32001D0230

2001/230/EG: Besluit van de Commissie van 21 februari 2001 tot beëindiging van de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit Brazilië, de Volksrepubliek China, Kazachstan, Rusland, Oekraïne en Venezuela (kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 414)

Publicatieblad Nr. L 084 van 23/03/2001 blz. 0036 - 0054


Besluit van de Commissie

van 21 februari 2001

tot beëindiging van de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit Brazilië, de Volksrepubliek China, Kazachstan, Rusland, Oekraïne en Venezuela

(kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 414)

(2001/230/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2238/2000(2), inzonderheid op artikel 9 en artikel 11, lid 2,

Na overleg met het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

1. Vorige onderzoeken

(1) Sedert 1983 zijn antidumpingmaatregelen van kracht op de invoer van ferrosilicium ("FeSi") uit Venezuela en sedert 1987 op de invoer van FeSi uit Kazachstan, Rusland en Oekraïne. Deze maatregelen werden gewijzigd en uitgebreid door de instelling van definitieve antidumpingmaatregelen op de invoer uit Kazachstan, Rusland, Oekraïne, Noorwegen, IJsland, Zweden, Brazilië en Venezuela bij Verordening (EG) nr. 3359/93 van de Raad(3) in december 1993. De maatregelen die van toepassing waren op de invoer uit IJsland, Noorwegen en Zweden werden vanaf 1 januari 1994 opgeschort bij Verordening (EG) nr. 5/94 van de Raad van 22 december 1993 over de opschorting van antidumpingmaatregelen ten aanzien van EVA-landen(4). De maatregelen die van toepassing waren op de invoer uit Brazilië werden ten dele aan een nieuw onderzoek onderworpen en bij Verordening (EG) nr. 351/98 van de Raad(5) werd het recht dat van toepassing was op twee Braziliaanse exporteurs/producenten op 0 % gebracht omdat geen dumping kon worden aangetoond.

(2) Er werden ook definitieve antidumpingmaatregelen ingesteld op de invoer uit de Volksrepubliek China ("China") en Zuid-Afrika bij Verordening (EG) nr. 621/94 van de Raad(6) in maart 1994.

(3) Er werden definitieve antidumpingmaatregelen ingesteld op de invoer van FeSi uit Egypte en Polen bij Verordening (EEG) nr. 3642/92 van de Raad(7). Deze rechten vervielen ten gevolge van Besluit 1999/426/EG van de Commissie(8), waarin werd geconcludeerd dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk niet tot een herhaling van de dumping zou leiden.

2. Verzoek om een nieuw onderzoek

(4) Na de publicatie van het bericht dat de maatregelen op het punt stonden te vervallen(9), verzocht de klagende partij van het oorspronkelijke onderzoek, de Liaison Committee of the Ferro-Alloy Industry (Euroalliages, hierna "de indiener van het verzoek" genoemd) om een nieuw onderzoek naar aanleiding van het vervallen van de maatregelen voor Brazilië, China, Kazachstan, Rusland, Oekraïne en Venezuela ingevolge artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 ("de basisverordening").

(5) Na overleg met het Raadgevend Comité stelde de Commissie vast dat er voldoende bewijsmateriaal was voor de inleiding van een nieuw onderzoek naar aanleiding van het vervallen van de maatregelen, publiceerde zij een bericht van inleiding in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(10) en startte zij het onderzoek. Het onderzoek duurde meer dan twee jaar. Dit was het gevolg van moeilijkheden bij het verzamelen van bepaalde gegevens (gezien het grote aantal landen dat bij het onderzoek was betrokken en de wijziging van het aantal lidstaten van de Gemeenschap in 1995) en van de termijn die de partijen vanwege de complexiteit van het onderzoek naar het belang van de Gemeenschap werd toegestaan om hun standpunten te uiten.

(6) Er werd geen verzoek ontvangen om een nieuw onderzoek naar de maatregelen die van toepassing waren op de invoer uit Zuid-Afrika en deze maatregelen vervielen derhalve op 20 maart 1999.

3. Onderzoek

(7) Het onderzoek naar de dumping had betrekking op de periode van 1 oktober 1997 tot 30 september 1998 (hierna "het onderzoektijdvak" of "OT" genoemd). Het onderzoek naar de schade had betrekking op de periode van 1994 tot het eind van het OT ("de onderzochte periode").

(8) De Commissie bracht de betrokken producenten van de Gemeenschap die achter het verzoek stonden, de betrokken exporteurs/producenten en importeurs, de vertegenwoordigers van de betrokken exporterende landen en de indiener van het verzoek op de hoogte van de inleiding van het nieuwe onderzoek en stelde de belanghebbende partijen in de gelegenheid om binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn hun standpunten bekend te maken en te verzoeken om te worden gehoord.

De Commissie zond alle betrokken partijen vragenlijsten en ontving deze ingevuld terug van de producenten van de Gemeenschap, van de importeurs en van de exporteurs/producenten in de betrokken landen.

Een aantal exporteurs/producenten in de betrokken landen en een aantal producenten en verwerkende bedrijven in de Gemeenschap en één importeur maakten hun standpunten schriftelijk bekend. Alle partijen die hierom binnen de hierboven vastgestelde termijn verzochten en aangaven dat er bijzondere redenen waren om ze te horen, werden ook gehoord.

(9) De Commissie verzamelde en verifieerde alle gegevens die zij voor haar onderzoek noodzakelijk achtte en bracht verificatiebezoeken ten kantore van de volgende bedrijven:

a) Producenten van de Gemeenschap:

Ferroatlántica SL, Spanje,

Pechiney Electrometallurgie, Frankrijk,

Vargön Alloys AB, Zweden;

b) Importeurs:

Considar Europe SA, België;

c) Exporteurs/producenten:

Brazilië

Cia. Ferroligas Minas Gerais (Minasligas),

Cia. de Ferro Ligas da Bahia (Ferbasa) SA,

Italmagnesio Nordeste SA,

Nova Era Silicon SA,

Rima Industrial SA;

Venezuela

Ferroatlántica de Venezuela SA (Ferroven).

(10) Alle betrokken partijen werden op de hoogte gebracht van de essentiële gegevens en overwegingen waarop de conclusies van dit nieuwe onderzoek gebaseerd waren. Deze partijen werd ook een termijn toegestaan binnen welke zij hun standpunten na deze mededelingen bekend konden maken. Deze standpunten werden, wanneer zij binnen de termijn ontvangen waren, zorgvuldig overwogen en waar nodig werden zij bij de bevindingen in aanmerking genomen.

B. PRODUCT

1. Onderzocht product

(11) Het product dat in dit onderzoek aan bod komt, is hetzelfde als in het oorspronkelijke onderzoek, dit wil zeggen FeSi, met uitzondering van het product dat meer dan 4 % magnesium bevat. FeSi wordt vervaardigd in elektrische boogovens door het reduceren van kwarts met behulp van koolstofhoudende stoffen. Het product wordt gebruikt als desoxidatiemiddel en als legeringscomponent in de ijzer- en staalindustrie. FeSi wordt verkocht in de vorm van brokken, korrels of poeder en bestaat in verschillende kwaliteiten, afhankelijk van het gehalte aan silicium en onzuiverheden (zoals aluminium, koolstof, enz.). Een siliciumgehalte van 70 % of meer wordt als een hoge zuiverheidsgraad beschouwd, een siliciumgehalte tussen 55 % en 70 % als een gemiddelde zuiverheidsgraad en een siliciumgehalte van minder dan 55 % als een lage zuiverheidsgraad.

(12) Er werd vastgesteld dat de verschillende vormen en kwaliteiten FeSi die uit de betrokken landen werden uitgevoerd dezelfde fundamentele fysische en chemische eigenschappen vertoonden en fundamenteel hetzelfde eindgebruik kenden. Derhalve werden al deze producten beschouwd als één enkel product. Het product dat momenteel wordt onderzocht, valt onder de GN-codes 72022110, 7202 21 90 en 7202 29 90.

2. Soortgelijk product

(13) Het grootste gedeelte van het in de Gemeenschap vervaardigde FeSi is zeer zuiver; het is FeSi met een zuiverheid van 75 % of meer (FeSi 75). Er werd aangetoond dat FeSi dat in Brazilië en Venezuela werd vervaardigd en op de markten aldaar werd verkocht en FeSi dat uit Brazilië en Venezuela naar de Gemeenschap werd uitgevoerd identieke of sterk gelijkende producten waren in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening omdat de fysische en chemische kenmerken en het eindgebruik van deze producten fundamenteel niet verschilden. Bovendien werd vastgesteld dat er geen fundamentele verschillen waren in fysische en chemische kenmerken en eindgebruik tussen FeSi dat uit China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne naar de Gemeenschap werd uitgevoerd en het product dat werd vervaardigd en verkocht in het analoge land waarnaar in overweging 24 hieronder wordt verwezen. Er waren ook geen verschillen tussen het FeSi dat uit de betrokken landen werd uitgevoerd en het product dat door de producenten van de Gemeenschap die de klacht formuleerden, werd vervaardigd en op de markt van de Gemeenschap werd verkocht.

C. VOORTZETTING OF HERHALING VAN DE DUMPING

1. Methode

(14) In dit gedeelte wordt de algemene methode uiteengezet die gebruikt wordt om vast te stellen of het vervallen van de momenteel geldende maatregelen al dan niet zou leiden tot herhaling of voortzetting van de dumping.

Algemeen

(15) Om vast te stellen of de dumping eventueel zou worden voortgezet, ging de Commissie na of tijdens het OT met dumping uit de betrokken landen naar de Gemeenschap werd uitgevoerd; immers indien er op dat ogenblik van dumping sprake was en niets erop wees dat deze dumping niet zou aanhouden, mocht er redelijkerwijze van uitgegaan worden dat deze dumping, indien de maatregelen werden ingetrokken, ook in de toekomst zou worden voortgezet. De berekeningen van de dumping vonden plaats ondanks het feit dat de hoeveelheden die uit de meeste onderzochte landen naar de Gemeenschap uitgevoerd werden klein waren. Het werd passend geacht het algemene dumpingniveau voor deze hoeveelheden na te gaan omdat dit kon fungeren als een indicator voor mogelijke dumping bij de invoer van grotere hoeveelheden indien de huidige maatregelen werden ingetrokken (zie overweging 16).

