Verordening (EG) nr. 481/1999 van de Commissie van 4 maart 1999 tot vaststelling van algemene uitvoeringsbepalingen voor het beheer van de programma's om de afzet van bepaalde landbouwproducten te bevorderen
Publicatieblad Nr. L 057 van 05/03/1999 blz. 0008 - 0012
VERORDENING (EG) Nr. 481/1999 VAN DE COMMISSIE van 4 maart 1999 tot vaststelling van algemene uitvoeringsbepalingen voor het beheer van de programma's om de afzet van bepaalde landbouwproducten te bevorderen DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1638/98 (2), en met name op artikel 11, lid 5, Gelet op Verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1627/98 (4), en met name op artikel 46, lid 4, Gelet op Verordening (EEG) nr. 1195/90 van de Raad van 7 mei 1990 houdende maatregelen om de consumptie en het gebruik van appelen te doen toenemen (5), en met name op artikel 5, Gelet op Verordening (EEG) nr. 1201/90 van de Raad van 7 mei 1990 betreffende maatregelen ter stimulering van het citrusverbruik (6), en met name op artikel 4, Gelet op Verordening (EEG) nr. 1332/92 van de Raad van 18 mei 1992 tot instelling van specifieke maatregelen voor de sector tafelolijven (7), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1267/95 (8), en met name op artikel 5, Gelet op Verordening (EEG) nr. 2067/92 van de Raad van 30 juni 1992 betreffende acties ter bevordering van de verkoop en de afzet van kwaliteitsrundvlees (9), en met name op artikel 4, Gelet op Verordening (EEG) nr. 2073/92 van de Raad van 30 juni 1992 inzake maatregelen om de consumptie van melk en zuivelproducten in de Gemeenschap te stimuleren en de markten voor melk en zuivelproducten te verruimen (10), en met name op artikel 4, Gelet op Verordening (EG) nr. 2275/96 van de Raad van 22 november 1996 tot instelling van specifieke maatregelen voor de sector levende planten en producten van de bloementeelt (11), en met name op artikel 5, Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 3461/85 van de Commissie (12), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1402/97 (13), Verordening (EEG) nr. 2282/90 van de Commissie (14), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2404/96 (15), Verordening (EEG) nr. 3601/92 van de Commissie (16), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2507/94 (17), Verordening (EEG) nr. 1318/93 van de Commissie (18), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 351/1999 (19), Verordening (EG) nr. 3582/93 van de Commissie (20), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1432/97 (21), en Verordening (EG) nr. 803/98 van de Commissie (22), die betrekking hebben op afzetbevordering voor respectievelijk druivensap, appelen en citrusvruchten, tafelolijven, kwaliteitsrundvlees, melk en zuivelproducten en levende planten en producten van de bloementeelt, uitvoeringsbepalingen zijn vastgesteld die per sector verschillen ten aanzien van de looptijd van de programma's en het financiële beheer van de contracten, en vooral ten aanzien van de betalingsvoorwaarden; Overwegende dat ter wille van een goed financieel beheer dient te worden overgegaan tot harmonisatie van de verschillende bepalingen inzake de uitvoering van contracten voor afzetbevordering, en meer in het bijzonder van die inzake de looptijd van de contracten; Overwegende dat de verschillende bepalingen inzake de nakoming van de verplichtingen moeten worden opgenomen in contracten die binnen een redelijke termijn tussen de belanghebbenden en de bevoegde nationale instanties worden gesloten op basis van door de Commissie beschikbaar gestelde standaardcontracten; Overwegende dat de contractant bij de bevoegde instantie een zekerheid ten belope van 15 % van de communautaire bijdrage dient te stellen als garantie voor een goede uitvoering van het contract; dat hij daartoe ook bij een voorschotaanvraag een zekerheid moet stellen; Overwegende dat, met betrekking tot de primaire eis in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie (23), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3403/93 (24), wegens de bijzondere regelingen voor kwaliteitsrundvlees een onderscheid moet worden gemaakt tussen dit product en de overige voor afzetbevordering in aanmerking komende producten; Overwegende dat het in verband met de eisen die het beheer van de begrotingsmiddelen stelt, noodzakelijk is te voorzien in een sanctie bij niet-indiening van de driemaandelijkse aanvraag om tusentijdse betaling of bij niet-inachtneming van de termijn voor de indiening ervan, of wanneer zich een vertraging voordoet in de betalingen door de lidstaten; Overwegende dat het gevaar bestaat dat de financiële bijdrage van de Gemeenschap volledig beschikbaar wordt gesteld via de geplande betalingen, zodat er geen saldo meer te betalen valt; dat, om dit gevaar ter wille van een goed financieel beheer af te wenden, dient te worden bepaald dat het voorschot en de verschillende tussentijdse betalingen tezamen 75 % van de communautaire bijdrage niet mogen overschrijden; dat daartoe ook moet worden bepaald dat de bevoegde instantie de saldoaanvraag binnen een bepaalde termijn moet ontvangen; Overwegende dat de lidstaten controle op de uitvoering van de acties moeten uitoefenen en dat de Commissie op de hoogte moet worden gehouden van de resultaten van de in deze verordening bedoelde maatregelen; dat ter wille van een goed financieel beheer dient te worden voorzien in samenwerking tussen de lidstaten in het geval van acties die worden uitgevoerd in een andere lidstaat dan die waar de contractsluitende bevoegde instantie is gevestigd; Overwegende dat ter wille van een goed financieel beheer en ter verbetering van de resultaten die met de uitgevoerde acties worden behaald, moet worden voorzien in een onafhankelijke evaluatie van deze acties naast de interne evaluatie door de contractant; dat ook de wijze van uitvoering en financiering van deze externe evaluatie dient te worden gepreciseerd; Overwegende dat, indien de totale begroting voor het te evalueren programma vrij laag is en de evaluatiekosten buiten verhouding hoog zijn vergeleken met die begroting, dient te worden bepaald dat onder deze omstandigheden bij uitzondering vrijstelling van de externe evaluatie kan worden verleend; Overwegende dat het, indien in eenzelfde lidstaat verscheidene programma's worden uitgevoerd, economisch wenselijk kan zijn om een enkel orgaan met de evaluatie van deze programma's te belasten; Overwegende dat in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van de Comités van beheer voor wijn, melk en zuivelproducten, groenten en fruit, rundvlees, levende planten en producten van de bloementeelt en oliën en vetten, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Bij deze verordening worden algemene uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor het indirecte beheer van de programma's voor afzetbevordering in de volgende sectoren: - druivensap, - melk en zuivelproducten, - appelen en citrusvruchten, - kwaliteitsrundvlees, - levende planten en producten van de bloementeelt, - olijfolie en tafelolijven, voorzover deze producten onder dit type beheer vallen. Artikel 2 1. In het kader van de procedure voor de selectie van de programma's wordt elke belanghebbende door de bevoegde instantie van het aan zijn aanvraag gegeven gevolg op de hoogte gebracht: - zodra het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de programma's voor afzetbevordering ter kennis van de lidstaat is gebracht; of - in de sector levende planten en producten van de bloementeelt, zodra de definitieve lijst van de door de betrokken lidstaat in aanmerking genomen acties is vastgesteld. 