die geen commerciële activiteiten nastreefden en slechts instellingen voor sociale zekerheid waren. De reorganisatie van de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen is pas in 1995 voltooid. Aangezien de reorganisatie destijds nog niet had plaatsgevonden, menen de Italiaanse autoriteiten dat de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen niet als ondernemingen overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het Verdrag mogen worden beschouwd.

Zaak C-27/93

(32) De beslissing tot inleiding van de procedure overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het Verdrag van 1993 betreft de steunmaatregelen bedoeld in artikel 1, lid 2, van wet nr. 428/92(23). Onderwerp van de procedure waren de 60000 miljoen ITL ter compensatie van het negatieve bedrijfsresultaat van de havenondernemingen per 31 december 1991, de 90000 miljoen ITL voor de opheffing van het Bedrijfsfonds en de 33000 miljoen ITL voor het dekken van de socialeverzekeringspremies van de havenwerkers. De steun bedoeld voor de afschaffing van het Bedrijfsfonds van de havenwerkers en het dekken van de socialeverzekeringspremies werd door de Commissie goedgekeurd, op voorwaarde dat de bij de wet vastgestelde bedragen in geen geval werden overschreden en dat de sociale verzekering van de werknemers zou worden opgenomen in het verplichte nationale stelsel van werknemersverzekeringen(24).

(33) Intussen was de Italiaanse regering, zonder enige kennisgeving vooraf, overgegaan tot betaling van een subsidie van 8510 miljoen ITL aan de havensector, ingevolge wet nr. 236/93(25) en een subsidie van 22000 miljoen ITL voor de uitkering buitengewone werkloosheid (Cassa integrazioni guadagni, CIG) ingevolge wet nr. 84/94(26).

(34) Toen bleek dat de Italiaanse autoriteiten extra steun aan de havensector hadden toegekend, besloot de Commissie in 1996 de reeds ingeleide procedure uit te breiden tot de later betaalde steun. Deze steun betrof(27):

- 400 miljard ITL ten behoeve van de reorganisatie van de havenondernemingen en havencorporaties en -groepen (300 miljard ITL voor de vervroegde uittreding van een deel van het personeel en 100 miljard ITL voor de compensatie van de tekorten per 31 december 1994) overeenkomstig wet nr. 343/95(28); en

- 1740 miljard ITL voor maatregelen ten behoeve van de vervroegde uittreding van 1050 werknemers (900 werknemers van de havencorporaties en -groepen en 150 werknemers van de havenautoriteiten), alsmede andere subsidies van sociaal belang overeenkomstig wet nr. 647/96(29).

Zaak C-81/98

(35) Deze procedure betreft successievelijke overheidsmaatregelen, die overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het Verdrag (zie overweging 9) bij de Commissie zijn aangemeld en gericht zijn op de compensatie van de negatieve bedrijfsresultaten van de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen alsmede op het dekken van een gedeelte van hun personeelskosten, met name de kosten voor de vervroegde uittreding van werknemers.

(36) Het besluit om de procedure als bedoeld in artikel 88, lid 2, van het Verdrag in te leiden betreft de maatregelen van de artikelen 8 en 9 van wet nr. 30/98(30). Wat artikel 8 betreft, heeft de Commissie de overheidsfinanciering van 9000 miljoen ITL voor de gemeente Piombino, de 20000 miljoen ITL voor de havenautoriteiten van Genua en de financiering die aan de havenautoriteiten van Ancona was toegezegd voor verbetering van de infrastructuur, niet als steun aangemerkt, aangezien de begunstigden niet als ondernemingen volgens artikel 87, lid 1, van het Verdrag mogen worden beschouwd.

(37) Wat betreft artikel 9 van wet nr. 30/98, heeft de Commissie de procedure ingeleid tegen de nieuwe steun aan de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen. Ze heeft evenwel geen standpunt ingenomen met betrekking tot de financiële steun aan de havenautoriteiten voor de pensionering van het personeel en heeft nadere inlichtingen gevraagd over de 120000 miljoen ITL die aan verschillende havens zijn betaald voor de uitvoering van een plan voor baggerwerkzaamheden.

(38) Tijdens de bovengenoemde procedures heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten herhaaldelijk verzocht haar gedetailleerde gegevens te doen toekomen over het doel en de begunstigden van de steun en opgave te doen van de exacte bedragen die voor de verschillende doeleinden waren betaald. De Commissie heeft de Italiaanse autoriteiten tevens verzocht inlichtingen te verstrekken over de verschillende maatregelen die waren getroffen ten behoeve van de reorganisatie van de havensector - en met name om toezending van een herstructureringsplan met de hoofdlijnen van de hervorming - teneinde haar in staat te stellen om aan de hand daarvan te onderzoeken of de steunmaatregelen die in het kader van het totale hervormingsplan waren genomen verenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt.

(39) De Italiaanse autoriteiten hebben naar aanleiding van de verzoeken van de Commissie om een volledige en gedetailleerde omschrijving van de hervorming en de maatregelen voor de uitvoering daarvan te verstrekken, in eerste instantie slechts fragmentarische en onvolledige informatie verstrekt. In april 1998 heeft de Commissie een financieel verslag ontvangen over de vijf grootste Italiaanse havens (La Spezia, Ravenna, Livorno, Triëst en Venetië)(31) dat enkele gegevens over de periode 1993-1996 bevatte. Uit het verslag kon worden opgemaakt dat financiële resultaten van deze havens ontmoedigend waren en dat de financiële situatie van een groot aantal havenondernemingen, havencorporaties en havengroepen op dat moment zorgwekkend was. Het verslag bevatte echter geen relevante informatie over de vooruitzichten op een herstel van de economisch-financiële rentabiliteit van de havenondernemingen en de havencorporaties noch inlichtingen over de situatie in de haven van Genua, de belangrijkste Italiaanse haven.

(40) Een ander verslag dat op 1 juni 1999 aan de Commissie is toegezonden, bevatte enkele aanvullende gegevens over de jaren 1997 en 1998 waaronder, voor de eerste maal, informatie over de haven van Genua. Vervolgens werd een derde document toegezonden met aanvullende inlichtingen over de economische vooruitzichten voor de zes grootste Italiaanse havens (Ravenna, La Spezia, Triëst, Livorno, Venetië en Genua) tot het jaar 2001. Dit verslag ging vergezeld van een advies van Ernst & Young.

(41) De gegevens over havenondernemingen en havencorporaties en -groepen van andere havens(32) die steun hadden ontvangen, waren onvolledig en er ontbrak een volledige omschrijving van alle maatregelen die ten behoeve van de hervorming waren getroffen.

Aanmaning tot het verstrekken van inlichtingen en het resultaat daarvan

(42) Op 12 oktober 2000 hebben de Italiaanse autoriteiten gereageerd op de aanmaning tot het verstrekken van inlichtingen, die hen op 12 juli 2000 was toegezonden. Op grond van de geleverde informatie was het dit keer mogelijk een helder licht te werpen op de aard en de omvang van enkele totaalbedragen waarover voorheen geen duidelijkheid bestond. Op grond van deze informatie beschikt men nu over een analytisch beeld van de steun die feitelijk aan verschillende begunstigden werd betaald en van de verschillende doelen die met elk van de onderzochte wetten werden beoogd.

(43) Het blijkt nu met name dat de steun die overeenkomstig deze wetten werd toegekend, niet uitsluitend aan de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen is betaald, maar ook aan de havenautoriteiten en de maritieme sector. In de zaken C-27/93 en C-81/98 is uitsluitend de steun aan de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen, alsmede de steun aan de havenautoriteiten in beschouwing genomen.

(44) De onderstaande tabellen bevatten de steunbedragen waarvan men vermoedde dat deze ten tijde van de aanmaningsbrief waren betaald, en de werkelijk betaalde steun per steuncategorie en per begunstigde.

