Richtlijn 1999/71/EG van de Commissie van 14 juli 1999 houdende wijziging van de bijlagen bij de Richtlijnen 86/362/EEG, 86/363/EEG en 90/642/EEG van de Raad tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op respectievelijk granen, levensmiddelen van dierlijke oorsprong en bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit (Voor de EER relevante tekst)
Publicatieblad Nr. L 194 van 27/07/1999 blz. 0036 - 0044
RICHTLIJN 1999/71/EG VAN DE COMMISSIE van 14 juli 1999 houdende wijziging van de bijlagen bij de Richtlijnen 86/362/EEG, 86/363/EEG en 90/642/EEG van de Raad tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op respectievelijk granen, levensmiddelen van dierlijke oorsprong en bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit (Voor de EER relevante tekst) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Richtlijn 86/362/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op granen(1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/65/EG(2), en met name op artikel 10, Gelet op Richtlijn 86/363/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op levensmiddelen van dierlijke oorsprong(3), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/82/EG van de Commissie(4), en met name op artikel 10, Gelet op Richtlijn 90/642/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit(5), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/65/EG, en met name op artikel 7, Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen(6), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 99/1/EG(7), en met name op artikel 4, lid 1, onder f), (1) Overwegende dat bij Richtlijn 98/47/EG van de Commissie(8) de nieuwe werkzame stof azoxystrobine is opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG met als voorwaarde dat deze stof uitsluitend wordt gebruikt als fungicide, maar dat er geen specifieke voorwaarden zijn vermeld wat betreft de gewassen die mogen worden behandeld met gewasbeschermingsmiddelen die azoxystrobine bevatten; (2) Overwegende dat bovenbedoelde opneming in bijlage I steunt op een evaluatie van de informatie die is verstrekt met betrekking tot het voorgestelde gebruik als fungicide op granen en druiven; dat de informatie betreffende de toepassingen op granen, wijnstokken en bananen door sommige lidstaten is ingediend overeenkomstig de in artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 91/414/EEG vastgestelde voorwaarden; dat de beschikbare informatie opnieuw is bekeken en toereikend is om een aantal maximumresidugehalten vast te stellen; (3) Overwegende dat, wanneer geen communautair MRL (maximumresidulimiet) of voorlopig MRL is vastgesteld, de lidstaten een nationaal voorlopig MRL moeten vaststellen overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 91/414/EEG voordat de toelating wordt verstrekt; (4) Overwegende dat de technische en wetenschappelijke evaluatie van azoxystrobine met het oog op de opneming van deze stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG op 22 april 1998 is afgerond met het evaluatieverslag van de Commissie betreffende azoxystrobine; dat in dit evaluatieverslag de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) voor azoxystrobine is vastgesteld op 0,1 mg/kg lichaamsgewicht/dag; dat de mate van blootstelling van verbruikers van met azoxystrobine behandelde levensmiddelen, gemeten over hun volledige levensduur, is geraamd en beoordeeld volgens de in de Europese Gemeenschap gebruikelijke procedures en methoden, met inachtneming van de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gepubliceerde richtsnoeren(9), en dat is berekend dat de bij deze richtlijn vastgestelde voorlopige MRL's geen aanleiding geven tot overschrijding van de ADI; (5) Overwegende dat bij de beoordeling en de bespreking die is voorafgegaan aan de opneming van azoxystrobine in bijIage I bij Richtlijn 91/414/EEG geen acute toxische effecten zijn genoteerd die vaststelling van een acute referentiedosis vereisen; (6) Overwegende dat voor bepaalde landbouwproducten reeds een aantal voorwaarden met betrekking tot de toepassing van azoxystrobine