Verordening (EG) nr. 2025/97 van de Raad van 15 oktober 1997 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer in de Gemeenschap van lucifers met reclameboodschappen van oorsprong uit Japan en tot definitieve invordering van het ingestelde voorlopige recht
Publicatieblad Nr. L 284 van 16/10/1997 blz. 0057 - 0067
VERORDENING (EG) Nr. 2025/97 VAN DE RAAD van 15 oktober 1997 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer in de Gemeenschap van lucifers met reclameboodschappen van oorsprong uit Japan en tot definitieve invordering van het ingestelde voorlopige recht DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 23, Gelet op Verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (2), inzonderheid op artikel 12, Gezien het voorstel dat door de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, is ingediend, Overwegende hetgeen volgt: A. VOORLOPIGE MAATREGELEN (1) Bij Verordening (EG) nr. 1092/97 van de Commissie (3) (hierna de "verordening voorlopig recht" genoemd) werd een voorlopig recht ingesteld op de invoer in de Gemeenschap van onder GN-code 3605 00 00 vallende reclamelucifers van oorsprong uit Japan. B. VERVOLG VAN DE PROCEDURE 1. Looptijd van de voorlopige maatregelen (2) In juli 1997 maakten exporteurs die een aanzienlijk aandeel van de betrokken handel vertegenwoordigen bezwaar tegen het voorstel van de Commissie om de looptijd van de voorlopige antidumpingrechten van vier maanden met twee maanden te verlengen, zoals op grond van Verordening (EEG) nr. 2423/88 (hierna de "basisverordening" genoemd) is toegestaan. Ter ondersteuning van dit standpunt voerden zij aan, dat het onderzoek reeds buitensporig lang had geduurd, waardoor de periode van onzekerheid werd verlengd en hun bedrijven schade leden. (3) Dit bezwaar lijkt in tegenspraak met het verzoek van de betrokken exporteurs aan de Commissie om een aantal belangrijke kwesties in verband met het onderzoek diepgaander te analyseren: er moet op worden gewezen dat de Commissie in overweging 7 van de verordening voorlopig recht reeds verklaarde dat het onderzoek uitermate complex was. Gezien deze omstandigheden moest een verdere nauwgezette analyse van de door deze partijen aangevoerde argumenten en verlenging van de termijn voor het indienen van commentaren en antwoorden tot een minimum worden beperkt. (4) Na de instelling van de voorlopige antidumpingmaatregelen dienden de volgende belanghebbenden schriftelijk commentaar in: a) producenten/exporteurs in Japan: - Kobe Match Co. Ltd, lbo-gun, - Yaka Chemical Industry Co. Ltd, Himeji, - Daiwa Trading & Industrial Co. Ltd, Himeji, - Harima Match Company Co. Ltd, Himeji; b) de vertegenwoordiger van de bedrijfstak van de Gemeenschap namens de afnemers daarvan; c) importeurs in de Gemeenschap: - Advertising Support Gewerbeträger Vertriebs GmbH. (5) De partijen die daarom verzochten werden in de gelegenheid gesteld door de Commissie te worden gehoord. (6) De Commissie bleef gedurende de beschikbare tijd voortgaan met het opsporen en verifiëren van alle informatie die zij met het oog op het opstellen van haar definitieve bevindingen nodig achtte. (7) De partijen werden op de hoogte gesteld van de essentiële feiten en overwegingen op basis waarvan de instelling van definitieve antidumpingrechten en de definitieve inning van de voorlopige rechten zouden worden aanbevolen. Tevens werd een termijn ingesteld waarbinnen belanghebbenden op deze bekendmaking konden reageren. (8) De door de belanghebbenden ingediende commentaren werden in overweging genomen, en waar nodig in de definitieve bevindingen in aanmerking genomen, mits zij volledig waren gestaafd. 2. Verzoek tot beëindiging van de procedure (9) Japanse exporteurs verzochten om onmiddellijke beëindiging van de procedure omdat de Commissie artikel 7, lid 9, van de basisverordening zou hebben overtreden. Zij stelden dat het onderzoek van volstrekt gebruikelijke aard was en zeer waarschijnlijk binnen de daarvoor in de basisverordening gestelde termijn had kunnen worden afgerond. (10) Zoals reeds vermeld in overweging 7 van de verordening voorlopig recht, was de lange duur van het onderzoek voornamelijk te wijten aan de complexiteit ervan, met name doordat de vele ingediende cijfers en argumenten en de diverse vraagstukken en problemen die tijdens het onderzoek naar voren kwamen nauwgezet moesten worden geanalyseerd. Gezien de stelling van de Japanse exporteurs en de opmerkingen die door andere belanghebbenden inzake de duur van het onderzoek werden gemaakt, lijkt het passend uitgebreider in te gaan op de belangrijkste gebeurtenissen die op de duur van invloed waren. (11) Na de opening van het onderzoek in augustus 1994 werden aan ongeveer 15 ondernemingen in de Gemeenschap en in Japan drie verschillende vragenlijsten verzonden. Controlebezoeken werden gebracht en in de eerste helft van 1995 werden de voorlopige resultaten opgesteld. (12) Zoals in overweging 39 van de verordening voorlopig recht vermeld, was toen uit het onderzoek reeds gebleken dat de verkopen van de Japanse exporteurs in de Gemeenschap niet in hetzelfde handelsstadium plaatsvonden als het grootste deel van de verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bijgevolg moest een aanpassing voor het handelsstadium worden berekend. Daar het een aanzienlijke aanpassing betreft, die rechtstreeks van invloed is op de onderbiedingsmarges en bijgevolg op de hoogte van het eventuele antidumpingrecht, werd deze kwestie nauwgezet onderzocht vóór een voorlopig besluit werd genomen. Hieruit blijkt reeds dat het, in tegenstelling tot wat sommige Japanse exporteurs hadden beweerd, bij dit onderzoek om ingewikkelde vraagstukken ging. Geruime tijd moest worden besteed aan de beoordeling van de aanpassing voor het handelsstadium, waardoor niet voor eind 1995 een voorlopige conclusie inzake dit vraagstuk kon worden bereikt. (13) In de eerste helft van 1996 wees de vertegenwoordiger van de bedrijfstak van de Gemeenschap met klem op het belang van de segmentatie van de markt in drie hoofdcategorieën van afnemers. De bedrijfstak van de Gemeenschap verstrekte nieuwe gegevens over het verband tussen de segmentatie van de markt en de hoogte van de prijzen en relatieve kosten, ter aanvulling op de gegevens die reeds in de antwoorden op de vragenlijst waren verstrekt. