31999D0225

1999/225/EG: Beschikking van de Commissie van 13 mei 1998 betreffende door Duitsland aan de onderneming Herborn und Breitenbach GmbH, voorheen Drahtziehmaschinenwerk Grüna GmbH, verleende steun (kennisgeving geschied onder nummer C(1998) 1687) (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 083 van 27/03/1999 blz. 0062 - 0068


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 13 mei 1998 betreffende door Duitsland aan de onderneming Herborn und Breitenbach GmbH, voorheen Drahtziehmaschinenwerk Grüna GmbH, verleende steun (kennisgeving geschied onder nummer C(1998) 1687) (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst) (1999/225/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 93, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzonderheid op artikel 62, lid l, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand haar hun opmerkingen kenbaar te maken (1),

Overwegende hetgeen volgt:

I

Op 15 maart 1995 besloot de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden met betrekking tot de steun die Duitsland had verleend aan de onderneming SKET Schwermaschinenbau Magdeburg GmbH, te Magdeburg, hierna "SKET SMM" genoemd (2). Deze procedure had ook betrekking op de dochterondernemingen van SKET-SMM, te weten Entstaubungstechnik Magdeburg GmbH, te Magdeburg, hierna "ETM" genoemd, en Drahtziehmaschinenwerk Grüna GmbH, te Chemnitz, hierna "DZM" genoemd. Het betrof hierbij steun die SKET SMM voorafgaand aan en in het kader van de privatisering en herstructurering van deze onderneming had ontvangen. Eerder had SKET SMM reeds steun ontvangen waartegen de Commissie geen bezwaar had gemaakt (NN 46/93 en NN 95/93). De procedure heeft nummer C 16/95.

Op 30 juli 1996 besloot de Commissie procedure C 16/95 uit te breiden tot de staatssteun die na het besluit tot inleiding van de procedure was uitgekeerd en die niet onder dat besluit viel (3). De investeerders (Oestmann & Borchert Industriebeteiligungen GbR) hadden zich eind 1995 uit de voorgenomen privatisering teruggetrokken, waarna een nieuw herstructureringsplan met aanvullende steunmaatregelen was aangemeld.

In oktober 1996 was SKET SMM gedwongen om een "Gesamtvollstreckungsverfahren" (dit wil zeggen een algehele vereffeningsprocedure in de nieuwe deelstaten) aan te vragen. Het herstructureringsplan, naar aanleiding waarvan het besluit tot uitbreiding van de procedure van 30 juli 1996 was genomen, heeft derhalve de levensvatbaarheid van SKET SMM niet kunnen herstellen. Op 26 juni 1997 stelde de Commissie met betrekking tot de steun aan SKET SMM een negatieve eindbeschikking vast: Beschikking 97/765/EG (4). De liquidatieprocedure heeft geen betrekking op de twee dochterondernemingen ETM en DZM, die aan de Bundesanstalt für vereinigungsbedingte Sonderaufgaben, hierna "de BvS" genoemd, werden overgedragen. Met Beschikking 97/765/EG werd procedure C 16/95 slechts ten aanzien van het gedeelte van SKET SMM dat in liquidatie verkeerde, afgesloten. Daarom werd procedure C 16/95 als volgt opgesplitst: C 16a/95 voor SKET SMM, C 16b/95 voor ETM en C 16c/95 voor DZM. DZM fuseerde in 1995 met een West-Duitse onderneming en is tegenwoordig actief onder de naam Herborn & Breitenbach GmbH, te Chemnitz, hierna "H& B" genoemd. De onderhavige beschikking heeft slechts betrekking op H& B.

Bij schrijven van 13 januari 1997 (ingeschreven op 14 januari 1997) en van 6 augustus 1997 (ingeschreven op 7 augustus 1997) stelde Duitsland de Commissie in kennis van de overdracht van H& B aan de BvS alsmede van steun die in de periode sedert de algehele vereffening van SKET SMM aan H& B was verleend. In de tweede brief werd het herstructureringsplan ingediend, dat andermaal aan de nieuwe situatie van H& B was aangepast. Bij brief van 30 oktober 1997 (op dezelfde datum ingeschreven) meldde Duitsland de voorwaarden aan van de privatiseringsovereenkomst van H& B alsmede de wijzigingen in het herstructureringsplan van augustus 1997.

