31998R1178

Verordening (EG) nr. 1178/98 van de Commissie van 5 juni 1998 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen, ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1015/94 van de Raad ten aanzien van bepaalde televisiecamerasystemen uit Japan en tot registratie van de invoer

Publicatieblad Nr. L 163 van 06/06/1998 blz. 0020 - 0023


VERORDENING (EG) Nr. 1178/98 VAN DE COMMISSIE van 5 juni 1998 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen, ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1015/94 van de Raad ten aanzien van bepaalde televisiecamerasystemen uit Japan en tot registratie van de invoer

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 905/98 (2), inzonderheid op de artikelen 13 en 14,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. VOORAFGAANDE ONDERZOEKEN

(1) In april 1994 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1015/94 (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1952/97 (4), een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van televisiecamerasystemen uit Japan. Het definitieve antidumpingrecht bedroeg 62,6 % voor Sony Corporation (hierna "Sony" genoemd), 82,9 % voor Ikegami Tsushinki Co. Ltd (hierna "Ikegami" genoemd) en 52,7 % voor Hitachi Denshi Ltd.

(2) In oktober 1995 werd Verordening (EG) nr. 1015/94 bij Verordening (EG) nr. 2474/95 (5) gewijzigd, met name wat de definitie van het begrip "soortgelijk product" betreft en de uitdrukkelijke uitsluiting van bepaalde modellen professionele camera's van het antidumpingrecht.

(3) In oktober 1997 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1952/97 het definitieve antidumpingrecht voor Sony gewijzigd in 108,3 % en voor Ikegami in 200,3 %, overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 384/96 (hierna "basisverordening" genoemd). Voorts besloot de Raad dat bepaalde modellen professionele camera's uitdrukkelijk van het antidumpingrecht moesten worden uitgesloten. Deze moesten daarom aan de lijst in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1015/94 worden toegevoegd.

B. VERZOEK

(4) De Commissie heeft op grond van artikel 13, lid 3, van de basisverordening het verzoek ontvangen een onderzoek in te stellen naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingrechten die bij Verordening (EG) nr. 1015/94 waren ingesteld op televisiecamerasystemen uit Japan, welke ontwijking zou plaatsvinden door de invoer van modules, kits, voorgemonteerde delen en onderdelen uit Japan die in de Gemeenschap tot televisiecamerasystemen geassembleerd zouden worden, de invoer van deze modules, kits, voorgemonteerde delen en onderdelen overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening door de douane te laten registreren en, indien dit gerechtvaardigd zou blijken, de Raad voor te stellen bovengenoemde antidumpingrechten tot laatstgenoemde artikelen uit te breiden.

C. INDIENER VAN HET VERZOEK

(5) Het verzoek is op 23 april 1998 ingediend door Philips Broadcast Television Systems BV.

D. PRODUCT

(6) De producten die met ontwijking van rechten zouden worden ingevoerd zijn modules, kits, voorgemonteerde delen en onderdelen van televisiecamera's uit Japan die in de Gemeenschap tot televisiecamerasystemen worden geassembleerd. Deze producten zijn momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8529 90 72, ex 8529 90 81, ex 8542 13 72, ex 8531 20 59, ex 8531 20 80, ex 8538 10 00, ex 8538 90 91 en ex 9002 90 90. Deze GN-codes worden slechts ter informatie vermeld.

E. BEWIJSMATERIAAL

(7) Het verzoek bevat voldoende bewijsmateriaal in de zin van artikel 13, lid 3, van de basisverordening om een procedure in te leiden teneinde te onderzoeken of de antidumpingrechten op televisiecamerasystemen uit Japan worden ontweken door de invoer van modules, kits, voorgemonteerde delen en onderdelen uit dat land, die vervolgens in de Gemeenschap tot televisiecamerasystemen worden geassembleerd of afgewerkt. Het verzoek heeft slechts betrekking op twee Japanse exporteurs, namelijk Sony en Ikegami.

(8) Het voorgelegde bewijsmateriaal bestaat uit het volgende:

a) Sinds de invoering van de antidumpingrechten in 1994, en met name sinds de instelling, in 1997, van hogere rechten op de televisiecamerasystemen van Sony en Ikegami, overeenkomstig artikel 12 van de basisverordening, is een wijziging opgetreden in de handelsstromen tussen Japan en de Gemeenschap. In de periode 1995-1997 is de invoer van televisiecamerasystemen uit Japan aanmerkelijk afgenomen, terwijl de omzet (in hoeveelheid en waarde) en het marktaandeel van Japanse importeurs/assemblagebedrijven van dit product in de Gemeenschap stabiel zou zijn gebleven of zelfs zou zijn gestegen.