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder a), van de basisverordening, verifieerde en analyseerde de Commissie alle gestaafde aanvullende gegevens, en ging zij na of deze in overeenstemming waren met de geverifieerde antwoorden op de vragenlijst die zij van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de Japanse exporteurs had ontvangen. Deze aanvullende werkzaamheden duurden tot eind 1996. (14) Voorts moet erop worden gewezen dat, in tegenstelling tot wat enkele Japanse exporteurs beweerden, de Commissie geen nieuwe antwoorden van de bedrijfstak in de Gemeenschap op de vragenlijst na de daarvoor vastgestelde termijn heeft aanvaard, maar dat zij het wenselijk achtte onderzoek te verrichten naar nieuwe met bewijsmateriaal gestaafde informatie, ter aanvulling op de reeds ontvangen gegevens. (15) Gedurende 1996 moest nog een aantal andere problemen worden opgelost. Enkele niet-verbonden importeurs en één producent in de Gemeenschap die zelf Japanse reclamelucifers met dumping invoerde, die aanvankelijk geen bezwaar hadden tegen de procedure, maakten hun standpunt bekend en voerden argumenten aan met betrekking tot de beoordeling van het belang van de Gemeenschap. Alle reacties, die in enkele gevallen pas eind 1996 werden ontvangen, moesten zorgvuldig worden bestudeerd. (16) In 1997 kwam het de Commissie ter kennis dat een van de Japanse exporteurs in het kader van het onderzoek misleidende informatie zou kunnen hebben verstrekt, en verzocht zij om aanvullende gegevens, zodat een definitief besluit kon worden genomen. Afdoend bewijsmateriaal werd pas onlangs ontvangen. (17) Gezien de genoemde feiten en overwegingen verwijst de Raad, hoewel het onderzoek inderdaad geruime tijd heeft geduurd, naar de verklaring in overweging 7 van de verordening voorlopig recht dat de duur van het onderzoek voornamelijk toe te schrijven is aan de complexiteit ervan, en is hij bijgevolg van oordeel dat er geen aanleiding toe is om de procedure op deze gronden te beëindigen. C. PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT (18) Ten behoeve van haar voorlopige bevindingen onderzocht de Commissie in de Gemeenschap geproduceerde en verkochte reclamelucifers, in Japan geproduceerde en verkochte reclamelucifers, alsmede reclamelucifers die uit Japan worden uitgevoerd naar de Gemeenschap als "soortgelijke producten" in de zin van artikel 2, lid 12, van de basisverordening, omdat zij identiek zijn of sterk gelijkende eigenschappen hebben. (19) Een van de importeurs verstrekte een lijst van circa 50 modellen die de Japanse exporteurs aan hun afnemers in de Gemeenschap kunnen aanbieden, en beweerde dat de bedrijfstak in de Gemeenschap slechts enkele modellen zou kunnen aanbieden. (20) Niet al deze Japanse modellen worden echter ook in de Gemeenschap verkocht; het betreft hier slechts een lijst van de modellen die de Japanse exporteurs aan hun afnemers in de Gemeenschap aanbieden. Bovendien weerlegde het onderzoek de bewering van een andere importeur dat de bedrijfstak in de Gemeenschap, in tegenstelling tot de Japanse exporteurs, geen groot assortiment aan reclamelucifers zou aanbieden. Het bleek dat de bedrijfstak in de Gemeenschap aan zijn afnemers meer dan 30 verschillende modellen verkocht, en dat in veel gevallen speciaal aan de eisen van de afnemers aangepaste modellen waren geproduceerd. (21) Daar inzake het betrokken product en de definitie van het "soortgelijke product" geen andere commentaren werden ontvangen, worden de bevindingen op dit punt, zoals deze in overweging 9 van de verordening voorlopig recht zijn vastgesteld, bevestigd. D. DUMPING 1. Normale waarde (22) Vóór de voorlopige maatregelen waren ingesteld, ontving de Commissie informatie dat de banden tussen de producent/exporteur Yaka en een andere Japanse producent, Nittosha Match Company Ltd., die zich in het kader van de procedure niet kenbaar had gemaakt, niet tot slechts een relatief klein aandelenbezit beperkt zouden kunnen zijn. De Commissie was van oordeel dat niet kon worden uitgesloten dat de uitvoerprijzen van Yaka door de banden met Nittosha waren beïnvloed, waardoor het antwoord van Yaka op de vragenlijst voor het onderzoek onbetrouwbaar zou zijn. De Commissie stelde Yaka onmiddellijk in kennis van de ernstige gevolgen die dit zou kunnen hebben. Nittosha deelde de Commissie uiteindelijk mede, dat het bedrijf tijdens het dumpingonderzoektijdvak het betrokken product naar de Gemeenschap had uitgevoerd; de uitgevoerde hoeveelheden waren echter verwaarloosbaar ten opzichte van de uitvoer van Yaka in dezelfde periode. Gezien deze omstandigheden kon de uitvoer van Nittosha de uitvoer van Yaka niet hebben beïnvloed; Yaka toonde bovendien met geverifieerde gegevens aan dat de transacties tussen de twee ondernemingen niet door de kleine aandelenparticipatie waren beïnvloed. De conclusie was dat er geen aanleiding bestond om de bevindingen ten aanzien van Yaka als onafhankelijke exporteur uit Japan te herzien. (23) Een van de Japanse producenten stelde dat voor exportorders van 5 000 eenheden de normale waarde uitsluitend op basis van deze hoeveelheden zou moeten worden vastgesteld, en niet tevens op basis van orders voor kleinere hoeveelheden, aangezien orders voor 1 000 of 2 000 eenheden doorgaans tegen hogere prijzen worden verkocht. Ten eerste werd door deze producent ten behoeve van deze procedure in zijn antwoord op de vragenlijst een categorie van orders van maximaal 5 000 eenheden gedefinieerd. Ten tweede bleken er voor deze bedrijfstak geen duidelijke prijsverschillen voor orders voor maximaal 5 000 eenheden te bestaan, en bleken orders voor aanzienlijk minder dan 5 000 eenheden slechts een verhoudingsgewijs klein aandeel van de categorie van maximaal 5 000 eenheden te vormen. Ten derde werden de normale waarde en de uitvoerprijs op basis van dezelfde productcategorie vastgesteld, wat wil zeggen dat de vergelijking rekening houdt met de omvang van de orders, voorzover deze volgens de normen van de industrie relevant wordt geacht. Deze stelling moet bijgevolg worden verworpen. (24) Ten aanzien van de vaststelling van de normale waarde werden geen andere commentaren ontvangen. De Raad is daarom van oordeel, dat de bevindingen zoals deze in de overwegingen 10 tot en met 17 van de verordening voorlopig recht zijn vastgesteld, moeten worden bevestigd. 