II

Op 24 maart en 12 april 1995 had SKET SMM, onder leiding van de investeerders Oestmann & Borchert Industriebeteiligung GbR (die zich eind 1995 uit het privatiseringsproject terugtrokken), alle aandelen van H& B Beteiligungsgesellschaft GmbH en H& B GmbH & Co. KG overgenomen van Kolbus GmbH & Co. KG. Deze ondernemingen werden samengevoegd met de dochteronderneming DZM en vormden, onder de naam H& B, tot 31 december 1996 een dochteronderneming van SKET SMM. Bij overeenkomst van 16 januari 1997 werd H& B, in de toestand waarin de onderneming zich op dat tijdstip bevond (dit wil zeggen met schulden), aan de BvS overgedragen.

West Merchant Bank kreeg van de BvS de opdracht een investeerder te zoeken. Na een openbare biedingsprocedure, waarvoor, de wereld over, 112 ondernemingen waren aangezocht, waren per 1 mei 1997 vier aanbiedingen ontvangen. Met twee van deze vier gegadigden werden onderhandelingen geopend en vervolgens werd het beste bod gekozen waarbij rekening werd gehouden met het bedrijfsplan, garanties inzake het behoud van de werkgelegenheid en financiële doelstellingen. Bij deze keuze werd evenwel de optie van ontbinding en vereffening, die waarschijnlijk minder hoge kosten met zich zou hebben gebracht dan de verkoop met begeleidende financiële maatregelen, buiten beschouwing gelaten. Volgens de algemene beginselen die de Commissie bij de beoordeling van privatiseringen hanteert, houdt de privatisering van H& B daarom steun in (5).

De gekozen investeerder (de heer Henrich) is een natuurlijke persoon die over ervaring in de sector draadtrekmachines beschikt. De investeerder verkocht in 1994 zijn familiebedrijf, dat dergelijke machines vervaardigde, aan een participatiemaatschappij, de "EIS-group", nadat hij vier jaar lang directeur van deze onderneming was geweest. De heer Henrich bezit nog een arbeidsovereenkomst met de "EIS-group", die met de overname van H& B instemde. De investeerder heeft H& B op 24 september 1997 overgenomen, waarbij hij eerst voor 50 % en per 1 januari 1998 voor 100 % de bedrijfsleiding overnam. Bovendien zou hij voorzitter worden van de raad van toezicht van de "Cable & Wire Division" van de "EIS-group", die uit aandelen in drie ondernemingen bestaat. Zo brengt de investeerder kennis over de sector, contacten en potentiële synergieën in.

De structuur van H& B is als volgt:

a) Herborn & Breitenbach GmbH te Chemnitz (voorheen DZM), met een aandelenkapitaal van 1 miljoen DEM. Deze onderneming is tegelijkertijd commanditair vennoot in H& B GmbH & Co. KG, te Herborn. Zij heeft 107 werknemers en beweegt zich op het gebied van ontwerp, bouw en productie van machines.

b) Herborn & Breitenbach GmbH & Co KG te Herborn (Hessen), commanditair kapitaal: 6 miljoen DEM, kapitaal van de commanditaire vennoot: 0,1 miljoen DEM. De onderneming heeft 78 werknemers en houdt zich bezig met ontwerp, bouw en productie.

c) Herborn & Breitenbach Beteiligungs GmbH te Unna (Noordrijn-Westfalen), voor 100 % in handen van Herborn & Breitenbach GmbH te Chemnitz. De onderneming heeft een maatschappelijk kapitaal van 0,1 miljoen DEM (deze onderneming is louter een lege huls zonder ondernemingsdoel en zonder werknemers).

De bedrijfsactiviteiten van H& B omvatten verkoop, bouw, productie, installatie, testen en onderhoud van draadtrekmachines in de beide vestigingen te Chemnitz en te Herborn. Deze machines zijn voor zeer uiteenlopende bedrijfstakken bestemd, zoals bijvoorbeeld de automobielindustrie, ijzer- en staalindustrie, scheepsbouw, bouwnijverheid, energievoorziening, telecommunicatie en gloeilampenfabricage.

