98/370/EG: Aanbeveling van de Commissie van 27 mei 1998 betreffende de ratificatie van het ILO-Verdrag nr. 177 van 20 juni 1996 inzake thuiswerk (kennisgeving geschied onder nummer C(1998) 764)
Publicatieblad Nr. L 165 van 10/06/1998 blz. 0032 - 0032
AANBEVELING VAN DE COMMISSIE van 27 mei 1998 betreffende de ratificatie van het ILO-Verdrag nr. 177 van 20 juni 1996 inzake thuiswerk (kennisgeving geschied onder nummer C(1998) 764) (98/370/EG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid artikel 155, tweede streepje, Overwegende dat ILO-Verdrag nr. 177 van 20 juni 1996 inzake thuiswerk, zoals aangevuld met een op diezelfde datum goedgekeurde aanbeveling, een regeling geeft ter bescherming van thuiswerkers; Overwegende dat het Verdrag de landen die het ratificeren, verplicht een nationaal beleid inzake thuiswerk vast te stellen, uit te voeren en periodiek te herzien, dat gericht is op de verbetering van de positie van thuiswerkers; Overwegende dat het Verdrag ook uitdrukkelijk bepaalt, dat het nationale beleid inzake thuiswerk de gelijke behandeling zo veel mogelijk moet bevorderen; Overwegende dat de door het Verdrag nagestreefde doeleinden overeenkomen met de doelstellingen van de Commissie zoals verwoord in haar sociaal actieprogramma voor de middellange termijn (1995-1997); Overwegende dat de door het Verdrag nagestreefde doeleinden ertoe bijdragen het evenwicht tussen flexibiliteit van de arbeidsmarkt en zekerheid voor de werknemers te bevorderen; Overwegende dat de Commissie ingevolge artikel 118, eerste alinea, tweede streepje, van het Verdrag tot taak heeft, tussen de lidstaten en nauwe samenwerking op sociaal gebied te bevorderen, met name op het terrein van het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden; Overwegende dat het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden in punt 10 stelt dat alle werkenden van de Europese Gemeenschap recht hebben op een adequate sociale bescherming en ongeacht hun statuut en de grootte van de onderneming waarin zij werken, op socialezekerheidsprestaties van een toereikend niveau; Overwegende dat 6,9 miljoen mensen in de Gemeenschap gewoonlijk thuis werken, wat op Gemeenschapsvlak gelijkstaat met 4,9 % van de beroepsbevolking; Overwegende dat de bijzondere kwetsbaarheid van thuiswerkers en de noodzaak hun adequate bescherming te bieden, worden erkend; Overwegende dat de aard van het thuiswerk met de invoering van nieuwe informatietechnologieƫn snel aan het veranderen is, wat de behoefte aan adequate bescherming nog groter maakt; Overwegende dat de meeste thuiswerkers vrouwen zijn; dat zij voor thuiswerk kiezen om het voor het huishouden benodigde geld te kunnen verdienen en tegelijk voor personen ten laste, doorgaans kleine kinderen, te kunnen zorgen; dat deze keuze dikwijls het resultaat is van externe factoren, zoals beperkte arbeidskansen of het gebrek aan kinderopvang en andere ondersteunende faciliteiten, BEVEELT DE LIDSTATEN AAN: - het ILO-Verdrag van 20 juni 1996 inzake thuiswerk te ratificeren, voorzover zij dat nog niet hebben gedaan; - de Commissie binnen 18 maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling mede te delen, welke maatregelen zij op grond van deze aanbeveling hebben getroffen. Gedaan te Brussel, 27 mei 1998. Voor de Commissie PƔdraig FLYNN Lid van de Commissie