Verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag (Voor de EER relevante tekst)
Publicatieblad Nr. L 354 van 30/12/1998 blz. 0018 - 0021
VERORDENING (EG) Nr. 2842/98 VAN DE COMMISSIE van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag (Voor de EER relevante tekst) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Gelet op Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (1), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, inzonderheid op artikel 24, Gelet op Verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (2), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, inzonderheid op artikel 29, Gelet op Verordening (EEG) nr. 4056/86 van de Raad van 22 december 1986 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer (3), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, inzonderheid op artikel 26, Gelet op Verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad van 14 december 1987 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer (4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2410/92 (5), inzonderheid op artikel 19, Na raadpleging van de bevoegde adviescomités voor mededingingsregelingen en economische machtsposities, (1) Overwegende dat veel ervaring is opgedaan bij de toepassing van Verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van Verordening nr. 17 (6), op het gebied van het vervoer, Verordening (EEG) nr. 1630/69 van de Commissie van 8 augustus 1969 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 26, leden 1 en 2, van Verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad van 19 juli 1968 (7), afdeling II van Verordening (EEG) nr. 4260/88 van de Commissie van 16 december 1988 betreffende de mededelingsverplichtingen, de klachten, de verzoeken en het horen van belanghebbenden en derden, zoals bedoeld in Verordening (EEG) nr. 4056/86 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer (8), en afdeling II van Verordening (EEG) nr. 4261/88 van de Commissie van 16 december 1988 betreffende de klachten en verzoeken en het horen van belanghebbenden en derden, zoals bedoeld in Verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer (9), de twee laatstgenoemde verordeningen van de Commissie zijnde laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden; (2) Overwegende dat uit die ervaring is gebleken dat bepaalde procedureregels op sommige punten dienen te worden verbeterd; dat het terwille van de duidelijkheid dienstig is één enkele verordening vast te stellen betreffende de in Verordening nr. 17, Verordening (EEG) nr. 1017/68, Verordening (EEG) nr. 4056/86 en Verordening (EEG) nr. 3975/87 neergelegde procedure voor het horen van belanghebbenden en derden; dat Verordeningen nr. 99/63/EEG en (EEG) nr. 1630/69 derhalve dienen te worden vervangen en de afdelingen II van Verordeningen (EEG) nr. 4260/88 en (EEG) nr. 4261/88 dienen te worden geschrapt en vervangen; (3) Overwegende dat de bepalingen betreffende de procedure van de Commissie overeenkomstig Besluit 94/810/EGKS, EG van de Commissie van 12 december 1994 betreffende het mandaat van de raadadviseur-auditeur in mededingingsprocedures voor de Commissie (10) zodanig moeten worden opgesteld, dat het recht te worden gehoord en de rechten van de verdediging ten volle worden gewaarborgd; dat de Commissie hierbij dient te onderscheiden tussen degenen jegens wie zij bezwaren heeft aangevoerd, verzoekers en klagers, en andere derden; (4) Overwegende dat in overeenstemming met het beginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging degenen jegens wie de Commissie bezwaren heeft aangevoerd, in de gelegenheid dienen te worden gesteld opmerkingen te maken over alle punten van bezwaar die de Commissie voornemens is in haar beschikkingen in aanmerking te nemen; (5) Overwegende dat verzoekers en klagers in de gelegenheid dienen te worden gesteld hun standpunt kenbaar te maken, wanneer de Commissie van oordeel is dat er onvoldoende gronden zijn om aan het