32000D0514

2000/514/EG: Beschikking van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de overheidssteun die Italië voornemens is te verlenen aan Fiat Auto SpA ten behoeve van haar fabriek Mirafiori Meccanica (Turijn) (kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 5211) (Voor de EER relevante tekst) (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

Publicatieblad Nr. L 207 van 17/08/2000 blz. 0017 - 0021


Beschikking van de Commissie

van 22 december 1999

betreffende de overheidssteun die Italië voornemens is te verlenen aan Fiat Auto SpA ten behoeve van haar fabriek Mirafiori Meccanica (Turijn)

(kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 5211)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2000/514/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig voornoemde artikelen in de gelegenheid te hebben gesteld hun opmerkingen kenbaar te maken(1),

Overwegende hetgeen volgt:

I. Procedure

(1) Tussen oktober en december 1997 heeft Italië, overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het Verdrag, bij de Commissie zes steunvoornemens ten behoeve van Fiat Auto SpA (hierna: "Fiat") aangemeld, waaronder ook de steun (geregistreerd onder nummer N 838/97) voor de fabriek van Fiat, Mirafiori Meccanica (Turijn - regio Piemonte) (hierna: "Fiat Mirafiori"), ten behoeve van investeringen in de motorenfabriek van Mirafiori. De Commissie heeft de Italiaanse autoriteiten meerdere vragen om aanvullende inlichtingen doen toekomen, alsmede diverse herinneringsbrieven om de informatie te verkrijgen die zij nodig had om een beschikking te kunnen geven. Op 23 april 1998 vond een bijeenkomst plaats met vertegenwoordigers van de Italiaanse regering om de diverse aspecten van het onderzoek van deze zaken nader te bespreken. Tenslotte werd bij schrijven van 20 november 1998 gedeeltelijk geantwoord op de door de Commissie gestelde vragen.

(2) Bij schrijven van 2 maart 1999 heeft de Commissie Italië dan ook in kennis gesteld van haar besluit van 3 februari 1999 om de procedure van artikel 88, lid 2, van het Verdrag in te leiden ten aanzien van het betrokken steunvoornemen. Tevens gelastte zij Italië haar binnen één maand alle bescheiden, inlichtingen en gegevens te verstrekken die noodzakelijk waren om de steunmaatregel te beoordelen op zijn verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt. Anders zou de Commissie een beschikking geven op basis van de elementen waarover zij beschikte.

(3) Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(2) bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de betrokken steun te maken. Er werden in dit verband geen opmerkingen ontvangen.

(4) De diensten van de Commissie hebben zich op 24 februari 1999 naar Mirafiori begeven om er onder meer dit project te bespreken.

(5) Nadat de Italiaanse autoriteiten op 9 april 1999 hadden verzocht om een aanvullende antwoordtermijn, hebben zij de Commissie bij schrijven van 16 april 1999 de inlichtingen verstrekt die zij nodig achtten om het onderzoek van de zes zaken te beëindigen.

(6) Nieuw onderzoek heeft de initiële twijfel van de Commissie versterkt, met name wat betreft de noodzaak van de voorgenomen steun. Bij schrijven van 14 juni 1999 heeft de Commissie Italië dan ook in kennis gesteld van haar beschikking van 26 mei 1999, aansluitend op de inleiding van de procedure op 3 februari 1999, en heeft zij de Italiaanse regering gelast haar binnen één maand alle bescheiden, inlichtingen en gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn om de verenigbaarheid van de betrokken steunmaatregel te beoordelen. Bij uitblijven van een reactie zou de Commissie een beschikking geven op basis van de elementen waarover zij beschikte.

(7) De beschikking van de Commissie in aanvulling op haar besluit tot inleiding van de procedure werd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(3) bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de betrokken steun te maken. Er werden in dit verband geen opmerkingen ontvangen.

II. Gedetailleerde beschrijving van de steunmaatregel

(8) De voorgenomen steun zou worden toegekend aan Fiat, dat onder de zeggenschap staat van Fiat SpA. Het Fiat-concern is actief in de automobielindustrie via drie ondernemingen: Fiat Auto (personenauto's), IVECO (bedrijfsvoertuigen) en Magneti Marelli (onderdelen).

(9) Fiat heeft vestigingen in onder meer Italië, Polen, Turkije en Zuid-Amerika. In 1998 produceerde Fiat 2,9 miljoen automobielen(4), onder de volgende merknamen: Alfa Romeo, Ferrari, Fiat, Lancia en Maserati, waarvan 1,6 miljoen in Europa. Zowat de helft van de productie werd afgezet op de binnenlandse markt, eenderde in de overige lidstaten van de Gemeenschap en de rest in derde landen.