(16) In het kader van het onderzoek naar mogelijke herhaling van de dumping, met andere woorden naar een mogelijke stijging van de uitvoer tegen dumpingprijzen indien de huidige maatregelen zouden worden ingetrokken - een onderzoek dat nodig was voor de betrokken landen die slechts betrekkelijk kleine hoeveelheden uitvoerden - ging de Commissie na a) of toekomstige dumping waarschijnlijk was en b) of in dat geval grote hoeveelheden met dumping zouden worden uitgevoerd. Of toekomstige dumping waarschijnlijk was, werd geëvalueerd aan de hand van de uitvoer uit de betrokken landen naar derde landen, en of er hierbij sprake zou zijn van grotere hoeveelheden werd onderzocht aan de hand van alle relevante ontwikkelingen op de binnenlandse en buitenlandse markten, zoals de ontwikkeling van de capaciteit, de productie, de voorraden en de prijzen.

(17) Omdat het doel van dit nieuwe onderzoek was na te gaan of, bij intrekking van de maatregelen, in de toekomst eventueel opnieuw dumping zou optreden, werd het niet nodig geacht de dumpingmarges of correcties met dezelfde precisie te berekenen die in het kader van een antidumpingonderzoek ingevolge artikel 5 van de basisverordening vereist zou zijn. Bovendien werd het gedetailleerde onderzoek beperkt tot een steekproef, namelijk een periode van drie maanden in het kader van het onderzoektijdvak; meestal werd het laatste kwartaal in aanmerking genomen, tenzij anders gespecificeerd.

(18) Voor Venezuela werden de bevindingen die het resultaat waren van de dumpingberekeningen niet als determinerend beschouwd, gezien de privatisering en overname van de enige bekende Venezolaanse exporteur/producent door een medewerkende producent van de Gemeenschap, kort na het OT (zie de overwegingen 80 tot 84).

(19) De Commissie heeft er ook nota van genomen dat de Amerikaanse overheid de antidumpingmaatregelen die zij had ingesteld op de invoer van FeSi uit dezelfde landen als die welke in deze procedure aan bod komen, in augustus 1999 heeft ingetrokken. Dit betekende dat er een markt meer beschikbaar was waarheen deze landen een deel van hun verkoop konden verleggen.

Normale waarde

(20) De Commissie oordeelde dat de binnenlandse verkoop in Brazilië voldoende representatief was om als basis te dienen voor de berekening van de normale waarde.

(21) Vervolgens ging de Commissie na of de binnenlandse verkoop van ieder bedrijf had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties ingevolge artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Hiertoe ging zij voor iedere uitgevoerde productsoort de verhouding na van de winstgevende binnenlandse verkoop aan onafhankelijke afnemers tijdens het onderzoektijdvak:

a) Voor iedere productsoort waarvan meer dan 80 % van de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden verkocht werd tegen prijzen die niet onder de kostprijs per eenheid lagen en waarvan de gewogen gemiddelde verkoopprijs gelijk was aan of hoger was dan de gewogen gemiddelde productiekosten, werd de normale waarde berekend als het gewogen gemiddelde van alle binnenlandse verkoopprijzen van de productsoort in kwestie.

b) Voor iedere productsoort waarvan minstens 10 % maar niet meer dan 80 % van de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden verkocht werd tegen prijzen die niet onder de kostprijs per eenheid lagen, werd de normale waarde berekend als het gewogen gemiddelde van die binnenlandse verkoopprijzen die gelijk waren aan of meer bedroegen dan de kostprijs per eenheid van de productsoort in kwestie.

c) Bij iedere productsoort waarvan minder dan 10 % van de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden verkocht werd tegen een prijs die niet onder de kostprijs per eenheid lag, werd geoordeeld dat de betrokken productsoort niet werd verkocht in het kader van normale handelstransacties en werd de normale waarde samengesteld.

(22) De normale waarden werden samengesteld overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening aan de hand van de productiekosten van iedere betrokken soort, waaraan een bedrag werd toegevoegd voor verkoopkosten, algemene en administratieve uitgaven en winst. Voor de verkoopkosten en de algemene en administratieve uitgaven werden de verkoopkosten en de algemene en administratieve uitgaven voor het soortgelijke product van de betrokken producent in aanmerking genomen; voor de winst werd de gewogen gemiddelde winst van de betrokken producenten bij de verkoop van het soortgelijke product in het kader van normale handelstransacties in aanmerking genomen.

(23) Omdat China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne beschouwd worden als landen zonder markteconomie diende de normale waarde te worden vastgesteld in een derde land met markteconomie overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening. Door de indiener van het verzoek werd Brazilië voorgesteld en dit land werd in het bericht van inleiding vermeld. Geen enkele exporteur/producent verklaarde zich, binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn, met dit voorstel oneens en één exporteur/producent in Oekraïne stemde zelfs uitdrukkelijk met het voorstel in.

(24) Brazilië werd beschouwd als een redelijke keuze als analoog land omdat zowel de productie en de productiecapaciteit als het binnenlandse verbruik er omvangrijk zijn. Brazilië telt verschillende binnenlandse producenten, hetgeen leidt tot sterke binnenlandse concurrentie, en ook de Braziliaanse binnenlandse verkoop van het betrokken product is aanmerkelijk. Bovendien was het waarschijnlijk dat de Braziliaanse producenten aan het onderzoek zouden medewerken omdat Brazilië partij is bij onderhavig onderzoek. Er werd geen ander analoog land voorgesteld of geschikt gevonden. Derhalve werd Brazilië als analoog land gekozen en werden de normale waarden vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde waarden die voor de afzonderlijke Braziliaanse bedrijven en voor elk siliciumgehalte werden vastgesteld.

Uitvoerprijs

(25) De uitvoerprijs werd vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening op basis van de door de onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

(26) Wanneer de exporteurs/producenten van een specifiek land geen gegevens verstrekten of wanneer de door de exporteurs/producenten van een specifiek land verstrekte gegevens ontoereikend werden geacht, stelde de Commissie, overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening, een gemiddelde uitvoerprijs voor dat land vast op basis van de gegevens van Eurostat of andere beschikbare gegevens.

(27) Om mogelijke herhaling van de dumping vast te stellen, ging de Commissie ook de prijzen na die bij uitvoer naar afnemers in derde landen werden gehanteerd.

Billijke vergelijking

(28) Om een billijke vergelijking te waarborgen tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, zoals in artikel 2, lid 10, van de basisverordening wordt vereist, hield de Commissie rekening met verschillen die de vergelijkbaarheid van de prijzen beïnvloeden.

(29) Zo werden gerechtvaardigde correcties toegepast voor verschillen in de volgende kosten: vervoer over land en over zee, verzekering, lossen, laden en aanverwante uitgaven, invoerrechten en indirecte heffingen, verpakking, krediet, kosten na verkoop, commissielonen, kortingen en rabatten. Gewoonlijk vond de vergelijking plaats in het stadium af fabriek. Voor de landen waarvoor de vergelijking plaatsvond in het stadium fob zou een vergelijking in het stadium af fabriek voor het onderzoek geen ander resultaat hebben opgeleverd.

Dumpingmarges

(30) De dumpingmarges werden vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs; deze vergelijking vond plaats per soort, en in het af fabriekstadium voor de landen met markteconomie en gewoonlijk in het stadium fob grens exporterend land voor de landen zonder markteconomie.

2. Brazilië

Mogelijke voortzetting van de dumping

(31) De normale waarde werd gebaseerd op de binnenlandse prijzen en op de samengestelde waarden.

(32) Voor één exporteur/producent die gedurende de drie laatste maanden van het onderzoektijdvak niet had uitgevoerd, werd de normale waarde vastgesteld voor de drie daaraan voorafgaande maanden tijdens welke deze producent wel had uitgevoerd teneinde een vergelijking met de uitvoerprijzen van die periode mogelijk te maken.

(33) De uitvoerprijs werd gebaseerd op de door de onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

(34) Van de zes medewerkende exporteurs/producenten hadden er slechts twee tijdens het OT naar de Gemeenschap uitgevoerd en op de uitvoer van deze twee producenten was een nulrecht van toepassing.

(35) Om een billijke vergelijking mogelijk te maken, werden zowel de normale waarden als de uitvoerprijzen gecorrigeerd tot het niveau af fabriek.

(36) Een vergelijking van de normale waarden in Brazilië met de uitvoerprijzen van dat land naar de Gemeenschap leverde weinig of geen aanwijzingen van dumping op. Hoe het ook zij: de dumping werd vastgesteld bij zeer kleine hoeveelheden uitgevoerde goederen en er waren aanwijzingen dat deze lage dumpingmarge van tijdelijke aard was en na het OT verdwenen was.

Mogelijke herhaling van de dumping

(37) Deze dumpingberekening maakte een vergelijking noodzakelijk van de normale waarden in Brazilië met de uitvoerprijzen naar andere derde landen dan de Gemeenschap. De normale waarden werden vastgesteld op basis van de werkelijke prijzen in Brazilië en de uitvoerprijzen werden berekend aan de hand van de door onafhankelijke afnemers in deze derde landen werkelijk betaalde of te betalen prijzen. Met het oog op een billijke vergelijking werden deze prijzen gecorrigeerd tot het niveau af fabriek. Een vergelijking van de normale waarden met de prijzen bij uitvoer naar deze derde landen bracht dumping aan het licht, hoewel de gegevens die tijdens de verificatiebezoeken werden verzameld, met name de gegevens met betrekking tot de devaluatie van de Braziliaanse munt, erop wezen dat deze dumping waarschijnlijk van voorbijgaande aard was.