verzoek of aan de klacht gevolg te geven; dat aan de verzoeker of de klager een afschrift van de niet-vertrouwelijke versie van de mededeling van punten van bezwaar dient te worden verstrekt en dat de verzoeker of de klager in de gelegenheid dient te worden gesteld schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken, wanneer de Commissie bezwaren aanvoert; (6) Overwegende dat ook andere derden die daarbij in voldoende mate belang hebben, in de gelegenheid dienen te worden gesteld schriftelijk hun standpunt kenbaar te maken, wanneer zij daarom schriftelijk verzoeken; (7) Overwegende dat al degenen die gerechtigd zijn opmerkingen te maken, dit schriftelijk moeten doen, zowel in hun eigen belang als uit een oogpunt van behoorlijk bestuur, onverminderd, in voorkomend geval, de mogelijkheid een hoorzitting te houden om de schriftelijke opmerkingen aan te vullen; (8) Overwegende dat dient te worden bepaald, wat de rechten zijn van degenen die moeten worden gehoord, en onder welke voorwaarden zij zich kunnen laten vertegenwoordigen of bijstaan; (9) Overwegende dat de Commissie rekening moet blijven houden met het rechtmatige belang van ondernemingen bij de bescherming van hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke informatie; (10) Overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat de huidige administratieve praktijk in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, overeenkomstig de mededeling inzake de interne procedureregels voor de behandeling van verzoeken om toegang tot een dossier bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag, van de artikelen 65 en 66 van het EGKS-Verdrag en van Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad (11); (11) Overwegende dat met het oog op het goede verloop van de hoorzitting dient te worden bepaald, dat de verklaringen van eenieder die wordt gehoord, op de band worden opgenomen; (12) Overwegende dat de termijn voor het indienen van opmerkingen door de diverse personen en krachtens deze verordening in het belang van de rechtszekerheid dient te worden vastgesteld door de bepaling van het tijdstip waarop de opmerkingen uiterlijk bij de Commissie moeten inkomen; (13) Overwegende dat het op grond van artikel 10, lid 3, van Verordening nr. 17, artikel 16, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1017/68, artikel 15, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 4056/86 of artikel 8, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 3975/87 bevoegde adviescomité zijn advies moet uitbrengen op basis van een ontwerp van beschikking; dat het bijgevolg over een zaak moet worden geraadpleegd nadat het onderzoek daarvan is voltooid; deze raadpleging de Commissie niet mag beletten, het onderzoek zo nodig te heropenen, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: HOOFDSTUK I Toepassingsgebied Artikel 1 Deze verordening is van toepassing op het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van Verordening nr. 17, artikel 26, leden 1 en 2, van Verordening (EEG) nr. 1017/68, artikel 23, leden 1 en 2, van Verordening (EEG) nr. 4056/86 en artikel 16, leden 1 en 2, van Verordening (EEG) nr. 3975/87. HOOFDSTUK II Het horen van degenen jegens wie de Commissie bezwaren heeft aangevoerd Artikel 2 1. De Commissie hoort degenen jegens wie zij bezwaren heeft aangevoerd alvorens over te gaan tot raadpleging van het bevoegde adviescomité overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening nr. 17, artikel 16, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1017/68, artikel 15, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 4056/86 of artikel 8, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 3975/87. 2. De Commissie neemt in haar beschikkingen slechts de bezwaren in aanmerking ten aanzien waarvan de betrokkenen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt kenbaar te maken. Artikel 3 1. De Commissie deelt de betrokkenen de jegens hen aangevoerde bezwaren schriftelijk mede. Deze mededeling wordt aan elk van de betrokkenen of aan een naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger gericht. 