Het herstructureringsplan van de investeerder is in grote lijnen gericht op het veiligstellen van de marktaandelen en het verlagen van de productiekosten. De herstructurering van H& B was reeds op gang ten tijde van de overname door de investeerder, die het bedrijf van de onderneming wenst voort te zetten, waartoe hij zijn contacten inbrengt. Het plan behelst het volgende:

a) handhaving van de beide vestigingen (Herborn en Chemnitz). Om evenwel de kosten te verlagen, moet de opsplitsing duidelijker en rationeler worden: onderzoek en ontwikkeling, productie en montage in Chemnitz, administratie, verkoop en demonstraties voor klanten in Herborn;

b) inkrimping van het productgamma om de kostenstructuur te reduceren;

c) aanpassing van de machines aan de bijzondere wensen van de klanten (ontwikkeling en fabricage);

d) meer nadruk op serviceverlening gezien het grote aantal tweedehandsmachines van DZM en H& B;

e) ontwikkeling van de productie van vervangingsonderdelen en aanbod van pakketten voor de modernisering en de inspectie van machines;

f) uitbreiding van de "outsourcing" die in de onderneming reeds werd toegepast;

g) afstoting van arbeidsplaatsen. De investeerder heeft evenwel alle bestaande arbeidsplaatsen (186) overgenomen en gegarandeerd daarvan 150 te zullen behouden, waarvan 90 in Chemnitz en 60 in Herborn. Deze garantie geldt voor de komende drie jaar. Hij zegt tevens toe dat de productie in Chemnitz voor nog eens twee jaar met ten minste 25 arbeidsplaatsen zal worden voortgezet. De arbeidsplaatsgaranties zijn versterkt door bij overeenkomst vastgelegde boetes.

H& B moet zijn marktaandelen (in Duitsland, Europa, de GOS-landen, Zuid-Oost-Azië en de Verenigde Staten van Amerika) in een eerste fase veiligstellen door middel van de door de investeerder ingebrachte contacten en knowhow, maar ook door het programma voor de verlaging van de kosten en de herziening van het productgamma. De investeerder verwacht een aanzienlijke mate van synergie door samenwerking met andere ondernemingen (voorzitterschap van de raad van toezicht van de "Cable & Wire Division" van de "EIS-group").

In de afgelopen jaren werd 16,5 miljoen DEM geïnvesteerd, vooral in de sanering van de bestaande gebouwen en de modernisering van de technische installaties. Voor de komende jaren heeft de investeerder investeringen toegezegd van ongeveer 0,5 miljoen DEM per jaar over drie jaar (contractuele boeten).

Volgens de laatste vooruitzichten zou de gemeenschappelijke onderneming vanaf 1999 een positief resultaat vóór belasting van [ . . . ] (6) bereiken.

III

H& B bleef tot 1997 in de SKET-groep en ontving meer dan eens herstructureringssteun. De moeilijkheden waarmee SKET SMM geconfronteerd werd (en die tot een algehele vereffening leidden), hebben in feite de herstructurering van H& B vertraagd.

Deze steun aan H& B werd in het kader van de opeenvolgende herstructureringsplannen uitgekeerd. Deze plannen hadden betrekking op de herstructurering van de hele SKET-groep, waarvan H& B deel uitmaakte. Na de overdracht van de onderneming aan de BvS en bijgevolg de afsplitsing van de groep, zijn de plannen ten aanzien van H& B veel preciezer geworden. Eerst toen werd de afzonderlijke verkoop van de onderneming overwogen. Thans is H& B geprivatiseerd en een door de investeerder aangepast herstructureringsplan (zie deel II) met nieuwe financiële doelstellingen werd door de Commissie onderzocht.

Omwille van de duidelijkheid worden hier uitsluitend die financiële maatregelen genoemd die in het verleden inderdaad werden uitgevoerd of die in het kader van de privatisering in het huidige plan zijn voorzien (7). Het betreft de volgende maatregelen:

1. 1990 - 1991: Toekenning van middelen voor een specifiek doel (sociaal plan) ten belope van 1,4 miljoen DEM.