(38) Er werd ook rekening gehouden met het feit dat op de invoer van sommige Braziliaanse exporteurs gedurende enige tijd een nulrecht werd toegepast, namelijk sedert 1994 op de invoer van de ene exporteur en sedert begin 1998 op de invoer van twee andere importeurs; dit leidde evenwel niet tot een opmerkelijke stijging van de uitvoer naar de Gemeenschap.

(39) De bezettingsgraad van de productiecapaciteit van de Braziliaanse exporteurs/producenten was hoog tijdens het onderzoektijdvak en bij onderzoek van de activiteiten van de medewerkende Braziliaanse exporteurs/producenten wees niets erop dat zij voornemens waren de huidige omvang en het huidige patroon van hun binnenlandse verkoop in de nabije toekomst ingrijpend te wijzigen.

(40) De meeste Braziliaanse medewerkende producenten deelden mede dat zij hun verkoop graag tot in het Verre Oosten zouden uitbreiden. Hoewel uit het onderzoek bleek dat het voor de Braziliaanse producenten, gezien de sterke concurrentie van de Chinese leveranciers en de zwakke vraag in Japan, moeilijk zou zijn om hun positie op deze markt te verstevigen, wees niets erop dat de Braziliaanse exporteurs hun huidige marktaandeel niet zouden handhaven.

Conclusie

(41) Het onderzoek naar de voortzetting van de dumping bij uitvoer naar de Gemeenschap bracht in het algemeen een zeer laag dumpingniveau aan het licht. Bovendien waren ook de hierbij betrokken hoeveelheden zeer beperkt. Ook volgens andere indicatoren, waaronder een devaluatie van de Braziliaanse munt, was het weinig waarschijnlijk dat in de nabije toekomst sprake zou zijn van ernstige dumping.

(42) Bovendien wees niets erop dat de Braziliaanse exporteurs opnieuw evenveel als voordien naar de Gemeenschap zouden uitvoeren; de patronen voor de binnenlandse verkoop en uitvoer bleken vast te staan en belangrijke wijzigingen in de nabije toekomst leken weinig waarschijnlijk.

(43) In dit verband werd er ook rekening mee gehouden dat op de uitvoer van sommige Braziliaanse exporteurs gedurende enkele jaren een antidumpingrecht van 0 % van toepassing was en dat dit niet tot een belangrijke stijging van de uitvoer naar de Gemeenschap had geleid.

(44) In het algemeen mag derhalve worden geconcludeerd dat het weinig waarschijnlijk is dat de intrekking van de maatregelen opnieuw zou leiden tot de invoer van grote hoeveelheden tegen dumpingprijzen uit Brazilië.

3. Volksrepubliek China

(45) Hoewel 37 exporteurs in China vragenlijsten werden toegezonden, werd geen enkel antwoord ontvangen. Daarom werden de bevindingen op de beschikbare gegevens gebaseerd overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening.

Mogelijke voortzetting van de dumping

(46) De normale waarde voor China werd vastgesteld op basis van de normale waarde in het analoge land Brazilië.

(47) De uitvoerprijs werd vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens in de Eurostat-statistieken; hij werd voor alle soorten FeSi vastgesteld als de gewogen gemiddelde waarde, cif grens Gemeenschap van de tijdens het onderzoektijdvak uit China ingevoerde, kleine hoeveelheden.

(48) De normale waarden en de uitvoerprijzen werden met het oog op vergelijking gecorrigeerd tot waarden en prijzen fob grens exporterend land.

(49) De vergelijking van de normale waarden met de uitvoerprijzen bracht aan het licht dat bij uitvoer uit China naar de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak dumpingprijzen werden gehanteerd.

Mogelijke herhaling van de dumping

(50) Omdat geen Chinese exporteurs/producenten aan het onderzoek medewerkten, werd overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens nagegaan of de dumping zich kon herhalen. In dit geval bleken de beste gegevens de bevindingen te zijn in verband met de mogelijke voortzetting van de dumping. Op deze basis werd geoordeeld dat de dumping bij invoer uit China zich waarschijnlijk in een ernstige vorm zou herhalen indien de maatregelen werden ingetrokken.

(51) Omdat de Chinese exporteurs/producenten geen medewerking verleenden, werd het antwoord op de vraag of grote hoeveelheden met dumping zouden worden ingevoerd, afgeleid uit de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening. De Commissie haalde gegevens uit publicaties van de bedrijfstak en uit persartikelen en deze toonden aan dat de productie in China de binnenlandse en buitenlandse vraag met ongeveer 250000 ton per jaar overschreed, hetgeen betekende dat grote productiecapaciteit en voorraden beschikbaar waren en de uitvoer naar de Gemeenschap bij intrekking van de maatregelen opnieuw belangrijk kon worden.

Conclusie

(52) Uit de beschikbare gegevens kon duidelijk worden opgemaakt dat er een omvangrijke capaciteit aanwezig is voor de vervaardiging van producten die naar de Gemeenschap zouden kunnen worden uitgevoerd indien de huidige maatregelen werden ingetrokken. Bovendien blijkt uit het bewijsmateriaal in verband met de dumping duidelijk dat de hervatting van de invoer uit China in omvangrijke hoeveelheden met dumpingprijzen gepaard zou gaan.

4. Kazachstan

Mogelijke voortzetting van de dumping

(53) De normale waarde voor de exporteurs/producenten in Kazachstan werd vastgesteld op basis van de normale waarde in het analoge land Brazilië.

(54) De medewerkende Braziliaanse exporteurs/producenten vervaardigden geen FeSi met een gemiddeld siliciumgehalte; deze productsoort werd wel uit Kazachstan uitgevoerd. De normale waarde voor deze soort werd derhalve berekend op basis van het gewone gemiddelde van de in Brazilië vastgestelde normale waarden voor FeSi met een hoog en met een laag siliciumgehalte.

(55) De enige bekende exporteur/producent in Kazachstan verkocht zijn voor uitvoer bestemde producten aan onafhankelijke afnemers in Kazachstan en was dus niet zeker van de uiteindelijke bestemming van dit FeSi. De uitvoerprijzen werden derhalve gebaseerd op de uitvoer die door de Kazakse douaneautoriteiten werd aangegeven als bestemd voor de Gemeenschap en op de invoer volgens Eurostat. Beide bronnen wezen op kleine hoeveelheden.

(56) Met het oog op een billijke vergelijking werden de normale waarden en de uitvoerprijzen vergeleken in het stadium af fabriek (of daarmee corresponderend stadium).

(57) Een vergelijking van de normale waarden met de uitvoerprijzen bracht sterke dumping tijdens het onderzoektijdvak aan het licht.

Mogelijke herhaling van de dumping

(58) De normale waarde voor Kazachstan werd vastgesteld op basis van de normale waarde in het analoge land Brazilië terwijl de uitvoerprijs gebaseerd werd op de prijzen bij uitvoer naar derde landen. Met het oog op een billijke vergelijking werden de normale waarde en de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek (of daarmee corresponderend stadium). Deze vergelijking bracht omvangrijke dumping aan het licht.

(59) De enige medewerkende Kazakse exporteur/producent die de Commissie bekend was, maakte geen gewag van enige wijziging in zijn handelspatroon voor de nabije toekomst.

(60) De totale productie van FeSi van deze Kazakse exporteur/producent daalde met ongeveer 75 % in de periode van 1995 tot het onderzoektijdvak. In dezelfde periode daalde de door deze producent opgegeven capaciteit voor FeSi met ongeveer 86 %. Er waren aanwijzingen dat deze verlaging van de door de producent opgegeven capaciteit tenminste gedeeltelijk het gevolg was van de transfer van capaciteit die oorspronkelijk voor FeSi was bedoeld naar de productie van andere producten; een dergelijke transfer kon echter ook weer in de andere richting plaatsvinden. Bovendien was er zeer veel andere, niet bezette productiecapaciteit die in de toekomst voor de productie van FeSi kon worden aangewend.

(61) Bovendien antwoordde de producent in zijn vragenlijst dat de ovens die momenteel werden aangewend voor de productie van FeSi, in 1999 en 2000 met een veel hogere bezettingsgraad van de productiecapaciteit werken dan tijdens het onderzoektijdvak het geval was maar deze bewering werd niet met bewijzen gestaafd.

Conclusie

(62) De beschikbare gegevens wijzen op de aanwezigheid van een grote capaciteit die een productie zou kunnen opleveren die naar de Gemeenschap zou kunnen worden uitgevoerd indien de huidige maatregelen werden ingetrokken. Bovendien blijkt uit het bestaande bewijsmateriaal in verband met dumping duidelijk dat een hervatting van de uitvoer uit Kazachstan in grote hoeveelheden naar de Gemeenschap gepaard zou gaan met dumpingprijzen.

5. Rusland

Mogelijke voortzetting van de dumping

(63) Hoewel de medewerkende exporteur/producent aanvankelijk verklaarde dat hij tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Gemeenschap had uitgevoerd, konden toch enkele transacties met onafhankelijke afnemers waarbij de Gemeenschap de bestemming van de vracht was, worden geïdentificeerd. Het bedrijf kon niet bevestigen en ook op basis van de ter beschikking gestelde documenten kon niet worden aangetoond of deze goederen in de Gemeenschap bleven dan wel of de uiteindelijke bestemming ervan buiten de Gemeenschap was. Derhalve werd ervan uitgegaan dat het bij deze specifieke transacties ging om verkopen aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap. Op deze basis vond een onderzoek plaats naar mogelijke voortzetting van de dumping. Omdat niet alle Russische producenten die FeSi naar de Gemeenschap exporteerden medewerking verleenden, werd een tweede onderzoek verricht naar mogelijke voortzetting van de dumping op basis van de invoerstatistieken van Eurostat.

