Richtlijn 1999/23/EG van de Commissie van 9 april 1999 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 93/33/EEG van de Raad betreffende de inrichting ter beveiliging tegen het gebruik door onbevoegden van motorvoertuigen op twee of drie wielen (Voor de EER relevante tekst)
Publicatieblad Nr. L 104 van 21/04/1999 blz. 0013 - 0015
RICHTLIJN 1999/23/EG VAN DE COMMISSIE van 9 april 1999 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 93/33/EEG van de Raad betreffende de inrichting ter beveiliging tegen het gebruik door onbevoegden van motorvoertuigen op twee of drie wielen (Voor de EER relevante tekst) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen(1), gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, inzonderheid op artikel 16, Gelet op Richtlijn 93/33/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de inrichting ter beveiliging tegen het gebruik door onbevoegden van motorvoertuigen op twee of drie wielen(2), inzonderheid op artikel 4, (1) Overwegende dat Richtlijn 93/33/EEG een van de bijzondere richtlijnen is van de bij Richtlijn 92/61/EEG ingestelde communautaire goedkeuringsprocedure; dat de bepalingen van Richtlijn 92/61/EEG betreffende systemen, onderdelen en technische eenheden van voertuigen dus op voornoemde richtlijn van toepassing zijn; (2) Overwegende dat door de ontwikkeling van de techniek thans een aanpassing van Richtlijn 93/33/EEG aan de vooruitgang van de techniek mogelijk is; dat om de goede werking van het gehele goedkeuringsstelsel mogelijk te maken, derhalve bepaalde voorschriften van de desbetreffende richtlijn moeten worden verduidelijkt of aangevuld; (3) Overwegende dat het daartoe belangrijk is de voorschriften aan te passen betreffende de vergrendelingshoek van de stuurinrichting van vierwielers en betreffende het uitnemen van de sleutel uit inrichtingen van type 3 voor installatie op drie- of vierwielers; dat het bovendien wenselijk is de installatie van een voor vierwielige motorvoertuigen erkende inrichting ter beveiliging tegen het gebruik door onbevoegden op twee- of driewielige motorvoertuigen mogelijk te maken; (4) Overwegende dat de in deze richtlijn vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het in artikel 13 van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad(3), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad(4) bedoelde Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Bijlage I bij Richtlijn 93/33/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn. Artikel 2 1. Met ingang van 1 januari 2000 mogen de lidstaten om redenen die verband houden met inrichtingen ter beveiliging tegen het gebruik door onbevoegden: - noch de EG-goedkeuring van een type twee- of driewielig motorvoertuig of van een type beveiligingsinrichting tegen het gebruik door onbevoegden weigeren, - noch de inschrijving, de verkoop of het in het verkeer brengen van twee- of driewielige motorvoertuigen alsmede de verkoop of het in de handel brengen van beveiligingsinrichtingen tegen het gebruik door onbevoegden verbieden, voorzover de beveiligingsinrichtingen tegen het gebruik door onbevoegden voldoen aan de eisen van Richtlijn 93/33/EEG als gewijzigd bij deze richtlijn. 2. Met ingang van 1 juli 2000 weigeren de lidstaten EG-goedkeuring voor elk type twee- of driewielig motorvoertuig om redenen die verband houden met de beveiligingsinrichting tegen het gebruik door onbevoegden en voor elk type beveiligingsinrichting tegen het gebruik door onbevoegden indien niet is voldaan aan de eisen van Richtlijn 93/33/EEG als gewijzigd bij deze richtlijn. Artikel 3 1. De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 1999 de bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Zij passen deze bepalingen toe met ingang van 1 januari 2000. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzingen worden door de lidstaten vastgesteld. 2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 4 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 5 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, 9 april 1999. Voor de Commissie Martin BANGEMANN Lid van de Commissie (1) PB L 225 van 10.8.1992, blz. 72. (2) PB L 188 van 29.7.1993, blz. 32. (3) PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1. (4) PB L 11 van 16.1.1999, blz. 25. BIJLAGE 1. Aan punt 3.1 wordt de volgende tekst toegevoegd: "De installatie van voor motorvoertuigen van de categorieën M1 en N1 overeenkomstig Richtlijn 74/61/EEG erkende beveiligingsinrichtingen tegen het gebruik door onbevoegden wordt eveneens toegestaan op twee- of driewielige motorvoertuigen.". 2. Punt 3.11 komt als volgt te luiden: "3.11. Beveiligingsinrichtingen van type 1, 2 of 3 moeten zodanig zijn ontworpen dat de stuurinrichting slechts onder een hoek van ten minste 20° naar links en/of rechts ten opzichte van de rechtuitstand kan worden vergrendeld, met uitzondering van inrichtingen die bestemd zijn om te worden gemonteerd op drie- en vierwielers.". 3. Punt 4.1.2 komt als volgt te luiden: "4.1.2. Bij beveiligingsinrichtingen van type 3 mag de schoot alleen kunnen worden voorgespannen door een handeling van de gebruiker van het voertuig in combinatie met of naast het omdraaien van de sleutel. Behalve in de in punt 3.2.3 genoemde omstandigheden en met uitzondering van drie- en vierwielers mag de sleutel niet kunnen worden uitgenomen wanneer de schoot is voorgespannen."