2. Uitvoerprijs (25) Ten aanzien van de vaststelling van de uitvoerprijs, zoals vastgesteld in overweging 18 van de verordening voorlopig recht, werden geen commentaren ontvangen; de Raad is daarom van oordeel dat de daarin vermelde bevindingen moeten worden bevestigd. 3. Vergelijking (26) Een Japanse producent stelde dat de salarissen van verkooppersoneel buiten beschouwing moesten worden gelaten, daar bij de verkoop voor de uitvoer geen verkopers zouden zijn betrokken. Bij controle ten kantore van de betrokken onderneming bleek echter dat bij de uitvoer van reclamelucifers wel degelijk verkooppersoneel was betrokken. Om een eerlijke vergelijking te kunnen maken werd de uitvoerprijs bijgevolg aangepast op basis van de kosten van de voor uitvoer bestemde verkoop van het betrokken product. (27) Dezelfde Japanse onderneming herhaalde de stelling die zij reeds in de voorlopige fase van het onderzoek had geuit, namelijk dat de normale waarde uitsluitend op basis van de verkoop aan niet-verbonden distributeurs zou moeten worden bepaald, aangezien de exportverkoop volgens de onderneming uitsluitend in dit handelsstadium zou plaatsvinden. In overweging 20 van de verordening voorlopig recht wordt uiteengezet waarom deze stelling niet kon worden aanvaard. Daar de onderneming geen nieuwe argumenten ter ondersteuning van deze stelling heeft aangevoerd, wordt de verwerping van de stelling door de Raad bevestigd. (28) Twee Japanse producenten herhaalden hun stelling dat een aanpassing voor het vervaardigen van de film en het ontwerp nodig is. Deze stelling berust op het feit dat voor de verkoop naar de Gemeenschap de film doorgaans door de afnemer werd aangeleverd, terwijl voor de verkoop op de Japanse markt de film en het ontwerp over het algemeen door de producent werden vervaardigd. Een Japanse producent stelde voorts dat een aanpassing moest worden gemaakt voor binnenlandse orders waarvoor een speciaal type papier, zogeheten "Japans papier", werd gebruikt, omdat dit type afwerking niet voor de verkoop naar de Gemeenschap werd aangeboden. Beide stellingen werden in het stadium van de verordening voorlopig recht verworpen, daar de betrokken onderneming niet in staat was de marktwaarde van de verlangde aanpassing ten genoegen van de Commissie te becijferen. Na de bekendmaking van de essentiële feiten die tot de instelling van voorlopige maatregelen leidden, verstrekten de Japanse producenten aanvullende gegevens en verduidelijkingen, op basis waarvan de marktwaarde van de gevraagde aanpassingen kon worden bepaald. Een van de Japanse producenten was niet in staat om de marktwaarde van de gevraagde aanpassing aan te tonen. Daar de stelling zelf gerechtvaardigd werd geacht, werd de aanpassing voor deze producent verricht door verwijzing naar een andere producent in Japan. De stelling werd bijgevolg aanvaard voorzover deze gerechtvaardigd was. (29) Een Japanse producent handhaafde zijn reeds in het voorlopige stadium geponeerde stelling dat een aanpassing nodig was voor verschillen in levertijd. Dit verzoek berustte op de overweging dat de levertijd in het binnenland over het algemeen veel korter is dan voor uitvoertransacties, en dat aan de afnemers in de Gemeenschap lagere prijzen worden berekend vanwege de langere levertijd. De betrokken onderneming kon deze bewering niet staven; met name kon zij niet aantonen dat afnemers op de binnenlandse markt en de uitvoermarkt als gevolg van het verschil in levertijd consequent een verschillende prijs betalen. Deze eis moet daarom worden verworpen. 4. Dumpingmarges (30) Aangezien de uitvoerprijzen van de Japanse producenten over het algemeen op eenzelfde niveau staan en de binnenlandse markt in Japan homogeen is, stelde de klager dat de vastgestelde afzonderlijke dumpingmarges geen grote verschillen zouden vertonen. De klager verzocht de Commissie de bevindingen inzake dumping te herzien, in het bijzonder ten aanzien van Kobe en Yaka. Er wordt nogmaals op gewezen dat de dumpingmarge voor elke exporteur afzonderlijk wordt bepaald, door de normale waarde en de uitvoerprijs voor deze exporteur te vergelijken, zoals uiteengezet in de overwegingen 10 tot en met 24 van de verordening voorlopig recht. De Commissie kan in dit verband bevestigen dat de uitvoerprijzen die de Japanse exporteurs voor vergelijkbare typen producten berekenen, over het algemeen voor alle exporteurs op eenzelfde niveau liggen. Het onderzoek wees echter uit, dat de binnenlandse prijzen van diverse Japanse exporteurs aanzienlijk verschillen, wat bijgevolg de voornaamste reden is voor de variatie van de vastgestelde dumpingmarges. De klager voerde in dit verband voorts aan, dat de afzetkanalen van de Japanse producenten op hun binnenlandse markt vergelijkbaar zijn. Controle van de door de Japanse producenten verstrekte gegevens bevestigde deze stelling niet. Andere stellingen van de klager in verband met de voorlopige bevindingen inzake de dumpingmarges hadden betrekking op de kostenstructuur, de leeftijd van de werknemers, de lage productiviteit, het ontbreken van producenten van machines voor de productie van lucifers in Japan en het gebruik van verouderde en ontoereikende apparatuur. Aangezien het bewijsmateriaal dat de klager ter ondersteuning van zijn stellingen aanvoerde ofwel slechts indirect was, ofwel niet door de bevindingen van het onderzoek werd bevestigd, moeten deze stellingen worden verworpen. (31) Na overweging van de door de partijen aangevoerde argumenten en eventuele wijziging van de voorlopige bevindingen, werden voor de medewerkende producenten/exporteurs de onderstaande definitieve dumpingmarges vastgesteld, uitgedrukt in het percentage van de prijs franco grens Gemeenschap: >RUIMTE VOOR DE TABEL> (32) De Raad bevestigt de werkwijze die in overweging 24 van de verordening voorlopig recht voor de vaststelling van de dumpingmarge voor niet-medewerkende ondernemingen in Japan is gevolgd; deze werkwijze is gebaseerd op de beschikbare feiten die tijdens het onderzoek werden geverifieerd. De hoogste vastgestelde dumpingmarge, die voor een medewerkende producent in Japan 63,5 % bedroeg, is bijgevolg ook van