(10) De aangemelde investering van Fiat vindt plaats in Mirafiori, dat gelegen is in wat thans een steungebied ex artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag is, met een regionaal plafond van 10 % nettosubsidie-equivalent (NSE) voor de grote ondernemingen.

(11) Het project betreft de productie van Torque-motoren voor de uitrusting van in Italië en buiten de Gemeenschap geproduceerde Fiat-voertuigen uit het B- en C-segment. De investeringen voor in totaal 468,4 miljard ITL (circa 242 miljoen EUR) vonden plaats volgens onderstaand tijdsschema:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(12) Met betrekking tot de Torque-motoren zijn talrijke innovaties doorgevoerd, wat betreft zowel het product als de productieprocédés. De keuze voor Fiat Mirafiori lijkt te zijn ingegeven door de mogelijkheid om - na de nodige aanpassingen - een gedeelte van de bestaande productielijnen te gebruiken, waardoor de voor het project vereiste investeringen konden worden beperkt.

(13) Op grond van de reeds goedgekeurde regeling uit wet nr. 488/92 wordt voorzien in 30,3 miljard ITL (16 miljoen EUR) aan regionale steun. In geactualiseerde waarde zou de steunintensiteit uitkomen op 4,6 %.

(14) Er is geen andere steun voorzien voor het project.

(15) Bij de inleiding van de procedure op 3 februari 1999 heeft de Commissie tal van twijfels kenbaar gemaakt ten aanzien van de verenigbaarheid van het steunvoornemen, met name wat betreft de mobiliteit van het project en de noodzaak van de aangemelde steun. Voorts wees de Commissie er toentertijd op dat er geen enkele grond was die de toekenning van steun ten behoeve van innovatieve investeringen of het milieu kon rechtvaardigen. Bijgevolg concludeerde de Commissie dat zij, op basis van de informatie waarover zij beschikte, geen reden kon vinden waarom een van de afwijkingen uit artikel 87, lid 3, van het Verdrag voor de betrokken steunmaatregel van toepassing zou kunnen worden verklaard.

(16) Na de inleiding van de procedure op 3 februari 1999 is gebleken dat Fiat Mirafiori tot maart 1995 niet in een steungebied lag. Het project ging evenwel in 1994 van start, na studies in verband met haalbaarheid, vestigingsplaatsen enz., welke vermoedelijk rond 1993 hadden plaatsgevonden. Het investeringsbesluit werd bijgevolg zeker voordien genomen, uiterlijk in 1993/1994, voordat de zone waarin Fiat Mirafiori lag als steungebied werd aangemerkt. Daarom betwijfelde de Commissie in haar beschikking in aanvulling op de inleiding van de procedure stellig of de investeerder, met het oog op de financiering van de projecten, rekening had kunnen houden met het verkrijgen van regionale steun. De steun was dus ook niet noodzakelijk geweest voor de tenuitvoerlegging van de betrokken investeringen bij Fiat Mirafiori.

(17) Bovendien had de Commissie, zowel in haar besluit tot inleiding van de procedure als in haar aanvullende beschikking, Italië aangemaand haar binnen één maand alle informatie te verstrekken welke nodig was om de verenigbaarheid van de betrokken steun te beoordelen. Bij uitblijven van een reactie zou de Commissie een beschikking geven op basis van de elementen waarover zij beschikte.

III. Opmerkingen van Italië

(18) Nadat de Italiaanse autoriteiten op 9 april 1999 hadden verzocht om een aanvullende termijn voor het uitwerken van het antwoord op de inleiding van de procedure per 3 februari 1999, hebben zij de Commissie bij schrijven van 16 april 1999 de inlichtingen verstrekt die zij nodig achtten om het onderzoek van de zaak te beëindigen.

(19) Ten eerste heeft de Italiaanse regering toelichtingen verstrekt bij de locatiestudies die Fiat in 1993-1994 uitvoerde, vooraleer te kiezen voor Fiat Mirafiori. De concurrerende locaties waren Biesko-Biala (Polen), een fabriek van Tofas in Turkije en een locatie van de Cormec-groep in Argentinië. Deze locaties boden het voordeel dat de arbeidskosten er minder hoog waren dan in Italië, terwijl zij toch een goed productiviteits- en kwaliteitsniveau garandeerden. Omdat Tofas en Cormec niet uitsluitend toebehoorden aan Fiat, hetgeen een aanzienlijk risico inhield voor een strategisch project als het Torque-project, werd de locatiekeuze beperkt tot Fiat Mirafiori of Biesko-Biala.

