Speciaal verslag nr. 24/98 over verrichtingen met risicodragend kapitaal, gefinancierd uit de middelen van de Europese ontwikkelingsfondsen, vergezeld van de antwoorden van de Commissie (vastgesteld krachtens artikel 188 C, lid 4, tweede alinea, van het EG-Verdrag)
Publicatieblad Nr. C 389 van 14/12/1998 blz. 0044 - 0063
SPECIAAL VERSLAG Nr. 24/98 over verrichtingen met risicodragend kapitaal, gefinancierd uit de middelen van de Europese ontwikkelingsfondsen, vergezeld van de antwoorden van de Commissie (vastgesteld krachtens artikel 188 C, lid 4, tweede alinea, van het EG-Verdrag) (98/C 389/02) 1. INLEIDING Algemeen 1.1. In het kader van de Overeenkomsten van Lomé kunnen projecten of programma's worden gefinancierd met subsidies of risicodragend kapitaal uit de Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF), met leningen uit de eigen middelen van de Europese Investeringsbank (EIB of de Bank), of met een combinatie van twee of meer van deze financieringswijzen (1). Dit verslag is gewijd aan het gebruik van middelen uit risicodragend kapitaal. 1.2. Financiering met risicodragend kapitaal is een speciale methode die in het kader van zowel Lomé III als Lomé IV bestaat, en waarmee terug te betalen financiële bijstand onder gunstige voorwaarden kan worden verleend aan prioritaire sectoren in de ACS-landen (Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) en in de LGO (landen en gebieden overzee), met name waar de leencapaciteit van de begunstigden geen financiering uit de eigen middelen van de EIB toelaat (2). 1.3. Tot het EOF behorend risicodragend kapitaal (3) wordt door de EIB namens de Gemeenschap beheerd in overeenstemming met de statuten van de Bank en het financieel reglement met betrekking tot het EOF (4). 1.4. De bedragen die in het kader van Lomé III en IV voor verrichtingen met risicodragend kapitaal (VRK's) zijn geoormerkt belopen 615, respectievelijk 850 Mio ECU. Van deze totaalbedragen worden de vastgestelde bedragen (5), nettobetalingsverplichtingen en -betalingen (uitsluitend voor ACS-landen) per 31 december 1997 weergegeven in tabel 1. Van de in het kader van Lomé III en IV beschikbare middelen is 88 % vastgelegd. Aan de leningnemers is echter slechts 64 % van de middelen uitbetaald. Uitvoering van de controle 1.5. Bij de uitvoering van de controle heeft de Kamer rekening gehouden met de aanbeveling van het Europees Parlement (6), waarin het "de Commissie, de Europese Investeringsbank en de Rekenkamer verzoekt om gezamenlijk regelmatig en frequent controles ter plaatse uit te voeren voor de projecten die onder het mandaat van de EIB ten uitvoer worden gelegd". 1.6. De controle van de Kamer vormt het derde onderzoek van steunoperaties die de EIB krachtens een mandaat voor het EOF beheert (7), en is uitgevoerd op basis van de Tripartiete Overeenkomst die de EIB, de Commissie en de Rekenkamer hebben gesloten (8). De voornaamste relevante opmerkingen die met haar twee eerdere controles verband houden, luiden als volgt: a) documentatie in de dossiers van de Commissie inzake het beheer van risicodragend kapitaal door de EIB is ontoereikend en wordt onvoldoende gebruikt; b) de EIB treedt meer als commerciële bank dan als ontwikkelingsbank op. 1.7. De dossiers van de Commissie bleken nog steeds onvolledig en niet optimaal benut, hoewel de Bank uitvoerige documentatie ter beschikking van de diensten van de Commissie stelde en het archiefsysteem gedurende de controle van de Kamer werd verbeterd. Tijdens de controle werd de Bank om aanvullende informatie verzocht. 1.8. In het algemeen is de samenwerking met de Bank goed verlopen, met name tijdens controles ter plaatse. Enkele belangrijke gegevens werden echter zo laat verstrekt dat een doelmatige uitvoering van de controle door de Rekenkamer werd belemmerd. 1.9. Behalve in de vorm van aankooptabellen met slechts zeer algemene gegevens is nooit informatie over de resultaten van officiële uitnodigingen tot inschrijving ontvangen. 1.10. Het onderzoek door de Kamer van 42 VRK's, waarvan 33 projecten ter plaatse werden bezocht (9), hield onder meer een controle in van de verrichtingen van financieel intermediairs en de uiteindelijke begunstigden van de financiering met risicodragend kapitaal (cf. bijlage I). 2. RISICODRAGEND KAPITAAL ALS INSTRUMENT VOOR FINANCIËLE ONDERSTEUNING Soorten financiering met risicodragend kapitaal 2.1. Risicodragend kapitaal wordt gebruikt voor de financiering van investeringen en dient ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van rechtstreeks productieve investeringen van zowel overheid als bedrijfsleven, die tot de economische en industriële ontwikkeling van de ACS-staten bijdragen (cf. artikel 263 van Lomé IV). 2.2. Zoals bepaald in artikel 234 van Lomé IV kan risicodragend kapitaal worden verstrekt in de vorm van leningen of deelnemingen. 2.3. Binnen de categorie leningen zijn globale leningen een speciale vorm van voorwaardelijke leningen die kunnen worden vergeleken met kredietlijnen die bij financiële instellingen worden geopend. Deze instellingen, die in de ACS-landen kunnen zijn gevestigd (financiële instellingen of kleine plaatselijke risico-investeringsmaatschappijen) of de lidstaten van de Gemeenschap zullen - behoudens goedkeuring van de Bank - de middelen doorbelenen aan de uiteindelijke begunstigde, in het bijzonder KMO's, in de vorm van individuele subleningen of deelnemingen. 2.4. Leningen met recht op winstdeling vormen een specifieke financieringswijze met risicodragend kapitaal die door de Bank werd geïntroduceerd om voorwaardelijke of achtergestelde leningen meer op het concept "semikapitaal" af te stemmen (10). Deze leningen kennen doorgaans rentevergoedingen met ten eerste een vaste, en ten tweede een variabele component, welke laatste een percentage van de betaalde dividenden vormt. 2.5. Bij deelnemingen wordt risicodragend kapitaal gebruikt om namens de Gemeenschap tijdelijke minderheidsaandelen te verwerven in het kapitaal van ACS-ondernemingen of instellingen die in de ACS-staten ontwikkelingsprojecten financieren, dan wel investeringen bevorderen en financieren. Voor een onderverdeling van de financieringswijzen met risicodragend kapitaal zie bijlage II. Actieterreinen en toewijzing van middelen 2.6. De voornaamste richtlijnen voor het optreden van de Bank op het gebied van VRK's zijn te vinden in artikel 236 van Lomé IV. Dit artikel bepaalt dat de Bank bij voorrang rendabele projecten en programma's in de sectoren industrie, landbouwindustrie, toerisme, mijnbouw en energie dient te financieren, alsmede vervoer en telecommunicatie voorzover deze op die sectoren betrekking hebben. 2.7. Een totaalbedrag van 406 Mio ECU of 49 % van de in het kader van Lomé IV beschikbare middelen (270 Mio ECU of 45 % onder Lomé III) was aan de 46 minst ontwikkelde ACS-landen toegewezen in de vorm van gegarandeerde minimumbedragen in het Nationaal Indicatief Programma (NIP). Bij 14 van deze landen (Lomé IV) bleven de eind 1997 vastgestelde bedragen voor VRK's 1 Mio ECU of meer achter bij deze minimumbedragen. 2.8. Er bestaan weinig (globale) richtlijnen voor financiering van afzonderlijke projecten of programma's met risicodragend kapitaal. Artikel 233, lid 2, van Lomé IV (artikel 197, leden 2 en 3, van Lomé III) bevat criteria die in aanmerking dienen te worden genomen bij de vaststelling van de financieringsmethode(n) voor steunprojecten of -programma's: a) het ontwikkelingsniveau, de geografische ligging en de economische en financiële toestand van de ACS-staten; b) de aard van het project of programma, het economisch en financieel rendement, alsmede de sociale en culturele gevolgen daarvan; c) in geval van een lening, de factoren die aflossing van de lening garanderen. 