2. De bevoegde instanties sluiten met de gekozen belanghebbenden contracten binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de kennisgeving van het besluit van de Commissie of, in de sector levende planten en producten van de bloementeelt, na de vaststelling van de definitieve lijst van de door de betrokken lidstaat in aanmerking genomen acties. Na het verstrijken van deze termijn kan zonder voorafgaande toestemming van de Commissie geen enkel contract worden gesloten. De bevoegde instanties gebruiken standaardcontracten die de Commissie hun ter beschikking stelt. Deze contracten bevatten de van toepassing zijnde voorwaarden die de twee contractsluitende partijen worden geacht te kennen en te aanvaarden. Behoudens een door de Commissie toegestane verlenging worden de in het contract bedoelde acties uitgevoerd over een periode van ten hoogste twaalf maanden na de datum van ondertekening van het contract door de beide partijen. De eventuele verlenging kan niet meer dan drie maanden bedragen en de contractant moet ter verkrijging ervan bij de bevoegde instantie een naar behoren gemotiveerd verzoek indienen vóór de datum waarop de uitvoeringsperiode afloopt. 3. Het contract kan door de twee partijen eerst worden gesloten nadat als garantie voor de goede uitvoering ervan een zekerheid is gesteld die gelijk is aan 15 % van het maximaal door de Gemeenschap te financieren bedrag. Deze zekerheid wordt gesteld overeenkomstig het bepaalde in titel III van Verordening (EEG) nr. 2220/85. De bevoegde instantie kan evenwel, indien de contractant een publiekrechtelijk lichaam is of onder toezicht van een dergelijk lichaam optreedt, een aan het in de eerste alinea vastgestelde percentage gelijkwaardige schriftelijke zekerheid van zijn toezichthoudende autoriteit aanvaarden, op voorwaarde dat deze laatste zich ertoe verbindt: - toe te zien op een correcte uitvoering van de aangegane verplichtingen; - na te gaan of de ontvangen bedragen wel degelijk voor de uitvoering van de aangegane verplichtingen worden gebruikt. Het bewijs dat deze zekerheid is gesteld, moet de bevoegde instantie bereiken voordat de in lid 2, eerste alinea, genoemde termijn is verstreken. Deze zekerheid wordt vrijgegeven binnen de termijnen en op de in artikel 4 bepaalde voorwaarden voor de betaling van het saldo. 4. De primaire eis in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 is de uitvoering van de in het contract vermelde maatregelen. Voor kwaliteitsrundvlees gelden evenwel als primaire eisen in de zin van voornoemd artikel 20: a) de uitvoering van de maatregelen van het in artikel 4, lid 2, onder b), van Verordening (EEG) nr. 1318/93 bedoelde controleplan; b) in voorkomend geval, de toepassing van de strafmaatregelen die in het huishoudelijk reglement van de in artikel 4, lid 2, onder e), van die verordening bedoelde organisatie zijn bepaald bij niet-inachtneming van de productspecificaties door haar leden, en met name het ontnemen van de uit de promotieactie voortvloeiende voordelen. 5. De bevoegde instantie zendt onmiddellijk een kopie van het contract en het bewijs van het stellen van de zekerheid aan de Commissie. Indien het contract voorziet in acties die in een andere lidstaat moeten worden uitgevoerd, stelt de contractsluitende bevoegde instantie de autoriteiten van die lidstaat van de ondertekening van het contract in kennis. Artikel 3 1. Binnen 30 kalenderdagen na de ondertekening van het contract kan de contractant bij de bevoegde instantie een voorschotaanvraag indienen, die vergezeld moet gaan van de in lid 3 bedoelde zekerheid. Na het verstrijken van deze termijn kan het voorschot niet meer worden aangevraagd. Het voorschot kan ten hoogste 30 % van het door de Gemeenschap te financieren bedrag belopen. 2. De bevoegde instantie moet het voorschot binnen 30 kalenderdagen na de indiening van de voorschotaanvraag betalen. In geval van vertraging geldt het bepaalde in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 296/96 van de Commissie (25). 