2. De Commissie kan de betrokkenen de bezwaren mededelen door middel van een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, met name wanneer de mededeling aan een aantal ondernemingen moet worden gericht en deze geen gemeenschappelijke vertegenwoordiger hebben aangewezen. Bij de bekendmaking wordt rekening gehouden met het rechtmatige belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke informatie worden beschermd. 3. Aan een betrokkene kan slechts een geldboete of een dwangsom worden opgelegd, indien op de in lid 1 voorgeschreven wijze mededeling van de bezwaren is gedaan. 4. De Commissie stelt in de mededeling van punten van bezwaar een termijn vast waarbinnen de betrokkenen haar schriftelijk hun standpunt kenbaar kunnen maken. 5. De Commissie stelt een termijn vast waarbinnen de betrokkenen kunnen aangeven of bepaalde gedeelten van de mededeling van punten van bezwaar naar hun mening zakengeheimen of andere vertrouwelijke informatie bevatten. Indien de betrokkenen dit niet binnen de vastgestelde termijn doen, mag de Commissie aannemen dat de mededeling van punten van bezwaar dergelijke informatie niet bevat. Artikel 4 1. Wanneer betrokkenen hun standpunt aangaande de jegens hen aangevoerde bezwaren kenbaar wensen te maken, doen zij dit schriftelijk en binnen de in artikel 3, lid 4, bedoelde termijn. De Commissie is niet verplicht rekening te houden met schriftelijke opmerkingen die zij na het verstrijken van die termijn ontvangt. 2. De betrokkenen kunnen in hun schriftelijke opmerkingen alles aanvoeren wat dienstig voor hun verdediging kan zijn. De betrokkenen kunnen ten bewijze van de aangevoerde feiten alle relevante bescheiden bij hun opmerkingen voegen, en zij kunnen de Commissie voorstellen personen te horen die deze feiten kunnen bevestigen. Artikel 5 De Commissie stelt degenen jegens wie zij bezwaren heeft aangevoerd, in de gelegenheid tijdens een hoorzitting hun standpunt toe te lichten, wanneer zij in hun schriftelijke opmerkingen daarom verzoeken. HOOFDSTUK III Het horen van verzoekers en klagers Artikel 6 Wanneer de Commissie, na een verzoek uit hoofde van artikel 3, lid 2, van Verordening nr. 17 of een klacht uit hoofde van artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 1017/68, artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 4056/86 of artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3975/87 te hebben ontvangen, van oordeel is dat de gegevens waarover zij beschikt het niet rechtvaardigt aan het verzoek of aan de klacht gevolg te geven, deelt zij de verzoeker of de klager haar redenen hiervoor mee en stelt zij een termijn vast waarbinnen de verzoeker of de klager schriftelijk zijn standpunt kenbaar kan maken. Artikel 7 Wanneer de Commissie met betrekking tot een bepaalde aangelegenheid bezwaren aanvoert, en zij met betrekking tot diezelfde aangelegenheid een verzoek of een klacht zoals bedoeld in artikel 6 heeft ontvangen, verstrekt zij de verzoeker of de klager een afschrift van de niet-vertrouwelijke versie van de mededeling van punten van bezwaar en stelt zij een termijn vast waarbinnen de verzoeker of de klager schriftelijk zijn standpunt kenbaar kan maken. Artikel 8 De Commissie kan, in voorkomend geval de verzoekers en de klagers in de gelegenheid stellen hun standpunt mondeling toe te lichten, wanneer zij in hun schriftelijke opmerkingen daarom verzoeken. HOOFDSTUK IV Het horen van andere derden Artikel 9 1. Wanneer anderen dan diegenen, bedoeld in de titels II en III, verzoeken te worden gehoord, en indien zij aantonen daarbij in voldoende mate belang te hebben, stelt de Commissie hen schriftelijk in kennis van de aard en het onderwerp van de procedure en stelt zij een termijn vast waarbinnen zij hun standpunt schriftelijk kenbaar kunnen maken. 