2.9. Wat betreft het gebruik van risicodragend kapitaal (11) geeft de Bank in hoofdlijnen aan, dit als alternatief financieringsinstrument voor haar eigen middelen te beschouwen dat kan worden gebruikt in gevallen waarin financiering uit eigen middelen ongeschikt wordt geacht. De Bank kiest tussen financiering met risicodragend kapitaal en financiering uit eigen middelen op basis van: de kredietwaardigheid van een land en de algemene economische en politieke situatie in het land, het bestaan van zekerheden en garanties met betrekking tot de financiering, de structuur van de projectfinanciering en de vereiste financiële bijstand. 2.10. De in Lomé IV en door de Bank vastgestelde criteria zijn ruim, zodat elk oordeel over de geschiktheid van de financiering van een project subjectief is. In feite bevatten de onderzochte financieringsvoorstellen (12) in de motivering van de keuze om de actie geheel of gedeeltelijk met risicodragend kapitaal te financieren geen duidelijke en specifieke evaluatie van de voornoemde criteria. Door een explicietere motivering zou het besluit tot financiering met risicodragend kapitaal echter transparanter worden. 2.11. De Kamer constateerde in dit verband dat het bij een aantal met risicodragend kapitaal gefinancierde operaties nog maar de vraag is, of de risicofactoren die aan dit soort verrichtingen moeten zijn verbonden, zich inderdaad voordeden en of daarvoor een dergelijke financiering nodig was. 2.12. Het gaat om de volgende operaties: a) de modernisering van gemeenschappelijke visserijondernemingen in Mozambique en Madagaskar, waarin de betrokken regeringen minderheidsdeelnemingen hebben. De operaties met gemeenschappelijke ondernemingen zijn rendabel en leveren harde deviezen voor het aflossen van de leningen op, zodat andere financieringsbronnen hadden kunnen worden gevonden; b) de bedragen van de twee globale leningen aan een financieel intermediair in de Dominicaanse Republiek die volledig zijn gebruikt voor doorbelening aan gevestigde KMO's die in hun bedrijfsactiviteiten succesvol waren gebleken. In meerdere gevallen zou de lening ook aan de uiteindelijke begunstigde zijn verstrekt zonder dat de globale lening van de EIB beschikbaar was; c) het gebruik van risicodragend kapitaal in de vorm van globale leningen en een lening met recht op winstdeling in Nieuw-Caledonië, waar gemakkelijk andere financieringsbronnen hadden kunnen worden aangeboord. Voor het gebruik van risicodragend kapitaal dienen strengere criteria en richtlijnen te worden ontwikkeld om een meerwaarde voor ontwikkelingsdoeleinden te verkrijgen. De uitvoering van VRK's door de Europese Investeringsbank Aanbestedingsprocedures 2.13. Toen de Bank de aanbestedingsprocedures in het kader van Lomé III regelde, besloot zij dat contracten zouden worden gegund in het kader van een mededingingsprocedure waarbij het specifieke karakter van het project en het soort uitgave in aanmerking zouden worden genomen. De Bank hield zich echter niet aan het EOF-voorschrift dat aanbestedingen slechts mochten openstaan voor ondernemingen met hoofdkantoor in ACS-staten of EU-lidstaten. 2.14. De Kamer kon op basis van de documentatie die de Bank in de vorm van aankooptabellen ter beschikking heeft gesteld, niet vaststellen of de aanbestedingsprocedure was verlopen in overeenstemming met de EOF-voorschriften, onder meer die welke bepalen dat de bevoorrading vanuit EU-lidstaten of ACS-staten dient plaats te vinden, tenzij een uitzonderingsbepaling van toepassing is. In meerdere gevallen waren de leveringen echter afkomstig uit niet-ACS-staten en niet-EU-lidstaten. 2.15. Voor het Cahora Bassa-project waren er voor de werken in het noordelijke gedeelte (gefinancierd uit door de Commissie beheerde EOF-middelen) en het zuidelijke gedeelte (gefinancierd uit eigen middelen van de EIB en risicodragend kapitaal van het EOF) van de hoogspanningsleiding twee verschillende aanbestedingen en contracten, hoewel deze uiteindelijk aan één en dezelfde contractant werden gegund. De reden hiervan is dat de Commissie en de Bank het over de inschrijvingsvoorwaarden niet eens konden worden, aangezien de aankoopvoorschriften van het EOF afwijken van die van de Bank (voorschriften over de herkomst van leveringen vanuit Zuid-Afrika). De Kamer juicht het toe dat de Bank haar beleid in 1995 heeft gewijzigd en nu tenminste in het kader van Lomé IV EOF-voorschriften toepast. Leningsvoorwaarden en toezeggingen 2.16. Diverse gevallen deden zich voor waarbij toezeggingen door ACS-staten of begunstigden niet of niet volledig werden nagekomen. Met name hadden zij niet de noodzakelijke informatie ingediend, zoals voortgangsrapporten, eindrapporten over projecten, door een accountant gecontroleerde jaarverslagen of rapporten voor de FI's over de prestaties van de uiteindelijke begunstigden (13). Hoewel de Kamer voorts tijdens haar controlebezoeken gedetailleerde analyses van de economische en financiële resultaten van de uiteindelijke begunstigden had ontvangen, heeft de Bank niet bevestigd dat zij deze systematisch van de FI's ontvangt (14). Op dit specifieke punt zijn de financieringscontracten tussen de EIB en de FI's onduidelijk, aangezien de respectieve artikelen ruimte laten voor uiteenlopende interpretaties wat betreft de verplichtingen van de FI's. 2.17. In andere gevallen is er sprake van: a) een nalaten van de leningnemer (ACS-staat) om aan de uiteindelijke begunstigde vreemde valuta (ten bedrage van ongeveer 2 Mio ECU) ter beschikking te stellen in ruil voor de tegenwaarde in plaatselijke valuta, ondanks diverse aanmaningen door de Bank tijdens haar controlebezoeken ter plaatse; b) risicodragend kapitaal ten bedrage van 6 Mio ECU dat werd bestemd voor de modernisering van een vissersvloot. Hoewel het project als zodanig met succes wordt uitgevoerd, zijn er zorgen gerezen over de bescherming van de visstand van de ACS-staat. Hoewel de door de leningnemer ingediende gegevens over de totale toegestane vangst onvolledig zijn, blijkt daaruit reeds dat de vastgestelde limiet voor de totale toegestane vangst hoger lag dan het niveau dat in het financieringsvoorstel voor het project werd genoemd. Terzelfder tijd is het totale aantal afgegeven visvergunningen ook toegenomen; c) risicodragend kapitaal ten bedrage van 3,2 Mio ECU dat werd bestemd voor de modernisering van vissersboten en de uitrusting voor de verwerking van garnalen. De regering van Madagaskar bleef visvergunningen afgeven ondanks een toezegging dit niet te zullen doen en ondanks aanmaningen van de Bank. De geconstateerde afname van de hoeveelheden gevangen vis per gevist uur zou al wijzen op overbevissing. 2.18. De Bank heeft in dergelijke situaties inconsequent gereageerd: in een aantal gevallen werden aanmaningen naar de leningnemer gezonden, in andere gevallen accepteerde zij de situatie kennelijk. 3. RENTETARIEVEN EN HET GEBRUIK VAN DE RENTEMARGE BIJ DOORPLAATSING VAN LENINGEN Algemeen 3.1. De enige rechtstreekse verwijzing naar rentetarieven die op VRK's van toepassing zijn, komt voor in artikel 234, lid 1, onder c), van Lomé IV. Hierin wordt bepaald dat bij leningen de rentevoet in elk geval lager dan 3 % zal liggen. Lomé III (15) bepaalt dat de rentevoet wordt vastgesteld op grond van de kenmerken van elk project, en niet meer dan 8 % zal bedragen. 3.2. Wanneer middelen aan de begunstigden via een financiële instelling in de ACS-staat of via de betrokken regering worden doorbeleend, genieten de FI's in eerste instantie een lager tarief dan 3 %. Uiteindelijke begunstigden betalen hogere rentetarieven tenzij de Bank hun rechtstreeks leningen verstrekt of de FI leningen tegen dezelfde voorwaarden doorplaatst. 3.3. Met de marge tussen beide rentetarieven moet de FI de administratiekosten, wisselkoersrisico's, financiële risico's en de kosten van technische bijstand aan de uiteindelijke ontvanger kunnen dekken. Een eventueel restbedrag dient voor ontwikkelingsdoeleinden te worden gebruikt (16). Hoogte van de rentetarieven 3.4. Bij de onderzochte projecten, waarvoor leningen werden aangegaan via de regeringen van ACS-staten, werden in het algemeen rentetarieven vastgesteld die onder de marktprijzen lagen. 