(20) De voorgenomen regionale steun biedt geen compensatie voor de extrakosten als gevolg van de uitvoering van de investeringen in Fiat Mirafiori, maar heeft ongetwijfeld een beslissende rol gespeeld bij het definitieve besluit.

(21) Ten tweede wijst Italië op de specifieke toepassingsvoorwaarden voor wet nr. 488/92, met name wat betreft de voorwaarden om investeringen retroactief in aanmerking te nemen.

(22) Ten derde merkt de Italiaanse regering op dat de aanvang van de investeringen teruggaat tot mei/juni 1994. De activiteiten op eerdere tijdstippen - waaronder de ontmanteling van de oude installaties in januari 1993 en de "spending"-activiteiten in mei 1993 - betreffen het opruimen van de plaats die werd ingenomen door de oude productielijn, die nadien werd vervangen door die voor de Torque-motor. Volgens de Italiaanse autoriteiten houden deze kosten geen verband met het betrokken project, omdat de opruiming van de oude werkplaatsen toch had moeten plaatsvinden, ongeacht de locatie voor de investeringen ten behoeve van de Torque-motoren.

(23) Ten vierde deelt Italië aanvullende inlichtingen mee voor de kosten-batenanalyse en de marktstudie.

(24) In antwoord op de beschikking die de Commissie op 26 juni 1999 in aanvulling op de inleiding van de procedure had gegeven, heeft Italië op 20 juli 1999 een schrijven gezonden waarin de twee voornaamste elementen nader worden beschreven: a) de procedure van de goedkeuring van de nieuwe steunregeling en het verband met de tenuitvoerlegging van de betrokken steunmaatregelen, en b) de naleving van de formele criteria bij de steunaanvragen.

IV. Beoordeling van de steun

(25) De aangemelde steun ten behoeve van Fiat is overheidssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag. Deze maatregel wordt immers gefinancierd door de staat of met overheidsmiddelen. Aangezien de steun voorts een niet onaanzienlijk deel van de totale financiering van de investering uitmaakt, dreigt hij de mededinging binnen de Gemeenschap te verstoren door Fiat te bevoordelen ten opzichte van andere ondernemingen die geen steun ontvangen. Tenslotte wordt de markt voor automotoren en personenauto's gekenmerkt door een aanzienlijk handelsverkeer tussen de lidstaten.

(26) De steun is bestemd voor een onderneming die actief is op het gebied van de productie en de assemblage van motorvoertuigen, alsmede de productie van motoren voor deze voertuigen. Het betreft derhalve een onderneming uit de automobielindustrie in de zin van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun aan de automobielindustrie(5) (hierna: "de kaderregeling").

(27) Deze voorgenomen steun, die op 1 december 1997 werd aangemeld, zou worden toegekend in het kader van de reeds goedgekeurde regeling uit wet nr. 488/92. Volgens de kaderregeling moeten alle voorgenomen steunmaatregelen van overheidsinstanties voor een individueel project in het kader van goedgekeurde steunregelingen aan een onderneming werkzaam in de automobielindustrie, van tevoren worden aangemeld uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag indien één van onderstaande drempels wordt bereikt:

- totale kostprijs van het project: 50 miljoen EUR, of

- totale steun voor het project, ongeacht of het gaat om overheidssteun of andere communautaire instrumenten: 5 miljoen EUR.

(28) Zowel de totale kosten van het project als het bedrag van de steun overschrijden de plafonds waarbij aanmelding verplicht is. Met hun aanmelding van de voorgenomen steun voor Fiat Mirafiori hebben de Italiaanse autoriteiten derhalve voldaan aan de vereisten uit artikel 88, lid 3, van het Verdrag.