(64) De normale waarde voor Rusland werd vastgesteld op basis van de normale waarde in het analoge land Brazilië. Omdat de medewerkende Braziliaanse exporteurs/producenten geen FeSi met een gemiddeld siliciumgehalte zoals dat door Rusland wordt uitgevoerd vervaardigden, werd de normale waarde voor deze soort berekend op basis van het gewone gemiddelde van de in Brazilië vastgestelde normale waarden voor FeSi met een hoog en met een laag siliciumgehalte.

(65) De enige medewerkende Russische producent leverde bij uitvoer hetzij rechtstreeks aan niet verbonden afnemers, hetzij onrechtstreeks, via een verbonden handelaar in een derde land. De verkoop via de verbonden handelaar werd niet in aanmerking genomen bij het onderzoek omdat de band gevolgen kon hebben voor de aangerekende prijzen. De uitvoerprijs werd derhalve vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen voor het product bij verkoop aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap.

(66) Aangezien deze transacties, volgens de statistieken van Eurostat, minder dan de helft van de totale invoer van FeSi uit Rusland uitmaakten, werden de gemiddelde uitvoerprijzen bovendien ook vastgesteld op basis van de statistieken van Eurostat voor de drie laatste maanden van het onderzoektijdvak.

(67) Met het oog op een billijke vergelijking werden de normale waarde en de uitvoerprijzen in sommige gevallen gecorrigeerd tot het stadium fob exporterend land en in andere gevallen tot het stadium af fabriek.

(68) De vergelijking van de normale waarden en de uitvoerprijzen bracht belangrijke dumping tijdens het onderzoektijdvak aan het licht.

Mogelijke herhaling van de dumping

(69) De normale waarde voor Rusland werd vastgesteld op basis van de normale waarde in het analoge land Brazilië terwijl de uitvoerprijs berekend werd op basis van alle uitvoer naar derde landen omdat de Russische exporteur/producent de uiteindelijke bestemmingen van zijn voor uitvoer verkocht FeSi niet kon identificeren. Met het oog op een billijke vergelijking werden de normale waarde en de uitvoerprijs gecorrigeerd tot het stadium af fabriek. De vergelijking bracht omvangrijke dumping aan het licht.

(70) De exporteur/producent voerde aan dat indien zijn verkoop zou stijgen deze extra hoeveelheden uitsluitend voor zijn binnenlandse markt, Azië of het Midden-Oosten en niet voor de Gemeenschap bestemd zouden zijn. Hij verstrekte evenwel geen bewijzen om deze bewering te staven. Hoe het ook zij, zelfs indien de uitvoer naar sommige van deze markten zou stijgen, zou de niet bezette capaciteit omvangrijk blijven en zouden de desbetreffende hoeveelheden groter zijn dan de vóór de instelling van de antidumpingmaatregelen uit Rusland naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden. Onder deze omstandigheden mag redelijkerwijze worden aangenomen dat de Russische exporteurs opnieuw grote hoeveelheden naar de Gemeenschap zouden uitvoeren indien de maatregelen zouden vervallen.

Conclusie

(71) Omdat slechts één Russische exporteur/producent de vragenlijst invulde en deze exporteur/producent volgens Eurostat minder dan de helft van de Russische uitvoer naar de Gemeenschap voor zijn rekening nam, waren de gegevens waarover de Commissie beschikte, beperkt. Uit het onderzoek bleek dat Rusland zowel naar de Gemeenschap als naar derde landen uitvoerde en in beide gevallen sterke dumpingprijzen hanteerde. Deze dumping en de beschikbaarheid van omvangrijke, niet bezette productiecapaciteit wijzen erop dat de intrekking van de huidige antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van het betrokken product uit Rusland waarschijnlijk zou leiden tot de invoer van omvangrijke hoeveelheden met dumping in de nabije toekomst.

6. Oekraïne

Mogelijke voortzetting van de dumping

(72) De medewerkende Braziliaanse exporteurs/producenten vervaardigden geen FeSi met een gemiddeld siliciumgehalte, een productsoort die door Oekraïne wordt uitgevoerd. De normale waarde voor deze soort moest derhalve worden berekend op basis van het eenvoudige gemiddelde van de in Brazilië vastgestelde normale waarden voor FeSi met een hoog en met een laag siliciumgehalte.

(73) Omdat de medewerkende Oekraïnse exporteurs/producenten geen uitvoer voor het onderzoektijdvak rapporteerden, kon geen prijs bij uitvoer naar de Gemeenschap worden vastgesteld op basis van door de bedrijven verstrekte gegevens.

(74) De gegevens van Eurostat wezen evenwel op kleine ingevoerde hoeveelheden van het betrokken product uit Oekraïne. De uitvoerprijzen werden derhalve vastgesteld op basis van de Eurostat-prijzen voor de drie laatste maanden van het onderzoektijdvak.

(75) Met het oog op een billijke vergelijking werden de normale waarde en de uitvoerprijs gecorrigeerd tot het stadium fob exporterend land (of daarmee corresponderend stadium).

(76) Een vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijzen bracht omvangrijke dumping aan het licht.

Mogelijke herhaling van de dumping

(77) De normale waarde voor Oekraïne werd vastgesteld aan de hand van de normale waarde in het analoge land Brazilië. De uitvoerprijzen werden vastgesteld op basis van de voor het product bij verkoop aan onafhankelijke afnemers in andere derde landen dan de Gemeenschap werkelijk betaalde of te betalen prijzen. Voor één exporteur/producent werden de uitvoerprijzen gebaseerd op de uitvoertransacties van maart tot mei 1998 omdat er voor een latere periode geen uitvoer was gerapporteerd. Transacties op grond van "tolling" (toeleveringscontracten voor de vervaardiging van een product op basis van door een ander bedrijf geleverde grondstoffen) werden niet in aanmerking genomen. Met het oog op een billijke vergelijking werden de normale waarden en de uitvoerprijzen gecorrigeerd tot het stadium fob grens exporterend land. De vergelijking bracht omvangrijke dumping bij uitvoer naar deze derde landen tijdens het onderzoektijdvak aan het licht.

(78) Hoewel de exporteurs/producenten enig bewijsmateriaal verstrekken waaruit bleek dat zowel de binnenlandse verkoop als de uitvoer enigszins zouden stijgen en dat hun productiecapaciteit zou dalen, werd geoordeeld dat toch een omvangrijk gedeelte van de resterende nominale capaciteit beschikbaar zou blijven. Hoewel aanvaard werd dat tekorten aan energie en grondstoffen de beschikbare capaciteit kunnen verlagen, werd toch geconcludeerd dat deze capaciteit omvangrijk zou blijven en de betrokken hoeveelheden hoger zouden zijn dan de vóór de instelling van de antidumpingmaatregelen uit Oekraïne naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden.

Conclusie

(79) Onderzoek wees uit dat de dumping tijdens het onderzoektijdvak zowel bij uitvoer naar de Gemeenschap als bij verkoop aan derde landen buiten de Gemeenschap omvangrijk was. Deze dumping en het niveau van de niet bezette productiecapaciteit doen vermoeden dat de intrekking van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van het betrokken product uit Oekraïne waarschijnlijk zou leiden tot aanhoudende en nieuwe invoer van grote hoeveelheden met dumping.

7. Venezuela

Mogelijke voortzetting of herhaling van de dumping

(80) De enige tijdens het OT bekende Venezolaanse exporteur/producent (Fesilven) werkte aan het onderzoek mede. Voor het OT werd enige dumping vastgesteld.

(81) Fesilven werd evenwel door de Venezolaanse regering op 4 december 1998, dit wil zeggen na het einde van het OT, geprivatiseerd. Ten gevolge hiervan kwam het bedrijf onder de rechtstreekse controle van één van de medewerkende producenten van de Gemeenschap, namelijk Ferroatlántica SL, waarna zijn naam werd gewijzigd tot Ferroven.

(82) De nieuwe directie van Ferroven voerde aan dat het onwaarschijnlijk was dat de schadelijke dumping zich bij het nieuwe bedrijf zou herhalen omdat de overname van het oude bedrijf had geleid tot fundamentele wijzigingen, namelijk:

- het bedrijf was niet langer een gesubsidieerd overheidsbedrijf maar een bedrijf dat op marktvoorwaarden opereerde en winsten wenste te boeken;

- de verkoop werd beheerd door Ferroatlántica SL in Spanje en er zou maximaal gebruik worden gemaakt van de logistieke voordelen van verkoop in de Amerika's terwijl de verkoop tegen dumpingprijzen op andere markten, zoals de Gemeenschap, minder aantrekkelijk zou worden gevonden;

- er zou alleen op de markt van de Gemeenschap worden verkocht indien Ferroatlántica SL met zijn eigen productie niet aan de vraag kon voldoen en de hierbij gehanteerde prijzen zouden dezelfde zijn als die van het Spaanse bedrijf teneinde de positie van het moederbedrijf op de markt van de Gemeenschap te handhaven.

(83) Voor het onderzoek van deze bewering keek de Commissie eerst naar het overnamecontract tussen de producent van de Gemeenschap en de Venezolaanse overheid, waarin duidelijk was gesteld dat het nieuwe bedrijf de basisprincipes van het vrije ondernemerschap en de vrije concurrentie zou toepassen. Bij de verificatie ter plekke stelde de Commissie vast dat vier beheerders van Ferroatlántica bij Ferroven geïnstalleerd waren en als taak hadden de werkwijzen van de moedermaatschappij op het gebied van handelsbeleid, boekhouding, productkwaliteit en efficiëntie van de productie toe te passen. Bovendien werden de grondstoffen en de energie nu onder normale marktvoorwaarden aangekocht en betaald.