toepassing op niet-medewerkende producenten in Japan. E. BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP (33) De meeste producenten van reclamelucifers in de Gemeenschap zijn lid van de Fédération européenne des fabricants d'allumettes (FEFA), de Europese organisatie die de klacht namens haar leden indiende. Deze producenten, gevestigd in Frankrijk, Spanje, Italië, België, Portugal en het Verenigd Koninkrijk, zijn in veel gevallen kleine of middelgrote ondernemingen met beperkte middelen. Daarom hebben, hoewel al deze producenten de klacht steunden, slechts de grotere producenten, die gezamenlijk 78 % van de totale productie in de Gemeenschap vervaardigen en derhalve duidelijk voldoen aan de criteria van artikel 4, lid 5, van de basisverordening, de Commissie bij het onderzoek hun actieve medewerking verleend. (34) Een Japanse exporteur bestreed de uitsluiting van een in Frankrijk gevestigde communautaire producent, die op de vragenlijst van de Commissie had geantwoord, van de gepubliceerde voorlopige resultaten. (35) De verklaring hiervoor is dat deze producent, hoewel hij de klacht steunde, door belangrijke interne problemen niet kon voldoen aan de eisen van de Commissie met betrekking tot onderzoek ter plaatse. Besloten werd daarom dat deze producent niet kon worden geacht actief aan de procedure mede te werken. Hij werd derhalve van de omschrijving van de bedrijfstak in de Gemeenschap uitgesloten. (36) Dit besluit is in overeenstemming met de inhoud van overweging 25 van de verordening voorlopig recht, die luidt dat onder de term "bedrijfstak van de Gemeenschap" die communautaire producenten van het soortgelijke product moeten worden verstaan, waarvan de gezamenlijke productie een belangrijk aandeel vormt van de totale productie in de Gemeenschap en die de klacht steunden en actief aan de procedure hebben medegewerkt. (37) Ondanks de verklaring in overweging 26 van de verordening voorlopig recht stelde een importeur van Japanse reclamelucifers in de Gemeenschap dat de belangrijkste klagende producent in de Gemeenschap van de bedrijfstak van de Gemeenschap diende te worden uitgesloten, aangezien deze, rechtstreeks of via verbonden ondernemingen, met dumping ingevoerde lucifers uit Japan verkocht in hoeveelheden die aanzienlijk meer dan 4 % van zijn eigen productie bedroegen. Ter ondersteuning van deze stelling werd een lijst verstrekt van dochterondernemingen van de genoemde klager die de reclamelucifers uit Japan zouden hebben ingevoerd. (38) De Commissie onderzocht opnieuw de omvang van de invoer van deze producent in de Gemeenschap, en bevestigde haar voorlopige bevinding dat de door deze producent ingevoerde hoeveelheden omstreeks 4 % van de totale eigen productie van reclamelucifers bedroegen. (39) Een andere exporteur voerde aan dat twee van de klagende producenten in de Gemeenschap geen reclamelucifers meer zouden produceren. Deze exporteur doelt op gebeurtenissen die na het onderzoektijdvak zouden hebben plaatsgevonden en derhalve normaliter buiten beschouwing moeten worden gelaten. Toch moet worden opgemerkt, dat er geen aanwijzingen zijn dat klagende producenten in de Gemeenschap de vervaardiging van het product waarop dit onderzoek betrekking heeft, hebben stopgezet. (40) De definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor de toepassing van deze procedure, alsmede de voorlopige bevindingen die de Commissie in dit verband heeft opgesteld, worden derhalve bevestigd. F. SCHADE 1. Schadeonderzoektijdvak en schadefactoren (41) Enkele exporteurs voerden aan dat de Commissie met betrekking tot het onderzoektijdvak voor de beoordeling van de schade niet consequent zou hebben gehandeld. (42) De periode waarop het schadeonderzoek betrekking had, betrof de gehele periode van 1 januari 1990 tot en met 30 juni 1994, zoals vermeld in overweging 7 van de verordening voorlopig recht. Het "onderzoektijdvak" ten behoeve van de dumpinganalyse betrof de periode van één jaar van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1994. De belangrijkste schade-indicatoren werden voor het gehele schadeonderzoektijdvak beoordeeld. In gevallen echter dat de verstrekte informatie niet volledig gestaafd of niet betrouwbaar was, en bijgevolg geen garantie bood voor een correcte analyse van een bepaalde schadefactor binnen het schadeonderzoektijdvak, achtte de Commissie het passend deze informatie buiten beschouwing te laten en haar conclusie op de beschikbare met bewijsmateriaal gestaafde gegevens te baseren. (43) Op verzoek van enkele exporteurs heeft de Commissie de beschikbare gegevens nader geverifieerd om haar analyse van bepaalde schadefactoren af te ronden. De resultaten zijn als volgt: a) Prijzen (44) Zoals vermeld in overweging 45 van de verordening voorlopig recht, werd 80 % van de gezamenlijke verkoop van luciferboekjes en lucifers in doosjes door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de markt van de Gemeenschap, bij de prijsvergelijking in aanmerking genomen. Van 1990 tot het onderzoektijdvak bleken de verkoopprijzen van de bedrijfstak in de Gemeenschap gemiddeld met 4 % te zijn gestegen. (45) Voor luciferboekjes en lucifers in doosjes zijn afzonderlijk verdere analyses uitgevoerd. Lucifers in doosjes maken omstreeks 60 % uit van de totale verkoop van lucifers door de bedrijfstak van de Gemeenschap, en omstreeks 80 % van de totale verkoop van de Japanse exporteurs op de markt van de Gemeenschap. Op basis hiervan werd vastgesteld dat de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor lucifers in doosjes in de periode van 1990 tot het onderzoektijdvak met 2 % waren gestegen, terwijl de verkoopprijzen van deze bedrijfstak voor luciferboekjes, een artikel dat een klein aandeel van de Japanse verkoop in de Gemeenschap betreft, in dezelfde periode met 10 % waren gestegen. b) Productiecapaciteit en bezettingsgraad (46) Op verzoek van een Japanse exporteur maakte de Commissie, ondanks de in overweging 44 van de verordening voorlopig recht omschreven problemen, naar beste vermogen een schatting van de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor reclamelucifers en de mate waarin deze wordt benut. In de bedrijfstak van de Gemeenschap bleek gemiddeld 222 dagen per jaar in een tweeploegenstelsel te worden