Tabel 1

Maatregel ten gunste van de Italiaanse havensector - bedrag van de steun waarvan men vermoedde dat deze was betaald ten tijde van de aanmaning om inlichtingen te verstrekken

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tabel 2

(inlichtingen die na de aanmaningsbrief zijn verstrekt)

Maatregelen ten gunste van de Italiaanse havensector - bedragen van de toegekende en feitelijk uitgekeerde steun (totale bedragen)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tabel 3

(inlichtingen die na de aanmaningsbrief zijn verstrekt)

Maatregelen ten gunste van de Italiaanse havensector - bedragen van de toegekende en de feitelijk uitgekeerde steun per categorie begunstigde (totale bedragen)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(45) Uiteindelijk heeft de Commissie na de aanmaning tot het verstrekken van inlichtingen kunnen vaststellen, dat de steun zoals vastgesteld bij de verschillende goedgekeurde wetten op dit gebied, niet alleen was uitgekeerd aan de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen, maar ook aan havenautoriteiten en andere instellingen in de zeevervoerssector. De totale steun die van 1992 tot en met 1998 aan havenondernemingen, havencorporaties, havengroepen en werknemers is betaald bedraagt 1350048 miljoen ITL, een bedrag dat aanzienlijk lager is dan de aanvankelijke waardering van de Commissie (2518510 miljoen ITL). De steun werd betaald om de werknemersverzekeringen en sociale voorzieningen voor de werknemers te garanderen (233174 miljoen ITL), om het personeel in te krimpen (863846 miljoen ITL) en om het negatieve bedrijfsresultaat van de havencorporaties en -groepen te dekken (253028 miljoen ITL).

(46) De onderhavige beschikking over de zaken C-27/93 en C-81/98 heeft uitsluitend betrekking op de maatregelen die hebben geleid tot financiële steun aan havenondernemingen, aan havencorporaties en -groepen waarvan de Italiaanse havenwerkers tot 1994 deel uitmaakten, en aan individuele werknemers na 1994. Alle andere initiatieven die de Commissie heeft genomen of zou kunnen nemen met betrekking tot financieringen aan havenautoriteiten of begunstigden in de zeevervoerssector zijn van deze beschikking uitgesloten.

III. OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN

Zaak C-27/93

(47) Naar aanleiding van het besluit van de Commissie van 1996 om de in 1993 ingeleide procedure uit te breiden, zond de Duitse regering bij brief van 12 december 1996 haar opmerkingen toe. De Duitse regering stelde, dat zowel steun waarmee aanzienlijke bedragen zijn gemoeid als herhaaldelijke steunmaatregelen van lidstaten voor de reorganisatie van de havensector inderdaad nauwlettend door de Commissie moeten worden onderzocht aan de hand van artikel 87 van het Verdrag. Tevens meent zij dat overheidssubsidies voor dergelijke maatregelen van sociaal belang en voor de financiering van de haveninfrastructuur niet als staatssteun mogen worden aangemerkt, terwijl financieringen voor de installaties wel als staatsteun moeten worden beschouwd.

(48) De Commissie heeft de opmerkingen van de Duitse regering bij brief van 16 april 1997 aan Italië toegezonden. De Italiaanse regering heeft bij brief van 13 mei 1997 geantwoord.

Zaak C-81/98

(49) Naar aanleiding van het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure, heeft de Duitse havenfederatie (Zentralverbund der Deutschen Seehafenbetriebe - ZDS) bij brief van 12 mei 1999 haar opmerkingen ingediend. Volgens de ZDS zijn de activiteiten van de havenautoriteiten, op grond waarvan beoordeeld moet worden of deze al dan niet als ondernemingen in de zin van artikel 87 kunnen worden aangemerkt, niet duidelijk. Tevens steunt de ZDS de Commissie in haar besluit de procedure in te leiden tegen de aan de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen verleende steun.

(50) De Commissie heeft Italië de opmerkingen van de ZDS bij brief van 27 mei 1999 toegezonden. De Italiaanse regering heeft bij brief van 28 juli 1999 geantwoord.

IV. BEOORDELING VAN DE STEUN

A. TOEPASBAARHEID VAN ARTIKEL 87, LID 1, VAN HET VERDRAG

(51) Overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(52) De vervolgens door de Italiaanse autoriteiten aangenomen wetten ter ondersteuning van de herstructurering van de havensector, hebben geleid tot een reeks steunmaatregelen waartegen de Commissie twee maal de procedure als vermeld in artikel 88, lid 2, van het Verdrag heeft ingeleid.

(53) De ernstige twijfels die de Commissie heeft over de aard en de verenigbaarheid van de ingevolge de wetten nrs. 428/92, 236/93, 84/94, 343/95, 647/96 en 30/98 toegezegde steun, berusten op de volgende gronden:

- de steun wordt bekostigd uit staatsmiddelen, dat wil zeggen of direct door de staat (overheid, regio's, lokale instanties) of indirect door middel van de oprichting van fondsen zoals de Cassa integrazione guadagni straordinaria (uitkering buitengewone werkloosheid) en de Casa estiva di Dovadola (zie overweging 74) en uit het Bedrijfsfonds (zie overweging 81), of door middel van betalingen van particuliere instellingen die onder leiding van de staat opereren. Deze financieringen vormen derhalve een kostenpost op de staatsbegroting;

- de betaalde steun heeft een selectief karakter omdat deze het verlenen van bepaalde diensten van de havenondernemingen en havencorporaties en -groepen in Italiaanse havens begunstigt. Op het gebied van het verplaatsen van goederen (dat wil zeggen laden/lossen en opslag) ondervinden de ondernemingen zowel in een en dezelfde haven als in de andere havens concurrentie van elkaar;

- ingevolge het Haven van Genua-arrest werd het noodzakelijk particuliere overslagbedrijven toe te staan om in concurrentie te treden met de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen. De door de staat betaalde steun vervalst de mededinging of dreigt deze te vervalsen door de begunstiging van deze havenondernemingen en havencorporaties en -groepen. Op grond van de eindbestemming van de goederen kan immers vaak voor het laden en lossen van de door de schepen vervoerde goederen tussen de verschillende havens worden gekozen. Dit betekent dat de betrokken havenondernemingen en havencorporaties en -groepen - met inbegrip van ondernemingen die in de belangrijkste Italiaanse havens met internationaal verkeer werkzaam zijn - feitelijk of in aanleg ondernemingen zijn die de markt van de goederenbeweging delen met havenbedrijven in andere Italiaanse en Europese havens. Vanuit dit oogpunt beschouwd beïnvloedt de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig.

(54) Bovendien meent de Commissie(33) dat, ook al hebben de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen op het moment waarop de steun werd betaald geen concurrentie van betekenis van derden ondervonden, de betrokken steun waarschijnlijk ook van invloed is geweest op de kosten van de havenwerkzaamheden. Zoals het Hof van Justitie heeft gesteld, kon de concurrentieverstoring door de extra kosten van de loswerkzaamheden, door het effect ervan op de prijs van de goederen, de import en derhalve het vrije verkeer tussen de lidstaten beïnvloeden(34).

Juridische status van de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen

(55) Afgezien van de werkelijke juridische status van de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen, die door het leveren van arbeidsprestaties bijdroegen aan de uitvoering van de werkzaamheden van de havenondernemingen, moet erop worden gewezen dat elk bedrijf dat economische activiteiten van commercieel belang verricht, moet worden beschouwd als een onderneming overeenkomstig het communautaire mededingingsrecht(35). Dientengevolge is het argument van de Italiaanse autoriteiten, dat de voorschriften voor staatssteun niet van toepassing zouden zijn op de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen, niet gegrond en derhalve niet aanvaardbaar.

(56) De Italiaanse autoriteiten beroepen zich op een uitzondering op de mededingingsregels op grond van de specifieke juridische status van de havencorporaties en -groepen. Het spreekt voor zich dat de in artikel 86, lid 2, van het EG-Verdrag neergelegde uitzondering in dit geval niet van toepassing is, aangezien de havenondernemingen en/of de havencorporaties en -groepen niet waren belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang. Hun activiteiten dienen niet een algemeen economisch belang dat deze onderscheidt van andere economische activiteiten(36).