(84) Voorts onderzocht de Commissie of Ferroven na de privatisering over voldoende overtollige capaciteit beschikte om grote hoeveelheden naar de Gemeenschap te kunnen uitvoeren. Ze kwam tot de conclusie dat er nog steeds voldoende overtollige capaciteit aanwezig was. Het was evenwel duidelijk dat de Venezolaanse exporteur/producent, met markten in de Amerika's, op logistiek vlak echt bevoordeeld was, vergeleken met de meeste andere producenten in de wereld. Er werd aangetoond dat de betrokken producent het grootste gedeelte van zijn totale omzet van FeSi op zijn binnenlandse markt en in de Amerika's verkocht. Van deze verkoop belandde niets op de grote markt van de Verenigde Staten (ongeveer 490000 ton per jaar), waarvoor antidumpingmaatregelen in augustus 1999 vervielen, zoals in overweging 19 is uiteengezet.

Conclusie

(85) Hoewel tijdens het OT enige dumping werd vastgesteld, kunnen de hoeveelheden die Venezuela in de toekomst naar de Gemeenschap zal exporteren en prijzen die het zal toepassen, niet goed worden geëvalueerd zonder rekening te houden met de situatie van de moedermaatschappij van Ferroven, dit wil zeggen Ferroatlántica SL. Tot dit onderzoek werd overgegaan om vast te stellen of de schade zich eventueel zou voortzetten of herhalen; vastgesteld werd dat de situatie die tijdens het OT werd geconstateerd, zich dusdanig had gewijzigd dat de bevindingen voor het OT in verband met dumping misschien niet representatief zijn voor de toekomst. Gezien de bevindingen in verband met de schade, werd het niet nodig geacht definitieve conclusies te trekken in verband met mogelijke voortzetting of herhaling van de dumping.

D. SITUATIE OP DE MARKT VOOR FeSi VAN DE GEMEENSCHAP

1. Voorafgaande opmerkingen

(86) Om te waarborgen dat voor de onderzochte periode vergelijkbare gegevens werden gebruikt, werd ervan uitgegaan dat Oostenrijk, Finland en Zweden in 1994 deel uitmaakten van de markt van de Gemeenschap.

(87) De indiener van.het verzoek wees erop dat de statistieken van Eurostat geen gegevens bevatten over de invoer in deze landen in 1994 en stelde voor om voor deze landen de nationale statistieken zelf te gebruiken. De uitvoer/invoerstatistieken van de Gemeenschap en van de drie nieuwe lidstaten leverden evenwel geen duidelijk beeld op van de handelsstromen tussen de Gemeenschap en deze drie landen. De gegevens over de invoer in de Gemeenschap door deze drie landen in 1994 werden derhalve niet in aanmerking genomen. Het verbruik in deze drie landen in 1994 werd vastgesteld zoals beschreven in overweging 88.

2. Verbruik in de Gemeenschap

(88) Voor 1995 en de latere periode werd het verbruik vastgesteld op basis van de volledige invoerstatistieken van Eurostat voor de 15 lidstaten en op basis van de gegevens over de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap en van de andere producenten. Bij gebrek aan betrouwbare gegevens over de invoer in Oostenrijk, Finland en Zweden werd het verbruik van deze landen in 1994 geraamd op basis van hun staalproductie. Het verbruik in de overige twaalf lidstaten werd vastgesteld aan de hand van geverifieerde verkoopcijfers die door de bedrijfstak van de Gemeenschap werden verstrekt, gegevens over de productie die door andere producenten van de Gemeenschap in de klacht werden verstrekt en gegevens over de ingevoerde hoeveelheden in de statistieken van Eurostat.

(89) Het verbruik steeg tijdens de onderzochte periode met 26 %: van ongeveer 505000 ton in 1994 tot net onder 639000 ton tijdens het OT.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Invoer

Voorafgaande opmerkingen

(90) Rekening houdend met bovenstaande bevindingen volgens welke het onwaarschijnlijk is dat de dumping zich zal voortzetten of herhalen in het geval van Brazilië, wordt het onderzoek naar de mogelijke voortzetting of herhaling van de schade bij invoer uit dat land niet voortgezet.

Ingevoerde hoeveelheden en marktaandeel

(91) De gegevens van Eurostat toonden aan dat de invoer uit China, Oekraïne en Kazachstan tijdens de onderzochte periode zeer laag was; de invoer uit Rusland en Venezuela varieerde in de loop der jaren maar bleef in verhouding tot het verbruik ook beperkt (respectievelijk 0,4 % en 1,6 % tijdens het OT). In totaal vertegenwoordigde de invoer uit de betrokken landen een marktaandeel van 2,1 % tijdens het OT.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Prijzen

(92) Volgens de gegevens van Eurostat bedroegen de prijzen van de ingevoerde producten (vóór betaling van de rechten) tijdens het OT: bij invoer uit Venezuela: 434 EUR/t, China: 471 EUR/t, Rusland: 447 EUR/t, Oekraïne: 421 EUR/t en Kazachstan: 413 EUR/t. Deze prijzen waren veel lager dan de gemiddelde prijs van de totale invoer (629 EUR/t).

(93) Omdat de uit de betrokken landen ingevoerde hoeveelheden zeer beperkt waren en er weinig gegevens waren over de prijzen van de betrokken exporteurs/producenten omdat deze geen medewerking aan het onderzoek verleenden, konden geen betrouwbare berekeningen van de onderbieding worden gemaakt.

4. Invoer uit andere derde landen

(94) De invoer uit Noorwegen vertegenwoordigde tijdens het OT 52 % van de markt van de Gemeenschap. In dezelfde periode bedroeg het marktaandeel van andere invoer 29,8 %. Polen, de Slowaakse Republiek, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Egypte waren de belangrijkste overige exporterende landen. Brazilië vertegenwoordigde een marktaandeel van 0,9 %.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(95) Het onderzoek toonde aan dat de invoer uit Noorwegen de markt van de Gemeenschap domineerde door de grote hoeveelheden. De prijzen van de ingevoerde producten waren vergelijkbaar met die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Ook de uit Polen, de Slowaakse Republiek, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Egypte ingevoerde hoeveelheden waren aanzienlijk en deze invoer vond tegen lagere prijzen plaats. Uit Brazilië werden betrekkelijk kleine hoeveelheden ingevoerd hoewel tegen hogere prijzen dan de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

5. Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

Voorafgaande opmerkingen

(96) Het onderzoek naar de gevolgen van de betrokken invoer voor de bedrijfstak van de Gemeenschap omvatte een evaluatie van alle economische factoren en indicatoren in verband met de situatie van de bedrijfstak. Sommige factoren die zijn opgesomd in artikel 3, lid 5, van de basisverordening worden evenwel niet gedetailleerd behandeld omdat werd vastgesteld dat ze niet relevant waren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het kader van dit onderzoek. Er zij uiteindelijk op gewezen dat geen enkele van deze factoren noodzakelijkerwijze definitief uitsluitsel geeft.

Strekking van het begrip bedrijfstak van de Gemeenschap

(97) In 1993/1994, dit wil zeggen nadat de vorige onderzoeken in verband met de betrokken landen waren voltooid, bestond de bedrijfstak van de Gemeenschap die het verzoek indiende uit drie producenten: Pechiney Electrometallurgie, Frankrijk; SKW Trostberg AG, Duitsland; en Carburos Metálicos (nu Ferroatlántica SL), Spanje. Een vierde bedrijf produceerde destijds ook FeSi, namelijk Industria Elettrica Indel Spa, Italië. Er waren in de Gemeenschap in het kader van deze vorige onderzoeken aan het begin van de onderzochte perioden (1987/1988) minstens drie andere producenten: Ferrolegierungswerk Lippendorf GmbH, Duitsland; Officine Elettrochimiche Trentine, Italië en Utilizzazzioni Elettro Industriali (UEI), Italië.

(98) Na de instelling van de maatregelen die aan een nieuw onderzoek werden onderworpen werd de structuur van de bedrijfstak van de Gemeenschap gewijzigd. Ten eerste: na de toetreding van Zweden tot de Europese Unie in 1995 werd Vargön Alloys AB, Zweden een producent van de Gemeenschap (dit bedrijf vervaardigde al jarenlang FeSi). Ten tweede: verschillende bedrijven zetten hun productie stop of fusioneerden met andere bedrijven hetgeen tot gevolg had dat er tijdens het OT nog slechts drie producenten van FeSi in de Gemeenschap waren. Het verzoek om een nieuw onderzoek naar aanleiding van het vervallen van de maatregelen werd ingediend namens deze drie producenten die samen de volledige productie van het betrokken product van de Gemeenschap voor hun rekening nemen. De drie producenten van de Gemeenschap die het verzoek indienden (Ferroatlántica in Spanje, Pechiney Electrometallurgie in Frankrijk en Vargön Alloys AB in Zweden), verleenden medewerking aan het onderzoek en vulden de vragenlijst van de Commissie in. Deze bedrijven vormen de bedrijfstak van de Gemeenschap.