3.5. Voor leningen die door een financiële instelling aan KMO's worden doorgeplaatst, worden rentetarieven doorgaans om diverse redenen tegen marktprijzen vastgesteld: ter voorkoming van concurrentievervalsing; ter beperking van het risico van onregelmatigheden bij de selectie van begunstigden (risico van corruptie) en om de leningnemers op langere termijn zelfvoorzienend te maken. Voor de uiteindelijke begunstigde is het enige voordeel van deze financiering met risicodragend kapitaal dat het eenvoudiger toegang tot middellange- of langetermijnfinanciering biedt. 3.6. Voor leningen uit de eigen middelen van de Bank wordt een EOF-rentesubsidie betaald. Dit zou kunnen leiden tot een situatie waarin de door de uiteindelijke begunstigden te betalen nettorentevoet over leningen uit eigen middelen van de Bank lager ligt dan die voor leningen met risicodragend kapitaal. Zo bedroeg voor een investering in een hotelcomplex in Guinee de in rekening gebrachte rentevoet over de lening uit eigen middelen van de EIB 3 %, terwijl de lening met risicodragend kapitaal via een FI 8 % bedroeg. 3.7. Uit een oogpunt van ontwikkelingsbeleid druist het beleid van de Bank om rentetarieven voor KMO's tegen marktprijzen vast te stellen en voor grotere ondernemingen in de particuliere en publieke sector gunstigere rentetarieven te hanteren, in tegen de geest van de Overeenkomst van Lomé en kan dit tot scheefgroei leiden bij de toekenning aan de begunstigden van de voordelen van financiering met risicodragend kapitaal. 3.8. De volgende voorbeelden dienen ter illustratie van deze situatie: a) een maatschappij voor elektriciteitsproductie en -voorziening in de Dominicaanse Republiek heeft in het kader van een doorleenovereenkomst met de regering van de Dominicaanse Republiek een lening tegen 6 % ontvangen, waarbij het wisselkoersrisico door de begunstigde wordt gedragen. In datzelfde land moeten KMO's rentetarieven van 22 à 32 % betalen voor doorleningen via een FI, waarbij de wisselkoersrisico's echter voor rekening van de intermediair komen; b) in Mozambique had een plaatselijke dochteronderneming van een Europees visserijbedrijf via een doorleenovereenkomst tegen een rentevoet van 4 % een lening van de regering ontvangen. Het wisselkoersrisico dat het moest dragen was beperkt, aangezien zijn activiteiten harde valuta opleverden. Pas opgerichte KMO's betaalden rentetarieven van 40 à 46 % over doorleenovereenkomsten met FI's, aangezien laatstgenoemde het wisselkoersrisico en de inflatierisico's moesten dekken. 3.9. In een aantal leningsovereenkomsten (gesloten krachtens de bepalingen van Lomé IV) biedt de totale vergoeding aan de EIB ruimte voor rente (vergoeding) over de lening boven de 3 %, met name indien het gaat om leningen met recht op winstdeling (zie paragraaf 2.4) (17). De Overeenkomst van Lomé voorziet niet in dergelijke bijkomende opbrengsten. Vergoeding van financiële toewijzingen uit globale leningen 3.10. In verscheidene gevallen was de Kamer niet in staat na te gaan of de door de FI's toegepaste tarieven in overeenstemming waren met de voorwaarden, neergelegd in de leningsovereenkomst tussen de intermediair en de Bank, hetzij omdat er geen "referentie"-tarieven bestonden (bijvoorbeeld in Haïti), hetzij omdat de door de FI's gehanteerde definitie van de tarieven een vergelijking met "referentie"-tarieven onmogelijk maakte. De volgende gevallen illustreren welke problemen zich in verband met de vergoeding voordeden: a) in de Dominicaanse Republiek waren de rentetarieven voor enkele subleningen, waarvan de rentetarieven in januari 1997 tussen 20 en 26 % schommelden, hoger dan het door de Centrale Bank bekendgemaakte "preferentieel tarief" van circa 20 %, dat sinds oktober 1996 van toepassing was. Dit tarief dient voor de FI als referentietarief bij het vaststellen van de rentevoet voor zijn leningen. Volgens de Bank waren de door de FI gehanteerde tarieven tot oktober 1996 in overeenstemming geweest met het "preferentieel tarief". Thans verricht de Bank een onderzoek naar de afwijking; b) ten aanzien van een andere globale lening aan een FI in Madagascar bepaalde het financieringscontract dat voor subleningen een globale effectieve rentevoet inclusief kosten, provisies en andere vergoedingen diende te gelden die een afspiegeling vormt van de in dat land gehanteerde tarieven voor soortgelijke verrichtingen met eenzelfde looptijd en bedrag, en waarmee de Bank heeft ingestemd. In dit geval kan vrijwel onmogelijk worden achterhaald of de tarieven in overeenstemming met de richtlijnen van de Bank zijn vastgesteld. 3.11. In dergelijke gevallen had de Bank zich ervan moeten vergewissen of de in het financieringscontract vermelde "referentie"-tarieven in de betrokken landen inderdaad bestaan en een adequate controle van de door de FI's gehanteerde rentetarieven mogelijk moeten maken. Ter dekking van het wisselkoersrisico gehanteerde mechanismen 3.12. Bij doorlening van de oorspronkelijke lening in een andere valuta spreiden de financieringscontracten de wisselkoersrisico's over de uiteindelijke begunstigden en de oorspronkelijke leningnemer. 3.13. In het kader van Lomé III berustte het risico geheel bij de leningnemer, die de lening in ECU of een andere Europese valuta moest aflossen. In geval van doorlening wordt het risico (gedeeltelijk) overgeheveld naar de leningnemer die het contract betreffende de sublening heeft gesloten, en wel door middel van een hogere rentevoet. 3.14. Lomé IV (artikel 234, lid 2) heeft een verandering teweeggebracht door het volgende te bepalen: a) bij financiering met risicodragend kapitaal ter versterking van de eigen middelen van de ondernemingen wordt het risico in de regel door de Gemeenschap gedragen; b) bij financiering met risicodragend kapitaal van investeringen van particuliere vennootschappen en KMO's dient het risico door de Gemeenschap en andere betrokken partijen te worden gedeeld. 3.15. Artikel 234, lid 2, onder b), bepaalt ook dat het wisselkoersrisico gemiddeld gelijkelijk wordt verdeeld. Dit artikel dient te worden verduidelijkt wat betreft de vraag hoe het moet worden toegepast en door wie, wanneer, hoe hiervoor berekeningen moeten worden gemaakt, alsmede welk gebruik van de resultaten moet worden gemaakt. 3.16. Bovendien bepaalt de Overeenkomst niet welke regelingen er voor het wisselkoersrisico moeten worden getroffen in geval van doorlening van middelen aan de niet-particuliere sector of aan andere dan KMO's. 3.17. Het probleem van het wisselkoersrisico, dat een belangrijke factor vormt bij de vaststelling van de hoogte van de rentevoet voor de doorlening, wordt door de Bank om voor de Kamer onduidelijke redenen op verschillende manieren aangepakt: a) bij het ene van twee soortgelijke projecten bestaan er geen bepalingen met betrekking tot de deling van het wisselkoersrisico door de begunstigde en de Gemeenschap, terwijl de Gemeenschap voor het andere project maximaal 25 % van het wisselkoersrisico zou dragen; b) in een ander geval bepaalt het met de leningnemer gesloten financieringscontract dat deze de wisselkoersrisico's volledig draagt, hetgeen in strijd is met de desbetreffende bepaling van Lomé IV; c) in Mozambique, Madagaskar en Nieuw-Caledonië hadden de FI's ten tijde van het controlebezoek van de Kamer niet de zogenaamde fondsen voor wisselkoersrisico's gevormd, zoals voorgeschreven in de financieringscontracten. Bovendien geven de financieringscontracten niet aan welke bestemming een eventueel saldo van het wisselkoersrisicofonds na aflossing van de lening moet krijgen. Gebruik van de rentemarge voor administratiekosten en ontwikkelingsdoeleinden 3.18. In een aantal gevallen was een administratieve regeling om te bepalen welk deel van de marge (inclusief eventuele opbrengsten uit deelnemingen) voor administratieve kosten en ontwikkelingsdoeleinden diende te worden gebruikt, niet voorhanden, strijdig met de bepalingen van Lomé IV, onvolledig of onnauwkeurig. De Bank dient maatregelen te treffen ter waarborging van de naleving van de bepalingen van Lomé IV (18) inzake het gebruik van de marge, in die zin dat alle nettowinst voor de intermediairs voor concrete ontwikkelingsdoeleinden moet worden aangewend. 