3. Het voorschot kan slechts worden betaald als de contractant overeenkomstig het bepaalde in titel III van Verordening (EEG) nr. 2220/85 ten gunste van de bevoegde instantie een zekerheid heeft gesteld die gelijk is aan 110 % van dit voorschot. De bevoegde instantie kan evenwel, indien de contractant een publiekrechtelijk lichaam is of onder toezicht van een dergelijk lichaam optreedt, een aan het in de vorige alinea vastgestelde percentage gelijkwaardige schriftelijke zekerheid van zijn toezichthoudende autoriteit aanvaarden, op voorwaarde dat deze laatste zich ertoe verbindt het door de zekerheid gedekte bedrag te betalen indien niet is komen vast te staan dat de contractant recht heeft op het voorgeschoten bedrag. Artikel 4 1. De latere aanvragen om tussentijdse betalingen worden ingediend vóór het einde van de kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin elke periode van 90 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van ondertekening van het contract is verstreken. Deze aanvragen betreffen de in die periode van drie maanden gedane en betaalde uitgaven en gaan vergezeld van de desbetreffende bewijsstukken en van een tussenverslag over de uitvoering van het contract. Wanneer in de betrokken periode van drie maanden geen uitgaven zijn gedaan, wordt dit gemeld binnen dezelfde termijn als deze die voor de aanvragen om tussentijdse betalingen geldt. Voor elke betalingsaanvraag geldt dat, wanneer de aanvraag om tussentijdse betaling met de nodige documenten te laat wordt ingediend, het te betalen bedrag behoudens overmacht met 3 % per volle maand vertraging wordt verlaagd. Deze betaling en de in artikel 3, lid 1, bedoelde voorschotbetaling mogen tezamen niet meer bedragen van 75 % van de totale financiële bijdrage van de Gemeenschap. Wanneer dit percentage is bereikt, kunnen geen verdere aanvragen om tussentijdse betalingen worden ingediend. 2. De aanvraag om betaling van het saldo (ten minste 25 %) wordt ingediend binnen vier maanden na de datum waarop de in het contract bedoelde acties zijn voltooid. Deze aanvraag wordt slechts als ingediend beschouwd, als zij vergezeld gaat van: a) alle stukken tot staving van de desbetreffende uitgaven; b) een samenvatting van de uitgevoerde werkzaamheden (activiteitenverslag); en c) een door de contractant opgesteld verslag met een interne evaluatie van de behaalde resultaten die op de verslagdatum te constateren zijn, alsmede van het gebruik dat van deze resultaten kan worden gemaakt. Behoudens overmacht wordt, wanneer de aanvraag om betaling van het saldo te laat wordt ingediend, het saldo verlaagd met 3 % per maand vertraging. 3. Het saldo mag eerst na verificatie van de in lid 2 bedoelde documenten worden betaald. Het saldo wordt verlaagd in verhouding tot de mate waarin niet aan de primaire eis als bedoeld in artikel 2, lid 4, is voldaan. 4. De in artikel 3, lid 3, bedoelde zekerheid wordt vrijgegeven voorzover vaststaat dat de betrokkene definitief recht heeft op het voorgeschoten bedrag. 5. De bevoegde instantie verricht de in de vorige leden bedoelde betalingen binnen een termijn van 60 kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Op ieder tijdstip van de periode van 60 dagen na de eerste registratie van de betalingsaanvraag kan deze termijn evenwel worden geschorst door aan de schuldeisende contractant het feit te betekenen dat zijn aanvraag niet in aanmerking kan worden genomen, hetzij omdat de vordering niet opeisbaar is, hetzij omdat de vordering niet wordt gestaafd door de bewijsstukken die voor alle aanvullende aanvragen worden verlangd, hetzij omdat de bevoegde instantie het hoofdzakelijk acht nadere gegevens te ontvangen of verificaties te verrichten. De termijn loopt weer verder vanaf de datum van ontvangst van de gevraagde gegevens, die binnen 30 kalenderdagen verstrekt moeten worden. Behoudens overmacht leidt vertraging in de bovenbedoelde betalingen ertoe dat op de vergoeding aan de lidstaat een verlaging overeenkomstig de voorschriften van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 296/96 wordt toegepast. 6. De in artikel 2, lid 3, bedoelde zekerheid moet tot de betaling van het saldo geldig zijn en wordt vrijgegeven op basis van een vrijmakingsbrief van de bevoegde instantie. 