gewerkt. Een redelijke gemiddelde bezettingsgraad voor deze tak van nijverheid zou op basis van deze gegevens omstreeks 75 % bedragen; de geschatte bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Gemeenschap was in de periode van 1990 tot het onderzoektijdvak echter voortdurend lager: omstreeks 56 %, met een piek van 59 % in 1991. c) Cashflow (47) Ter aanvulling op de voorlopige bevindingen zoals die in overweging 51 van de verordening voorlopig recht zijn weergegeven, werd vastgesteld dat de cashflow van de bedrijfstak van de Gemeenschap, berekend per gehele onderneming, voor de reclamesector die zich met name met reclamelucifers bezighoudt gedurende de periode van 1990 tot het onderzoektijdvak met 7 % was afgenomen. d) Rentabiliteit (48) Voor 1990, het eerste jaar van de onderzochte schadeperiode, werd vastgesteld dat de verkoop van het betrokken product door de bedrijfstak van de Gemeenschap nog winstgevend was, met een rendement van omstreeks 2,5 % van de omzet. 2. Segmentatie van de markt (49) Geen der betrokken partijen diende na de publicatie van de verordening voorlopig recht bezwaar in tegen de voorlopige conclusie in overweging 36 van die verordening, namelijk dat reclamelucifers in de Gemeenschap aan een aantal afzonderlijke categorieën afnemers worden verkocht, ingedeeld naar de omvang van hun orders. Ook de Japanse markt is ten behoeve van de vaststelling van dumping op een dergelijke wijze ingedeeld. Het onderzoek wees uit dat deze indeling in categorieën een cruciaal punt is, gezien de gevolgen voor prijzen en kosten. (50) Een Japanse exporteur merkte op dat de bedrijfstak van de Gemeenschap een verzoek had ingediend om een afnemer voor de bepaling van de schade buiten beschouwing te laten, omdat deze door de zeer grote omvang van diens aankopen niet rechtstreeks vergelijkbaar zou zijn met andere categorieën afnemers. De Commissie stelde vast dat de betrokken afnemer inderdaad opviel door de omvang van diens aankopen. Dit werd echter niet als voldoende reden beschouwd om deze afnemer bij de algemene schadebeoordeling buiten beschouwing te laten. 3. Kostenberekeningsmethode (51) Enkele exporteurs betwistten de methode die de bedrijfstak van de Gemeenschap voor de kostenberekening toepaste, en die door de Commissie voorlopig was aanvaard. Zij stelden dat de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten, die de bedrijfstak van de Gemeenschap over het aantal orders of over het aantal lucifersdoosjes berekende, in plaats daarvan over de omzet zouden moeten worden berekend. (52) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening moeten voor het onderzoek van dumping alle kostenberekeningen worden gebaseerd op de beschikbare boekhoudkundige gegevens, die gewoonlijk en waar nodig proportioneel worden toegerekend aan de omzet van elk betrokken product en voor elke betrokken markt. In dit geval lijkt een overeenkomstige benadering geboden. Deze benadering houdt in dat de geschiktheid van de kostentoerekeningsmethode beoordeeld moet worden aan de hand van de consequentie van de toepassing ervan, en dat uitsluitend bij het ontbreken van een meer geschikte methode de kosten op basis van de omzet moeten worden toegerekend. (53) Na de publicatie van de verordening voorlopig recht ging de Commissie door met het verzamelen van de nodige gegevens. Gezien de ontvangen inlichtingen besloot zij een zeer nauwkeurig onderzoek in te stellen ten kantore van de belangrijkste producent in de Gemeenschap die tot de bedrijfstak van de Gemeenschap werd gerekend, teneinde nogmaals diens toerekeningsmethode te verifiëren. Vastgesteld werd dat de toerekeningsmethode die door de Commissie in de voorlopige fase van het onderzoek was aanvaard, door de producent consequent werd toegepast, en in redelijke mate in overeenstemming was met de kosten van de productie en de verkoop van het onderzochte product. De inhoud van de overwegingen 49 en 50 van de verordening voorlopig recht wordt bijgevolg bevestigd. 4. Onderbieding en onderprijzing (54) Enkele Japanse exporteurs stelden ten aanzien van de prijsvergelijking dat rekening diende te worden gehouden met het verschil in levertijd, omdat de levertijd, met name voor kleine orders, van invloed is op de keuze van de afnemer en bijgevolg op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Deze exporteurs zetten uiteen, dat de langere levertijden te wijten waren aan het feit dat de Japanse lucifers doorgaans over zee naar de Gemeenschap worden vervoerd, waardoor de vervoerskosten aanzienlijk lager zijn en lagere prijzen kunnen worden berekend aan afnemers die bereid zijn enkele maanden op de levering van hun orders te wachten. Omdat de levertijden van de bedrijfstak van de Gemeenschap veel korter zijn, hebben de Japanse exporteurs geen andere keus dan hun prijzen te verlagen ter compensatie van de langere levertijden. Volgens deze Japanse exporteurs rechtvaardigt de langere levertijd een lagere prijs dan die welke door de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt berekend; volgens hun schatting bedraagt het prijsverschil circa 5 %, wat overeenstemt met de vastgestelde gemiddelde onderbieding. Om de in overweging 29 uiteengezette redenen werd deze stelling afgewezen. (55) Een Japanse exporteur bestreed de onderbiedings- en onderprijzingsmarges die voor hem waren vastgesteld, omdat deze waren berekend op basis van de prijzen van bepaalde basismodellen van de bedrijfstak van de Gemeenschap, die niet in alle opzichten identiek waren met de modellen die de betrokken onderneming naar de Gemeenschap uitvoerde. Gesteld werd dat het bij drie basismodellen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om luciferboekjes met houten lucifers ging, terwijl de door de onderneming uitgevoerde luciferboekjes van papier vervaardigde lucifers bevatten. Omdat deze laatste goedkoper zijn, verzocht de exporteur om een aanpassing die de marktwaarde van de uiteenlopende fysieke kenmerken van de genoemde modellen weerspiegelt. (56) Bij gebrek aan bewijs ter staving van de stelling van de exporteur, heeft de Commissie deze kwestie onderzocht aan de hand van de informatie waarover zij beschikt. Hieruit bleek dat vergelijkbare modellen luciferboekjes met houten en papieren lucifers niet noodzakelijk tegen