Verkochte hoeveelheden, marktaandeel en groei

(99) De door de bedrijfstak van de Gemeenschap verkochte hoeveelheden stegen met 21 % tijdens de onderzochte periode maar het marktaandeel van de bedrijfstak daalde met 5 %; het is derhalve duidelijk dat de groei van de bedrijfstak geen gelijke tred hield met de groei van het verbruik.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad van de productiecapaciteit

(100) Zoals blijkt uit onderstaande tabel stegen zowel de productie als de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens de onderzochte periode en steeg de bezettingsgraad van de productiecapaciteit zelfs met 6 %.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Productiekosten

(101) Met het oog op een betrouwbare ontwikkeling werd voor het onderzoek naar de kosten FeSi 75 geselecteerd omdat de productsamenstelling van andere FeSi-soorten in de loop van de tijd wijzigingen onderging. Zoals blijkt uit onderstaande tabel stegen de eenheidskosten per ton van FeSi 75 (dat het grootste gedeelte van het betrokken product vertegenwoordigt) met 4 % tijdens de onderzochte periode.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Werkgelegenheid

(102) Uit onderstaande tabel blijkt dat de bedrijfstak van 1994 tot het eind van het OT 9 % van zijn werknemers die rechtstreeks bij de productie van FeSi betrokken waren moest afdanken. Ongeveer 15 % van de werknemers van de bedrijfstak van de Gemeenschap waren rechtstreeks bij de productie van FeSi betrokken.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Productiviteit

(103) Zoals blijkt uit onderstaande tabel steeg de productie per werknemer (arbeidsproductiviteit) met 21 % tijdens de onderzochte periode ten gevolge van een stijging van de productie en een daling van de werkgelegenheid.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Prijsverloop

(104) Er werd een onderzoek verricht naar de gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan de hand van de totale waarde van het aan niet verbonden afnemers verkochte FeSi 75 en van de totale hoeveelheden ervan (om het prijsverloop vast te stellen aan de hand van een degelijke indicator zoals hierboven voor de kosten werd uiteengezet). De verkoopprijzen stegen met 6 % tijdens de onderzochte periode. Er zij op gewezen dat de prijzen met 21 % stegen van 1994 tot 1996 en vervolgens met 12 % daalden van 1996 tot het OT.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Winsten

(105) Zoals uit de onderstaande tabel blijkt steeg de winstgevendheid van 1994 tot 1996 maar daalde zij gedurende de rest van de onderzochte periode, hoofdzakelijk ten gevolge van een daling van de prijzen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Andere economische indicatoren

(106) De investeringen van de bedrijfstak van de Gemeenschap waren veel meer bestemd voor reparatie dan voor belangrijke programma's met het oog op de installatie van nieuwe ovens. Uit de fluctuerende cijfers voor de investeringen konden de ontwikkelingen in verband met de schade niet worden vastgesteld. Bovendien waren de voorraden en de salarissen redelijk stabiel tijdens de onderzochte periode en op dat vlak konden hier geen schadelijke ontwikkelingen worden vastgesteld. De gevolgen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap van de omvang van de huidige dumpingmarge werden niet relevant geacht gezien de lage hoeveelheden die werden ingevoerd.

(107) Er werd geen gedetailleerd onderzoek verricht naar de cash-flow, het vermogen om kapitaal (investeringen) bijeen te brengen, de investeringen en het rendement van belegging omdat een dergelijk onderzoek betrekking zou hebben op de volledige productie van de bedrijven. Omdat andere productielijnen gemiddeld meer dan 50 % van de omzet van de bedrijfstak van de Gemeenschap vertegenwoordigen zou een globaal onderzoek niet noodzakelijk representatief zijn voor het betrokken product.

6. Conclusie

(108) De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geprofiteerd van een stijging van zijn eenheidsprijzen voor FeSi van 1994 tot 1996 maar aan het eind van het onderzoektijdvak werden zijn winstmarges aanzienlijk verlaagd door een daling van de prijzen en een stijging van de productiekosten. Hoewel de vraag in de Gemeenschap tijdens de onderzochte periode steeg door ontwikkelingen in de staalindustrie daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 5 %.

(109) Er zij op gewezen dat het marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen gehandhaafd werd op ongeveer 2 % tijdens de onderzochte periode. De invoer uit Noorwegen daarentegen bereikte een marktaandeel van meer dan 50 % tijdens het OT en de invoer uit andere derde landen een marktaandeel van ongeveer 30 %.

(110) Derhalve werd geoordeeld dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zich tijdens het OT in een zwakkere situatie bevond dan aan het begin van de onderzochte periode.

E. MOGELIJKE VOORTZETTING OF HERHALING VAN DE SCHADE

1. Voorafgaande opmerkingen

(111) Om vertrouwelijkheidsredenen werden de cijfers met betrekking tot de productiecapaciteit, de verkochte hoeveelheden en de prijzen van de medewerkende exporteurs/producenten bij benadering of samengevat weergegeven.

2. Onderzoek naar de situatie van de exporteurs/producenten in de betrokken landen

Venezuela

(112) Zoals medegedeeld in overweging 81 hierboven werd Fesilven door de Venezolaanse regering op 4 december 1998, dit wil zeggen na het OT, geprivatiseerd.

(113) Uit het onderzoek bleek dat Fesilven tijdens het OT verder op de markt van de Gemeenschap verkocht tegen prijzen die, zelfs indien de toepasselijke antidumpingrechten in aanmerking worden genomen, onder de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap lagen.

(114) Het nieuwe beheer van Ferroven en het moederbedrijf Ferroatlántica voerden evenwel aan dat zij niet voornemens waren FeSi dat in Venezuela was vervaardigd tegen lage prijzen op de markt van de Gemeenschap te verkopen. De bedrijven beweerden voornemens te zijn het FeSi dat in Venezuela werd vervaardigd in Noord- en Zuid-Amerika te leveren en met het in Spanje geproduceerde product de markt van de Gemeenschap te bevoorraden. Dit was volkomen aanvaardbaar omdat de producent in de Gemeenschap aantoonde dat zijn investeringen in productie-installaties in stand waren gehouden en het onwaarschijnlijk was dat hij door tegen lage prijzen op zijn eigen markt te verkopen zijn investeringen in gevaar zou brengen. Het wordt inderdaad als een normaal economisch gedrag beschouwd dat een producent van de Gemeenschap de prijzen op zijn eigen markt handhaaft en terzelfdertijd een maximale winst haalt uit de verkoop van in Venezuela geproduceerd FeSi.

(115) Bovendien vormen de Verenigde Staten sedert augustus 1999 voor Ferroven een nieuw groot afzetgebied zoals in overweging 84 werd vermeld.

Conclusie

(116) Hoewel niet kon worden uitgesloten dat uit Venezuela in de Gemeenschap werd ingevoerd was het onwaarschijnlijk dat zou worden uitgevoerd tegen prijzen en in hoeveelheden die aanmerkelijke schade zouden veroorzaken. Derhalve wordt geconcludeerd dat een herhaling van de schade door invoer van door Ferroven vervaardigd FeSi onwaarschijnlijk is.

China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne

Waarschijnlijke uitvoerprijzen

(117) Hoewel de tijdens het OT ingevoerde hoeveelheden te klein waren om belangrijke berekeningen in verband met onderbieding uit te kunnen voeren kon toch worden vastgesteld dat de cif-prijzen van deze ingevoerde producten aanmerkelijk onder de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap lagen. De prijzen van de uit deze landen naar andere derde landen uitgevoerde producten die tot samengestelde prijzen cif grens Gemeenschap werden omgerekend waren ook aanzienlijk lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bovendien werd in de overwegingen 52, 62, 71 en 79 geconcludeerd dat uit deze landen waarschijnlijk opnieuw met dumping zal worden ingevoerd indien de maatregelen worden ingetrokken. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de prijzen van de uit deze landen naar de Gemeenschap uitgevoerde producten bij intrekking van de maatregelen waarschijnlijk dumpingprijzen zullen zijn die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap sterk zullen onderbieden.

Waarschijnlijke uitgevoerde hoeveelheden

(118) De Commissie onderzocht voor elk van de betrokken landen de voorraden en de capaciteit.

(119) Zoals werd geconcludeerd in overweging 51 zouden volgens beschikbare gegevens in China een zeer grote capaciteit en omvangrijke voorraden beschikbaar zijn; deze producten zouden gebruikt kunnen worden voor een hervatting van de uitvoer in grote hoeveelheden naar de Gemeenschap bij intrekking van de maatregelen.

(120) Zoals werd medegedeeld in de overwegingen 60 tot 62 is bij de enige bekende Kazakse exporteur/producent de onbenutte - en eigenlijk overtollige capaciteit - die gebruikt zou kunnen worden voor de vervaardiging van FeSi dat naar de Gemeenschap zou kunnen worden uitgevoerd, zeer groot.

(121) In overweging 70 werd opgemerkt dat er opmerkelijk veel onbenutte capaciteit in Rusland was die gebruikt zou kunnen worden voor de vervaardiging van producten die bij intrekking van de maatregelen naar de Gemeenschap zouden kunnen worden uitgevoerd.

(122) Zoals werd medegedeeld in overweging 78 heeft ook Oekraïne opmerkelijk veel overtollige capaciteit die gebruikt zou kunnen worden voor de productie van meer FeSi dat naar de Gemeenschap zou kunnen worden uitgevoerd.

(123) Voorts werd vastgesteld dat een deel van de in Kazachstan en Rusland beschikbare productiecapaciteit kan worden aangewend voor de productie van andere ferrolegeringen zoals ferrochroom; hierbij werd vooral rekening gehouden met het feit dat de antidumpingmaatregelen die van toepassing waren op de invoer van ferrochroom uit deze landen in de Gemeenschap op 25 maart 2000 kwamen te vervallen(11). De Commissie oordeelde evenwel dat er nog steeds zeer veel capaciteit beschikbaar zou zijn voor de productie van FeSi dat uit deze landen zou kunnen worden uitgevoerd.

(124) Zoals medegedeeld in overweging 19 was op de invoer in de Verenigde Staten uit China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne vanaf augustus 1999 geen antidumpingrecht meer van toepassing. Gezien de omvang van de markt van de Verenigde Staten en de op deze markt geldende prijzen lijkt er enige marge te zijn voor een stijging van de invoer uit deze landen in de Verenigde Staten; bij deze overweging werd er rekening mee gehouden dat slechts zeer kleine hoeveelheden werden ingevoerd in de Verenigde Staten totdat de overheid de beslissing nam de maatregelen in te trekken. Niettemin zou nog steeds zeer veel capaciteit beschikbaar blijven voor de productie van FeSi dat naar de Gemeenschap zou kunnen worden uitgevoerd.

Conclusie

(125) Gezien de bevindingen in verband met de voortzetting en herhaling van een dumping, gezien ook de omvangrijke beschikbare capaciteit in China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne en niettegenstaande de conclusie dat de verschillende hierboven beschreven factoren de capaciteit kunnen verlagen die beschikbaar is voor de vervaardiging van producten die naar de Gemeenschap kunnen worden uitgevoerd, concludeerde de Commissie dat de invoer tegen dumpingprijzen uit deze landen in de Gemeenschap aanzienlijk zou kunnen stijgen indien de maatregelen werden ingetrokken.