2. 1993: 26,5 miljoen DEM aan renteloze leningen en afstand van schuldvorderingen, waaronder:

a) toekenning van renteloze leningen door de BvS ter aflossing van oude leningen uit de tijd van vóór 1 juli 1990 ten belope van 13,9 miljoen DEM;

b) een tweede krediet van de BvS ter aflossing van oude leningen uit de tijd van vóór 1 juli 1990 ten belope van 5,4 miljoen DEM;

c) renteloze lening van de BvS voor de betaling van rente over oude leningen ten belope van 1,7 miljoen DEM;

d) afstand van vorderingen in verband met de vereffening van compensatieverplichtingen voor een bedrag van 4,6 miljoen DEM;

e) afstand van rentevergoedingen ten belope van 0,9 miljoen DEM in verband met deze verplichtingen.

Deze leningen en deze kwijtschelding van schulden (voor een totaalbedrag van 26,5 miljoen DEM) werden per 31 december 1994 via SKET SMM in subsidies (15,9 miljoen DEM) en in de vorming van kapitaalreserves (5,6 miljoen DEM + 5 miljoen DEM) omgezet.

3. 1996: 11 miljoen DEM aan leningen, waarvan:

a) toekenning van een lening van 3,2 miljoen DEM ter aflossing van oude leningen (uit de tijd van vóór 1 juli 1990) via SKET SMM. De BvS zal dit bedrag aan de curator ("Konkursverwalter") betalen;

b) een lening van 5,4 miljoen DEM van de BvS (2,2 miljoen DEM ter financiering van orders via SKET SMM (de BvS betaalt dit aan de curator terug), 2,1 miljoen DEM ter versterking van de kaspositie en 1,1 miljoen DEM ter voldoening van de verplichtingen jegens leveranciers);

c) vergoeding door de BvS, in de vorm van een renteloze aandeelhouderslening, van een aanbetaling van 2,4 miljoen DEM die een klant per vergissing aan SKET SMM had gedaan.

Eind 1996 beliepen de verplichtingen van H& B 38,9 miljoen DEM (26,5 miljoen DEM aan leningen die in niet-terugvorderbare subsidies omgezet werden, 11 miljoen DEM aan leningen, 1,4 miljoen DEM aan middelen voor specifieke doeleinden). Daarbij kwamen nog borgtochten ter hoogte van 15 miljoen DEM op de volgende voorwaarden: 0,25 % per half jaar (1 januari en 1 juli), berekend over de door de BvS voorgeschoten financiering, alsmede 0,5 % op de door de bank ingehouden gelden en de voorwaardelijke financiering van een bedrag van 1,377 miljoen DEM.

4. 1997 - Privatisering (voorwaarden van de privatiseringsovereenkomst).

De BvS verleent H& B kwijtschelding van alle schulden uit het verleden en verleent haar subsidies voor de voltooiing van de herstructurering.

a) Verplichtingen van de verkoper (BvS):

i) afstand van vorderingen in verband met leningen ten belope van 11 miljoen DEM (omzetting in niet-terugvorderbare subsidies);

ii) afstand van vorderingen in verband met de aandeelhouderslening van 3 miljoen DEM die in 1997 verleend werd (naar aanleiding van de algehele vereffening van SKET SMM);

iii) toekenning van een niet-terugvorderbare subsidie van 4 miljoen DEM voor de herstructurering (opgesplitst in twee tranches van 2 miljoen DEM per 1 januari 1998 en per 30 juni 1998) ter handhaving van de liquiditeit en ter financiering van investeringen;

iv) deelneming in de kosten van het wegwerken van uit het verleden daterende milieuverontreiniging (uit de tijd van vóór 1 juli 1990), voorzover deze meer dan 2 miljoen DEM bedragen, tot een maximum van 4 miljoen DEM;

v) overname van het risico van een eventuele terugvordering door de belastingdienst, die 0,3 miljoen DEM zou kunnen belopen.