verschillende prijzen werden verkocht. Een voorbeeld: een bepaald model met 20 % meer houten lucifers werd voor dezelfde prijs verkocht als het model met papieren lucifers. Dit lijkt erop te wijzen dat de Japanse prijzen eerder neerwaarts dan opwaarts zouden moeten worden aangepast. Op basis van de beschikbare gegevens en omdat de betrokken exporteur geen verder bewijsmateriaal ter ondersteuning van zijn stelling indiende, diende de Commissie deze bijgevolg buiten beschouwing te laten. (57) Dezelfde exporteur betwistte de methode die de Commissie voor de berekening van de mate van onderbieding en onderprijzing toepaste. Deze exporteur verzocht om berekening van zijn marges volgens de methode die in een andere antidumpingprocedure was toegepast. In het kader van de door de exporteur bedoelde antidumpingprocedure werden een gemiddelde verkoopprijs en een gemiddelde prijs waarbij geen schade optreedt voor alle verschillende modellen van het betrokken product berekend, terwijl de Commissie in de onderhavige procedure de prijzen voor ieder model afzonderlijk vergeleek. (58) Wordt het betrokken product niet in een homogene vorm verkocht en zijn er geen binnenlandse standaardmodellen die rechtstreeks kunnen worden vergeleken met ingevoerde standaardmodellen van het betrokken product, dan moet, om de prijzen te kunnen vergelijken, de meest geschikte maateenheid worden vastgesteld. Zoals in de overwegingen 36 tot en met 41 van de verordening voorlopig recht werd uiteengezet, bleken er op de markt van de Gemeenschap standaardmodellen reclamelucifers en verschillende categorieën afnemers te bestaan. Deze vertegenwoordigden een grote meerderheid van de handel. De verkoopprijzen van de diverse door de bedrijfstak van de Gemeenschap verkochte standaardmodellen van het soortgelijke product konden derhalve voor de belangrijkste categorieën afnemers voor elk model afzonderlijk worden vergeleken met verkoopprijzen van de standaardmodellen van de Japanse exporteurs. Daar de bij deze procedure gehanteerde methode de meest nauwkeurige is voor de bepaling van de onderbiedings- en onderprijzingsmarges, hecht de Raad zijn goedkeuring aan de afwijzing door de Commissie van het verzoek van de betrokken exporteur om diens marges te berekenen op basis van algemene gewogen gemiddelde prijzen. 5. Door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade (59) Een aantal Japanse exporteurs erkende dat de bedrijfstak van de Gemeenschap enige schade zou kunnen hebben geleden, doch stelde dat deze schade niet als "aanmerkelijk" kon worden beschouwd. Ten eerste omdat uitsluitend op kleine en middelgrote orders, die een beperkt aandeel in de totale markt voor reclamelucifers hebben, verlies werd geleden. Ten tweede omdat de conclusie van de Commissie dat er sprake was van schade slechts was gebaseerd op de negatieve ontwikkeling van één schadefactor, namelijk de rentabiliteit. Ten derde omdat een aantal factoren in het geheel niet op schade wees. (60) Wat het eerste argument betreft: kleine en middelgrote orders hebben een groot aandeel in de markt van de Gemeenschap, namelijk in volume uitgedrukt rond 59 %, en in waarde uitgedrukt rond 67 %. Deze marktsegmenten kunnen bijgevolg worden aangemerkt als de belangrijkste inkomstenbronnen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Zelfs al zou deze bedrijfstak in het segment grote orders nog goede resultaten behalen, dan nog moet de bedrijfstak, om in dit segment te kunnen concurreren, zijn algehele financiële levensvatbaarheid kunnen handhaven. De verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, die gedurende het gehele onderzoektijdvak negatieve resultaten bleek te behalen, vormt derhalve een bedreiging voor de gehele sector reclamelucifers in de Gemeenschap. (61) De bovengenoemde exporteurs stelden dat sommige schadefactoren erop wezen, dat er van schade geen sprake was, doch zij gaven niet aan op welke indicatoren zij doelden. De bewering dat de Commissie haar conclusie slechts op één schadefactor zou hebben gebaseerd is bovendien onjuist. Vastgesteld werd dat in de onderzochte periode de werkgelegenheid in de sector reclamelucifers met 13 % was gedaald, dat het aandeel, uitgedrukt in waarde, van bedrijfstak van de Gemeenschap in de communautaire markt met omstreeks 10 % was afgenomen, dat de cashflow met 7 % was afgenomen en dat de algehele rentabiliteit negatief was geworden, terwijl die in 1990 nog 2,5 % bedroeg. Bovendien kan niet worden genegeerd dat er een neerwaartse druk was op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor lucifers in doosjes, die 60 % van de totale verkoop van deze bedrijfstak vertegenwoordigen, en dat het feit dat de verkoopprijs voor lucifers in het algemeen gedurende het onderzoektijdvak een geringe stijging van 4,3 % vertoonde, zelfs niet opweegt tegen de effecten van de inflatie. Deze prijsdruk is zeker een belangrijke factor geweest voor de verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. (62) Deze exporteurs verstrekten tevens jaarrekeningen van de belangrijkste klagende producent in de Gemeenschap, en berekenden dat het rendement op de investeringen in het jaar 1995, dus na het onderzoektijdvak, voor deze producent 28,65 % bedroeg. Dit hoge rendementscijfer zou moeten aantonen dat de desbetreffende producent in de Gemeenschap in een uitstekende financiële situatie verkeert. Voor de berekening van dit rendement op investeringen pasten de genoemde exporteurs de winstmarge op grote orders, als vermeld in overweging 50 van de verordening voorlopig recht, toe op de totale omzet als vermeld in de door hen verstrekte jaarrekeningen. Zij stelden voorts de verhouding vast tussen deze geëxtrapoleerde winstmarge en het eigen vermogen als vermeld in de jaarrekeningen. (63) Deze exporteurs lijken het rendement op investeringen te hebben verward met het rendement op het eigen vermogen. Bovendien waren de door hen verstrekte jaarrekeningen geconsolideerd, wat wil zeggen dat een aantal activiteiten waarop het onderzoek geen betrekking had erin was opgenomen. De verkoopwaarde van de grote orders bedroeg slechts 0,4 % van de omzet als vermeld in de geconsolideerde jaarrekeningen. Een dergelijke raming van het rendement op investeringen moet bijgevolg buiten beschouwing worden gelaten en als onjuist en misleidend worden aangemerkt. 