3. Conclusie in verband met de mogelijke herhaling van de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap

(126) De markt voor FeSi van de Gemeenschap zal volgens de verwachtingen op middellange termijn betrekkelijk stabiel blijven op grond van het feit dat de vraag naar het product bijna volledig afhankelijk is van de staalproductie. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon bogen op een marktaandeel van 16,5 % tijdens het OT maar zijn totale capaciteit zou de bedrijfstak een maximummarktaandeel van 23 % kunnen hebben bezorgd.

(127) Het huidige marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap zou bij intrekking van de maatregelen kunnen verkleinen ten gevolge van de invoer van grotere hoeveelheden. Ramingen in dit verband zijn evenwel zeer moeilijk.

Ten eerste voerden de verwerkende bedrijven aan dat zij om de kwaliteit van het product te garanderen en de bevoorrading veilig te stellen verder bepaalde hoeveelheden FeSi bij de bedrijfstak van de Gemeenschap zouden aankopen, zelfs indien de maatregelen werden ingetrokken. Hoewel de Commissie in dit verband niet tot een onomstootbare conclusie kon komen lijkt het feit dat de uitvoer van drie belangrijke Braziliaanse exporteurs/producenten naar de Gemeenschap niet steeg op het ogenblik dat op deze uitvoer een 0 % antidumpingrecht werd toegepast, deze bewering van de verwerkende bedrijven te staven.

Ten tweede speelt Noorwegen, zoals hierboven werd medegedeeld, op de markt van de Gemeenschap de belangrijkste rol. De reactie van de Noorse exporteurs/producenten op gestegen invoer uit de betrokken landen zal bepalend zijn voor de reacties van alle handelaren op de markt van de Gemeenschap.

(128) Voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als betrekkelijk kleine handelaar op de markt van de Gemeenschap zou het belangrijkste probleem de ontwikkeling van de verkoopprijzen zijn die onmiddellijke gevolgen zou hebben voor de winstgevendheid. Hoewel het duidelijk is dat de druk op de prijzen door de invoer uit de betrokken landen zal stijgen indien de maatregelen komen te vervallen, zijn de gevolgen van dergelijke ontwikkelingen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap niet duidelijk. Dit komt doordat, zoals hierboven werd uiteengezet, de verwerkende bedrijven nog steeds FeSi bij de bedrijfstak van de Gemeenschap zouden kunnen blijven betrekken.

(129) Gezien de bevindingen dat, enerzijds, de dumping zich waarschijnlijk zal voortzetten en herhalen en, anderzijds, de invoer met dumping uit China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne sterk zou kunnen toenemen indien de maatregelen werden ingetrokken, wordt geconcludeerd dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zal verslechteren. Ook al is het moeilijk om te evalueren hoe ernstig deze achteruitgang zal zijn, rekening houdend met de dalende prijzen en winstgevendheid van deze bedrijfstak, is het toch waarschijnlijk dat opnieuw schade zal optreden. In het geval van Venezuela is het onwaarschijnlijk dat bij intrekking van de maatregelen aanmerkelijke schade zal optreden.

F. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1. Algemeen

(130) De Commissie ging na of handhaving van de antidumpingmaatregelen in het belang van de Gemeenschap zou zijn.

(131) Er zij aan herinnerd dat de antidumpingmaatregelen van toepassing waren op de invoer van FeSi uit Venezuela sedert 1983, uit Brazilië, Kazachstan, Rusland en Oekraïne sedert 1987 en uit China sedert 1993.

(132) De situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap sedert 1994 is volledig beschreven in de overwegingen 96 tot 110 hierboven. Er werd evenwel overgegaan tot een onderzoek van de periode 1987-OT om te evalueren of de handhaving van de maatregelen al dan niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn en vooral ook om na te gaan welke de toekomstige gevolgen van het al dan niet handhaven van deze maatregelen voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zouden zijn. Het doel van deze evaluatie was de gevolgen aan te tonen van de antidumpingmaatregelen voor de algemene ontwikkeling van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens de periode waarin de maatregelen van toepassing waren.

(133) De indiener van het verzoek trok deze aanpak in twijfel en wees er op dat pas vanaf 1993/1994 maatregelen op de invoer van alle zes betrokken landen van toepassing waren. Bovendien merkte de indiener van het verzoek op dat de maatregelen, vóór 1993/1994, zoals in Verordening (EG) nr. 3359/93 werd medegedeeld, niet ten volle doeltreffend waren en de bedrijfstak van de Gemeenschap niet volledig beschermden tegen de invoer met dumping.

(134) Het is de Commissie duidelijk dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in 1993/1994 was verslechterd vergeleken met vorige jaren. In het kader van dit onderzoek ging de Commissie evenwel na of de grotere bescherming die werd geboden de bedrijfstak in staat had gesteld de vroegere ongunstige ontwikkelingen om te keren en een onderzoek van deze vroegere periode was derhalve gerechtvaardigd.

2. De bedrijfstak van de Gemeenschap

Gewijzigde situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(135) Zoals werd opgemerkt in overweging 97 bestond de bedrijfstak van de Gemeenschap in 1987 uit minstens acht bedrijven. Ook de productie van FeSi in de voormalige Bondsrepubliek Duitsland vóór de Duitse hereniging in 1990, en in Zweden vóór de toetreding van Zweden tot de Gemeenschap in 1995, moet in aanmerking worden genomen. Rekening houdend met de gegevens die in verband met vorige procedures werden gepubliceerd en met de gegevens die door de indiener van het verzoek ter beschikking werden gesteld, raamde de Commissie de "gereconstrueerde" productie van de Gemeenschap (waarbij alle producenten gevestigd in de Gemeenschap van de 15 in aanmerking werden genomen) in 1987 op ten minste 200000 ton. Omdat de productie tot 103000 ton daalde tijdens het OT kwam dit neer op een daling met ongeveer 50 % sedert 1987 (en een nog groter verlies aan marktaandeel omdat de markt naar verluidt sedertdien met 20 % is gegroeid).

(136) Deze daling van de productie en dit verlies aan marktaandeel (op basis van de bovenstaande gereconstrueerde cijfers) kunnen ondere andere worden verklaard doordat aan het eind van het OT nog slechts drie bedrijven actief waren. Hoewel de productie van deze drie bedrijven enigszins steeg van 1994 tot het OT, zoals in overweging 100 is beschreven, bleek uit de gegevens met betrekking tot het marktaandeel en de werkgelegenheid van deze bedrijven dat de neerwaartse ontwikkeling die zich tussen 1987 en 1994 had voorgedaan tijdens de onderzochte periode aanhield. In dit verband zij er op gewezen dat deze ontwikkeling nog negatiever zou zijn indien rekening wordt gehouden met de twee producenten van de Gemeenschap die er in 1994 nog wel, maar tijdens het OT niet meer waren. Het marktaandeel van de invoer uit Noorwegen daarentegen steeg van 1987 tot het OT met ongeveer 20 percentpunten.

Gevolgen van de voortzetting van de maatregelen

(137) De vermindering van het aantal producenten van FeSi in de Gemeenschap vloeide voort uit het feit dat sommige bedrijven hun productie staakten en andere bedrijven fusioneerden of nieuwe bedrijven verwierven. Ondanks deze wijzigingen verkeerde de bedrijfstak van de Gemeenschap in een zwakkere positie tijdens het OT dan in 1987 en in 1994.

(138) Bovendien deed deze voortdurende daling zich voor gedurende een lange periode waarin antidumpingrechten van toepassing waren. In dit verband stelde de Commissie vast dat de grotere bescherming die in 1993 (voor een periode van vijf jaar) door Verordening (EG) nr. 3359/93, en in 1994 door Verordening (EG) nr. 621/94 werd geboden voor de bedrijfstak niet de verwachte verbeteringen tot gevolg had. Behalve andere gevolgen die in deze verordening werden onderzocht was van de maatregelen verwacht dat zij de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat zouden stellen op gelijke voet te concurreren met de invoer met dumping teneinde verdere schade te vermijden in de vorm van sluiting van bedrijven, daling van de werkgelegenheid en verder verlies aan marktaandeel. Het is duidelijk dat de bedrijfstak ondanks de maatregelen moest inkrimpen.

(139) Verschillende door de indiener van het verzoek vermelde indicatoren wezen erop dat de bedrijfstak van de Gemeenschap vanaf 1994 van de maatregelen heeft geprofiteerd met name wat de bezettingsgraad van de productiecapaciteit, de productiviteit en de winst betreft. De Commissie merkte op dat deze verbetering hoofdzakelijk het gevolg was van de herstructurering en de inkrimping van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Hoewel uit de betrokken landen slechts kleine hoeveelheden werden ingevoerd bleek uit het onderzoek dat twee bedrijven hadden moeten sluiten, de werkgelegenheid in de drie overige bedrijven met 9 % was gedaald, het marktaandeel was gekrompen en dat ook de winst aan het eind van de onderzochte periode was gedaald. Derhalve werd geconcludeerd dat de verwachte verbeteringen waren uitgebleven.

(140) De Commissie concludeerde dus dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet had kunnen profiteren van de maatregelen die, op het eerste gezicht, ten minste vanaf 1994, doeltreffend hadden geleken. Dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zou profiteren van de maatregelen indien deze gedurende vijf jaar werden voortgezet, kon derhalve niet worden gegarandeerd.

