31997R1991

Verordening (EG) nr. 1991/97 van de Raad van 13 oktober 1997 tot intrekking van de antidumpingmaatregelen die werden ingesteld op de invoer van dinatriumcarbonaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

Publicatieblad Nr. L 282 van 15/10/1997 blz. 0001 - 0003


VERORDENING (EG) Nr. 1991/97 VAN DE RAAD van 13 oktober 1997 tot intrekking van de antidumpingmaatregelen die werden ingesteld op de invoer van dinatriumcarbonaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), hierna "basisverordening" te noemen, inzonderheid op artikel 9 en artikel 11, lid 3,

Gelet op het voorstel dat de Commissie na overleg in het kader van het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A. VORIGE PROCEDURE

(1) Bij Verordening (EG) nr. 2381/95 stelde de Raad een definitief antidumpingrecht in op de invoer van dinatriumcarbonaat van oorsprong uit de VS en besloot hij het ingestelde voorlopige recht definitief te innen (2).

(2) In Verordening (EG) nr. 2381/95 was bepaald dat de Commissie één jaar na de instelling van de maatregelen een nieuw onderzoek naar deze maatregelen zou instellen om met name de toestand op de sodamarkt van de Gemeenschap en de positie van de sodaverwerkende bedrijven in de Gemeenschap na te gaan.

(3) Op 13 juli 1996 werd krachtens artikel 11, lid 3, van de basisverordening door vier producenten/exporteurs in de Verenigde Staten, namelijk FMC Corporation, General Chemical (Soda Ash) Partners, North American Chemical Company en OCI Chemical Corporation een verzoek ingediend om een tussentijds nieuw onderzoek van de maatregelen in kwestie overeenkomstig het bericht van de Commissie betreffende de toepassing van de in de Gemeenschap geldende antidumpingmaatregelen ten aanzien van Oostenrijk, Finland en Zweden na de toetreding van deze landen (95/C 40/07) (3).

B. NIEUW ONDERZOEK

(4) Op basis van het bovenstaande besloot de Commissie om ingevolge artikel 11, lid 3, van de basisverordening (4) op eigen initiatief een tussentijds nieuw onderzoek naar de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van dinatriumcarbonaat van oorsprong uit de VS in te leiden.

C. PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1. Product

(5) Het betreft dinatriumcarbonaat (soda); kenmerkend voor dit product is dat het als hoofdbestanddeel NA2CO3 (watervrij dinatriumcarbonaat) bevat. Het is ingedeeld onder GN-code 2836 20 00.

(6) Soda wordt hoofdzakelijk gebruikt in de volgende bedrijfstakken: de glasindustrie, de staalindustrie, de chemische nijverheid, de bedrijfstak die detergenten vervaardigt, de papiernijverheid, de pulpindustrie, de levensmiddelenindustrie en de bedrijfstak die zich met waterbehandeling bezighoudt.

2. Soortgelijk product

(7) Aangetoond werd dat de soda die vervaardigd en verkocht wordt in de Gemeenschap en de soda die vervaardigd en verkocht wordt in de Verenigde Staten van Amerika en van daaruit naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd, soortgelijk zijn wat hun essentiële fysische kenmerken en technische eigenschappen en hun mogelijke aanwending betreft. Bijgevolg worden al deze producten beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

D. OMSCHRIJVING VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

(8) De bedrijfstak van de Gemeenschap bestaat uit de volgende producenten die medewerking aan het onderzoek verlenen en allen lid zijn van de European Chemical Industry Council (CEFIC), die de klagende partij vormt:

- Solvay Österreich A.G. (A)

- Solvay SA (B)

- Akzo Chemicals BV (NL)

- Solvay SA (F)

- Rhône-Poulenc SA (F)

- Matthes & Weber GmbH (D)

- Solvay Alkali GmbH (D)

- Sodawerk Stassfurt GmbH (D)

- Solvay SA, Milano (I)

- Solvay Portugal Productos Quimicos SA (P)

- Solvay SA (ES)

- Brunner Mond (UK) Ltd (UK).