(29) In artikel 87, lid 2, van het Verdrag worden bepaalde soorten steun genoemd die met het Verdrag verenigbaar zijn. Gezien de aard en de doelstelling van de steun, alsmede de geografische locatie van de investeringen, is artikel 87, lid 2, onder a) tot en met c), niet van toepassing op het betrokken project. In lid 3 van bewust artikel worden andere vormen van steun opgesomd die als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden aangemerkt. De verenigbaarheid ervan moet worden beoordeeld vanuit het oogpunt van de Gemeenschap in haar geheel en niet louter vanuit de binnenlandse context. Teneinde de goede werking van de gemeenschappelijke markt te verzekeren en gelet op het beginsel uit artikel 3, onder g), van het EG-Verdrag, dienen de uitzonderingen van artikel 87, lid 3, restrictief te worden geïnterpreteerd. Wat de afwijkingen uit artikel 87, lid 3, onder b) en d), betreft, is de betrokken steun duidelijk niet bestemd om een project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de Italiaanse economie op te heffen. Evenmin dient hij ertoe om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen. Van de afwijkingen uit artikel 87, lid 3, onder a) en c), kan enkel de afwijking onder c) relevant zijn omdat het gebied van Mirafiori thans op grond van die bepaling een steungebied is, maar nimmer een steungebied ex artikel 87, lid 3, onder a), is geweest.

(30) Om zich te kunnen uitspreken over de verenigbaarheid van de voorgenomen regionale steun met de gemeenschappelijke markt op grond van de afwijking uit artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag, gaat de Commissie dus na of de voorwaarden uit de kaderregeling werden nageleefd.

(31) Volgens de kaderregeling ziet de Commissie er in ieder geval op toe dat de toegekende steun evenredig is met de ernst van de op te lossen problemen én noodzakelijk voor de verwezenlijking van het project. De naleving van dit evenredigheids- en dit noodzakelijkheidscriterium is een noodzakelijke voorwaarde, wil de Commissie toekenning van overheidssteun ten behoeve van de automobielsector kunnen goedkeuren(6).

(32) Wordt de evenredigheid van de steun doorgaans aan de hand van een kosten-batenanalyse beoordeeld, dan kan de Commissie zich in onderhavige zaak beperken tot het onderzoek van de naleving van het criterium van de noodzaak.

(33) Bij de inleiding van de procedure heeft de Commissie nota genomen van de bijzondere gang van zaken welke geleid had tot de goedkeuring door Italië van de regeling uit wet nr. 488/92. Net als in haar beschikkingen van 18 november 1997(7), 30 september 1998(8) en 7 april 1998(9) erkende de Commissie ook hier dat de zeer bijzondere omstandigheden rond de tenuitvoerlegging van wet nr. 488/92 de lange tijd konden verklaren die verliep tussen het opstarten van het project, de aanvang van de massaproductie van de Torque-motoren in 1995, de aanvraag van de steun in mei 1996 en de aanmelding ervan in december 1997. Toch kan een onderzoek van de noodzaak van de steun voor de vestiging van het project in Fiat Mirafiori niet uitsluitend tot deze ene analyse beperkt blijven. De Commissie dient ook de volgende, aanvullende elementen na te gaan:

- de vraag of bij de keuze voor Mirafiori in de financiële analyse van het project en de locatiestudie ook daadwerkelijk met de regionale steun werd rekening gehouden, en

- de vraag of het project daadwerkelijk mobiel was.

(34) Voorts dient de Commissie voor elk van deze punten na te gaan of de bewijzen die Italië aanvoert ter staving van zijn verklaringen toereikend zijn in het kader van een restrictieve interpretatie van de afwijkingen uit artikel 87, lid 3, van het Verdrag en mede gelet op de bevelen die de Commissie op 3 februari en 26 mei 1999 heeft gegeven.

(35) In de eerste plaats ging - volgens het schrijven van de Italiaanse autoriteiten van 16 april 1999 - het project van start in mei/juni 1994, werden de orders voor de machines doorgegeven in maart/april 1994 en vonden de eerste zendingen plaats in het tweede semester van 1994. De Commissie leidt daar logischerwijs uit af dat de eventuele locatiestudie die Fiat ertoe aanzette om voor Fiat Mirafiori te kiezen, plaatsvond tussen 1993 en april 1994. Deze beoordeling werd door Italië bevestigd in zijn schrijven van 20 juli 1999.

(36) De Commissie wijst er dan ook op dat Fiat Mirafiori vóór maart 1995 niet in een steungebied lag, aangezien pas op dat tijdstip in Turijn zones werden afgebakend als steungebied ex artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag - waaronder Mirafiori. Bovendien heeft Italië, zoals herhaald in zijn schrijven van 20 juli 1999, pas in september 1994 het eerste voorstel ingediend voor de gebieden die op basis van voornoemd artikel moesten worden omschreven als steungebieden.

(37) Het besluit over de betrokken investering gaat dus terug tot een periode waarin Fiat Mirafiori nog niet in een steungebied lag.