4. MET RISICODRAGEND KAPITAAL GEFINANCIERDE PROJECTEN Reikwijdte 4.1. Hoewel de investeringen die deel uitmaken van de VRK's door de Bank naar behoren zijn voorbereid, toegepast en gecontroleerd, worden hierna opmerkingen gemaakt over de levensvatbaarheid van de projecten op lange termijn, de toewijzingsprocedures en de aflossingsperiode en het percentage in het geval van globale leningen, en over vertragingen bij de tenuitvoerlegging. Factoren in verband met "levensvatbaarheid van het project op lange termijn" 4.2. In de volgende gevallen is de "levensvatbaarheid van het project op lange termijn" in gevaar, zelfs al was er sprake van een goede voorbereiding en uitvoering van de investeringen. Ook al hebben de Bank en de Commissie formeel gesproken weinig mogelijkheden tot ingrijpen nadat de investeringen zijn gedaan, zij moeten toch trachten te garanderen dat er op nationaal niveau doeltreffend toezicht op projecten wordt uitgeoefend, om onder meer de volgende problemen te voorkomen: a) 13 Mio ECU aan risicodragend kapitaal werd toegewezen aan een investeringsplan van 42 Mio ECU voor het herstel van de productiecapaciteit en de verbetering van de productiviteit en bedrijfszekerheid van een aluminiumfabriek. Andere investeringen in installaties en machines die nodig zijn om de levensvatbaarheid van de operaties te waarborgen, zijn ingetrokken of uitgesteld door de onderneming, die de aldus vrijgekomen middelen heeft gebruikt ter compensatie van verliezen die de aandeelhouders aanvankelijk hadden toegezegd te zullen dragen, zoals vastgelegd in een memorandum van overeenstemming tussen beide hoofdaandeelhouders; b) 20 Mio ECU aan risicodragend kapitaal werd toegewezen aan een project waarmee 152 Mio ECU (inmiddels teruggebracht tot 120 Mio ECU) was gemoeid voor de sanering van een hoogspanningsleiding tussen de waterkrachtcentrale in Mozambique en het elektriciteitsnet van Zuid-Afrika (RZA). Aangezien het tarief voor elektriciteitsvoorziening van de RZA (overeengekomen in 1975 en vastgelegd in een overeenkomst die niet gewijzigd kan worden) aanzienlijk lager ligt dan de huidige tarieven, zal het bijzonder moeilijk worden om naast de tot dusverre geleden verliezen de kosten volledig te dekken; c) 6 Mio ECU aan risicodragend kapitaal werd toegewezen aan de aanleg van twee installaties (elk ter waarde van 3 Mio ECU) voor de verwerking van cashewnoten. In het kader van het eerste project, waartoe in 1992 werd besloten, werden de activiteiten met de campagne van 1995-1996 gestart. Het tweede, waarvoor het besluit in 1995 viel, werd door de financier opgeschort vanwege de onduidelijke en zorgelijke toestand van de markt voor cashewnoten. Beide projecten hebben te lijden van een onduidelijk, grillig overheidsbeleid in de cashewnootsector; d) 14 Mio ECU aan risicodragend kapitaal werd toegewezen aan de financiering van een agro-industrieel project dat onder meer de aanleg inhield van nieuwe terreinen en installaties voor de verwerking van rubber en palmolie met gebruikmaking van de productie van zowel familieplantages als industriële plantages (Soguipah). Er werd echter onvoldoende aandacht besteed aan factoren als toegang tot markten, marketing van het product en de afstemming van de palmolie op de plaatselijke smaak. De duurzaamheid van de operaties, die 1 686 arbeidsplaatsen opleveren en de regionale bevolking mogelijkheden tot werk en inkomen bieden, is onzeker nu de verliezen gedurende de periode 1992-1995 tot meer dan 50 % van het aandelenkapitaal zijn opgelopen, de toegang tot markten wordt beperkt en de onderneming sterk afhankelijk is van subsidies en financiering met leningen; e) in Madagascar en de Dominicaanse Republiek is de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen in vijf van de elf door de Kamer bezochte KMO's die EOF-middelen uit risicodragend kapitaal ten bedrage van 783 000 ECU hebben ontvangen, achtergebleven bij de verwachte aantallen die in de verslagen met betrekking tot de toekenning van leningen staan vermeld. Bij één van deze ondernemingen was de hoofdaandeelhouder zijn toezegging om in de pas opgerichte KMO te investeren niet nagekomen, hetgeen vervolgens een negatief effect op de handelsactiviteiten van dat bedrijf in 1994 en 1995 bleek te hebben. Toewijzingsprocedures met betrekking tot globale leningen 4.3. Globale leningen voor doorlening aan KMO's worden zowel voor het starten van nieuwe activiteiten als het uitbreiden van bestaande activiteiten gebruikt. Voor de onderzochte gevallen werd veruit het grootste deel van de financiering uit globale leningen door FI's gebruikt voor het financieren van de uitbreiding van operaties van bestaande cliënten (19). Sommigen van hen zouden waarschijnlijk een lening uit de eigen middelen van de intermediairs hebben ontvangen. Nadere bijzonderheden over de toewijzing van leningen zijn opgenomen in tabel 2. 4.4. In Nieuw-Caledonië waren globale leningen ook gebruikt voor de herfinanciering van operaties die reeds met door de FI uit "eigen middelen" toegekende leningen waren gefinancierd, of voor operaties die voordien door de KMO uit de eigen middelen waren gefinancierd. In zulke gevallen is de toegevoegde waarde uit het oogpunt van ontwikkelingshulp niet duidelijk. Aflossingstermijn en -percentage 4.5. Aflossingstermijnen voor globale leningen worden vastgelegd in het financieringscontract tussen de Bank en de FI en bestrijken doorgaans een periode van drie jaar met de mogelijkheid van verlenging, waarover de Bank beslist. Nadere gegevens over de aflossingstermijnen zijn te vinden in tabel 3. 4.6. Het lage aflossingspercentage in Mozambique hield deels verband met het bestaan van concurrerende leningen met minder beperkende voorwaarden, alsmede met het hoge inflatiepercentage en daarmee gepaard gaande hoge rentetarieven voor doorlening (40-46 %). In Madagaskar vormde de algehele economische toestand (devaluatie van de Malagassische frank in 1994) een belemmering voor de oprichting of uitbreiding van KMO's. 4.7. In Madagaskar en Mozambique hebben de FI's de opbrengsten van EIB-leningen niet onmiddellijk ter beschikking van de begunstigden gesteld. In één geval hield de FI zonder enige verklaring 100 000 ECU op de aan de uiteindelijke begunstigde toegewezen EIB-middelen in. Vertraging bij de uitvoering van projecten en acties 4.8. In haar jaarverslag over het begrotingsjaar 1996, Volumen II, Betrouwbaarheidsverklaringen (20), maakte de Kamer melding van het bestaan van VRK's waarvoor gedurende ten minste 18 maanden geen aflossingen waren gedaan. 4.9. De Kamer heeft geconstateerd dat de uitvoering van een aantal projecten om verscheidene redenen ernstige vertraging heeft ondervonden, waardoor een situatie is ontstaan waarin middelen uit risicodragend kapitaal zijn vastgelegd zonder dat de middelen daadwerkelijk worden gebruikt: a) in december 1994 werd een financieringscontract voor de sanering van een pijpleiding voor ruwe olie gesloten. Het voorlopige tijdschema voor de betalingen bepaalde dat gedurende de periode 1995-1997 9 Mio ECU zou worden betaald. Eind 1997 was slechts 0,4 Mio ECU uitbetaald, doch in het door de Bank samengestelde jaarverslag inzake de uitvoering van de operatie per 31 december 1995 kwam geen specifieke opmerking met betrekking tot de vertraging voor; b) van een lening aan de regering van Ethiopië van 14 Mio ECU voor een regionaal telecommunicatieproject werd pas eind 1997 een bedrag van 0,6 Mio ECU uitbetaald, hoewel volgens een evaluatie het project naar verwachting in december 1996 zou zijn afgerond. Betaling van het restant van de lening is geblokkeerd wegens ernstige problemen met de aanbesteding betreffende nieuwe telefoonlijnen, welke de Bank aan het licht gebracht (21), doch nog niet opgelost heeft; c) in de Dominicaanse Republiek heeft de Bank de regering in december 1994 een voorwaardelijke lening van 15 Mio ECU verstrekt voor onderzoek, opzet, tenuitvoerlegging, commerciële afwikkeling en uitvoering van investeringen, als onderdeel van een meeromvattend project met een kostenraming van 47 Mio ECU, voor het hoogspanningsnet van de hoofdstad en het zuidelijk en oostelijk deel van het land. Het project, waartoe naar verwachting eind 1996 opdracht zou worden gegeven, was eind 1997 nog steeds niet gestart. 