6. Conclusie inzake schade (64) Op basis van bovenstaande feiten en overwegingen en gezien de verslechtering van een aantal schade-indicatoren, zoals rentabiliteit, marktaandeel in termen van waarde, cashflow en werkgelegenheid, in combinatie met een geringe bezetting van de productiecapaciteit en de gevolgen van een onbevredigende prijsontwikkeling, bevestigt de Raad dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. C. OORZAKELIJK VERBAND (65) De Commissie onderzocht bij het voorlopige onderzoek in hoeverre de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade veroorzaakt was door de gevolgen van de Japanse invoer met dumping; tevens onderzocht zij of andere factoren deze schade hadden veroorzaakt of daartoe hadden bijgedragen, teneinde te waarborgen dat deze door andere factoren veroorzaakte schade niet zou worden toegeschreven aan de onderzochte invoer met dumping. De andere onderzochte factoren waren de ontwikkling van het verbruik, de concurrentie van andere producenten in de Gemeenschap, andere invoertransacties, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap, alsmede het gedrag van de belangrijkste ondernemingen gedurende de onderzochte periode. (66) Niettegenstaande deze nauwgezette analyse van de oorzaak van de schade werd door een aantal exporteurs aangevoerd dat geen oorzakelijk verband was vastgesteld tussen de veronderstelde invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade. Zij stelden dat het aandeel van de Japanse exporteurs in de markt van de Gemeenschap niet was toegenomen, hoewel hun invoerprijzen met 40 % waren gestegen. Bovendien begrepen zij niet waarom in het segment grote orders, waar voor de Japanse exporteurs de hoogste onderbiedingsmarge was vastgesteld, geen oorzakelijke effecten leken te bestaan, maar daarentegen een winstgevende situatie was ontstaan. (67) Zoals is opgemerkt in de overwegingen 58 tot en met 62 van de verordening voorlopig recht, dient echter in aanmerking te worden genomen, dat het aandeel van de laaggeprijsde invoer met dumping uit Japan in de communautaire markt, uitgedrukt in waarde, met 24 % was toegenomen, terwijl de bedrijfstak van de Gemeenschap 10 % van dit aandeel had verloren. Van 1990 tot het onderzoektijdvak stonden de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap voortdurend onder druk en onderboden de Japanse producten deze prijzen, ondanks een aanzienlijke prijsstijging, nog steeds met gemiddeld 6,2 %. In de loop der jaren leidde deze situatie tot ernstige moeilijkheden voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, die daardoor gedurende het onderzoektijdvak met een negatieve rentabiliteit werd geconfronteerd. Nog een verband tussen de negatieve situatie van de bedrijftak van de Gemeenschap en de invoer met dumping uit Japan bleek uit het feit dat de opbrengst van de verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienljk lager was in de marktsegmenten waar de Japanse producten het sterkst aanwezig waren, namelijk de kleine en middelgrote orders. (68) De Commissie onderzocht voorts voor elke categorie afnemers, ingedeeld naar de omvang van de orders in waarde en in volume, het marktaandeel voor reclamelucifers, zoals in onderstaande tabel weergegeven. De cijfers werden vastgesteld voor het dumpingonderzoektijdvak (1 juli 1993 tot en met 30 juni 1994) op basis van meer dan 80 % van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap en rond 80 % van de verkoop van de Japanse exporteurs op de markt van de Gemeenschap. >RUIMTE VOOR DE TABEL> (69) Uit deze cijfers blijkt dat, hoewel de omvang van de markt voor grote orders omstreeks 41 % van de totale markt voor reclamelucifers bedraagt, het aandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor grote orders bijna tien maal zo groot is als dat van de Japanse exporteurs. De geringe hoeveelheden die de Japanse exporteurs in dit marktsegment verkochten, verklaren waarom daar slechts beperkte gevolgen werden vastgesteld. (70) De andere twee marktsegmenten vertegenwoordigen omstreeks 60 % van de omvang en omstreeks 67 % van de waarde van de totale markt, wat wil zeggen dat dit de belangrijkste segmenten zijn van de markt voor reclamelucifers. (71) De laaggeprijsde Japanse invoer met dumping richt zich daarom op deze hoofdsegmenten van de markt van de Gemeenschap, met een marktaandeel (47 %) in deze segmenten dat vergelijkbaar is met dat van de bedrijfstak van de Gemeenschap (53 %). De grote hoeveelheden die de Japanse exporteurs verkopen, in combinatie met de voortdurende prijsdruk sinds 1990 in deze belangrijke marktsegmenten, hebben de bedrijfstak van de Gemeenschap duidelijk aanmerkelijke schade berokkend. (72) Zoals reeds vermeld in overweging 45 hebben de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor lucifers in boekjes en lucifers in doosjes zich van 1990 tot het onderzoektijdvak verschillend ontwikkeld. De prijzen van lucifers in doosjes daalden met 2 %, terwijl de prijzen van lucifers in boekjes met 10 % stegen. Omdat de Japanse verkoop in de genoemde periode voor het grootste deel lucifers in doosjes betreft (ca. 80 %), is er een duidelijk verband te leggen tussen de negatieve prijsontwikkeling voor lucifers in doosjes en de aanwezigheid van Japanse invoer met dumping op de markt van de Gemeenschap. (73) Op basis van de in de bovenstaande overwegingen uiteengezette bevindingen bevestigt de Raad derhalve, dat de laaggeprijsde invoer met dumping uit Japan, als op zichzelf staande factor, de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft berokkend. H. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP (74) In de verordening voorlopig recht zette de Commissie uiteen waarom optreden in het belang is van de Gemeenschap. Er wordt in dit verband op gewezen dat de andere producenten in de Gemeenschap kleine of middelgrote ondernemingen zijn, die circa 22 % van de totale productie van het betrokken product in de Gemeenschap voor hun rekening nemen. Dat de grote meerderheid (90 %) van deze producenten de klacht consequent heeft gesteund, wijst erop dat zij het in hun belang achten dat door middel van antidumpingmaatregelen de eerlijke handelspraktijk op de markt van de Gemeenschap wordt hersteld. (75) Wat het onderzoek in het kader van de mededingingswetgeving naar de grootste producent op de communautaire markt betreft, is het de Commissie bekend dat bij de bevoegde diensten van de Commissie een klacht is ingediend dat Swedish Match zijn dominante positie zou misbruiken en misbruikt zou hebben door een overnamebeleid te voeren en afbraakprijzen te hanteren. Deze klacht is afgewezen, zonder dat de klager daartegen bezwaar indiende, omdat geen bewijs werd gevonden of was geleverd voor het bestaan van het vermeende misbruik. (76) Ten aanzien van de beschuldiging als zou de grootste producent in de Gemeenschap een langetermijnbeleid van verkoop met verlies voeren of kunnen gaan voeren, worden de opmerkingen in overweging 94 van de verordening voorlopig recht bevestigd; hieraan kan echter worden toegevoegd dat de beweringen die in dit verband werden gedaan gebaseerd waren op slechts enkele offertes, die betrekking hadden op een zeer korte periode na het onderzoektijdvak. Deze stellingen moeten buiten beschouwing worden gelaten, omdat het aantal offertes zeer klein is (drie), en deze offertes betrekking hebben op een periode na het onderzoektijdvak. (77) Na beoordeling van alle verschillende belangen en om de redenen die in de verordening voorlopig recht zijn uiteengezet, komt de Raad tot de slotsom, dat instelling van definitieve maatregelen over het geheel genomen in het belang van de Gemeenschap is. I. ANTIDUMPINGMAATREGELEN (78) Op basis van bovenstaande conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Gemeenschap, werd beoordeeld wat de hoogte en de vorm van de te nemen antidumpingmaatregelen zouden moeten zijn om de verstoring van het handelsverkeer door schadelijke dumping weg te nemen en de daadwerkelijke mededinging op de markt van de Gemeenschap te herstellen. (79) Na de publicatie van de verordening voorlopig recht stelde de Commissie vast, dat bij het bepalen van het niveau waarbij de schade wordt weggenomen, de aanpassing voor het handelsstadium was toegepast op de wederverkoopprijzen van niet-verbonden importeurs in plaats van op de verkoopprijzen in de Gemeenschap van de Japanse exporteurs. De schademarges zijn daarom opnieuw berekend. (80) Daar de schademarge, dat wil zeggen het prijsniveau waarbij de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping zouden zijn weggenomen, lager was dan de dumpingmarge die voor drie van de bij het onderzoek betrokken exporteurs was vastgesteld, werd de schademarge gebruikt als uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de op deze exporteurs toe te passen maatregelen. Voor één exporteur werd de dumpingmarge, die lager was dan de vastgestelde schademarge, gebruikt als uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de toe te passen maatregelen. (81) Gezien het bovenstaande dienen definitieve rechten te worden ingesteld in de vorm van ad valorem-rechten. (82) De klager stelde dat voor alle medewerkende producenten/exporteurs hetzelfde recht zou moeten worden ingesteld, teneinde de mogelijkheid van ontduiking van de rechten weg te nemen. Deze stelling was gebaseerd op een rapport van een Japans instituut voor economisch onderzoek, waarin werd beweerd dat het Japanse bedrijfsleven nauw zou samenwerken op het gebied van de prijsstelling voor het binnenland en de uitvoerprijzen. De gegevens die de Commissie heeft verzameld en ter plaatse heeft geverifieerd leveren niet het geringste bewijs voor het bestaan van onderlinge prijsafspraken tussen Japanse ondernemingen, in ieder geval niet wat betreft de binnenlandse prijzen, en dus de normale waarde (zie de overwegingen 22 en 23). Instelling van hetzelfde recht voor alle producenten/exporteurs, ongeacht de verschillende normale waarden die voor hen gelden, zou bovendien een mate van willekeur inhouden, die niet kan worden gerechtvaardigd door louter de onbewezen mogelijkheid van ontduiking van de rechten. De stelling wordt bijgevolg verworpen. J. INVORDERING VAN HET VOORLOPIGE RECHT (83) Gezien de hoogte van de dumpingmarges die voor de producenten/exporteurs zijn vastgesteld en de ernst van de schade die aan de bedrijfstak van de Gemeenschap is toegebracht, dienen de bedragen waarvoor zekerheid was gesteld uit hoofde van het voorlopige recht definitief te worden ingevorderd ten belope van het bedrag van het definitief ingestelde recht, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Op de invoer van reclamelucifers van oorsprong uit Japan worden definitieve antidumpingrechten ingesteld. Het bedoelde product is ingedeeld onder GN-code ex 3605 00 00 (Taric-code 3605 00 00*10). Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "reclamelucifers" verstaan: lucifers die voorzien zijn van een reclameboodschap, anders dan of naast het beeldmerk of de gegevens van de fabrikant van de lucifers. 2. Het recht dat van toepassing is op de nettoprijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt voor de toepassing van deze verordening 43,2 % (aanvullende Taric-code 8900), behalve voor de invoer van producten die door de onderstaande ondernemingen zijn vervaardigd en uitgevoerd, waarvoor het volgende recht geldt: a) 27,8 % voor door Daiwa Trading & Industrial Co. Ltd (Taric-code 8022) vervaardigde en uitgevoerde producten; b) 9,8 % voor door Kobe Match Co. Ltd (Taric-code 8023) vervaardigde en uitgevoerde producten; c) 10,3 % voor door Yaka Chemical Industry Co. Ltd (Taric-code 8024) vervaardigde en uitgevoerde producten. 3. Tenzij anders bepaald zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing. Artikel 2 De bedragen waarvoor op grond van Verordening (EG) nr. 1092/97 zekerheid was gesteld uit hoofde van het voorlopige recht worden definitief ingevorderd ten belope van het bedrag van het definitief ingestelde recht. De als zekerheid geïnde bedragen die het bedrag van de definitieve antidumpingrechten overschrijden, worden vrijgegeven. Artikel 3 Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 15 oktober 1997. Voor de Raad De Voorzitter J. POOS (1) PB L 56 van 6. 3. 1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2331/96 (PB L 317 van 6. 12. 1996, blz. 1). (2) PB L 209 van 2. 8. 1988, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 522/94 (PB L 66 van 10. 3. 1994, blz. 10). (3) PB L 158 van 17. 6. 1997, blz. 8.