op zodanige wijze is bepaald dat definitieve MRL's kunnen worden vastgesteld; (7) Overwegende dat het, om ervoor te zorgen dat de consument op een adequate wijze wordt beschermd tegen blootstelling aan residuen in of op producten waarvoor geen toelating is gegeven, verstandig is om de voorlopige MRL's vast te stellen op de ondergrens van analytische bepaling voor alle producten die onder de Richtlijnen 86/362/EEG, 86/363/EEG en 90/642/EEG vallen; dat de vaststelling, op communautair niveau, van zulke voorlopige MRL's niet wegneemt dat de lidstaten voor azoxystrobine voorlopige MRL's kunnen vaststellen overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 91/414/EEG en bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG, en met name deel B, punt 2.4.2.3, van deze bijlage; dat een periode van vier jaar voldoende wordt geacht om de meeste andere toepassingen van azoxystrobine te bepalen; dat de voorlopige MRL's na deze periode definitief moeten worden; (8) Overwegende dat de handelspartners van de Gemeenschap via de Wereldhandelsorganisatie over de in deze richtlijn vastgestelde gehalten zijn geraadpleegd en dat hun opmerkingen over de gehalten in overweging zijn genomen; dat de Commissie aan de hand van deugdelijke gegevens zal nagaan of voor specifieke combinaties bestrijdingsmiddel/gewas maximumresidugehalten bij invoer kunnen worden vastgesteld; (9) Overwegende dat rekening is gehouden met inzonderheid het advies en de aanbevelingen van het Wetenschappelijk Comité voor planten, vooral voor wat betreft de bescherming van de verbruikers van met bestrijdingsmiddelen behandelde levensmiddelen; (10) Overwegende dat de in deze richtlijn vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 In bijlage II, deel A, bij Richtlijn 86/362/EEG worden de volgende residuen van bestrijdingsmiddelen toegevoegd: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Artikel 2 In bijlage II, deel B, bij Richtlijn 86/363/EEG worden de volgende residuen van bestrijdingsmiddelen toegevoegd: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Artikel 3 Aan bijlage II bij Richtlijn 90/642/EEG worden de volgende residuen van bestrijdingsmiddelen toegevoegd: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Artikel 4 1. Voor landbouwproducten die zijn vermeld in bijlage II, deel A, bij Richtlijn 86/362/EEG en bijlage II bij Richtlijn 90/642/EEG waarvoor de maximumresidugehalten aan azoxystrobine zijn aangegeven met "(p)", betekent dit dat ze voorlopig (p) zijn vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 91/414/EEG. 2. Vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn mogen de voor azoxystrobine in de bijlagen vastgestelde voorlopige MRL's niet langer voorlopig zijn en worden zij definitief, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van respectievelijk Richtlijn 86/362/EEG en Richtlijn 86/363/EEG, of artikel 3 van Richtlijn 90/642/EEG. Artikel 5 1. Deze richtlijn treedt in werking op 1 augustus 1999. 2. De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan deze richtlijn te voldoen worden uiterlijk op 31 januari 2000 door de lidstaten vastgesteld en bekendgemaakt. De lidstaten stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De lidstaten passen die bepalingen toe met ingang van 1 februari 2000. 3. Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. Artikel 6 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, 14 juli 1999. Voor de Commissie Franz FISCHLER Lid van de Commissie (1) PB L 221 van 7.8.1986, blz. 37. (2) PB L 172 van 8.7.1999, blz. 40. (3) PB L 221 van 7.8.1986, blz. 43. (4) PB L 290 van 29.10.1998, blz. 25. (5) PB L 350 van 14.12.1990, blz. 71. (6) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. (7) PB L 21 van 21.1.1999, blz. 21. (8) PB L 191 van 7.7.1998, blz. 50. (9) Richtsnoeren voor het voorspellen van de opname van residuen van bestrijdingsmiddelen via de voeding (herzien), opgesteld door GEMS/voedselprogramma in samenwerking met het Codex-comité voor residuen van bestrijdingsmiddelen, gepubliceerd door de Wereldgezondheidsorganisatie, 1997 (WHO/FSF/FOS/97.7).