4.10. De Commissie zou derhalve in overleg met de Bank een beleidslijn moeten formuleren inzake de vrijmaking van "sluimerende" restbedragen van VRK's. Beheer van globale leningen door Financiële Intermediairs van de Europese Gemeenschap (FIEG's) 4.11. In totaal is een bedrag van 15 Mio ECU in de vorm van voorwaardelijke leningen ter beschikking van FIEG's gesteld (zie ook paragraaf 2.3). De benuttingsgraad van deze faciliteit van 15 Mio ECU was betrekkelijk laag: in augustus 1997, viereneenhalf jaar na de sluiting van de financieringscontracten en 19 maanden na het verstrijken van de oorspronkelijke toewijzingsperiode, was 100 % van het totaalbedrag van de lening toegewezen, doch slechts 42 % uitbetaald. In zeven van de twaalf EU-lidstaten (B, D, EL, IRL, I, L, P) was tot dan toe geen gebruik van de faciliteit gemaakt. 4.12. De door de Kamer bezochte FIEG's voeren de volgende redenen aan voor de lage benuttingsgraad: de tijd die is verstreken voordat de faciliteit bekendheid kreeg, de beperkingen die aan de bedragen van afzonderlijke toewijzingen worden gesteld, en een gebrek aan geschikte projecten. De uitbetaling ondervindt bovendien vertraging door de tijdrovende inrichting van juridische en administratieve structuren waarbinnen investeringen dienen te worden gedaan. 4.13. Erkend moet worden, dat het van belang is dat middelen uit risicodragend kapitaal op grote schaal en op verschillende niveaus ter beschikking worden gesteld, maar geconstateerd werd dat bij enkele deelnemingen de doelmatigheid en de doorzichtigheid van de financieringsregeling twijfelachtig zijn: a) bij investeringen in Venture Capital Funds (VCF's) bleken middelen vier niveaus te moeten passeren alvorens bij de uiteindelijke begunstigde (de KMO) terecht te komen, hetgeen kostbaar (provisies en vergoedingen) en tijdrovend is; b) voor een investering in Guinee Conakry werden twee verschillende vormen van financiering met risicodragend kapitaal gehanteerd via twee intermediairs, in combinatie met de rechtstreekse financiering door de Bank uit haar eigen middelen tegen diverse voorwaarden. 5. ROL VAN DE COMMISSIE 5.1. Zoals gezegd (zie paragraaf 1.3), voert de Bank namens de Gemeenschap het beheer over risicodragend kapitaal uit de middelen van het Fonds en draagt zij tevens zorg voor de financiële afwikkeling van VRK's. 5.2. Artikel 11 van het IA bepaalt: "De Commissie ziet toe op de toepassing van het door de Raad vastgestelde steunbeleid en op de toepassing van de beleidslijnen voor de samenwerking inzake de ontwikkelingsfinanciering die door de ACS-EEG-Raad van Ministers krachtens artikel 325 van de Overeenkomst zijn vastgesteld." Met het oog hierop en ter waarborging van een zekere coördinatie tussen de Commissie en de Bank wordt in het IA gewag gemaakt van de uitwisseling van informatie tussen de Bank en de Commissie (22) (zie paragraaf 1.7). 5.3. Met het oog op de vervulling van deze in artikel 11 vastgelegde rol zou het voor de Commissie derhalve van het grootste belang zijn de door de EIB gevolgde beoordelingsprocedure op de voet te volgen. De Kamer heeft in de archieven van de Commissie en in de notulen van het in artikel 28 vermeld comité met betrekking tot de operaties die tijdens de controle zijn onderzocht echter slechts weinig schriftelijk bewijs van actieve deelname gevonden. De kwaliteit en reikwijdte van de reacties van de centrale diensten van de Commissie op de voorstellen van de Bank, alsmede de informatie-uitwisseling met delegaties is hoofdzakelijk afhankelijk van het initiatief van de betrokken functionarissen van de Commissie. 5.4. De formulering van richtlijnen voor de te volgen procedures en voor de voornaamste elementen die in aanmerking dienen te worden genomen bij een reactie op de voorstellen van de Bank, zou dergelijke reacties doorzichtiger en waardevoller maken. 5.5. Artikel 33, lid 6, van het IA bepaalt: "De Commissie komt met de Bank overeen welke gegevens haar door de Bank geregeld dienen te worden verstrekt teneinde te kunnen beoordelen op welke wijze de Bank haar opdracht uitvoert en een nauwe coördinatie tussen de Commissie en de Bank te bevorderen." 5.6. Met het oog op de beoordeling zou een aantal in het Intern Akkoord vereiste verslagen in beginsel zeer nuttig kunnen zijn, zoals: a) een verslag inzake de evaluatie van de projecten dat de Commissie en de Bank de Raad periodiek dienen te verstrekken, met name in verband met de nagestreefde ontwikkelingsdoelstellingen (23). Deze verslagen zijn echter niet overgelegd; b) een jaarlijks uit te brengen verslag inzake de tenuitvoerlegging van verrichtingen, gefinancierd uit de door de Bank beheerde middelen van het Fonds (24). Deze verslagen zijn echter voornamelijk gebaseerd op de vastlegging van middelen op grond van genomen financieringsbesluiten en van economische gegevens die in de beoordelingsfase van de verrichtingen naar voren worden gebracht. 5.7. Voor geen van de door de Kamer gecontroleerde verrichtingen heeft de Bank met risicodragend kapitaal gefinancierde projecten achteraf geëvalueerd. Bijgevolg wordt geen informatie inzake de evaluatie verstrekt. 5.8. De Commissie heeft evenmin controles of evaluatiebezoeken of -activiteiten met betrekking tot VRK's verricht. Gezien het vorenstaande is het derhalve onduidelijk hoe en in hoeverre de Commissie haar verplichtingen op grond van de artikelen van het Intern Akkoord is nagekomen. 6. CONCLUSIE 6.1. De wijze waarop de Bank VRK's heeft voorbereid, uitgevoerd en gecontroleerd geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Wel zijn de doorzichtigheid en doeltreffendheid van de verrichtingen nog steeds voor verbetering vatbaar. 6.2. Belangrijke informatie werd door de Bank laat verstrekt, waardoor een doelmatige uitvoering van de controle door de Kamer werd belemmerd (zie de paragrafen 1.8-1.9). 6.3. De criteria op grond waarvan middelen uit risicodragend kapitaal moeten worden toegewezen, zijn zeer algemeen. Bij het verstrekken van leningen heeft de Bank derhalve min of meer de vrije keuze uit risicodragend kapitaal en eigen middelen. De verantwoording van het besluit tot gebruikmaking van risicodragend kapitaal voor een project blijkt niet duidelijk uit de documentatie inzake de projectbeoordeling (zie de paragrafen 2.10-2.12) (25). 6.4. Het gebruik van verschillende soorten financiering (directe leningen, leningen via een ACS-staat, globale leningen) heeft geleid tot ongelijke behandeling van uiteindelijke begunstigden: terwijl sommigen de in de Overeenkomst van Lomé vermelde maximale rentevoet van 3 % genieten, moeten anderen markttarieven betalen. De effecten van de wisselkoersschommelingen zijn wel niet de enige bepalende factor, maar spelen een belangrijke rol in de vaststelling van de rentetarieven boven de 3 %. Deze effecten, en daarmee de rechtvaardiging van hogere rentetarieven, kunnen pas na volledige aflossing van de leningen worden berekend. Bovendien zou bij leningen met recht op winstdeling de totale vergoeding aan de EIB - die ten minste deels afhankelijk is van het resultaat van de begunstigde ondernemingen - de 3 %-limiet zeer wel kunnen overschrijden (zie de paragrafen 3.4-3.9). 