7. Binnen 30 kalenderdagen na de ontvangst ervan doet de bevoegde instantie aan de Commissie toekomen: - de driemaandelijkse verslagen over de uitvoering van het contract; - de samenvatting van de uitgevoerde werkzaamheden; en - het verslag over de interne evaluatie. 8. Na betaling van het saldo doet de bevoegde instantie aan de Commissie een financieel overzicht van de in het kader van het contract gedane uitgaven toekomen. Voorts verklaart de bevoegde instantie dat blijkens de verrichte controles alle uitgaven mogen worden geacht subsidiabel te zijn op grond van de bepalingen van het contract. 9. De verbeurde zekerheden en de toegepaste strafkortingen worden in mindering gebracht van de aan de EOGFL, afdeling Garantie gedeclareerde uitgaven. Artikel 5 1. De bevoegde instanties nemen de nodige maatregelen om, met name door middel van technische, administratieve en boekhoudkundige controles bij de contractant, bij zijn eventuele partners en bij zijn subcontractanten te verifiëren of: a) de verstrekte gegevens en de vermeldingen in de overgelegde bewijsstukken juist zijn; en b) alle in het contract opgenomen verplichtingen worden nagekomen. Onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 595/91 van de Raad (26) stellen zij de Commissie zo spoedig mogelijk in kennis van elke bij de controles geconstateerde onregelmatigheid. 2. Voor de toepassing van lid 1 geldt dat, wanneer door de contractant opgezette acties worden uitgevoerd in een andere lidstaat dan die waar de contractsluitende bevoegde instantie is gevestigd, aan deze laatste alle nodige medewerking op het gebied van verificatie en controle wordt verleend door de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat, die daarvan minstens tien werkdagen vooraf op de hoogte moet worden gebracht. 3. De middelen die het meest geschikt zijn voor de controle op de in derde landen uitgevoerde acties, worden bepaald door de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat, die de Commissie daarvan in kennis stelt. 4. De Commissie kan te allen tijde aan de in de voorgaande leden bedoelde verificaties en controles deelnemen. Hiertoe stellen de bevoegde instanties van de lidstaten de Commissie tijdig van de in de leden 2 en 3 bedoelde verificaties en controles in kennis. De Commissie kan ook door haar noodzakelijk geachte extra controles uitvoeren. Artikel 6 1. Met het oog op de opstelling van het met redenen omklede advies over elk ingediend programma of, in de sector levende planten en producten van de bloementeelt, met het oog op de vaststelling van de voorlopige lijst van de in aanmerking genomen acties, verricht de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat een voorafgaande analyse om na te gaan of de voorgestelde acties zijn aangepast aan de algemene en specifieke doelstellingen die overeenkomstig de geldende sectorale regelgeving in het betrokken programma zijn vastgesteld. 2. Met het oog op een externe evaluatie en met inachtneming van de betrokken Gemeenschapsvoorschriften stelt de bevoegde instanties alles in het werk om met alle adequate middelen te zorgen voor mededinging tussen de onafhankelijke organen. De keuze van de beoordelingsinstantie moet door de Commissie worden goedgekeurd. In de sector levende planten en producten van de bloementeelt wordt deze evaluatie uitgevoerd in het laatste jaar van uitvoering van het programma. De externe evaluatie moet de volgende werkzaamheden omvatten: - het volgen van de uitvoering van de geprogrammeerde acties aan de hand van significant steekproefonderzoek; - een evaluatie achteraf van de behaalde resultaten door toetsing aan de vastgestelde doelstellingen; - een meting van de doeltreffendheid van de geprogrammeerde acties aan de hand van prestatie-indicatoren (kosten, "output" en "impact"). De evaluatiestudie, die wordt opgesteld binnen vier maanden na de datum waarop de acties zijn voltooid, wordt zo spoedig mogelijk aan de Commissie meegedeeld. Bij uitzondering kan de Commissie, indien de totale begroting voor het te evalueren programma minder dan 100 000 EUR bedraagt, op een met redenen omkleed verzoek van de bevoegde instantie toestemming geven om de studie voor de evaluatie van dit programma niet uit te voeren. 