b) Verplichtingen van de investeerder:

i) koopprijs van 0,25 miljoen DEM;

ii) overname op diens naam van de bewezen borgstellingen ten belope van 3,3 miljoen DEM en borgstellingen voor een totaalbedrag van 9 miljoen DEM;

iii) overname van een onherroepelijke hoofdelijke borgstelling voor onbepaalde duur voor een bedrag van 3,0 miljoen DEM ten gunste van de BvS. Deze borgstelling wordt vanaf 30 augustus 1998 jaarlijks met 0,5 miljoen DEM verminderd, indien en in zoverre de overnemer aan zijn contractuele verplichtingen heeft voldaan;

iv) overname van de verplichting om de van vroeger daterende milieuverontreiniging op te ruimen tot een bedrag van 2 miljoen DEM (voor het meerdere neemt de BvS 80 % van de kosten tot een maximum van 4 miljoen DEM voor haar rekening);

v) contractuele garanties waaraan sancties verbonden zijn: het investeren ten belope van 1,5 miljoen DEM vóór 30 juni 2000, het behoud van werkgelegenheid in de vestiging te Chemnitz (90 personen gedurende drie jaar) alsmede de instandhouding van de productie aldaar, waarbij 25 arbeidsplaatsen voor nog eens twee jaar worden gegarandeerd;

vi) de investeerder, H& B GmbH en H& B GmbH & Co. KG hebben zich ertoe verplicht om tot 2 december 2002 geen winstuitkeringen te doen of (openlijk of verkapt) kapitaal aan de ondernemingen te onttrekken.

IV

In het kader van procedure C 16/95 ontving de Commissie opmerkingen van derden, onder andere van een Duitse concurrent, wiens opmerkingen rechtstreeks betrekking hadden op H& B. Het ging over de overname van H& B door SKET SMM, waarvoor de bewuste concurrent zelf ook interesse zou hebben gehad; voorts zou H& B producten hebben verkocht op voorwaarden die onder het marktprijsniveau zouden liggen.

Deze opmerkingen werden bij schrijven van 19 november 1996 aan Duitsland meegedeeld. Bij schrijven van 6 januari 1997 (ingeschreven op 7 januari 1997 onder nummer A/30033) ging Duitsland uitvoerig in op de opmerkingen betreffende H& B. Zo verklaarde het dat de Duitse concurrent reeds in 1995 via een advocaat zijn bezwaren aan de Commissie kenbaar had gemaakt en daarbij had aangevoerd dat er sprake was van prijsdumping door DZM. Destijds reeds konden de Duitse autoriteiten aantonen dat de betrokken concurrent echte kansen op de markt had en dat de prijzen van DZM niet onder de marktprijzen lagen.

Ten aanzien van de overname van H& B door SKET SMM en het feit dat de koopintenties van de concurrent daarbij ten voordele van SKET SMM genegeerd zouden zijn, voert Duitsland aan dat deze concurrent niet van de privatiseringsonderhandelingen was uitgesloten maar zelf ervan had afgezien.

V

De steun die DZM respectievelijk H& B ontvangen heeft, werd vanaf 1991 verleend. Het ging daarbij aanvankelijk om steun (NN 108/91, E 15/92 en N 768/94) in het kader van de "Treuhandregelungen" die op 1 januari 1996 afliepen. In het kader van deze regelingen werd de financiering van ondernemingen door de Treuhandanstalt, hierna "de THA" genoemd, gedekt, mits bepaalde plafonds inzake het aantal werknemers en de hoogte van de steun in acht werden genomen. Als dochteronderneming van SKET SMM kon DZM respectievelijk H& B geen aanspraak op deze regeling maken, aangezien SKET SMM het plafond voor het aantal werknemers en het steunniveau had overschreden. De aan deze onderneming verleende steun moest derhalve afzonderlijk bij de Commissie worden aangemeld en door haar worden onderzocht.

De toegekende of voorgenomen financiële steun (zie deel III) bedroeg in totaal 50,2 miljoen DEM. Daarenboven had de BvS voor de financiering van de bedrijfsactiviteiten borgstellingen verstrekt waarvan is aangetoond dat deze 3,3 miljoen DEM beliepen.

Van deze financiële steun mag een bedrag van 28,2 miljoen DEM ingevolge beschikkingen betreffende de "Treuhandregelungen" niet als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag worden aangemerkt. Het betreft hier 24,2 miljoen DEM voor de financiering van oude leningen en een bedrag van ten hoogste 4 miljoen DEM ter dekking van de kosten van de eventuele verwijdering van uit het verleden daterende milieuverontreiniging.