Deze wijziging in de handelsstromen zou veroorzaakt zijn door een toename van de assemblagewerkzaamheden in de Gemeenschap, waarvoor er nauwelijks een andere reden of economische rechtvaardiging zou zijn dan het bestaan van antidumpingrechten. De twee bedoelde Japanse exporteurs zijn bij de instelling van de antidumpingrechten in 1994 met assemblagewerkzaamheden begonnen. De meest voor de hand liggende reden van bovengenoemde wijziging in de handelsstromen is dat de invoer van modules, kits, voorgemonteerde delen en onderdelen van televisiecamerasystemen niet onderworpen is aan het antidumpingrecht op de invoer van geassembleerde televisiecamerasystemen uit Japan, dat 108,3 % bedraagt voor Sony en 200,3 % voor Ikegami.

Bovendien bevat het verzoek voldoende bewijsmateriaal dat de waarde van de Japanse onderdelen of componenten 60 % of meer bedraagt van de totale waarde van de in de Gemeenschap geassembleerde televisiecamerasystemen en dat de waarde die bij de assemblage in de Gemeenschap aan de onderdelen wordt toegevoegd niet meer dan 25 % van de productiekosten bedraagt.

b) Voorts bevat het verzoek bewijsmateriaal dat dumping plaatsvindt in vergelijking met de normale waarden die bij vorige onderzoeken voor televisiecamerasystemen uit Japan waren vastgesteld. Hieruit blijkt dat de prijzen van de televisiecamerasystemen die in de Gemeenschap uit Japanse modules, kits, voorgemonteerde delen en onderdelen worden geassembleerd, lager zijn dan de exportprijzen zouden moeten zijn als geen dumping werd toegepast zoals in het vorige onderzoek op grond van artikel 12 was vastgesteld.

c) Ten slotte bevat het verzoek bewijsmateriaal dat de beweerde ontwijking van het antidumpingrecht de gevolgen van dit recht tenietdoen, gezien de hoeveelheden en de prijzen van het geassembleerde soortgelijke product.

F. PROCEDURE

(9) De Commissie is tot de conclusie gekomen dat het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevat om op grond van artikel 13, lid 3, van de basisverordening een onderzoek in te stellen en om op grond van artikel 14, lid 5, van die verordening over te gaan tot de registratie van de in overweging 7 genoemde modules, kits, voorgemonteerde delen en onderdelen uit Japan.

Onderzoek

(10) Vanwege de complexiteit van het betrokken product, de bijzondere kenmerken van onderhavig geval en de ernst van de beweerde ontwijking van de antidumpingrechten door de betrokken exporteurs acht de Commissie het raadzaam haar onderzoek met bezoeken ter plaatse en inspecties aan te vangen, met name bij de importeurs en bij bedrijven die banden hebben met de betrokken exporteurs, teneinde de gegevens te verkrijgen die zij voor een doelmatig onderzoek noodzakelijk acht.

Deze bezoeken zullen onmiddellijk na de publicatie van deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen plaatsvinden.

(11) Teneinde de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek noodzakelijk acht kan de Commissie vragenlijsten toezenden aan de in het verzoek genoemde Japanse producenten van de televisiecamera's en aan de met deze producenten gelieerde importeurs in de Gemeenschap die de televisiecamera's zouden assembleren.

(12) Andere partijen die kunnen aantonen dat zij mogelijk belang hebben bij de resultaten van het onderzoek, dienen zo spoedig mogelijk een vragenlijst aan te vragen, daar de in deze verordening genoemde termijn ook op hen van toepassing is. Verzoeken om vragenlijsten dienen schriftelijk te worden gericht aan het hierna vermelde adres, onder opgave van naam, adres, telefoon-, fax- en/of telexnummer van de aanvrager.

Afgifte van douanecertificaten

(13) Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening kunnen de douaneautoriteiten certificaten afgeven op grond waarvan het betrokken product van registratie of maatregelen wordt vrijgesteld wanneer de invoer geen ontwijking van het antidumpingrecht inhoudt. Daar deze certificaten eerst mogen worden afgegeven nadat de instellingen van de Gemeenschap hiervoor toestemming hebben verleend, dienen verzoeken om deze toestemming zo spoedig mogelijk aan de Commissie te worden gericht, zodat deze voldoende tijd heeft om na te gaan of de verzoeken gerechtvaardigd zijn.