(57) Het Hof van Justitie heeft niettemin tevens bepaald dat "het begrip werknemer in de zin van artikel 48 van het EG-Verdrag onderstelt, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning ontvangt. Aan deze kwalificatie wordt niet afgedaan door het feit dat de werknemer zich ten aanzien van de onderneming weliswaar in een verhouding van ondergeschiktheid bevindt, doch met de overige werknemers van de onderneming in een vereniging is verbonden"(37).

(58) Het wordt dienstig geacht te benadrukken dat de werknemers, leden van de havencorporaties en -groepen, de betrokken werkzaamheden voor de havenondernemingen en onder hun leiding verrichtten. Volgens de rechtspraak van het Hof moeten zij derhalve worden beschouwd als "werknemers" overeenkomstig artikel 39 van het Verdrag(38). Als zodanig zijn de havenarbeiders geen "ondernemingen" volgens het communautaire mededingingsrecht. Ongeacht de werkelijke aard van de havencorporaties en -groepen, moet erop worden gewezen dat de havenwerkers die in een havengebied als rechtspersoon zijn erkend, zelfs wanneer zij collectief worden beschouwd, niet als onderneming kunnen worden aangemerkt(39).

Categorieën steun

(59) Met de bovengenoemde steunmaatregelen werden de volgende doelen nagestreefd:

- de havenwerkers passende sociale verzekeringen en voorzieningen garanderen,

- het aantal actieve werknemers in de sector verminderen en

- de schulden en de verliezen van de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen dekken.

In elk geval heeft de rechtspraak van het Hof van Justitie steeds gesteld dat artikel 87, lid 1, van het Verdrag de door de staat vastgestelde steunmaatregelen niet onderverdeelt op grond van de doelen of doelstellingen, maar deze uitsluitend definieert aan de hand van het effect daarvan.

(60) In het antwoord op de aanmaningsbrief stellen de Italiaanse autoriteiten dat de verenigbaarheid van de wetten nrs. 428/93, 84/94, 343/95, 647/96 en 30/98 met de communautaire regels inzake staatssteun niet op abstracte wijze moet worden beoordeeld en dat rekening moet worden gehouden met de economische context die tot de vaststelling van deze wetten heeft geleid, namelijk een herstructurering van de havensector die uiteindelijk heeft geleid tot een geleidelijke toename van de concurrentie in de markt voor havendiensten in Italië.

(61) De Commissie heeft bij de beoordeling van de bovenvermelde steunmaatregelen rekening gehouden met dit argument. In het besluit van 1996 tot uitbreiding van de procedure overeenkomstig artikel 88, lid 2, zoals vermeld in zaak C-27/93, deelde de Commissie de Italiaanse regering immers al mee dat de aspecten van de mededinging, waarop de inbreukprocedure betrekking had, nauw verband hielden met de staatssteun.

MAATREGELEN TER BESCHERMING VAN HET SOCIALEZEKERHEIDSSTELSEL VAN DE HAVENARBEIDERS

(62) Wat betreft de maatregelen ter bescherming van het socialezekerheidsstelsel van de havenarbeiders, is de Commissie van mening(40) dat selectieve verlichting van de sociale lasten ten gunste van bepaalde ondernemingen in een van de lidstaten, ongeacht of het individuele, regionale of sectorale selectiviteit betreft, wat betreft het in mindering gebrachte deel van de lasten kan worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag, oftewel steun die de mededinging vervalst en de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(63) Bij de inleiding van het formele onderzoek ingevolge artikel 82, lid 2, van het Verdrag, bestonden sterke vermoedens dat de volledige vrijstelling van de betaling van sociale lasten, die was toegekend aan de havenondernemingen en havencorporaties op grond van de wetten nrs. 428/92, 236/93, 84/94, 343/95, 647/96 en 30/98, een vorm van staatssteun behelsde die het Verdrag principieel verbiedt. Over het algemeen gaat de Commissie ervan uit dat bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor alle kosten die voortvloeien uit wettelijke bepalingen en/of overeenkomsten die de bedrijven zelf met hun werknemers hebben afgesloten, los van het feit of deze bepalingen of overeenkomsten gericht zijn op de herstructurering van het bedrijf en los van andere aspecten die extra sociale lasten met zich brengen.

(64) Genoemde lastenverlichting is bovendien selectief omdat deze niet aan ondernemingen in andere sectoren is toegekend. Een verzwarende factor bij deze conclusie was het feit dat de successievelijke steunmaatregelen ten uitvoer werden gebracht zonder voorafgaande kennisgeving aan de Commissie, terwijl de inlichtingen die door de Italiaanse overheid werden verstrekt met betrekking tot de herstructurering van de havenondernemingen en havencorporaties, onsamenhangend en onvolledig bleken te zijn.

(65) Uitsluitend na de formele aanmaning tot het verstrekken van inlichtingen gedateerd op 12 juli 2000 (zie overweging 14), heeft de Commissie kunnen vaststellen wat het exacte bedrag aan uitgekeerde steun was, wie de begunstigden waren en - met name - wat de specifieke kenmerken waren van de steun die was toegekend aan de havenondernemingen, de havencorporaties en -groepen en de havenarbeiders. Op grond van de na deze aanmaning verstrekte inlichtingen heeft de Commissie het aanvankelijk ingenomen standpunt(41) met betrekking tot de maatregelen ter garantie van het socialezekerheidsstelsel voor de havenarbeiders moeten herzien. De redenen hiervoor staan vermeld in de hierna volgende overwegingen 66 tot 75.

(66) Op de eerste plaats zijn deze maatregelen niet getroffen ten gunste van de havenondernemingen of de havencorporaties en -groepen (de havencorporaties en de havengroepen zijn in 1994 ontbonden), maar ter bescherming van het stelsel van werknemersverzekeringen en sociale voorzieningen voor de havenarbeiders. Bij de voorheen bestaande regeling vielen de havenarbeiders niet onder het algemene stelsel van werknemersverzekeringen (INPS), maar beschikten zij over een eigen socialezekerheidsstelsel op coöperatieve grondslag(42) dat rechtstreeks verband hield met de uitsluitende rechten die de havenarbeiders genoten. Dit stelsel had een aantal bijzondere kenmerken waarmee het zich onderscheidde van het algemene stelsel van het INPS en het was op een volledig andere wijze georganiseerd.

(67) In 1992 werd het Fonds voor het socialezekerheidsstelsel van de havenarbeiders van de havencorporaties opgeheven. Gezien de problemen die de herstructurering van de sector met zich mee bracht en, met name, gelet op het grote aantal betrokkenen (meer dan 21000 havenarbeiders waarvan ongeveer 7500 actief - zie overweging 78, tabel 4) en de administratieve beperkingen bij het overbrengen van deze werknemers naar het INPS, was het de Italiaanse overheid niet mogelijk de werknemers direct in het normale stelsel van werknemersverzekeringen onder te brengen. De overdracht liep vertraging op en werd bemoeilijkt door een proces dat door de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen werd aangespannen tegen de Staat.

(68) Op de tweede plaats heeft de Italiaanse overheid tevens bevestigd dat de havenondernemingen, nadat deze in commerciële ondernemingen waren omgezet, voor wat betreft de voor Italiaanse bedrijven verplichte premieafdracht voor de financiering van het INPS, onder de normale sociale wetgeving vielen.

(69) Op de derde plaats waren de regelingen op grond van bovengenoemde wetgeving bedoeld ter garantie van de werknemersverzekeringen en de sociale voorzieningen voor het merendeel van de havenarbeiders die tot eind 1994 waren aangesloten bij de havencorporaties en -groepen en die daarna als ongebonden havenarbeiders in de haven werkzaam zijn gebleven. Deze maatregelen hebben niet geleid tot ontheffing van plichten terzake van de premieafdracht van de nieuwe havenondernemingen noch tot verlaging van het bedrag dat deze ondernemingen aan het INPS dienen af te dragen(43).

