31998D0527

98/527/EG, Euratom: Beschikking van de Commissie van 24 juli 1998 betreffende de behandeling van BTW-fraude (verschil tussen de theoretische en de werkelijke BTW-ontvangsten) in de nationale rekeningen (kennisgeving geschied onder nummer C(1998) 2202) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 234 van 21/08/1998 blz. 0039 - 0042


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 24 juli 1998 betreffende de behandeling van BTW-fraude (verschil tussen de theoretische en de werkelijke BTW-ontvangsten) in de nationale rekeningen (kennisgeving geschied onder nummer C(1998) 2202) (Voor de EER relevante tekst) (98/527/EG, Euratom)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

Gelet op Richtlijn 89/130/EEG, Euratom van de Raad van 13 februari 1989 betreffende de harmonisatie van de opstelling van het bruto nationaal product tegen marktprijzen (1), inzonderheid op artikel 1,

Overwegende dat Beschikking 94/168/EG, Euratom van de Commissie van 22 februari 1994 houdende maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 89/130/EEG, Euratom van de Raad betreffende de harmonisatie van de opstelling van het bruto nationaal product tegen marktprijzen (2) in het bijzonder betrekking heeft op fiscale fraude, evenwel zonder dat expliciet wordt aangegeven hoe BTW-fraude moet worden behandeld; dat deze behandeling daarom moet worden gepreciseerd;

Overwegende dat de lidstaten ter verzekering van de volledigheid van hun schattingen van het BBP en het BNP in het kader van Richtlijn 89/130/EEG, Euratom deze schattingen moeten corrigeren teneinde met de BTW-fraude rekening te houden;

Overwegende dat deze correctie betrekking heeft op het gedeelte van het verschil tussen de theoretische en de werkelijke BTW-ontvangsten dat te wijten is aan fraude waarbij de koper niet medeplichtig is;

Overwegende dat de in deze beschikking vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het bij artikel 6 van Richtlijn 89/130/EEG, Euratom opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Bij de berekening van de BTW-fraude waarbij de koper niet medeplichtig is, gaan de lidstaten te werk overeenkomstig de in de bijlage van deze beschikking opgenomen methode.

Voor deze berekening stellen de lidstaten de theoretische en de werkelijke BTW-ontvangsten vast en analyseren zij vervolgens het verschil tussen beide aan de hand van onderstaande formule:

Fraude "zonder medeplichtigheid"= theoretische BTW-ontvangsten minus werkelijke BTW-ontvangsten minus transitorische posten minus faillissementen minus ontbrekende ontvangsten (door fraude "met medeplichtigheid")

De lidstaten corrigeren zo nodig het bedrag van de toegevoegde waarde die deel uitmaakt van hun BBP- en BNP-schattingen in het kader van Richtlijn 89/130/EEG, Euratom, door hierbij het aldus berekende bedrag van de fraude zonder medeplichtigheid van de koper bij op te tellen.

Artikel 2

Om de in artikel 1 beschreven correctie te kunnen uitvoeren mogen de lidstaten ook een methode toepassen die gelijkwaardig is aan de in artikel 1, eerste alinea, genoemde methode, mits deze vergelijkbare resultaten oplevert.

Artikel 3

De lidstaten verschaffen vóór 1 oktober 1998 een toelichting op de door hen gebruikte bronnen en methoden en berekenen de aangebrachte correcties. De Commissie controleert op grond van artikel 19 van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad (3) de geldigheid van de gebruikte bronnen en methoden en de aangebrachte correcties, alsmede de vergelijkbaarheid van de verkregen resultaten, met name wanneer overeenkomstig artikel 2 de in artikel 1, eerste alinea, bedoelde methode niet is gebruikt.

Voor de nieuwe lidstaten (Oostenrijk, Finland en Zweden) geldt als termijn 1 oktober 1999.

Artikel 4

Indien lidstaten de Commissie kunnen aantonen dat in hun nationale rekeningen impliciet al een gelijkwaarige berekening is opgenomen, is artikel 1 niet van toepassing. Lidstaten die van deze mogelijkheid gebruik wensen te maken, verstrekken de Commissie vóór 1 oktober 1998 (voor Oostenrijk, Finland en Zweden: 1 oktober 1999) een volledige documentatie.

De Commissie houdt het BNP-comité op de hoogte van de resultaten van de tenuitvoerlegging van deze beschikking, en in het bijzonder van de door de lidstaten gebruikte methoden.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 24 juli 1998.

Voor de Commissie

Yves-Thibault DE SILGUY

Lid van de Commissie

(1) PB L 49 van 21. 2. 1989, blz. 26.

(2) PB L 77 van 19. 3. 1994, blz. 51.

(3) PB L 155 van 7. 6. 1989, blz. 1.

BIJLAGE

De berekening van de BTW-fraude zonder medeplichtigheid van de koper is op de twee volgende elementen gebaseerd:

1. berekening van de theoretische BTW-ontvangsten;

2. analyse van het verschil tussen de theoretische BTW-ontvangsten en de werkelijke BTW-ontvangsten gedurende dezelfde periode.

Berekening van de theoretische BTW-ontvangsten

Bij de theoretische BTW-ontvangsten gaat het om de BTW die zou zijn ontvangen wanneer alle BTW-plichtige eenheden de belasting overeenkomstig de van kracht zijnde wetgeving zouden hebben betaald.