De steunbedragen die hier moeten worden onderzocht, belopen derhalve 22 miljoen DEM. Dit bedrag is als volgt samengesteld:

a) 1,4 miljoen DEM aan middelen voor specifieke doeleinden in de jaren 1990 en 1991 (financiering van het sociaal plan);

b) 5,5 miljoen DEM aan kwijtgescholden schuldvorderingen in verband met compensatieverplichtingen (met inbegrip van rente) in 1993;

c) 7,8 miljoen DEM aan in niet-terugvorderbare subsidies omgezette leningen in 1996;

d) 3 miljoen DEM aan leningen voor de financiering van de bedrijfsactiviteiten in 1997, die met de privatisering in niet-terugvorderbare subsidies werden omgezet;

e) 4 miljoen DEM aan niet-terugvorderbare subsidies voor de herstructurering in 1997 en

f) 0,3 miljoen DEM voor de overname van eventuele belastingschulden.

Daarbij komen nog de borgstellingen die de BvS de laatste jaren verleend had (ten belope van 15 miljoen DEM, waarvan evenwel 3,3 miljoen DEM daadwerkelijk is aangetoond).

De aangemelde steunmaatregelen ten behoeve van DZM respectievelijk H& B zijn bedoeld voor de herstructurering van de onderneming en moeten voldoen aan de criteria die vermeld zijn onder punt 3.2 van de van 1994 daterende kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (8).

De betreffende steunmaatregelen werden aanvankelijk (verstrekking van leningen) grotendeels in de tijd toegestaan waarin DZM respectievelijk H& B deel uitmaakte van de SKET-groep, een van de grootste industrieconcerns op het grondgebied van de nieuwe Duitse deelstaten. De moeilijkheden van de SKET-groep, waarvan de privatisering vanwege de logge structuur onmogelijk was gebleken, en de daaropvolgende algehele vereffening hebben een negatieve invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van de rentabiliteit van de onderneming DZM respectievelijk H& B, die in 1990 en 1991 nog positieve resultaten behaalde. De resultaten voor 1992 waren negatief [ . . . ], werden vervolgens langzaam beter en waren in 1995 positief [ . . . ] en in 1996 weer [ . . . ]. Een factor die tot de verbetering van de resultaten in 1995 heeft bijgedragen, was waarschijnlijk het samengaan van DZM met de H& B-groep. De verslechtering van de resultaten over 1996 houdt verband met de ontwikkeling van SKET SMM, die uiteindelijk in oktober 1996 tot de inleiding van de algehele vereffening leidde. De resultaten van H& B voor 1997 worden nog steeds daardoor beïnvloed (zie deel II).

In de periode dat de "Treuhandregelung" van kracht was, heeft H& B in de periode 1990-1991 (financiering van het sociaal plan) en in 1993 (kwijtschelding van compensatieverplichtingen) steun ontvangen. Deze steun moest de aanvang van de herstructurering van de onderneming mogelijk maken. De THA en naderhand de BvS waren overigens voor de definitieve herstructurering van ondernemingen niet bevoegd. Zij hadden tot taak ondernemingen op de privatisering voor te bereiden. De definitieve herstructurering was vervolgens een zaak voor de overnemer. Het bijzondere van de onderneming is ongetwijfeld dat haar moederonderneming, SKET SMM, niet met succes geprivatiseerd kon worden. Destijds maakte DZM respectievelijk H& B deel uit van de herstructureringsplannen van de hele SKET-groep.

Eind 1995 haakten de investeerders Oestmann & Borchert af bij de voorgenomen privatisering van SKET SMM. Na deze mislukking moest het herstructureringsplan voor de groep door het adviesbureau Roland Berger aan de nieuwe situatie worden aangepast. Dit plan beoogde nog steeds om de groep in haar geheel te herstructureren.

Na de inleiding van de algehele vereffening van SKET SMM (in oktober 1996) en de overdracht van H& B aan de BvS ontving H& B opnieuw steun. Deze moest ten dele de financiering van orders, waarvoor SKET SMM als moedermaatschappij betalingen had ontvangen, en de afbetaling van door SKET SMM aan H& B verstrekte leningen, mogelijk maken. Deze bedragen waren ten tijde van de inleiding van de algehele vereffening door de curator voor de boedel opgeëist. Deze steun heeft de onderneming eveneens de nodige liquide middelen verschaft en haar in staat gesteld de leveranciers te betalen (zie deel III, punt 3).