(70) De Italiaanse overheid heeft tevens bevestigd dat deze maatregelen bedoeld waren als dekking voor directe en aanvullende sociale voorzieningen voor havenarbeiders, waaronder ziektekostenverzekering, bedrijfsongevallenverzekering, arbeidsongeschiktheidsverzekering, werkloosheidsvoorziening en bescherming van de rechten van gepensioneerde arbeiders. De hoogte van de krachtens de bovengenoemde wetgeving uitgekeerde steun werd vastgesteld op basis van de rechten en plichten in het kader van het verplichte socialezekerheidsstelsel die voor de havenarbeiders golden op grond van de voorheen bestaande regeling (zie overweging 19). Deze maatregelen dienden ter overbrugging van de periode tussen de afschaffing van het eigen socialezekerheidsstelsel van de havenarbeiders en het moment dat zij in het INPS werden opgenomen, ongeacht hun arbeidsverhouding met de havenondernemingen (zie overweging 69, eind).

(71) De overgangsregeling op het gebied van de sociale zekerheid voorzag erin dat de sociale uitkeringen aan de havenarbeiders in sommige gevallen rechtstreeks door het INPS werden betaald en in andere gevallen via de havenondernemingen (voordat deze in 1995 werden omgezet) en de havencorporaties (ontbonden in 1994), die de voorzieningen namens het INPS aan de betrokken havenarbeiders uitkeerden en deze later van het INPS vergoed kregen(44).

(72) Ten slotte vormden de maatregelen ter garantie van het socialezekerheidsstelsel van de havenarbeiders een essentieel onderdeel van het transformatieproces van de status en modus operandi van de havenondernemingen en havencorporaties en, uiteindelijk, van de geleidelijke openstelling van de markt voor de concurrentie. Deze maatregelen waren noodzakelijk omdat de havenarbeiders niet onder het algemene socialeverzekeringssysteem vielen. De maatregelen in kwestie hadden tot doel de havenarbeiders na het afschaffen van de oude sociale wetgeving in de sector, dezelfde mate van sociale zekerheid te garanderen als die welke alle overige werknemers in Italië in de andere sectoren van de economie genieten.

(73) Ten aanzien hiervan moet erop worden gewezen dat de arbeidswetgeving van de lidstaten kan voorzien in algemene regelingen voor sociale zekerheid die niet moeten worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag, voorzover de overheid een directe verhouding met de werknemers heeft en het bedrijf hierbij niet direct betrokken is(45). Deze conclusie geldt ook wanneer een andere organisatie dan het landelijke uitvoeringsorgaan van de sociale zekerheid in de rechten en de rechtsvorderingen van de werknemers treedt(46).

(74) Om bovengenoemde redenen is de Commissie van mening dat

- de bedragen die zijn uitgekeerd ter financiering van de overgangsregeling voor de sociale zekerheid van de havenarbeiders ("Uitkering buitengewone werkloosheid" en "Regeling ongeschiktheid voor het werk in de haven"), voor een totaal van 231920 miljoen ITL en

- de bedragen die zijn uitgekeerd voor andere zaken op sociaal gebied (zoals voor het "Casa di Dovadola", een tehuis voor de werknemers) voor een totaal van 1254 miljoen ITL,

de havenondernemingen of havencorporaties en -groepen niet rechtstreeks hebben begunstigd en de mededinging niet hebben vervalst of gedreigd te vervalsen in de zin van artikel 87, lid 1.

(75) Dit standpunt is conform de lijn die de Commissie steeds heeft aangehouden met betrekking tot dergelijke maatregelen(47). Bovendien heeft de Italiaanse overheid bevestigd, zoals door de Commissie bij de inleiding van de procedure was verzocht, dat het socialezekerheidsstelsel van de havenarbeiders tegenwoordig definitief is opgegaan in het algemene stelsel van werknemersverzekeringen.

MAATREGELEN GERICHT OP HET BEPERKEN VAN HET AANTAL ARBEIDSKRACHTEN IN DE HAVENSECTOR

(76) Volgens de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden(48) mag de arbeidswetgeving van lidstaten voorzien in algemene regelingen op het gebied van sociale zekerheid waarbij de werkloosheidsuitkeringen en uitkeringen in het kader van VUT-regelingen direct aan de betrokken werknemers worden betaald. "Indien deze regelingen voor alle sectoren gelden en algemeen en automatisch voor elke werknemer beschikbaar zijn die aan vooraf vastgestelde voorwaarden voldoet, worden zij voor de ondernemingen die een herstructurering uitvoeren niet als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, aangemerkt. Worden zij daarentegen gebruikt om de herstructurering in specifieke bedrijfstakken te ondersteunen, dan kunnen zij wegens de selectieve wijze waarop zij worden toegepast, wel als steun worden aangemerkt."(punt 3.2.7).

(77) De steun die krachtens de onderzochte wetten is toegekend, bestaat uit de betaling door de Italiaanse overheid van aanzienlijke bedragen aan de havenondernemingen en havencorporaties en -groepen met als beoogd doel het verminderen van het aantal economisch actieve havenarbeiders die bij de havenondernemingen en havencorporaties zijn aangesloten.

(78) De Italiaanse overheid rechtvaardigt het toekennen van de steun op grond van het feit dat hervorming van de havensector een drastische vermindering van het aantal havenarbeiders met zich mee heeft gebracht. Van meer dan 21000 actieve arbeiders in 1983, het jaar waarin de hervorming begon, is het aantal actieve arbeiders afgenomen tot 4000 in 1999.

Tabel 4

Ontwikkeling van het aantal economisch actieve havenarbeiders in de Italiaanse havens

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(79) De havenondernemingen en havencorporaties zouden anders nooit hebben kunnen overgaan tot de nodige vermindering van het aantal overtollige arbeidskrachten. De havenondernemingen en havencorporaties hebben zich juist sterk verzet tegen het voornemen van de Italiaanse overheid om het aantal arbeidskrachten te beperken en hebben getracht deze maatregelen via de rechter te laten blokkeren.

(80) Een dergelijke hervorming is in overeenstemming met het communautaire beleid ten aanzien van havens volgens het Groenboek Haven en Maritieme Infrastructuur(49) en de ontwerp-richtlijn inzake de havendiensten(50). Wat betreft de commerciële dienstverlening voor het verplaatsen van goederen bestond er een tendens in de richting van een overgang van overheidsbedrijven naar private ondernemingen, met name met het oog op een verbetering van de efficiency. Gezien dit doel zijn in diverse lidstaten hervormingen doorgevoerd die waren gericht op het aanpassen van de havenstructuren aan de nieuwe eisen ten gevolge van technologische ontwikkelingen en de verhevigde concurrentie in de sector.

(81) Met betrekking tot de uitkeringen in het kader van de Regeling bij beëindiging van de diensten (TFS), heeft de Italiaanse overheid uitgelegd dat deze uitkeringen in overeenstemming zijn met de voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het nakomen van het akkoord inzake gepensioneerde arbeiders voor de periode 1984-1989. Deze uitkeringen moesten volgens een ministeriële circulaire worden betaald uit de middelen van het Bedrijfsfonds om te voldoen aan de financiële verplichtingen die verbonden zijn aan de vervroegde uittreding. De opheffing van bovengenoemd fonds is het resultaat van een langdurig proces dat door de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen was aangespannen tegen de liquidateurs van het Fonds en de Italiaanse regering. Na een uitspraak van de Italiaanse rechterlijke macht, was de Italiaanse regering gedwongen tot uitvaardiging van wet nr. 647/96 betreffende het scheppen van de voorzieningen die nodig zijn voor de uitkeringen aan de gepensioneerde arbeiders. Genoemde wet kent aan de arbeiders in kwestie het recht toe dat werknemers in alle andere sectoren is toegekend krachtens artikel 2120 van het Italiaans burgerlijk wetboek (regeling beëindiging arbeidsverhouding, TFR).