(38) Noch de ligging van Fiat Mirafiori in een gebied van doelstelling 2, noch de vermeende mogelijkheid om tijdens de eerste fases van het project machines over te brengen van een locatie naar een andere, kan afbreuk doen aan deze beoordeling. De voorseries kwamen trouwens in januari/februari 1995 tot stand, vóór het besluit over de omschrijving van het steungebied. Bovendien wijst de Commissie erop dat volgens bijlage 3.b) bij het schrijven van Italië van 20 november 1998 in Mirafiori al sinds 1993 werkzaamheden in verband met de Torque-motor plaatsvonden, zoals de aanpassing van de productielijnen voor motorblok, krukas, drijfstang, vliegwiel, aandrijfas en oliepomp.

(39) Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat Fiat bij de financiering van het Mirafiori-project niet daadwerkelijk rekening hield met het verkrijgen van regionale steun. De Italiaanse autoriteiten hebben overigens nooit het tegendeel aangetoond.

(40) Zelfs indien aangenomen wordt dat de onderneming in haar besluitvorming rekening hield met de mogelijkheid regionale steun te ontvangen, dan aanvaardde zij impliciet het risico deze steun niet te genieten, omdat volgens de kaderregeling een voorafgaand goedkeuringsbesluit van de Commissie vereist was.

(41) Bovendien moest op het tijdstip dat Fiat de investering besloot uit te voeren - waarbij dus ook rekening werd gehouden met mogelijke overheidssteun voor de financiering van het Fiat Mirafiori-project - overeenkomstig het toenmalige beleid van de Commissie een kosten-batenanalyse worden gemaakt die gebaseerd is op een vergelijking van de regionale fabriek en een buiten een communautair steungebied gelegen alternatieve locatie, waar Fiat heel waarschijnlijk de betrokken investering had uitgevoerd. Italië en Fiat waren toentertijd beide bekend met deze werkwijze, die onder meer al in de zaak-Fiat Mezzogiorno was toegepast(10). De Commissie beschikt niet over informatie in verband met de keuze van de vergelijkingslocatie, maar het meest waarschijnlijke alternatief zou een locatie in Midden- of Noord-Italië zijn geweest. De ervaring van de Commissie leert dat een kosten-batenanalyse op basis van een dergelijke hypothese het moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk had gemaakt om de handicaps van Fiat Mirafiori aan te tonen en regionale steun goed te keuren. Andermaal hebben de Italiaanse autoriteiten niet het bewijs geleverd dat Fiat bij haar besluit tot investering in Fiat Mirafiori daadwerkelijk rekening hield met het verkrijgen van regionale steun.

(42) De Commissie wijst er ten overvloede op dat een alternatieve locatie in Polen (Biesko-Biala of Tichy) gebruiken, zoals Italië in dit geval voorstaat, pas mogelijk werd met de kaderregeling die sinds januari 1998 van kracht is - zowat vier jaar na het investeringsbesluit van Fiat.

(43) Tenslotte is het niet legitiem dat een lidstaat en a fortiori een onderneming rekening houden met de mogelijkheid dat een bepaalde regio wordt omschreven als steungebied ex artikel 87, lid 3, onder c), zolang de Commissie geen beschikking in die zin heeft gegeven.

(44) Daarom concludeert de Commissie dat de Italiaanse regering niet afdoende heeft aangetoond dat Fiat daadwerkelijk met regionale steun heeft rekening gehouden als noodzakelijk criterium bij de keuze voor Fiat Mirafiori. De aangemelde regionale steun is derhalve niet noodzakelijk om de doeleinden uit artikel 87, lid 3, van het Verdrag te verwezenlijken.

(45) Ten tweede dient - volgens de kaderregeling - de begunstigde onderneming de noodzaak van een regionale steunmaatregel te bewijzen door duidelijk aan te tonen dat zij over een economisch levensvatbare alternatieve locatie beschikt voor de vestiging van haar project of deelproject(en). Indien de betrokken investering op geen enkel ander nieuw of bestaand fabrieksterrein van het concern kan worden uitgevoerd, zal de onderneming immers verplicht zijn haar project uit te voeren op de enig mogelijke vestigingsplaats, zelfs zonder steun. In het kader van de vigerende kaderregeling wordt thans veel meer belang gehecht aan deze mobiliteitsstudie dan voordien het geval was. Voor de Commissie komt het er niet langer op aan een theoretische mobiliteit te onderkennen, maar na te gaan of de investeerder de mogelijkheid of het voornemen had zijn project op een alternatieve locatie te vestigen ingeval geen regionale steun kon worden toegekend.