6.5. Het door Lomé IV geïntroduceerde beginsel van gemiddeld gelijke verdeling van het wisselkoersrisico is beperkt tot investeringen in de particuliere sector of in KMO's, en dient bovendien te worden toegelicht. De Bank heeft verschillende formules gebruikt om dit beginsel te hanteren, hetgeen soms in vrij logge administratieve regelingen resulteerde (zie de paragrafen 3.12-3.17). 6.6. De bepalingen inzake het gebruik van de rentemarge door de financieel intermediair zijn vaak onduidelijk. De Bank dient erop toe te zien dat financieringscontracten nauwkeurig bepalen hoe het bedrag van de rentemarge dient te worden gebruikt en dat dat gebruik overeenstemt met het bepaalde in Lomé IV (zie paragraaf 3.18). 6.7. Steun aan de particuliere sector in de vorm van globale leningen is voornamelijk verleend aan bestaande - in plaats van pas opgerichte - KMO's, die bovendien vaak financiering uit andere middelen van de FI's ontvingen (zie de paragrafen 4.3 en 4.4) (26). 6.8. In een aantal gevallen wordt de doeltreffendheid van de VRK's voor ontwikkelingsdoeleinden belemmerd doordat de uitbetaling van bedragen wordt vertraagd of doordat de levensvatbaarheid op lange termijn van de gefinancierde verrichtingen in gevaar is (zie de paragrafen 4.2 en 4.8-4.10). 6.9. Evaluatie achteraf is noodzakelijk om informatie te verschaffen over de levensvatbaarheid van verrichtingen die met risicodragend kapitaal zijn gefinancierd en over de werkelijke bijdrage ervan tot de economische en sociale ontwikkeling van de ACS-staten. De Bank en de Commissie dienen een dergelijk evaluatiesysteem gezamenlijk te ontwikkelen (zie paragraaf 5.6). 6.10. Bovendien had de Commissie een actievere rol moeten spelen in de beoordelingsfase en bij de evaluatie van de globale effecten van VRK's op de ontwikkeling van de ACS-staat. Er dienen richtlijnen te worden uitgewerkt inzake de verantwoordelijkheden van de betrokken diensten en de door hen te volgen procedures (zie paragraaf 5.8). 6.11. Voornoemde aanbevelingen worden gedaan met het oog op de verbetering van de bestaande systemen voor het beheer van VRK's. Alternatieve systemen dienen echter in overweging te worden genomen. In feite lijkt de rol van de Commissie in het beheer van de VRK's in de praktijk beperkt te zijn tot uitwisseling van informatie met de Bank. De Commissie geeft niet concreet vorm aan haar betrokkenheid bij een aantal taken (beoordeling, boekhouding, toezicht en evaluatie), die in feite niet duidelijk zijn omschreven. Derhalve stelt de Kamer als alternatief voor dat de mogelijkheid in overweging wordt genomen, het volledige beheer van VRK's buiten de Europese Ontwikkelingsfondsen om aan de Bank toe te vertrouwen. In dit verband wordt opgemerkt dat terugbetalingen van risicodragend kapitaal en de daaruit ontvangen opbrengsten reeds buiten het EOF blijven. Dit verslag werd door de Rekenkamer te Luxemburg vastgesteld te harer zitting van 14 en 15 oktober 1998. Voor de Rekenkamer Bernhard FRIEDMANN President >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> (1) Artikel 233 van de Overeenkomst van Lomé IV (PB L 229 van 17.8.1991). (2) Wanneer in dit verslag de term ACS-staat wordt gebruikt, wordt hiermee ACS-staat en LGO bedoeld, en wanneer het noodzakelijk is te verwijzen naar het juridisch kader voor verrichtingen met risicodragend kapitaal, gebeurt dit uitsluitend in verband met Lomé IV. De relevante bepalingen in het kader van Lomé III worden slechts vermeld voorzover deze afwijken van het bepaalde in Lomé IV. (3) Zie artikel 10, lid 2, van het Intern Akkoord (IA) betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van de vierde ACS-EEG-Overeenkomst (PB L 229 van 17.8.1991). (4) Zie artikel 15, lid 1, van het IA. (5) Inclusief bedragen waartoe is besloten doch waarvoor de aanvankelijke vastlegging is geannuleerd. (6) Zie de resolutie met opmerkingen als onderdeel van de besluiten waarbij de Commissie kwijting wordt verleend voor het financieel beheer van het vijfde, zesde en zevende Europees Ontwikkelingsfonds in het begrotingsjaar 1993 - PE 189.073/58. (7) Zie het speciaal verslag van mei 1984 en het jaarverslag over het begrotingsjaar 1991, paragrafen 17.42-17.61 (PB C 330 van 15.12.1992). (8) De Kamer heeft onlangs in haar speciaal verslag nr. 1/98 ook opmerkingen uitgebracht inzake verrichtingen met door de EIB beheerd risicodragend kapitaal uit begrotingsmiddelen met betrekking tot de bilaterale financiële en technische samenwerking met de mediterrane landen (PB C 98 van 31.3.1998). (9) Dominicaanse Republiek, Guinee, Haïti, Madagascar, Mauritanië, Mozambique en Nieuw-Caledonië. (10) Lening met kenmerken van aandelen. (11) Bron: antwoord van de EIB op een algemene vragenlijst van de Kamer, 5 augustus 1996, PA/ACP-111/JRL. (12) Financieringsvoorstel voor de activiteit, besproken in het comité genoemd in artikel 28 van het IA voor Lomé IV (PB L 229 van 17.8.1991) of in artikel 22 van het IA voor Lomé III (PB L 86 van 31.3.1986). (13) Zie ook paragraaf 1.31 van speciaal verslag nr. 1/98. (14) Zie ook speciaal verslag nr. 1/98 over de bilaterale financiële en technische samenwerking met de mediterrane derde landen, paragraaf 1.31. (15) Artikelen 196, lid 3, onder b), en 199, lid 4. (16) Zie artikel 233, lid 4, onder b), van Lomé IV. (17) Zie ook het jaarverslag over het begrotingsjaar 1996, volumen II Betrouwbaarheidsverklaringen, paragraaf 22.24.a) (PB C 348 van 18.11.1997). (18) Zie ook artikel 233, lid 4, onder b), van Lomé IV. (19) Zie ook speciaal verslag nr. 1/98, paragraaf 1.30. (20) PB C 348 van 18.11.1997, paragraaf 22.12. (21) Zie het periodiek voortgangsverslag van de EIB van 22.10.1996. (22) Zie bijvoorbeeld artikel 12, leden 1 en 2, artikel 17, lid 4, en artikel 30, lid 4, van het IA. (23) Zie artikel 30, lid 6, van het IA. (24) Zie artikel 33, lid 5, van het IA. (25) Zie ook de paragrafen 1.22 en 1.24 van speciaal verslag nr. 1/98. (26) Zie ook de paragrafen 1.25-1.30 van speciaal verslag nr. 1/98. BIJLAGE I >RUIMTE VOOR DE TABEL> BIJLAGE II >RUIMTE VOOR DE TABEL> ANTWOORDEN VAN DE COMMISSIE 1. INLEIDING Uitvoering van de controle 1.7. De Commissie heeft een grondige reorganisatie van haar dossiers betreffende de door de Bank ter beschikking gestelde documentatie ondernomen. Vanaf 1993 houdt de Commissie alle documentatie bij over de belangrijkste stadia van de risicokapitaaloperaties: financieringsvoorstel, advies van het comité van artikel 28, financieringsbesluit, financiële uitvoering van betalingen en terugbetalingen. Sedert 1997 zijn deze dossiers dadelijk beschikbaar en worden zij regelmatig gebruikt. 1.8. De EIB en haar controlecomité hebben steeds getracht de Rekenkamer de nodige bijstand te verlenen door de gevraagde aanvullende informatie te verstrekken, de logistieke aspecten van het bezoek voor te bereiden, de Kamer te helpen bij de selectie van interessante voorbeelden voor het bezoek, vóór het bezoek een algemene briefing te houden over het gebruik van risicokapitaal volgens de verschillende mandaten, projectspecifieke vergaderingen te organiseren met de leningsfunctionarissen en/of de verantwoordelijke afdelingshoofden over de bij het bezoek onderzochte projecten en begeleiding tijdens de gezamenlijke bezoeken door EIB-personeel dat met de projecten vertrouwd is, en door informatie en documentatie te verstrekken om te kunnen antwoorden op vragen na de controleopdrachten. Hoe dan ook, de EIB heeft steeds gehandeld in overeenstemming met het driepartijenakkoord. Op verzoek van de Kamer wordt thans opnieuw onderhandeld over dit akkoord. 1.9. De EIB heeft de Kamer de standaardaankooptabellen gezonden voor de projecten waarvoor een officiële aanbestedingsprocedure moest worden gevolgd. De EIB staat ter beschikking van de Kamer mocht zij nadere gegevens nodig hebben. 