(82) In de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden wordt dit bevestigd: "Naast rechtstreekse voorzieningen voor werknemers bij ontslag en vervroegde uittreding bestaan dikwijls algemene sociale regelingen, waarmee de overheid de kosten van de uitkeringen dekt die de ondernemingen aan ontslagen werknemers verstrekt en die verder gaan dan haar wettelijke of contractuele verplichtingen". Zoals reeds vermeld onder overweging 76 geldt dat "Indien deze regelingen voor alle sectoren gelden en algemeen en automatisch voor elke werknemer beschikbaar zijn die aan vooraf vastgestelde voorwaarden voldoet, worden zij voor de ondernemingen die een herstructurering uitvoeren niet als steun in de zin van artikel 87, lid 1, aangemerkt."(51).

(83) Uit de door de Italiaanse overheid verschafte inlichtingen blijkt dat de steun, gericht op het verminderen van het aantal havenarbeiders, ten goede is gekomen aan de havencorporaties en -groepen waarbij de arbeiders tot 1994 waren aangesloten en - daarna - bij diezelfde havenarbeiders. Zoals reeds vermeld bij overweging 58 vormden de havenarbeiders op zich geen "onderneming" volgens het communautaire mededingingsrecht. De steun was niet bestemd voor havenondernemingen waarmee de havenarbeiders in de periode dat de TFS-akkoorden werden gesloten geen arbeidsrelatie onderhielden.

(84) Bovendien zijn deze maatregelen genomen bij wijze van uitzondering, aangezien het Italiaanse socialezekerheidsstelsel niet op de havensector van toepassing was. Het gaat om maatregelen die noodzakelijk zijn gezien de leemte die in de regelgeving ontstond met het afschaffen van de specifieke sociale regelgeving voor de havensector(52). Hoewel deze maatregelen buiten het bereik van het socialezekerheidsstelsel zijn uitgevoerd, werden zij genomen ter bescherming van een categorie werknemers die werd getroffen door een structurele hervorming van een complete sector van de economie.

(85) De hierboven uiteengezette redenen hebben de Commissie ertoe gebracht te concluderen dat de steunmaatregelen op grond van de Italiaanse wetten nrs. 428/92, 236/93, 84/94, 343/95, 647/96 en 30/98, gericht op het dekken van de sociale lasten verbonden aan de pensionering van havenarbeiders en noodzakelijk in het kader van de structurele hervorming van de sector, niet kunnen worden aangemerkt als staatssteun die onder de toepassing van artikel 87, lid 1, van het Verdrag valt.

STEUNMAATREGELEN GERICHT OP HET DEKKEN VAN DE SCHULDEN EN VERLIEZEN VAN DE HAVENONDERNEMINGEN EN HAVENCORPORATIES

(86) De verleende steun met als beoogd doel het dekken van de bij de commerciële activiteiten geboekte schulden en verliezen van de havenondernemingen en havencorporaties geldt als onder de toepassing van artikel 87, lid 1, van het Verdrag vallende staatssteun.

(87) Deze bedrijfssteun heeft de havenondernemingen begunstigd, aangezien het een verlichting vormde van de lasten die ondernemingen in het kader van hun normale activiteiten behoren te dragen. Om bovengenoemde redenen, bestaat het gevaar dat ook deze maatregelen de mededinging vervalsen en de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden.

Onrechtmatig toegekende staatssteun

(88) Door de steunmaatregelen ten gunste van de havenondernemingen niet aan te melden, heeft de Italiaanse overheid gehandeld in strijd met artikel 88, lid 3, van het Verdrag. De Commissie is niet in staat geweest haar opmerkingen omtrent de maatregelen te maken voordat deze vanaf 1992 werden uitgevoerd.

B. VERENIGBAARHEID VAN DE STEUNMAATREGELEN

(89) Nadat zij heeft vastgesteld dat de maatregelen bedoeld als compensatie voor de tekorten van de havenondernemingen staatssteun vormen in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag, dient de Commissie te controleren of deze kunnen worden aangemerkt als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt overeenkomstig artikel 87, lid 2 of lid 3, van het Verdrag. Het Hof van Justitie heeft reeds verklaard dat artikel 86, lid 2, van het Verdrag zo moet worden uitgelegd dat Italiaanse havenondernemingen en/of havencorporaties niet kunnen worden geacht "te zijn belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang in de zin van deze bepaling"(53).

(90) Onder verwijzing naar artikel 87, lid 2, voldoet de steun niet aan de voorwaarden vermeld onder a), die betrekking hebben op sociale steunmaatregelen ten behoeve van afzonderlijke verbruikers, en evenmin aan de voorwaarden vermeld onder c).

(91) De steun voldoet evenmin aan de vereisten op grond waarvan deze onder de afwijkende bepaling van artikel 87, lid 2, onder b), zou vallen, aangezien de herstructurering van een economische sector, onder andere als gevolg van de onverenigbaarheid van sommige bepalingen uit de nationale wetgeving met het Gemeenschapsrecht, niet kan worden aangemerkt als uitzondering overeenkomstig deze bepalingen.

(92) Artikel 87, lid 3, bevat een overzicht van andere vormen van steun die als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd. De verenigbaarheid moet echter worden gezien vanuit het standpunt van de Gemeenschap in haar geheel en niet onder verwijzing naar een louter nationale context. Om het correct functioneren van de gemeenschappelijke markt te garanderen en rekening houdend met het principe van artikel 3, onder g) van het Verdrag, moeten de onder artikel 87, lid 3, genoemde uitzonderingen restrictief worden geïnterpreteerd.

(93) Onder verwijzing naar de uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 87, lid 3, onder b) en d), blijkt het evident te zijn dat de steunmaatregelen in kwestie niet waren gericht op projecten met een gemeenschappelijk Europees belang, noch op het stimuleren van de cultuur en het behoud van het cultureel erfgoed. De Italiaanse overheid heeft ook niet getracht de steun te rechtvaardigen met een beroep op het feit dat deze was toegekend ter bestrijding van een ernstige verstoring van de Italiaanse economie.

(94) Met betrekking tot de afwijking zoals bedoeld in artikel 87, lid 3, onder a), heeft de Italiaanse overheid de steunmaatregelen niet gerechtvaardigd als zijnde een bijdrage voor de regionale ontwikkeling, noch heeft zij gewag gemaakt van het bestaan van regionale achterstand die met behulp van de steunmaatregelen aan de havensector zou moeten worden weggewerkt. Derhalve is er in het onderhavige geval geen sprake van de voorwaarden die zouden kunnen leiden tot een goedkeuring van de steunmaatregelen overeenkomstig de richtsnoeren voor regionale steunmaatregelen, voor de regio's zoals bedoeld in artikel 87, lid 3, onder a)(54).

(95) Al met al is, zoals aangegeven in het besluit tot inleiding van het formele onderzoek, de enige afwijking die eventueel van toepassing zou kunnen zijn, de afwijkende bepaling zoals vermeld in artikel 87, lid 3, onder c), betreffende de "steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid [...] te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad".

(96) De steun gericht op het dekken van schulden en tekorten van de havenondernemingen werd noodzakelijk geacht voor de herstructurering van de havenondernemingen en om deze ondernemingen in staat te stellen te concurreren onder de nieuwe marktvoorwaarden voortvloeiend uit de hervorming van de havenwetgeving. Dergelijke herstructureringssteun kan worden aangemerkt als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wanneer aan de gestelde eisen is voldaan. Een overzicht van deze eisen is opgenomen in de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, van kracht sinds 1994, alsmede in het achtste verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid(55) voor de daaraan voorafgaande periode. Bij toepassing van deze twee groepen regelgeving, kan reddingssteun voor ondernemingen alleen worden verstrekt voor de periode die nodig is om een noodzakelijk en realistisch herstelplan op te stellen (doorgaans niet langer dan zes maanden). De herstructureringssteun kan uitsluitend worden verstrekt op basis van een adequaat herstructureringsplan.