(46) De inlichtingen die Italië in dit verband verstrekte, blijven nog steeds schaars. De Commissie werd enkel een korte uiteenzetting gezonden, waaruit blijkt dat van de drie mogelijke keuzes (Cormec in Argentinië, Tofas in Turkije en Fiat Auto Polonia), er twee (Cormec en Tofas) niet in aanmerking kwamen omdat zij te veel risico's inhielden(11), terwijl de "Poolse optie" aanzienlijke voordelen bood ten opzichte van Fiat Mirafiori, vooral wat betreft de arbeidskosten.

(47) Volgens de Commissie was op het tijdstip van het investeringsbesluit - rond 1993/1994 - de reële mogelijkheid om het project in Polen te vestigen niet zo evident als de Italiaanse autoriteiten thans beweren. Zo bestond er een niet te verwaarlozen industrieel risico, in een periode waarin Fiat Auto Poland volop werd gereorganiseerd. Deze factor wordt door Italië kort aangestipt (om overigens te worden ontkend), maar mag niet worden onderschat bij een strategisch project zoals Torque. Het zou moeilijk geweest zijn de productie te organiseren, onder meer omdat delicate stukken tussen Italië en Polen moesten worden getransporteerd(12) en het netwerk van lokale toeleveranciers van onderdelen nog niet zo goed ontwikkeld was als thans het geval is. Overigens blijft de huidige productie van Fiat-motoren in Polen beperkt tot twee relatief oude modellen: de 652 cm3-motor en de 900 cm3-motor.

(48) De Italiaanse regering heeft de Commissie evenwel uitsluitend fragmentarische aanduidingen gegeven in verband met de technische mogelijkheid om de Torquemotor onder optimale voorwaarden in Biesko-Biala te produceren, en praktisch geen enkele informatie over het daadwerkelijke voornemen van Fiat om de betrokken investering naar Polen over te brengen.

(49) Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat Italië de mobiliteit van het project niet heeft aangetoond. Bij gebreke van een geloofwaardige alternatieve locatie is de aangemelde regionale steun dan ook niet noodzakelijk om de doeleinden uit artikel 87, lid 3, van het Verdrag te verwezenlijken.

(50) Andere, terloops door de Italiaanse regering vermelde doeleinden van de steun - zoals milieubescherming en innovatie - werden nooit nader toegelicht, ondanks de bevelen van de Commissie om inlichtingen te verstrekken. Bijgevolg heeft de Commissie niet kunnen nagaan of er sprake is van steun voor eventuele maatregelen ten behoeve van innovatie of milieubescherming.

V. Conclusie

(51) De regionale steun die de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn toe te kennen ten behoeve van Fiat Mirafiori is niet noodzakelijk voor het verwezenlijken van de doeleinden uit artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag, in casu het vergemakkelijken van de ontwikkeling van bepaalde vormen van bedrijvigheid of bepaalde regionale economieën. Bijgevolg is de betrokken steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De voorgenomen overheidssteun van Italië ten gunste van Fiat Auto SpA voor de fabriek Mirafiori Meccanica (Turijn) is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Bijgevolg mag deze steunmaatregel niet ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 2

Italië deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 22 december 1999.

Voor de Commissie

Mario Monti

Lid van de Commissie

(1) PB C 120 van 1.5.1999, blz. 6, en PB C 288 van 9.10.1999, blz. 37.

(2) Zie voetnoot 1.

(3) Zie voetnoot 1.

(4) Bron: Automotive News Europe.

(5) PB C 279 van 15.9.1997, blz. 1.

(6) Zie het arrest van het Hof van Justitie van 17 september 1980 in zaak 730/79 (Philip Morris/Commissie), Jurisprudentie 1980, blz. 2671, punt 17.

(7) PB C 70 van 6.3.1998, blz. 7.

(8) PB C 409 van 30.12.1998, blz. 7, en PB C 384 van 12.12.1998, blz. 20.

(9) PB C 240 van 31.7.1998, blz. 3.

(10) PB C 37 van 11.2.1993, blz. 15.

(11) Fiat was immers niet de enige aandeelhouder van deze ondernemingen.

(12) De Torque-motor en de "motor 138" hebben namelijk gemeenschappelijke onderdelen; de productie van deze laatste motor bleef echter in Mirafiori.