Gevolgen van het vervallen van de maatregelen

(141) In de overwegingen 126 tot 130 ging de Commissie de gevolgen na van het vervallen van de maatregelen ten aanzien van de betrokken landen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Zij concludeerde dat de bedrijfstak van de Gemeenschap vooral nadeel zou ondervinden van de neerwaartse druk op de prijzen die door de met dumping ingevoerde producten zou worden uitgeoefend. Dit zou leiden tot dalende winstgevendheid hetgeen de bedrijfstak van de Gemeenschap zou kunnen doen beslissen minder FeSi in de Gemeenschap te produceren. Gezien de noodzaak van de verwerkende bedrijven om de bevoorrading met producten van de Gemeenschap veilig te stellen, was het evenwel moeilijk om exact in te schatten in hoeverre de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zou verslechteren.

3. Gevolgen voor de importeurs

(142) De Commissie onderzocht de belangen van de importeurs die FeSi uit de betrokken landen in de Gemeenschap invoeren en ontving van één bedrijf een terdege ingevulde vragenlijst. Uit het onderzoek bleek dat de kans zeer groot was dat de omzet van deze onderneming zou stijgen indien de maatregelen kwamen te vervallen.

(143) Op basis van het bovenstaande en bij gebrek aan argumenten die het tegendeel bewezen, concludeerde de Commissie dat het vervallen van de maatregelen positieve gevolgen zou hebben voor de betrokken importeurs vanwege de mogelijkheid van een opmerkelijke toename van de omzet. Doordat het aantal importeurs dat de vragenlijst invulde evenwel gering was, was deze conclusie niet doorslaggevend in het onderzoek naar het belang van de Gemeenschap.

4. Gevolgen voor de verwerkende bedrijven

(144) Op de markt van de Gemeenschap wordt FeSi bijna altijd gebruikt voor de productie van staal en gietijzer. Het wordt gebruikt hetzij om silicium als legeringselement bij de vervaardiging van staalproducten van hoge kwaliteit in te brengen hetzij als desoxidatiemiddel.

(145) De Commissie ontving gegevens van vijf verwerkende bedrijven en van één vereniging van verwerkende bedrijven. Op basis van hun antwoorden in de vragenlijst werd vastgesteld dat FeSi in 1998 0,86 % van de productiekosten van deze bedrijven vertegenwoordigde. De Commissie toetste deze gegevens aan voor iedereen toegankelijke statistieken en oordeelde dat er redelijkerwijze van uitgegaan mocht worden dat de kosten van FeSi tijdens het OT gemiddeld 0,8 % van de productiekosten van de verwerkende bedrijven vertegenwoordigden. Deze raming lag enigszins onder die van de indiener van het verzoek.

(146) De vereniging van verwerkende bedrijven voerde aan dat het met het oog op de concurrentie op de markt van de Gemeenschap belangrijk was dat de maatregelen zouden komen te vervallen. Door deze maatregelen werd er bijna geen FeSi uit China, Oekraïne, Rusland en Kazachstan ingevoerd en waren de uit Brazilië en Venezuela ingevoerde hoeveelheden zeer sterk gedaald. De verwerkende bedrijven verklaarden dat de huidige maatregelen het aantal leveranciers voor de verwerkende bedrijven sterk beperkten en de prijzen op de markt van de Gemeenschap op een kunstmatig hoog niveau handhaafden. Bovendien voerden zij aan dat de staalproducenten van de Gemeenschap vergeleken met de staalproducenten buiten de Gemeenschap momenteel benadeeld waren op het vlak van de concurrentie omdat laatstgenoemde producenten FeSi vrij van antidumpingrechten konden aankopen.

(147) De Commissie onderzocht deze argumenten en stelde het volgende vast:

- het vervallen van de maatregelen zou leiden tot een groter aantal leveranciers op de markt van de Gemeenschap hetgeen duidelijk in het voordeel zou zijn van de staalproducenten van de Gemeenschap die van de lagere kosten zouden kunnen profiteren;

- op de markt van de Verenigde Staten daalden de prijzen voor FeSi na de intrekking van de antidumpingmaatregelen in 1999 met 15 %. Indien de intrekking van de antidumpingmaatregelen in de Gemeenschap dezelfde gevolgen voor de prijzen van FeSi zou hebben als in de Verenigde Staten, dan zou de bedrijfstak van de Gemeenschap tot 15 % op zijn kosten voor FeSi kunnen besparen; dit zou neerkomen op ongeveer 60 miljoen EUR (15 % van de markt voor FeSi van de Gemeenschap ten belope van in totaal 406 miljoen EUR tijdens het OT).

(148) De indiener van het verzoek voerde aan dat de Commissie afweek van haar gebruikelijke werkwijze door de kosten te evalueren die voor de FeSi verwerkende bedrijven het gevolg waren van de instelling van maatregelen, vooral omdat, naar haar oordeel, in het kader van bepaalde andere antidumpingonderzoeken kosten van vergelijkbaar niveau verwaarloosbaar werden geacht. De indiener van het verzoek beweerde ook dat bedoelde kosten, in het kader van het onderhavige onderzoek, niet buitensporig waren, vergeleken met de voordelen die voor de bedrijfstak van de Gemeenschap van de maatregelen werden verwacht.

(149) De Commissie oordeelde dat onderzoeken zoals onderhavig nieuw onderzoek, per definitie, vereisen dat het effect van de geldende maatregelen wordt geëvalueerd. Het feit dat voor de meeste betrokken landen reeds langer dan vijf jaar maatregelen golden, kan niet over het hoofd worden gezien (voor Venezuela bijvoorbeeld golden reeds maatregelen sedert 1983). In dit geval heeft de duur van de periode waarin reeds maatregelen golden ertoe geleid dat de Commissie er rekening mee hield dat de verwerkende bedrijven door de maatregelen jarenlang met extra kosten te kampen hadden. Het was derhalve redelijk dat als extra element in het onderzoek naar de verschillende belangen, ook de gevolgen van de maatregelen voor de verwerkende bedrijven gedurende de periode waarin deze van toepassing waren, werden geëvalueerd.

(150) De Commissie stelde ook vast dat, hoewel verschillende indicatoren erop wezen dat het aandeel van FeSi in de kosten van de verwerkende bedrijven was gestegen tussen 1994 en 1998, deze kosten toch redelijk beperkt waren gebleven zoals ook in overweging 146 werd uiteengezet. Hoewel het duidelijk is dat de antidumpingmaatregelen deze kosten op jaarbasis slechts marginaal verhoogden, hadden de maatregelen, omdat de verwerkende bedrijven deze kosten jarenlang moesten dragen, toch opmerkelijke cumulatieve gevolgen waarmee rekening moest worden gehouden.

5. Conclusie in verband het de belang van de Gemeenschap

(151) Uit hetgeen voorafgaat blijkt duidelijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet voldoende kon profiteren van de maatregelen die vanaf 1987 werden ingesteld. Dit blijkt uit het feit dat hij zijn positie op de markt van de Gemeenschap niet kon handhaven, laat staan verstevigen, hoewel de invoer uit de betrokken landen in de Gemeenschap na de instelling van de antidumpingmaatregelen verwaarloosbaar was. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon geen marktaandeel overnemen dat door het verdwijnen van vroegere producenten van de Gemeenschap vrijgekomen was en werd dus niet beter van de maatregelen. In dit verband kan er misschien op gewezen worden dat de bedrijfstak van de Gemeenschap marktaandeel verloor en dat dit marktaandeel werd veroverd door Noorse exporteurs/producenten die kwaliteit, prijzen en bevoorradingszekerheid bieden die vergelijkbaar zijn met hetgeen door de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt geboden.

(152) Er mag evenmin uit het oog worden verloren dat de ijzer- en staalproducenten van de Gemeenschap gedurende de lange periode dat de antidumpingmaatregelen golden, negatieve gevolgen van deze maatregelen hebben ondervonden in de vorm van extra kosten en dat deze gevolgen vooral bij cumulatie zichtbaar waren, gezien de geldigheidsduur van de antidumpingmaatregelen die nu aan een nieuw onderzoek worden onderworpen.

(153) De exacte gevolgen van het vervallen van de maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap kunnen dus moeilijk worden geëvalueerd maar de ervaring uit het verleden leert dat het niet zeker is dat de handhaving van de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap grote voordelen zal opleveren; het staat evenwel vast dat de ijzer- en staalindustrie op lange termijn negatieve gevolgen, die bovendien cumuleerden, heeft ondervonden van de maatregelen en dat deze negatieve weerslag onnodig verlengd zou worden indien de maatregelen werden gehandhaafd.

(154) Derhalve concludeert de Commissie na een evaluatie van de gevolgen voor de verschillende belangengroepen van het al dan niet voortzetten van de maatregelen overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening dat handhaving van de maatregelen tegen het belang van de Gemeenschap zou indruisen. De maatregelen dienen dus te vervallen.

G. BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE

(155) Derhalve wordt geconcludeerd dat deze procedure moet worden beëindigd en dat de antidumpingmaatregelen die op 9 december 1993 bij Verordening (EG) nr. 3359/93 en op 19 maart 1994 bij Verordening (EG) nr. 621/94 werden goedgekeurd, dienen te vervallen,

BESLUIT:

Enig artikel

De antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium van de GN-codes 72022110, 7202 21 90 en 7202 29 90 uit Brazilië, de Volksrepubliek China, Kazachstan, Rusland, Oekraïne en Venezuela wordt beëindigd.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2001.

Voor de Commissie

Pascal Lamy

Lid van de Commissie

(1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(2) PB L 257 van 11.10.2000, blz. 2.

(3) PB L 302 van 9.12.1993, blz. 1.

(4) PB L 3 van 5.1.1994, blz. 1.

(5) PB L 42 van 14.2.1998, blz. 1.

(6) PB L 77 van 19.3.1994, blz. 48.

(7) PB L 369 van 18.12.1992, blz. 1.

(8) PB L 166 van 1.7.1999, blz. 91.

(9) PB C 177 van 10.6.1998, blz. 4.

(10) PB C 382 van 9.12.1998, blz. 9.

(11) PB L 76 van 25.3.2000, blz. 23.