Om de theoretische BTW-ontvangsten te berekenen moet om te beginnen de grondslag worden vastgesteld waarvoor de BTW overeenkomstig de van kracht zijnde wetgeving van toepassing is. Het gaat met andere woorden om de vaststelling van alle transacties waarvoor niet-aftrekbare BTW moet worden afgedragen. Dit geldt voor alle onderdelen van de consumptie van de huishoudens, terwijl andere bestedingscategorieën moeten worden ingedeeld ter vaststelling van de mate waarin de BTW niet aftrekbaar is. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de gegevens uit de nationale rekeningen op het meest gedetailleerde niveau dat beschikbaar is. Bij de berekening van de grondslag moet rekening worden gehouden met de gehele wetgeving en met alle regelingen die op BTW-gebied van kracht zijn.

Vervolgens moet op iedere in de grondslag begrepen transactie als gedefinieerd in de vorige alinea het volgens de geldende wetgeving juiste BTW-percentage worden toegepast. Het gaat hierbij om de BTW-percentages die van kracht waren in het jaar dat voor de vaststelling van de grondslag is gebruikt. Bij de berekening van de theoretische BTW-ontvangsten moet rekening worden gehouden met de gehele wetgeving en met alle andere regelingen die op BTW-gebied van kracht zijn.

Analyse van het verschil tussen de theoretische BTW-ontvangsten en de werkelijke BTW-ontvangsten gedurende dezelfde periode

Wanneer de theoretische BTW-ontvangsten zijn berekend en hierbij rekening is gehouden met de gehele wetgeving en met alle andere regelingen die op BTW-gebied van kracht zijn, kan het verschil tussen deze theoretische BTW-ontvangsten en de werkelijke BTW-ontvangsten aan vier oorzaken worden toegeschreven:

1. het tijdsverschil tussen de thesauriegegevens en de nationale rekeningen;

2. de vernietiging ad hoc door de fiscus van bepaalde BTW-vorderingen wanneer de BTW-plichtige failliet is gegaan;

3. fraude met medeplichtigheid van de koper (de koper heeft geen BTW aan de verkoper betaald);

4. fraude zonder medeplichtigheid van de koper (de koper heeft de BTW wel betaald, maar de verkoper heeft deze niet aan de belastingsdienst afgedragen).

Om de omvang van de fraude zonder medeplichtigheid van de koper te kunnen vaststellen moeten dus van het verschil tussen de theoretische en de werkelijke BTW-ontvangsten de fraude met medeplichtigheid van de koper en de vernietiging van vorderingen in geval van faillissement worden afgetrokken, terwijl voorts rekening moet worden gehouden met tijdsverschillen tussen het ontstaan van de belastingschuld en de inning van de ontvangsten door de belastingsdienst (transitorische posten.)

Fraude "zonder medeplichtigheid" = theoretische BTW-ontvangsten minus werkelijke BTW-ontvangsten minus transitorische posten minus faillissementen minus ontbrekende ontvangsten (door fraude "met medeplichtigheid")

Bij de werkelijke BTW-ontvangsten gaat het om de bedragen die de belastingsdienst werkelijk heeft geïnd in het jaar waarop ook de berekening van de theoretische BTW-ontvangsten betrekking heeft.

Met de correctie voor tijdsverschillen wordt beoogd de ontvangsten te corrigeren voor het feit dat bepaalde BTW-betalingen in het lopende jaar (n) betrekking hebben op het voorgaande jaar (n-1) en dat een deel van de BTW voor het jaar n pas in de loop van het volgende jaar (n+1) zal worden geïnd.

Soms biedt de wetgeving de belastingsdienst de mogelijkheid in geval van faillissement bepaalde BTW-vorderingen te vernietigen. De bedragen die hiermee gemoeid zijn, moeten worden afgetrokken van het verschil tussen de theoretische en de werkelijke BTW-ontvangsten (tenzij er bij de berekening van de theoretische BTW-ontvangsten al rekening mee is gehouden).

Voor de berekening van de fraude met medeplichtigheid van de koper wordt alleen rekening gehouden met activiteiten waarvoor een correctie voor "zwart werk" (niet-inschrijving in de statistische registers van economisch actieve eenheden) heeft plaatsgevonden.

Wanneer dit als uitgangspunt wordt genomen kan men op basis van de correcties voor "zwart werk" die vooraf bij de productie van de bedrijfstakken zijn aangebracht, schatten hoeveel inkomsten de fiscus als gevolg van "fraude met medeplichtigheid van de koper" misloopt (ontbrekende ontvangsten) door de bedragen van hierop betrekking hebbende extra verkopen ("verkopen in het zwart") te vermenigvuldigen met de geldende BTW-tarieven.

Indien bijvoorbeeld als gevolg van de correctie voor zwart werk de schatting van de waarde zonder BTW van de consumptie van een bepaald product door de huishoudens 15 % hoger uitvalt en het geldende BTW-tarief voor dat product 18,6 % bedraagt, loopt de fiscus het volgende bedrag mis:

Ontbrekende BTW-ontvangsten als gevolg van fraude met medeplichtigheid = verkopen van het product voor correctie ×15 %×18,6 %.