3. In het geval dat in eenzelfde lidstaat verscheidene programma's ten uitvoer worden gelegd, kan één enkel orgaan met de externe evaluatie van elk van deze programma's worden belast. De kosten van deze evaluatie worden over de verschillende programma's verdeeld in verhouding tot hun respectieve begrotingen. 4. Deze evaluatie wordt op dezelfde voorwaarden gefinancierd als het geheel van de geprogrammeerde acties. 5. Onverminderd het bepaalde in lid 2, laatste alinea, zal, indien de externe evaluatie niet of slechts onvolledig wordt uitgevoerd, de Commissie daarmee rekening houden bij het onderzoek van de latere programma's, los van de financiële consequenties die eruit voortvloeien voor het evaluerende orgaan. Artikel 7 Voor de toe te passen wisselkoers geldt het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2799/98 van de Commissie (27). Artikel 8 1. In geval van een onverschuldigde betaling is de begunstigde verplicht tot terugbetaling van de betrokken bedragen, vermeerderd met rente die wordt berekend over de periode die tussen de betaling en de terugbetaling door de begunstigde verstrijkt. De toe te passen rentevoet is de door het Europees Monetair Instituut voor zijn verrichtingen in euro toegepaste en in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, reeks C, bekendgemaakte rentevoet die gold op de datum van de onverschuldigde betaling, vermeerderd met drie procentpunten. 2. De terugbetaalde bedragen en de rente worden overgemaakt aan de betaalorganen of -diensten en door deze op de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds, voor de landbouw gefinancierde uitgaven in mindering gebracht in verhouding tot de financiële bijdrage van de Gemeenschap. Artikel 9 De volgende bepalingen worden geschrapt: - artikel 2, lid 3, laatste zin, artikel 2, leden 3 bis en 4, artikel 3, lid 2, vierde streepje, tweede zin, artikel 3, lid 2, laatste alinea, en de artikelen 5 en 6 van Verordening (EEG) nr. 3461/85; - artikel 1, leden 2, 3 en 4, en de artikelen 6 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 3582/93; - artikel 1, lid 3, en de artikelen 7, 8, 8 bis, 9, 9 bis en 10 van Verordening (EEG) nr. 2282/90; - artikel 1, lid 3, en de artikelen 7, 8 en 9 van Verordening (EEG) nr. 3601/92; - artikel 2, lid 1, de artikelen 6 en 7, artikel 8, leden 1 en 2, en artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 1318/93; - de artikelen 7 tot en met 11 van Verordening (EG) nr. 803/98. Artikel 10 Deze verordening treedt in werking op 15 maart 1999. Zij is van toepassing voor de op of na deze datum gesloten contracten. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 4 maart 1999. Voor de Commissie Franz FISCHLER Lid van de Commissie (1) PB 172 van 30. 9. 1966, blz. 3025/66. (2) PB L 210 van 28. 7. 1998, blz. 32. (3) PB L 84 van 27. 3. 1987, blz. 1. (4) PB L 210 van 28. 7. 1998, blz. 8. (5) PB L 119 van 11. 5. 1990, blz. 53. (6) PB L 119 van 11. 5. 1990, blz. 65. (7) PB L 145 van 27. 5. 1992, blz. 1. (8) PB L 123 van 3. 6. 1995, blz. 4. (9) PB L 215 van 30. 7. 1992, blz. 57. (10) PB L 215 van 30. 7. 1992, blz. 67. (11) PB L 308 van 29. 11. 1996, blz. 7. (12) PB L 332 van 10. 12. 1985, blz. 22. (13) PB L 194 van 23. 7. 1997, blz. 1. (14) PB L 205 van 3. 8. 1990, blz. 8. (15) PB L 327 van 18. 12. 1996, blz. 27. (16) PB L 366 van 15. 12. 1992, blz. 17. (17) PB L 267 van 18. 10. 1994, blz. 3. (18) PB L 132 van 29. 5. 1993, blz. 83. (19) PB L 44 van 18. 2. 1999, blz. 10. (20) PB L 326 van 28. 12. 1993, blz. 23. (21) PB L 196 van 24. 7. 1997, blz. 51. (22) PB L 115 van 17. 4. 1998, blz. 5. (23) PB L 205 van 3. 8. 1985, blz. 5. (24) PB L 310 van 14. 12. 1993, blz. 4. (25) PB L 39 van 17. 2. 1996, blz. 5. (26) PB L 67 van 14. 3. 1991, blz. 11. (27) PB L 349 van 24. 12. 1998, blz. 1.