E. INTREKKING VAN DE STEUN AAN DE PROCEDURE

(9) Op 8 april 1997 trokken vier producenten in de Gemeenschap, die samen ongeveer 80 % van de totale productie van soda in de Gemeenschap voor hun rekening nemen, hun steun aan de antidumpingprocedure in en bijgevolg ook aan het lopende nieuwe onderzoek in om redenen die verband houden met de positie van deze bedrijven op de markt van de Gemeenschap. Twee producenten van de Gemeenschap die samen ongeveer 20 % van de totale productie van de Gemeenschap voor hun rekening nemen, handhaafden hun steun aan de procedure en aan de voortzetting van het onderzoek.

(10) Deze situatie deed zich voor op een ogenblik waarop het onderzoek naar de dumping en de schade niet volledig was beëindigd.

F. ANALYSE

(11) De Raad oordeelt dat ingevolge artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening een procedure dient te worden beëindigd wanneer zij niet langer wordt gesteund door producenten van de Gemeenschap die samen een groot deel van de totale productie van de Gemeenschap voor hun rekening nemen, tenzij deze beëindiging van de procedure niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn. Volgens bovenbedoelde bepalingen wordt onder "een groot deel" 25 % van de totale productie van de Gemeenschap van het soortgelijk product verstaan.

(12) Eén producent voerde aan dat de beëindiging van de procedure niet in het belang van de Gemeenschap is, aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap in dat geval onbeschermd zou zijn tegen sporadische dumping door de producenten van de VS, zoals in het verleden het geval was. Dit zou negatieve gevolgen kunnen hebben voor de economische en financiële situatie alsmede voor de werkgelegenheid en de omvangrijke investeringen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Voorts werd aangevoerd dat minstens eerst diende te worden overgegaan tot opschorting van de maatregelen voor een periode van negen maanden, overeenkomstig artikel 14, lid 4, van de basisverordening.

(13) Samengevat komen de argumenten van de betrokken producent erop neer dat een niet zo groot gedeelte van de bedrijfstak van de Gemeenschap schade zou ondervinden indien de procedure werd beëindigd. Op zich is dit volgens artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening onvoldoende om een antidumpingprocedure verder te zetten. Er werden in verband met het belang van de Gemeenschap geen bijzondere redenen aangevoerd om de maatregelen ondanks de intrekking van de steun door de producenten te handhaven. Derhalve dienden de argumenten van deze producent van de hand te worden gewezen. In verband met het verzoek om opschorting van de maatregelen werden geen argumenten aangevoerd waaruit bleek dat aan de criteria van artikel 14, lid 4, van de basisverordening is voldaan. Derhalve kan het verzoek om opschorting evenmin worden aanvaard.

G. CONCLUSIES

(14) De Raad concludeert dat hij geen enkele reden ziet om de procedure verder te zetten. Verordening (EG) nr. 2381/95 dient derhalve te worden ingetrokken.

(15) De Commissie bracht de belanghebbende partijen op de hoogte van haar voornemen de antidumpingmaatregelen met betrekking tot dinatriumcarbonaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika in te trekken; deze partijen hebben geen andere standpunten ingediend dan die welke zijn opgenomen in de overwegingen 12 en 13,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld bij Verordening (EG) nr. 2381/95 op de invoer van dinatriumcarbonaat (soda), ingedeeld onder GN-code 2836 20 00, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika worden hierbij ingetrokken.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 13 oktober 1997.

Voor de Raad

De Voorzitter

J.-C. JUNCKER

(1) PB L 56 van 6. 3. 1996, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2331/96 (PB L 317 van 6. 12. 1996, blz. 1).

(2) PB L 244 van 12. 10. 1995, blz. 32.

(3) PB C 40 van 17. 2. 1995, blz. 5.

(4) PB C 253 van 31. 8. 1996, blz. 23.