2. De Commissie kan, in voorkomend geval, de in lid 1 bedoelde belanghebbenden, die in hun schriftelijke opmerkingen daarom verzoeken, in de gelegenheid stellen hun standpunt toe te lichten tijdens de hoorzitting tijdens welke degenen jegens wie zij bezwaren heeft aangevoerd, worden gehoord. 3. De Commissie kan elke andere derde in de gelegenheid stellen zijn of haar standpunt mondeling uiteen te zetten. HOOFDSTUK V Algemene bepalingen Artikel 10 De hoorzitting wordt door de raadadviseur-auditeur geleid. Artikel 11 1. De Commissie roept degenen die zij wil horen, op de door haar bepaalde datum voor de hoorzitting op. 2. De Commissie nodigt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uit aan de hoorzitting deel te nemen. Artikel 12 1. De opgeroepenen verschijnen in persoon of worden door hun wettelijk of statutair bevoegde vertegenwoordiger vertegenwoordigd. Ondernemingen en ondernemersverenigingen mogen worden vertegenwoordigd door een naar behoren gemachtigd lid van hun vaste personeel. 2. Degenen die door de Commissie worden gehoord, mogen zich laten bijstaan door hun juridisch raadsman of door een andere, door de raadadviseur-auditeur aanvaarde, gekwalificeerde persoon. 3. De hoorzitting is niet openbaar. Eenieder wordt afzonderlijk of in aanwezigheid van andere opgeroepenen gehoord. In dit laatste geval wordt rekening gehouden met het rechtmatige belang van de ondernemingen bij de bescherming van hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke informatie. 4. De verklaringen van eenieder die wordt gehoord, worden op de band opgenomen. De opname wordt op verzoek aan de betrokken personen ter beschikking gesteld door middel van een kopie waarvan de zakengeheimen en andere vertrouwelijke informatie worden weggelaten. Artikel 13 1. Er wordt geen mededeling gedaan van, noch inzage verleend in informatie, met inbegrip van bescheiden, die zakengeheimen van, onder anderen, degenen jegens wie de Commissie bezwaren heeft aangevoerd, verzoekers en klagers of andere derden bevat, noch van andere vertrouwelijke informatie, noch van interne stukken van de autoriteiten. De Commissie treft passende voorzieningen om toegang te verlenen tot het dossier, waarbij zij ervoor zorgt dat zakengeheimen, interne stukken van de Commissie of andere vertrouwelijke informatie worden beschermd. 2. Degenen die overeenkomstig de bepalingen van deze verordening hun standpunt kenbaar maken, geven in voorkomend geval met opgave van redenen duidelijk aan welke elementen in hun verklaringen zij als vertrouwelijk beschouwen, en verstrekken de Commissie binnen de door haar vastgestelde termijn een afzonderlijke, niet-vertrouwelijke versie hiervan. Indien zij dit niet binnen de vastgestelde termijn doen, mag de Commissie aannemen dat hun verklaringen dergelijke elementen niet bevatten. Artikel 14 De Commissie houdt bij de vaststelling van de in artikel 3, lid 4, artikel 6, artikel 7 en artikel 9, lid l, bedoelde termijnen zowel rekening met de tijd die nodig is voor het opstellen van de verklaringen, als met de dringendheid van de zaak. De termijn bedraagt in elk van deze gevallen ten minste twee weken; hij kan worden verlengd. HOOFDSTUK VI Slotbepalingen Artikel 15 1. Verordeningen nr. 99/63/EEG en (EEG) nr. 1630/69, worden ingetrokken. 2. Afdeling II van Verordening (EEG) nr. 4260/88 en afdeling II van Verordening (EEG) nr. 4261/88 worden geschrapt. Artikel 16 Deze verordening treedt in werking op 1 februari 1999. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 22 december 1998. Voor de Commissie Karel VAN MIERT Lid van de Commissie (1) PB 13 van 21. 2. 1962, blz. 204/62. (2) PB L 175 van 23. 7. 1968, blz. 1. (3) PB L 378 van 31. 12. 1986, blz. 4. (4) PB L 374 van 31. 12. 1987, blz. 1. (5) PB L 240 van 24. 8. 1992, blz. 18. (6) PB 127 van 20. 8. 1963, blz. 2268/63. (7) PB L 209 van 21. 8. 1969, blz. 11. (8) PB L 376 van 31. 12. 1988, blz. 1. (9) PB L 376 van 31. 12. 1988, blz. 10. (10) PB L 330 van 21. 12. 1994, blz. 67. (11) PB C 23 van 23. 1. 1997, blz. 3.