(97) Hoewel de Italiaanse autoriteiten zich bij voortduring hebben beroepen op de moeilijke situatie waarin de Italiaanse havenondernemingen na de havenwethervorming verkeerden (bijvoorbeeld ontbinding van de havencorporaties en -groepen of de erfenis van een zware schuldenlast als gevolg van inefficiëntie door de inzet van overtollige arbeidskrachten), heeft zij de Commissie nooit een daadwerkelijk herstructureringsplan overeenkomstig de genoemde communautaire richtlijnen doen toekomen, ondanks de talloze brieven en verzoeken om inlichtingen die de Commissie de Italiaanse autoriteiten hieromtrent heeft gestuurd.

(98) Desondanks heeft de Commissie de door de Italiaanse overheid verstrekte inlichtingen onderzocht om na te gaan of was voldaan aan de voorwaarden die zij doorgaans stelt voor het goedkeuren van herstructureringssteun. Uit de door de Italiaanse overheid verstrekte verslagen blijkt dat de veranderingen in de positie van havenondernemingen, hoofdzakelijk bestonden uit het structureel splitsen van de activiteiten. Binnen de beperkingen van de beschikbare informatie blijkt dat de havenondernemingen in de vijf verschillende havens (La Spezia, Ravenna, Livorno, Triëst en Venetië) waarop de door de Italiaanse overheid verstrekte verslagen betrekking hebben (zie overweging 40), zijn ondergebracht in twee tot vier ondernemingen. Deze zijn verantwoordelijk voor het beheer van de goederen die toebehoorden aan de ontbonden havencorporaties, het leveren van arbeidsprestaties of het uitvoeren van havenwerkzaamheden. In de haven van Genua zou een dergelijke splitsing niet tot stand zijn gebracht. Voor de vijf genoemde havens zijn de gegevens over de afzonderlijke ondernemingen apart onderzocht. Er moet echter worden opgemerkt dat het laden, lossen, overslaan, opslaan en verplaatsen van goederen in het algemeen, niet mogelijk is zonder de betrokkenheid van alle aparte ondernemingen die zijn voorgekomen uit de omzetting van de havencorporaties in commerciële bedrijven en dat deze ondernemingen hierdoor feitelijk als één onderneming moeten worden beschouwd. Deze conclusie wordt mede versterkt door het feit dat dezelfde groep aandeelhouders een meerderheidsbelang heeft in de bedrijven die bij het opdelen zijn ontstaan en doordat, volgens informatie die de Commissie is verstrekt, duidelijk blijkt dat de contractuele verhoudingen tussen de bedrijven niet kunnen worden gezien als normale zakelijke verhoudingen.

(99) Bij de motivering van de bedrijfssteun aan de havenondernemingen, maken de Italiaanse autoriteiten aan de hand van de gegevens over zes belangrijke Italiaanse havens een onderscheid tussen twee perioden:

- In 1993 en 1994, dat wil zeggen voorafgaand aan de hervorming van de sector, waren de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen nog steeds overheidsbedrijven die zorgden voor de inzet van de arbeiders volgens de criteria en methoden van de voorheen geldende regeling. In die jaren was de rentabiliteit van de havenondernemingen en havencorporaties duidelijk negatief, met een netto negatief bedrijfsresultaat van meer dan 30000 miljoen ITL. De Italiaanse overheid rechtvaardigt de dekking van het tekort vóór 1995 door erop te wijzen dat het een ingreep betrof die noodzakelijk was om de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen - eenmaal ontheven van hun operationele verplichtingen - een voldoende evenwichtige structuur wat betreft de verhouding activa/passiva te geven en hen hiermee in staat te stellen nieuwe commerciële activiteiten te ondernemen.

- In de periode van 1995 tot 1998, waarin de havenondernemingen en havencorporaties als private ondernemingen onder de nieuwe regeling werkten, zou er - nog steeds volgens de Italiaanse overheid - een geleidelijke verbetering van de productiviteit en bedrijfsresultaten zichtbaar zijn. Deze zou een teken zijn voor een waarschijnlijk herstel van de financieel-economische doelmatigheid van de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen binnen een paar jaar(56). De havenondernemingen en havencorporaties bleven evenwel verliesgevend zodat de Italiaanse overheid gedwongen was nieuwe bedrijfssteun te verstrekken voor een totaal van 100000 miljoen ITL in 1998.

(100) Samenvattend kan de Commissie op basis van de inlichtingen betreffende de jaren 1993-1998 die door de Italiaanse overheid voor de zes nader onderzochte havens zijn verstrekt, de volgende conclusies trekken:

- Over het geheel genomen is het bedrijfsresultaat van de bedrijven die zijn voortgekomen uit de omzetting van de havencorporaties beduidend negatief. Het tekort is uitsluitend in de hand gehouden dankzij aanzienlijke en constant verstrekte overheidssteun. Gezien het lage en zelfs afnemende niveau van de financieringskosten (bijvoorbeeld rentes op leningen) tegen een toename van de schuldenlast, mede als gevolg van de oplopende verliezen, lijkt het er bovendien op dat de tekorten veel te laag worden gewaardeerd.

- Ook na de omzetting in commerciële bedrijven, blijken de havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen vast te houden aan een beleid van hoge arbeidsinzet. De negatieve resultaten die de ondernemingen sinds 1995 zijn blijven boeken, zijn grotendeels te wijten aan de kosten van de arbeidsinzet en de sociale lasten.

- Derhalve vertoont de productiviteit, gemeten als de verhouding van de uitgaven voor installaties en machines tot de daarmee gegenereerde winst, voor alle onderzochte havens een over het algemeen dalende lijn. Opvallend is dat de aanzienlijke uitbreiding van de installaties en machines (voornamelijk aangeschaft met staatssteun) niet gepaard is gegaan met een overeenkomstige groei van de opbrengsten.

- Over het geheel genomen heeft het merendeel van de onderzochte ondernemingen te kampen met een wankele financiële situatie die de mogelijkheden beperkt om de huidige schulden met behulp van snel beschikbare fondsen weg te werken. De gunstige toekomstperspectieven blijkens bovengenoemde verslagen, betreffen een veronderstelling die feitelijk terug te brengen is op overdreven optimistische schattingen omtrent een toekomstige groei van het verkeer (de vraag), dat wil zeggen op externe factoren waarop de bedrijven zelf geen wezenlijke invloed kunnen uitoefenen. Bovendien worden de verwachtingen omtrent de ontwikkelingen van het verkeer niet bevestigd door andere, onafhankelijke bronnen.

(101) Rekening houdend met deze omstandigheden, moet de financieel-economische doelmatigheid van het merendeel van de ondernemingen waarover gegevens zijn verstrekt, op zijn minst als twijfelachtig worden beschouwd. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de aan deze bedrijven verstrekte bedrijfssteun heeft bijgedragen aan het herstel van de financieel-economische doelmatigheid van de havenondernemingen op de lange termijn.

(102) Evenmin is aangetoond dat aan de andere voorwaarden van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden is voldaan, met name de voorwaarden met betrekking tot de noodzaak tot het vermijden van onrechtmatige verstoring van de mededinging en de voorwaarde met betrekking tot de noodzaak van de steun. De steun gericht op het opheffen van de schulden en verliezen heeft eenvoudigweg gediend tot de instandhouding van de status quo van de havenondernemingen. Dit is naar alle waarschijnlijkheid van invloed geweest op de concurrentiepositie van andere havenbedrijven die hebben geprobeerd zich in de Italiaanse havens te vestigen. Bovendien hebben de begunstigden zich op generlei wijze werkelijk ingespannen om een eventueel herstructureringsplan uit eigen middelen of met externe financieringsbronnen te financieren.

(103) Om deze redenen concludeert de Commissie dat niet wordt voldaan aan de criteria uit de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden. Dientengevolge is de bedrijfssteun aan havenondernemingen en de havencorporaties en -groepen ingevolge:

- artikel 1, lid 2, van wet nr. 428/92, voor een totaal van 53028 miljoen ITL;

- artikel 1, lid 3, van wet nr. 343/95, voor een totaal van 100000 miljoen ITL;

- artikel 9, lid 4, van wet nr. 30/98, voor een totaal van 100000 miljoen ITL;

onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt aangezien niet is voldaan aan de vereisten voor toepassing van de afwijking van artikel 87, lid 3, onder c) van het Verdrag.