G. REGISTRATIE

(14) Op grond van artikel 14, lid 5, van de basisverordening wordt de douaneautoriteiten de instructie gegeven de hieronder genoemde modules, kits, voorgemonteerde delen en onderdelen te registreren, zodat de antidumpingrechten die op de invoer uit Japan van televisiecamerasystemen van Sony en Ikegami van toepassing zijn vanaf de datum van registratie geïnd kunnen worden indien deze rechten tot deze producten worden uitgebreid:

- Behuizingspanelen voor televisiecamera's, al dan niet geassembleerd;

- kleurensplitsers met ten minste drie CCD's (ladinggekoppelde beeldopnamecomponenten), met inbegrip van elektronische (sub)assemblages, al dan niet met filterwiel;

- groothoekoculairs voor televisiecamerazoekers, met inbegrip van optiek met bepaalde antireflexcoatings;

- gedrukte schakelingen met actieve elementen van een soort die voor televisiecamera's worden gebruikt, operationele bedieningspanelen, hoofdbedieningspanelen en basisstations voor televisiecamera's;

- signaalprocessoren in de vorm van geïntegreerde schakelingen in MOS-technologie waarmee digitale televisiebeelden (videosignalen) verwerkt of gecorrigeerd kunnen worden (met inbegrip van gammacorrectie, contourcorrectie, "flare"-correctie en pixelcorrectie);

- afleesschermen met vloeibare kristallen (Liquid Crystal Displays) van de soort die in camerabedieningssystemen worden gebruikt;

- borden, panelen, kasten en dergelijke artikelen van de soort die in camerabedieningssystemen worden gebruikt.

H. TERMIJN

(15) In het belang van een behoorlijk bestuur dient een termijn van 40 dagen te worden vastgesteld vanaf de publicatie van deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, waarbinnen de betrokkenen, mits zij kunnen aantonen dat zij mogelijk belang hebben bij de resultaten van het onderzoek, hun standpunt schriftelijk kunnen uiteenzetten. Tevens dient een termijn te worden vastgesteld waarbinnen de betrokkenen schriftelijk kunnen verzoeken te worden gehoord en kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn waarom zij gehoord dienen te worden.

Indien belanghebbenden niet binnen de gestelde termijn toegang geven tot de noodzakelijke informatie, deze anderszins niet verstrekken of het onderzoek ernstig belemmeren, kunnen, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening, uit de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies worden getrokken, zowel in positieve als in negatieve zin,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op grond van artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 384/96 wordt een onderzoek ingesteld naar de invoer in de Gemeenschap van modules, kits, voorgemonteerde delen en onderdelen, ingedeeld onder de GN-codes ex 8529 90 72, ex 8529 90 81, ex 8542 13 72, ex 8531 20 59, ex 8531 20 80, ex 8538 10 00, ex 8538 90 91 en ex 9002 90 90, uit Japan, die in de Gemeenschap tot televisiecamerasystemen worden geassembleerd. Deze GN-codes worden ter informatie vermeld. Zij zijn slechts indicatief en zijn voor de indeling van het product niet bindend.

Artikel 2

Op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 384/96 wordt de douaneautoriteiten de instructie gegeven de nodige maatregelen te treffen om de invoer uit Japan te registreren van:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De registratie zal negen maanden na de inwerkingtreding van deze verordening een einde nemen.

De invoer behoeft niet te worden geregistreerd wanneer bovengenoemde producten met een douanecertificaat worden ingevoerd dat overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 is afgegeven.

Artikel 3

Belanghebbenden die wensen dat bij het onderzoek met hun opmerkingen rekening wordt gehouden, dienen zich binnen 40 dagen na de bekendmaking van dit bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bij de Commissie bekend te maken, hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en de nodige informatie te verstrekken. Belanghebbenden kunnen bovendien binnen deze termijn verzoeken om door de Commissie te worden gehoord. Deze termijn geldt ook voor niet in het verzoek genoemde partijen, die er derhalve belang bij hebben zo spoedig mogelijk contact op te nemen met de Commissie op het hierna vermelde adres.

Alle gegevens betreffende deze zaak en verzoeken om te worden gehoord dienen te worden gericht aan het volgende adres:

Europese Commissie

Directoraat-generaal I:

Buitenlandse Betrekkingen: Handelsbeleid en betrekkingen met Noord-Amerika, het Verre Oosten, Australië en Nieuw-Zeeland

Directoraten C en E

(DM 24, 8/144)

Wetstraat 200

B-1049 Brussel

Fax: (32-2) 295 65 05.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 juni 1998.

Voor de Commissie

Leon BRITTAN

Vice-Voorzitter

(1) PB L 56 van 6. 3. 1996, blz. 1.

(2) PB L 128 van 30. 4. 1998, blz. 18.

(3) PB L 111 van 30. 4. 1994, blz. 106.

(4) PB L 276 van 9. 10. 1997, blz. 20.

(5) PB L 255 van 25. 10. 1995, blz. 11.