Naar aanleiding van de overdracht van ETM en H& B aan de BvS, waarmee moest worden voorkomen dat de twee ondernemingen tot de failliete boedel werden gerekend, werd het plan voor H& B andermaal herzien. H& B moest de moeilijkheden overwinnen die de algehele vereffening van haar moederonderneming voor de bedrijfsactiviteiten meebracht.

Na de privatisering heeft Duitsland het door de overnemer gewijzigde herstructureringsplan opnieuw aangemeld, evenwel met lagere steunbedragen dan eerder het geval was, aangezien de deelneming van een particuliere investeerder voorheen niet tot de mogelijkheden behoorde.

De eerste voorwaarde van de voornoemde kaderregeling is de opstelling van een plan dat het herstel van de levensvatbaarheid en gezondheid van de onderneming op de lange termijn zonder verdere bijstand mogelijk maakt.

De prognoses voor de omzet en de kostenontwikkeling lijken redelijk te zijn en de resultaten zouden voor 1999 positief kunnen zijn. De herstructureringsmaatregelen omvatten interne maatregelen betreffende de reorganisatie van de productie en een nieuwe taakverdeling tussen de verschillende vestigingsplaatsen. De overnemer beschikt over een aanzienlijke "knowhow" met betrekking tot deze bedrijfstak en over contacten (deel II). De onderneming kan in het kader van het plan alle kosten dekken. Het plan zou onder de gegeven voorwaarden het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming mogelijk moeten maken (het behaalt vanaf 1999 een positief resultaat vóór belastingen).

In de kaderregeling wordt voorts bepaald dat ondernemingen in bedrijfstakken die met overcapaciteit kampen, hun capaciteit evenredig aan de ontvangen steun verminderen.

H& B is actief in de machinebouwsector, meer bepaald op het gebied van de vervaardiging van kabel- en draadtrekmachines. Er zijn geen aanwijzingen dat er in deze specifieke bedrijfstak overcapaciteit bestaat. Na een algemene recessie in de machinebouwsector in de Gemeenschap in 1996 is thans een herstel merkbaar (9). Deze bedrijfstak onderging in de Gemeenschap een ingrijpende herstructurering en heeft, als gevolg van de opleving van de economie, in verschillende landen van Oost-Europa en in Azië aan betekenis gewonnen. Door de economische groei in de Verenigde Staten van Amerika is daar eveneens een belangrijke markt ontstaan. Afgezien van Duitsland en de Gemeenschap vormen de Verenigde Staten van Amerika en Zuid-Oost-Azië de afzetmarkt voor de draad- en kabeltrekmachines van H& B. Voorts is H& B traditioneel in de landen van Oost-Europa vertegenwoordigd, waar aanwijzingen voor een economische wederopleving waar te nemen zijn. Bovendien behoort H& B tot het midden- en kleinbedrijf.

Een derde criterium van de kaderregeling is dat de kosten van de herstructurering in verhouding moeten staan tot de baten ervan. De hoogte van de steun moet beperkt zijn tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor de financiering van de herstructurering.

De financiële steun die H& B sedert 1991 heeft ontvangen, werd beperkt tot hetgeen noodzakelijk was om de onderneming in bedrijf te houden. Het gaat hier om een bedrag van in totaal 22 miljoen DEM, alsmede om borgstellingen, waarvan ruim 3,3 miljoen DEM waren aangetoond. In 1996 was de steun nodig om vorderingen en verplichtingen alsmede de liquiditeitsbehoefte te dekken. In 1997 was deze steun bedoeld ter verschaffing van de voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijk liquide middelen alsmede ter financiering van investeringen. Het bedrag van 4 miljoen DEM aan niet-terugvorderbare subsidies wordt in tranches verleend en alleen uitbetaald nadat is gecontroleerd dat deze voor het bestemde doel worden aangewend. De borgstellingen worden door de investeerder overgenomen. De BvS stelt zich aansprakelijk voor eventuele vorderingen tot terugbetaling van de belastingdienst ten belope van 0,3 miljoen DEM.