V. TERUGBETALING VAN DE STEUN

(104) Op grond van de veronderstelling dat in het geval van steunmaatregelen die strijdig zijn met de wet en onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, de mededinging moet worden hersteld, bepaalt artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999 dat "Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun, [...] de Commissie beschikt dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen". Derhalve heeft de Commissie in het onderhavige geval besloten dat Italië de steun bij de begunstigde dient terug te vorderen.

(105) Ongeacht de omzettingen van de juridische status van de begunstigde, die vanaf 1995 hebben plaatsgevonden, en overeenkomstig de praktijk van de Commissie en de jurisprudentie van het Hof van Justitie, moet de steun worden teruggevorderd bij de ondernemingen die deze steun daadwerkelijk hebben ontvangen. Dienaangaande kan geen enkele nationale wettelijke bepaling de volledige toepassing van het communautair recht belemmeren(57).

(106) De Commissie zal samen met de Italiaanse regering onderzoeken hoe de steun kan worden terugbetaald.

VI. CONCLUSIE

(107) De regelingen op grond van de wetten nrs. 236/93, 84/94, 343/95, 428/92, 647/96 en 30/98, ter garantie van het stelsel van werknemersverzekeringen en sociale voorzieningen van de havenarbeiders na het opheffen van de voorheen geldende regeling, vormen geen steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag. Het totaal van de krachtens genoemde wetten uitgekeerde sommen bedraagt 233174 miljoen ITL. Italië heeft verzekerd dat het socialezekerheidsstelsel van de havenarbeiders op dit moment overeenkomt met het verplichte socialeverzekeringssysteem dat voor alle werknemers van toepassing is.

(108) De steun die is uitgekeerd op grond van de wetten nrs. 343/95, 647/96 en 30/98 en die was bedoeld om havenarbeiders in het kader van de herstructurering tussen 1992 en 1998 met pensioen te kunnen laten gaan, valt niet onder de werking van artikel 87, lid 1, van het Verdrag. Het totaal van de krachtens genoemde wetten uitgekeerde bedragen beloopt 863846 miljoen ITL.

(109) De Commissie constateert dat Italië, in strijd met artikel 88, lid 3, van het Verdrag, is overgegaan tot het verstrekken van directe steun voor het dekken van de schulden en tekorten van de havenondernemingen die uit de omgevormde havencorporaties en -groepen zijn voortgekomen.

(110) De bedrijfssteun die is verstrekt op grond van de wetten nrs. 428/92, 343/95 en 30/98 en bedoeld is voor het opheffen van de schulden en tekorten van de havenondernemingen en havencorporaties, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Dat een strikt standpunt inzake aanzienlijke en herhaaldelijke steunverlening ten gunste van de herstructurering van een belangrijke sector noodzakelijk is, wordt ook onderstreept door Duitsland en de Duitse havenfederatie (ZDS), wier opmerkingen onder de overwegingen 47, 48 en 49 van deze beschikking zijn opgenomen. Het totaal van de krachtens de wetten in kwestie uitgekeerde sommen bedraagt 253028 miljoen ITL.

(111) Wanneer de Commissie vaststelt dat de onrechtmatig toegekende steun niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, draagt de Commissie de betrokken lidstaat op deze steun bij de begunstigden terug te vorderen(58) om zodoende de situatie voorafgaand aan het verstrekken van de steun te herstellen. Deze bepaling is van toepassing op de steun die krachtens deze beschikking als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard en waarvan de bedragen door de begunstigden waaraan de steun is uitgekeerd, moeten worden terugbetaald,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De steun ten belope van 230028 miljoen ITL die op grond van artikel 1, lid 2, van wet nr. 428/92, artikel 1, lid 2, onder c), van wet nr. 343/95 en artikel 9, lid 4, van wet nr. 30/98 door Italië is betaald aan havenondernemingen, havencorporaties en havengroepen in de vorm van subsidies tot dekking van de schulden en tekorten van genoemde ondernemingen, corporaties en groepen is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

De steun die op grond van de wetten nrs. 343/95, 647/96 en 30/98 door Italië is verstrekt als vergoeding voor de regeling bij beëindiging van de dienst en de bijdragen voor de vervroegde uittreding van de bij de havencorporaties en de havengroepen aangesloten havenarbeiders, vormt geen steun in de zin van artikel 87 van het Verdrag.

Artikel 3

De maatregelen ten behoeve van de uitkering buitengewone werkeloosheid, de eenmalige uitkering voor arbeidsongeschikte werknemers en het tehuis Dovadola, die Italië overeenkomstig de wetten nrs. 236/96, 84/94, 343/95, 647/96 en 30/98 heeft genomen ter bescherming van het stelsel van werknemersverzekeringen en sociale voorzieningen van de havenarbeiders, vormen geen steun in de zin van artikel 87 van het Verdrag.

Artikel 4

Italië neemt alle noodzakelijke maatregelen om bij de begunstigden de volgens artikel 1 onverenigbare en onrechtmatig verstrekte steun terug te vorderen.

De terugbetaling vindt plaats in overeenstemming met de procedures volgens het Italiaanse recht.

Over de terug te betalen bedragen wordt rente berekend vanaf de data waarop de begunstigden over deze bedragen konden beschikken tot de data waarop de daadwerkelijke terugbetaling plaatsvindt.

De rente wordt berekend op basis van de referentierente die wordt gehanteerd voor het berekenen van een gelijksoortige subsidie in het kader van regionale steunmaatregelen.

Artikel 5

Italië deelt de Commissie binnen twee maanden nadat zij van dit besluit op de hoogte is gesteld, mee welke maatregelen ter naleving ervan zijn genomen.

Artikel 6

Dit besluit is gericht tot de Republiek Italië.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2001.

Voor de Commissie

Loyola De Palacio

Vice-voorzitter

(1) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(2) PB C 281 van 19.10.1993, blz. 10, en PB C 339 van 12.11.1996, blz. 6, voor zaak C 27/93; PB C 108 van 17.4.1999, blz. 2, voor zaak C 81/98.

(3) Arrest van het Hof van Justitie van 10 december 1991 in zaak C-179/90, Merci convenzionali Porto di Genova SpA c/Siderurgica Gabrielli SpA, Jurisprudentie 1991, blz. I-5889.

(4) Beschikking 97/744/EG van de Commissie van 21 oktober 1997 op grond van artikel 90, lid 3, van het EG-Verdrag inzake de arbeidsrechtelijke bepalingen in de Italiaanse havenwetgeving (PB L 301 van 5.11.1997 blz. 17).

(5) Wetsdecreet nr. 370 van 7 september 1992 tot opschorting van de spoedeisende termijnen vastgesteld bij arbeidsrechtelijke bepalingen.

(6) Wet tot omzetting van wetsdecreet nr. 370/92. Zie voetnoot 5.

(7) Omzetting in wet, met wijzigingen, van wetsdecreet nr. 148 van 20 mei 1993 betreffende spoedeisende maatregelen voor het behoud van de werkgelegenheid.

(8) Havenwethervorming.

(9) Omzetting in wet, met wijzigingen, van wetsdecreet nr. 287 van 13 juli 1995 betreffende buitengewone en spoedeisende maatregelen ten gunste van de havensector, scheepswerven en rederijen.

(10) Omzetting in wet, met wijzigingen, van wetsdecreet nr. 535 van 21 oktober 1996 betreffende spoedeisende maatregelen voor de havensector, de maritieme sector, scheepswerven, rederijen en maatregelen tot behoud van enkele luchtverbindingen.

(11) Zie voetnoot 2.

(12) Zie voetnoot 10.

(13) Omzetting in wet, met wijzigingen, van wetsdecreet nr. 457 van 30 december 1997 tot vaststelling van spoedeisende maatregelen voor de ontwikkeling van de transportsector en de toename van de werkgelegenheid.

(14) Zie voetnoot 2.

(15) Zie voetnoot 3.