2. RISICODRAGEND KAPITAAL ALS INSTRUMENT VOOR FINANCIËLE ONDERSTEUNING Actieterreinen en toewijzing van middelen 2.8-2.10. Het interne akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, verenigd in de Raad, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap stelt bij de Bank een "comité van artikel 28" in. Dit comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en een vertegenwoordiger van de Commissie neemt eraan deel. De doorzichtigheid is dus verzekerd, met name jegens de lidstaten. Op vrijwel al zijn vergaderingen ontvangt het "comité van artikel 28" financieringsvoorstellen op grond van de Overeenkomst van Lomé, zodat nadere toelichtingen in het verslag over de achtergrond van de redenen voor het gebruik van risicokapitaal niet nodig zijn. De meeste verslagen bevatten een korte motivering (bv. niet-kredietwaardigheid van het land) en meestal zijn de redenen zeer duidelijk. Het vraagstuk van het gebruik van risicokapitaal als alternatief voor de eigen middelen van de Bank komt slechts zelden ter sprake, en als er bijzondere aspecten aan verbonden zijn worden zij op de vergaderingen besproken tot tevredenheid van de deelnemers, voorzover wij weten. 2.12.a) Dat de visserijprojecten in Mozambique en Madagaskar winstgevend zijn en harde deviezen opleveren, is een positieve zaak en wettigt deze operaties. Twee opmerkingen: i) Als een project winstgevend is, mag niet meteen worden geconcludeerd dat steeds andere financieringsbronnen kunnen worden gevonden. In Mozambique en Madagaskar was het enkele jaren geleden (en is het nog steeds) zeer moeilijk bronnen van langetermijnfinanciering voor particuliere projecten te vinden wegens de risico's en onzekerheden die verbonden zijn aan het zakendoen in deze landen. ii) De EIB tracht op grond van haar Lomé-mandaat de particuliere investeerders aan te moedigen winstgevende projecten - zoals deze twee gevallen - te financieren en te beheren door een deel van de financiële middelen te verstrekken. Er moge aan worden herinnerd dat financiering met risicokapitaal moet worden terugbetaald, zodat dus moet worden getracht projecten uit te kiezen die succesvol zullen zijn. 2.12.b) en c) De verklaring houdt niet voldoende rekening met de zeer bijzondere opdracht van de financiële tussenpersonen in de Dominicaanse Republiek en Nieuw-Caledonië. De financiële tussenpersonen dragen ertoe bij "bankgebruiken" bij de KMO-cliënten in te voeren en te ontwikkelen en bieden financiering aan tegen de gunstigste markttarieven via een netwerk van gekwalificeerde buitendiensten. Alternatieve financieringsbronnen voor dergelijke bedrijven zouden geldhandelaren zijn die leningen op zeer korte termijn (op een week of maand) aanbieden tegen veel hogere rentevoeten. De uitvoering van VRK's door de Europese Investeringsbank Aanbestedingsprocedures 2.13-2.15. Tot onlangs heeft de EIB haar normale aanbestedingsprocedures (welke openstaan voor ten minste de leveranciers uit de EU en de ACS-staten) toegepast op de projecten die met risicokapitaal worden gefinancierd, alsook op projecten die uit de eigen middelen van de Bank worden gefinancierd, teneinde het economisch meest gunstige aanbod voor het project vast te stellen. Het Cahora Bassa-project in Mozambique was een voorbeeld van dit beleid. Na overleg met de Commissie past de EIB de meer restrictieve aanbestedingsprocedures van het EOF toe voor de financiering met risicokapitaal. Leningsvoorwaarden en toezeggingen 2.16. Het is waar dat de regeringen en leningnemers van de ACS-staten de verplichting om de Bank tijdig informatie te verstrekken vaak niet naleven. De EIB volgt de situatie en herinnert de leningnemers voortdurend aan hun verplichtingen, maar ongetwijfeld niet steeds met succes. 2.17.b), c) en d) Zie 2.16 boven. Opgemerkt moet worden dat de visvergunningen en de quota in veel landen in de wereld, waaronder de EU, een zeer moeilijke aangelegenheid vormen. Waar de administratieve mogelijkheden van de overheid gering zijn, zoals in Mozambique en Madagaskar, kunnen zich zeker moeilijkheden voordoen, zelfs ondanks een nauwgezet toezicht door de EIB. 2.18. Zie 2.16 boven. 3. RENTETARIEVEN EN HET GEBRUIK VAN DE RENTEMARGE BIJ PLAATSING VAN LENINGEN Hoogte van de rentetarieven 3.4-3.8. De EIB heeft zeker niet opzettelijk enig beleid ontwikkeld dat tegen de geest van de Overeenkomst in zou gaan. Bij de bepaling van de rente voor de financiering van projecten moet de EIB, enerzijds, de voorwaarden van de Overeenkomst van Lomé naleven - die voorzien in gesubsidieerde tarieven - en, anderzijds, er rekening mee houden dat de uiteindelijke leningnemers, met name in de particuliere sector, tarieven moeten betalen die dichter bij de markttarieven liggen, waar die kunnen worden vastgesteld. Dit kan tot afwijkingen leiden, maar: i) het is zeer normaal dat op een lening aan een degelijke leningnemer met een degelijke garantiegever een lagere rente wordt toegepast dan op een minder goed verzekerde lening (zodat op een lening uit de eigen middelen een lagere rente zal worden toegepast dan op een meer riskante lening uit risicokapitaal); en ii) een lening in een plaatselijke ACS-valuta zal normaal een veel hogere nominale rentevoet dragen dan een lening in ECU wegens de verwachtingen inzake inflatie. Met betrekking tot het hotelcomplex in Guinee (punt 3.6) moet de vergelijking tussen de rente op de lening uit de eigen middelen en de risicokapitaaloperatie worden genuanceerd: bij de lening uit eigen middelen draagt de leningnemer extra kosten in verband met voor de Bank aanvaardbare garanties; bij de risicokapitaaloperatie is het niet de bedoeling dat het voordeel voor de eindbegunstigde tot uitdrukking komt in de rentevoet, maar eerder in de andere financiële voorwaarden die verbonden zijn met het quasi-kapitaalkarakter van de operatie. 3.9. De Overeenkomst van Lomé IV beperkt de op risicokapitaalleningen betaalbare rente tot 3 % per jaar, maar legt geen beperkingen op wat betreft vergoeding of winstdeling. Vaak wordt een winstdelingscomponent toegevoegd aan een vaste rentecomponent, hetgeen de Overeenkomst van Lomé niet verbiedt. Vergoeding van financiële toewijzingen uit globale leningen 3.10-3.11. Omdat de financieringscontracten zoveel mogelijk gestandaardiseerd zijn, is het niet verwonderlijk dat zij een vermelding over "referentie"-tarieven bevatten, ook al zijn er in bepaalde gevallen geen referentietarieven. Daarom controleert de EIB de tarieven volgens de kwartaal- of halfjaarverslagen van de Centrale Bank. Dit kan eerst na de feiten geschieden, omdat de Centrale Bank de tarieven pas na enige tijd bekendmaakt zonder de basisvoorwaarden van het financieringscontract te wijzigen. Ter dekking van het wisselkoersrisico gehanteerde mechanismen 3.13. Bij Lomé III moest de leningnemer de lening aflossen in ECU of het equivalent ervan in een Europese valuta. Het koersrisico lag dus alleen bij de ECU, en niet bij de ECU of een andere Europese valuta. 3.14-3.17. Wat de risicodeling betreft is het sleutelwoord in artikel 234, lid 2, onder b), laatste zin, van de Overeenkomst van Lomé "gemiddeld", dit wil zeggen over alle risicokapitaalprojecten. De toewijzing van het volledige wisselkoersrisico in bepaalde gevallen aan de eindbegunstigde is geheel in overeenstemming met artikel 234 van de Overeenkomst (en het zou zelfs onlogisch zijn een promotor vrij te stellen van het koersrisico als zijn volledige verkoopopbrengsten in vreemde valuta worden uitgedrukt; in dat geval zou het veel beter zijn de andere soorten risico's te bekijken die hij eventueel moet dragen en te voorzien in maatregelen ter verlichting van deze risico's). Artikel 234 bepaalt dat het koersrisico gemiddeld gelijkelijk moet worden verdeeld, en dit is wat de EIB over de hele linie tracht te verwezenlijken. In feite luiden bij de meeste financieringsregelingen voor kleine bedrijven (globale leningen) uit risicokapitaal de leningen aan de KMO-leningnemers in plaatselijke valuta, omdat KMO's doorgaans eerder op de plaatselijke markt dan op de exportmarkt verkopen. Gebruik van de rentemarge voor administratiekosten en ontwikkelingsdoeleinden 3.18. Bij de keuze van de FI (financiële intermediair) of DFC (ontwikkelingsfinancieringsmaatschappij) besteedt de EIB veel aandacht aan zijn financiële situatie, ontwikkelingsrol en steun aan de economie van het land. De meeste DFC's zijn dan ook instellingen zonder winstoogmerk met een sterke ontwikkelingsimpact, in het bijzonder in relatie met kleine bedrijven. Deze criteria zijn in overeenstemming met artikel 233, lid 4, onder b), van de Overeenkomst van Lomé IV - eerste financieel protocol. 