De bijdrage van de overnemer in de herstructureringskosten (5,25 miljoen DEM, waarbij dan nog de borgstellingen ten belope van 9 miljoen DEM komen) bestaat met name uit de voldoening van de koopprijs van 0,25 miljoen DEM, de overname van een onherroepelijke hoofdelijke borgstelling voor onbepaalde termijn ten belope van 3 miljoen DEM alsmede de overname van de aangetoonde borgstellingen ten belope van 3,3 miljoen DEM en de verstrekking van bijkomende borgstellingen (tot in totaal 9 miljoen DEM). Naast zijn persoonlijke inzet brengt de overnemer, de heer Henrich, een aanzienlijke knowhow en contacten in de desbetreffende bedrijfstak mee. Daarenboven heeft hij de uitvoering van investeringen, het behoud van arbeidsplaatsen en het behoud van de vestigingsplaats Chemnitz gegarandeerd.

In voornoemde kaderregeling wordt bepaald dat het herstructureringsplan volledig moet worden uitgevoerd, zoniet dan kan de Commissie maatregelen treffen om de uitgekeerde steun terug te vorderen. Aangezien de Duitse autoriteiten de gesprekspartner van de Commissie zijn bij de controle van een steunmaatregel, heeft de Commissie nota genomen van de toezegging van de Duitse autoriteiten om op de correcte tenuitvoerlegging van de plannen toe te zien. De Commissie verzoekt om de indiening van jaarlijkse verslagen teneinde zelf de uitvoering van het herstructureringsplan te kunnen controleren.

VI

Op grond van het voorgaande komt de Commissie tot de slotsom dat de herstructureringssteun ten gunste van Drahtziehmaschinenwerk Grüna GmbH, respectievelijk Herborn & Breitenbach GmbH, Chemnitz, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd, voorzover daarbij de voorwaarden van de kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden in acht worden genomen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De herstructureringssteun die door Duitsland is verleend aan Drahtziehmaschinenwerk Grüna GmbH, thans onder de naam Herborn & Breitenbach GmbH, Chemnitz, bedrijf voerend, is overeenkomstig artikel 92, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag en artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Het gaat hierbij om:

a) toekenning van middelen voor een specifiek doel ten belope van 1,4 miljoen DEM voor de financiering van het sociaal plan;

b) afstand van schuldvorderingen in verband met compensatiebetalingen uit het jaar 1993 ten belope van 4,6 miljoen DEM, alsmede de hierover verschuldigde rente ten belope van 0,9 miljoen DEM;

c) de in 1996 verleende aandeelhouderslening van 7,8 miljoen DEM, die vervolgens in een niet-terugvorderbare subsidie werd omgezet;

d) de in een subsidie omgezette lening en de niet-terugvorderbare subsidies ten belope van in totaal 7 miljoen DEM;

e) de overname van eventuele vorderingen van de belastingdienst voor een bedrag van 0,3 miljoen DEM;

f) de borgstellingen voor een bedrag van 15 miljoen DEM, waarvan tot aan de overname door de investeerder 3,3 miljoen DEM daadwerkelijk zijn aangetoond.

Artikel 2

Overeenkomstig de kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (1994) dient Duitsland bij de Commissie jaarlijks over de uitvoering van het herstructureringsprogramma een gedetailleerd verslag in.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 13 mei 1998.

Voor de Commissie

Karel VAN MIERT

Lid van de Commissie

(1) PB C 215 van 19. 8. 1995, blz. 8.

(2) PB C 215 van 19.8.1995, blz. 8, en PB C 298 van 9.10.1996, blz. 2.

(3) PB C 298 van 9. 10. 1996, blz. 2.

(4) PB L 314 van 18. 11. 1997, blz. 20.

(5) Zie het XXIIIe verslag over het mededingingsbeleid, 1993, punten 402 en 403.

(6) Gedeelten van deze tekst zijn bewerkt om ervoor te zorgen dat zakengeheimen niet worden bekendgemaakt. Die gedeelten zijn aangeduid met vierkante haken.

(7) Zie de voetnoten 1 en 2.

(8) PB C 368 van 23. 12. 1994, blz. 12.

(9) Zie "Panorama der EG-Industrie", 1997, deel 2.