(16) Wet nr. 26 van 17 februari 1981, oprichting van het fonds Istituti contrattuali lavoratori portuali en afschaffing van wet nr. 161 van 22 maart 1967.

(17) Deze situatie was een gevolg van een lange traditie op het gebied van arbeidsrecht en sociale verzekeringen in de Italiaanse havens, die onder meer betrekking had op arbeidstijden, vakantie, beroepsziekten, salarisregelingen, minimumuitkeringen bij tijdelijke werkloosheid, pensioenrechten of restitutie van socialeverzekeringspremies in geval van beëindiging van het arbeidscontract.

(18) Sentenza Porto di Genova, zie voetnoot 3, rechtsoverweging 19.

(19) Zie voetnoot 4.

(20) Voorheen artikel 90, lid 3, respectievelijk artikel 86 van het EG-Verdrag.

(21) Tot "wijziging van wet nr. 84 van 28 januari 1994 inzake havenwerkzaamheden en het ter beschikking stellen van tijdelijke arbeidskrachten".

(22) Besluit nr. 132 van 6 februari 2001 "Reglement betreffende de vaststelling van de bindende criteria voor de reglementering van de havendiensten in de zin van artikel 16 van wet nr. 84/1994 door de haven- en maritieme autoriteiten".

(23) Zie voetnoot 6. De criteria en de uitvoeringsvoorschriften voor de maatregelen van wet nr. 428/92 zijn vastgesteld bij ministerieel besluit van 29 januari 1993.

(24) Besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure in zaak C 27/93 (voorheen NN 103/92), zie voetnoot 2.

(25) Zie voetnoot 7.

(26) Zie voetnoot 8.

(27) Op het moment dat de procedure werd uitgebreid, waren de exacte totaalbedragen van de krachtens de diverse wetsmiddelen betaalde steun nog niet vastgesteld.

(28) Zie voetnoot 9. De steunmaatregelen zijn uitgevaardigd bij artikel 1, lid 2, onder a) en b), en bij artikel 1, lid 2, onder c). De criteria en de uitvoeringsvoorschriften van de steunmaatregelen zoals bepaald bij artikel 1, lid 2, onder c) - opheffing van de negatieve bedrijfsresultaten - zijn vastgesteld bij ministerieel besluit van 13 mei 1996.

(29) Zie voetnoot 10.

(30) Zie voetnoot 13. De criteria en de uitvoeringsvoorschriften voor de in artikel 9 van deze wet vervatte steunmaatregelen zijn vastgesteld bij de ministeriële besluiten van 2 april, 23 september en 19 oktober 1998, van 21 april en 14 december 1999 en van 5 oktober 2000.

(31) Het verslag is opgemaakt door het adviesbureau METIS in opdracht van de ANCIP ("Associazione Nazionale imprese portuali") die de vijf bovengenoemde havens vertegenwoordigt.

(32) ltalië heeft 140 handelshavens, waarvan er 37 80 % van het totale Italiaanse verkeer verwerken (bron: Report of an Inquiry into the Current Situation in the Major Community Sea Ports by the European Sea Ports Organisation ESPO; november 1996).

(33) Zoals eerder gesteld in Beschikking 97/744/EG (zie voetnoot 4), punt 22.

(34) Haven van Genua-arrest (zie voetnoot 3), rechtsoverweging 22.

(35) Haven van Genua-arrest rechtsoverweging 14 e.v.

(36) Haven van Genua-arrest, rechtsoverwegingen 27 en 28.

(37) Haven van Genua-arrest, rechtsoverweging 13.

(38) Voorheen artikel 48.

(39) Arrest van 16 september 1999 in zaak C-22/98, Jean-Claude Becu et al., Jurisprudentie 1999, blz. I-5665, rechtsoverweging 26.

(40) Zie Beschikking 2000/394/EG van 25 november 1999 betreffende de steunmaatregelen ten gunste van ondernemingen in de provincies Venetië en Chioggia krachtens de wetten nrs. 30/1997 en 206/1995 tot verlichting van de sociale lasten (PB L 150 van 23.6.2000, blz. 50).

(41) Het aanvankelijk door de Commissie ingenomen standpunt staat in het besluit tot inleiding van de procedure C 27/93 (zie voetnoot 2). Destijds was de Commissie van mening dat de betaling van sociale lasten een vorm van staatssteun inhield die verenigbaar was met de beginselen van de gemeenschappelijke markt.

(42) "Fondo assistenza sociale lavoratori portuali", hernoemd "Fondo gestione istituti contrattuali lavoratori portuali" ingevolge wet nr. 23 van 17 februari 1981.

(43) De nieuwe havenondernemingen (na de herstructurering) doen een beroep op havenarbeiders al naar gelang de vereisten en de hoeveelheid aangeboden werk (met andere woorden: het aantal ingezette werknemers en het aantal werkdagen zijn afhankelijk van de fluctuaties in het scheepvaartverkeer in de havens en tussen de havens).

(44) Een deel van de desbetreffende steun (160000 miljoen ITL) bestaat uit teruggaaf, via het INPS, van de sociale lasten aan de havenondernemingen en havencorporaties in de gebieden waar regionale steunmaatregelen voor Zuid-Italië van kracht zijn overeenkomstig een arrest van het constitutioneel hof van Italië (arrest van het Corte costituzionale nr. 261 uit 1991).

(45) Punt 3.2.5, tweede alinea, van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB C 368 van 23.12.1994, blz. 12).

(46) Arrest van het Hof van Justitie van 29 april 1999, in zaak C-342/96, Koninkrijk Spanje/Commissie, "Fogasa", jurisprudentie 1999, blz. I-2459.

(47) Zie bijvoorbeeld de besluiten van de Commissie, betreffende de maritieme sector/havensector, in de zaken nr. 98/97 België van 21.1.1998 en C 18/96 Frankrijk van 2.10.1996 (PB C 357 van 26.11.1996, blz. 5). In de eerste zaak heeft de Commissie besloten geen bezwaar te maken tegen een speciaal fonds voor het socialezekerheidsstelsel voor arbeiders. In de tweede zaak zijn de verlichtingen van de sociale lasten in samenhang met een herziening van de arbeidstijden niet als staatssteun aangemerkt.

(48) Zie voetnoot 45.

(49) COM(97) 678 def. van 10 december 1997, punten 81 en 82.

(50) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang tot de markt voor havendiensten (PB C 154 E van 29.5.2001, blz. 290).

(51) Zie voetnoot 45.

(52) Zie besluit 97/21/EGKS van de Commissie van 30 juli 1996 betreffende staatssteun toegekend aan het bedrijf Compania Española de Tubos por Extrusión SA, te Llodio (Álava) (PB L 8 van 1997, blz. 14). In deze zaak was de Commissie van mening dat financiering van een garantiefonds voor de salarissen en sociale voorzieningen (Fogasa) geen elementen van staatssteun bevatte. Dit standpunt is bevestigd door een arrest van het Hof van Justitie van 29 april 1999 in zaak C-342/96, Koninkrijk Spanje/Commissie, Jurisprudentie 1999, blz. I-2459.

(53) Haven van Genua-arrest, zie voetnoot 3, rechtsoverweging 28.

(54) Communautaire richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (PB C 74 van 10.3.1998, blz. 9). Zoals vermeld onder punt 6.1 van deze richtsnoeren, beoordeelt de Commissie of regionale steunmaatregelen in overeenstemming zijn met de gemeenschappelijke markt aan de hand van de criteria die van kracht waren op het moment dat de steun werd verstrekt.

(55) Zie de punten 177, 227 en 228.

(56) Ondanks herhaalde pogingen hiertoe van de Commissie, is het niet mogelijk gebleken een realistische tijdspanne vast te stellen waarbinnen het definitieve herstel zou moeten hebben plaatsgevonden.

(57) Arrest van het Hof van 21 maart 1991 in zaak C-303/88 Italië/Commissie, Jurisprudentie 1991, blz. I-1433, rechtsoverweging 60.

(58) Zie de mededeling van de Commissie gepubliceerd in PB C 318 van 24.11.1983, blz. 3.