4. MET RISICODRAGEND KAPITAAL GEFINANCIERDE PROJECTEN Factoren in verband met "levensvatbaarheid van het project op lange termijn" 4.2. Het is waar dat de EIB en de Commissie niet meer rechtstreeks ingrijpen nadat de investeringen zijn gedaan, maar een indirecte follow-up blijft verzekerd dankzij de politieke dialoog die met de plaatselijke autoriteiten wordt onderhouden. Bij risicokapitaaloperaties moet altijd voor ogen worden gehouden dat in een aantal gevallen, ondanks alle genomen zekerheden, de levensvatbaarheid op lange termijn in gevaar kan worden gebracht door acties die endogeen of exogeen zijn aan het bedrijf. De in het verslag genoemde voorbeelden van risico's zijn gelukkig nog geen feiten, en het belang ervan is dus relatief. Toewijzingsprocedures met betrekking tot globale leningen 4.4. Bij een globaal financieringsplan, waar het tempo van financiering niet volledig kan worden gegarandeerd, komt het vaak voor dat het begunstigde bedrijf uit zijn eigen middelen of de financiële intermediair (FI) met tijdelijke aanvullende leningen voor de "overbrugging" zorgt. De interventie van de EIB vormt in werkelijkheid slechts de herfinanciering van haar eigen operatie, voorzover deze een aanvulling is op en niet in de plaats komt van die van de FI. Aflossingstermijn en -percentage 4.6. In Mozambique werd een globale lening verstrekt naast leningen van de Wereldbank (uit de middelen van de IDA) en het Franse ontwikkelingshulpprogramma: geen van de drie leningsfaciliteiten had succes. Het trage gebruik van de middelen was deels toe te schrijven aan het ontoereikende niveau van de marges voor de FI's, en tijdens de toewijzings/uitbetalingsperiode van de leningsfaciliteiten werd opnieuw onderhandeld over de verdeling van de totale marge tussen de Centrale Bank en de FI's, met als resultaat dat de aan de FI's toegestane marge werd opgetrokken tot boven het oorspronkelijke niveau, zowel voor de kredietfaciliteiten van de EIB als die van de Wereldbank. Vertraging bij de uitvoering van projecten en acties 4.9 a) Het financieringscontract voor het project werd ondertekend in december 1994, maar de uitbetalingen begonnen eerst in 1997 (en gaan voort in 1998). Dit project wordt medegefinancierd door de EIB en de Wereldbank (krediet uit de middelen van de IDA) en er is een goede coördinatie tussen de twee instellingen, met name wat betreft het toezicht op het project. Zambia moest vóór de eerste uitbetaling voldoen aan enkele strenge voorwaarden - waaronder sommige sectoriële hervormingsvraagstukken - en dit verklaart waarom gedurende een periode van twee jaar niet met de uitbetalingen kon worden begonnen. 4.9.b) De problemen zijn inmiddels opgelost en het resterende bedrag van de lening wordt uitbetaald. 4.9.c) De voornaamste oorzaak van de vertraging was het gebrek aan bereidheid van de vorige regering om vitale sectoriële hervormingen door te voeren, in het bijzonder de ratificatie van de elektriciteitswet, die een belangrijke uitbetalingsvoorwaarde is in het financieringscontract van de EIB. De wet is gedurende twee jaren in het Congres tegengehouden door politieke ruzies in het vooruitzicht van de presidentsverkiezingen van 1996 en krachtmetingen tussen twee verschillende gevestigde belangen (particuliere investeerders versus importeurs van stand-by opwekkingsapparatuur). De nieuwe regering maakt werk van de sectoriële hervormingen en er hebben uitbetalingen op de leningen plaatsgevonden. 4.10. Ieder kwartaal maken de Commissie en de EIB de balans op van de "sluimerende" verplichtingen; aan de hand van de uitgewisselde informatie en na onderzoek vraagt de EIB de Commissie om vrijmaking van de niet-gebruikte middelen. Beheer van globale leningen door financiële intermediairs van de Europese Gemeenschap (FIEG's) 4.11 en 4.13.a) Van deze punten is akte genomen. De nodige wijzigingen werden aangebracht aan de follow-up FIEG II-faciliteit die in april 1998 werd goedgekeurd. 4.13.b) Zoals reeds werd vermeld (zie 3.4-3.8), moet de vergelijking tussen de rentekosten op de leningen uit eigen middelen en de risicokapitaaloperaties worden genuanceerd: bij de lening uit eigen middelen moet de leningnemer extra kosten dragen in verband met de voor de Bank aanvaardbare garanties; bij de risicokapitaaloperatie is het voordeel voor de eindbegunstigde niet gelegen in de rentevoet, maar veeleer in het quasi-kapitaalkarakter van de operatie, de "avance d'actionnaire". 5. ROL VAN DE COMMISSIE 5.2-5.4. De diensten van de Commissie en de EIB werken nauw samen bij de "programmering" van de communautaire steun aan het begin van een overeenkomst (bv. de ondertekening van het nationale indicatieve programma en de bijlage daarvan van de EIB). Nauw contact (vaak informeel) wordt onderhouden tussen het personeel van de EIB en de delegaties van de Commissie in de ACS-staten gedurende de toepassing van een overeenkomst. Artikel 33, lid 5, bepaalt welke rol de Commissie heeft bij de operaties die uit de middelen van het Fonds worden gefinancierd en door de Bank beheerd. De Commissie ontvangt ieder jaar van de Bank een verslag over de financiële uitvoering en op alle niveaus worden coördinatievergaderingen georganiseerd met de Bank. Op basis van de door de Bank opgestelde ontwerpvoorstellen raadpleegt de Commissie de gebiedskantoren (en indien nodig de delegaties), waarna zij haar opmerkingen, aanmerkingen, suggesties en bezwaren aan de Bank mededeelt. 5.6.a) De Raad ontvangt verslagen van artikel 29/33, hetgeen betekent dat aan de door de Kamer vermelde informatieverplichting is voldaan. 5.7. De verslagen van de evaluatie-eenheid van de EIB worden als regel thematisch of sectorieel opgesteld. Het werkprogramma van de eenheid bestrijkt alle operaties van de EIB en houdt rekening met het feit dat de Bank vooral binnen de Unie actief is. Er is geen studie over EOF-risicokapitaal gepland. 6. CONCLUSIE De Commissie en de EIB stellen met voldoening vast dat de Kamer geen opmerkingen heeft over de wijze waarop de risicokapitaaloperaties zijn voorbereid, uitgevoerd en gecontroleerd door de Bank. Wat de rol van de Commissie betreft moet worden opgemerkt dat artikel 1 van het financieel protocol van Lomé IV en artikel 10, lid 2, van het intern akkoord bepalen dat het risicokapitaal door de EIB wordt beheerd. De EIB treedt volgens artikel 10, lid 2, op als opdrachtgever van de "Gemeenschap" en niet van de Commissie. In artikel 58, leden 1 en 2, van het Financieel Reglement van het zevende EOF wordt dit bevestigd. Als de Commissie de verantwoordelijkheid voor de betrouwbaarheid van de EOF-rekeningen op zich moet nemen, houdt dit wat de operaties betreft waarvan de financiering door de EIB wordt beheerd, een beperkte verantwoordelijkheid in die uitsluitend betrekking heeft op de juistheid van de geboekte bedragen in vergelijking met de door de EIB verstrekte gegevens. Wat de evaluatie van de risicokapitaaloperaties betreft zal de Commissie een onderzoek verrichten naar de algemene effecten van de risicokapitaaloperaties voor de ontwikkeling van de ACS-staten, vooraleer zij concrete voorstellen zal doen over een eventuele post-Lomé-overeenkomst. Ten slotte is de Commissie van oordeel dat de doorzichtigheid uiterst goed is verzekerd jegens de lidstaten, waarvan de vertegenwoordigers samen met de Commissie deelnemen aan het "comité van artikel 28".