Verordening (EG) nr. 1950/97 van de Raad van 6 oktober 1997 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van zakken van polyethyleen of van polypropyleen, van oorsprong uit India, uit Indonesië en uit Thailand en tot definitieve invordering van het ingesteld voorlopig recht
Publicatieblad Nr. L 276 van 09/10/1997 blz. 0001 - 0008
VERORDENING (EG) Nr. 1950/97 VAN DE RAAD van 6 oktober 1997 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van zakken van polyethyleen of van polypropyleen, van oorsprong uit India, uit Indonesië en uit Thailand en tot definitieve invordering van het ingesteld voorlopig recht DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 9, Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg in het kader van het Raadgevend Comité heeft ingediend, Overwegende hetgeen volgt: I. VOORLOPIGE MAATREGELEN (1) Bij Verordening (EG) nr. 45/97 van de Commissie (2) (hierna de verordening voorlopig recht genoemd) werden voorlopige rechten ingesteld op de invoer in de Gemeenschap van zakken van de GN-codes 6305 32 81 en 6305 33 91, van oorsprong uit India, Indonesië en Thailand. Het voorlopige antidumpingrecht werd bij Verordening (EG) nr. 1168/97 van de Commissie (3) verlengd met een maximale periode van drie maanden. II. HIEROPVOLGENDE PROCEDURE (2) Nadat de voorlopige antidumpingmaatregelen waren ingesteld dienden verschillende betrokken partijen schriftelijk hun opmerkingen in. (3) De partijen die hiertoe een verzoek hadden ingediend werden in de gelegenheid gesteld om door de Commissie te worden gehoord. (4) De Commissie ging verder met het verzamelen en verifiëren van alle informatie die zij nodig achtte voor haar definitieve conclusies. (5) De partijen werden op de hoogte gesteld van de fundamentele feiten en overwegingen op basis waarvan instelling van definitieve antidumpingrechten en definitieve invordering van de bedragen die in de vorm van voorlopige rechten als zekerheid waren gesteld, zou worden aanbevolen. Tevens kregen zij een termijn waarbinnen zij na deze bekendmaking protest konden aantekenen. (6) Met de mondeling en schriftelijk ingediende opmerkingen van de betrokken partijen werd daar waar van toepassing, rekening gehouden in de definitieve conclusies. III. PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT (7) Een aantal exporteurs betwistte de conclusie in de verordening voorlopig recht die ertoe strekt dat linonzakken tot het betrokken product werden gerekend. Zij herhaalden de bij overweging 8 van de verordening voorlopig recht uiteengezette argumenten. Het feit dat linonzakken niet volledig uitwisselbaar zijn met alle andere soorten van het betrokken product vormt evenwel geen beletsel om deze zakken als één enkel product te beschouwen. Het is voldoende dat deze productsoorten dezelfde fysieke basiskenmerken en dezelfde basistoepassingen hebben. Dit is duidelijk het geval voor linonzakken vergeleken met andere soorten polyolefinzakken waarop het onderzoek betrekking heeft. De voorlopige conclusies met betrekking tot de beschrijving van het betrokken product worden derhalve bevestigd. (8) Het argument van deze exporteurs dat de communautaire bedrijfstak geen linonzakken vervaardigt is ongegrond. Het is namelijk niet noodzakelijk dat een productsoort door de communautaire bedrijfstak wordt vervaardigd om te worden bestreken door een anti-dumpingprocedure. Desalniettemin wees het onderzoek uit dat drie van de communautaire producenten die hun medewerking hebben verleend, tevens linonzakken vervaardigen en verkopen. De communautaire bedrijfstak produceert dus wel degelijk het soortgelijk product in de zin van artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 (hierna "basisverordening" genoemd). (9) Een importeur verzocht stortgoedverpakking van flexibel halfzwaar materiaal met een gewicht van 120 g/m² of minder (zogenaamde grote zakken) uit te sluiten van de procedure. Hij voerde aan dat grote zakken tot begin 1995 alleen konden worden vervaardigd van materiaal met een gewicht van 120 g/m² of meer. Ondertussen heeft de technologische vooruitgang ervoor gezorgd dat materiaal met een gewicht van slechts 100 g/m² nu kan worden gebruikt voor de vervaardiging van grote zakken. De importeur in kwestie wees erop dat grote zakken met een gewicht van 120 g/m² of minder eenvoudig geïdentificeerd kunnen worden omdat zij onder een afzonderlijke GN-code vallen. (10) Op dit verzoek kon niet worden ingegaan. Ten eerste bestreek de klacht alle zakken vervaardigd van strippen van polyethyleen of van polypropyleen, andere dan van brei- of haakwerk, waarvan het weefsel niet meer dan 120 g/m² weegt. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen grote zakken en andere soorten zakken. Op de tweede plaats hebben grote zakken en andere soorten zakken waarop het onderzoek betrekking heeft, dezelfde fysieke/chemische basiskenmerken en dezelfde toepassingen, d.w.z. ze zijn gemaakt van dezelfde grondstof en worden gebruik voor verpakkings- en vervoersdoeleinden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat zelfs indien een specifiek soort van het betrokken product niet bestond of tijdens het onderzoektijdvak niet in brede kring werd gebruikt, de definitie van het product tevens soorten bestrijkt die naderhand worden ontwikkeld, mits deze soorten dezelfde fysieke/chemische/technologische basiskenmerken en dezelfde toepassingen hebben. (11) De verordening voorlopig recht vermeldde bij overweging 6 dat het betrokken product onder de GN-codes 6305 32 81 en 6305 33 91 valt. De Commissie heeft echter gemerkt dat de zakken waarop dit onderzoek van toepassing is kunnen worden ingedeeld onder GN-code 3923 21 00, 3923 29 10 en 3923 29 90 terwijl ze tegelijkertijd voldoen aan de beschrijving van het betrokken product wanneer dit vervaardigd is van materiaal dat hetzij geweven is van een strip van meer dan 5 mm breed, hetzij aan beide zijden is gelamineerd zodanig dat dit zichtbaar is voor het blote oog. Zakken die onder de beschrijving van het betrokken product vallen en worden ingedeeld onder andere GN-codes dan die welke in de verordening voorlopig recht werden vermeld, zouden derhalve eveneens onder dit onderzoek moeten vallen. De conclusies in de verordening voorlopig rechtsverordening met betrekking tot de definitie van het betrokken product en het soortgelijk product worden derhalve bevestigd. IV. DUMPING 1. Normale waarde a) India (12) Drie Indiase exporterende producenten hebben bezwaar gemaakt tegen de methode die werd gebruikt om vast te stellen of hun verkoop plaatsvond in het kader van normale handelstransacties. Zij voerden aan dat - omdat de kosten van de grondstoffen tijdens het onderzoekstijdvak sterk waren gestegen - de maandelijkse productiekosten, en niet de jaarlijkse kosten hadden moeten worden gebruikt om vast te stellen hoeveel verkoop met verlies plaatsvond. Ervan uitgaande dat grondstoffen het belangrijkste element vormen van de totale productiekosten van het product, werden voor de bedrijven die dergelijke informatie hadden verschaft, de hoeveelheden die verkocht werden tegen prijzen die lager lagen dan de kosten per eenheid, opnieuw berekend aan de hand van de maandelijkse productiekosten. (13) Verschillende Indiase exporterende producten maakten bezwaar tegen de wijze waarop artikel 2, lid 4, van de basisverordening door de Commissie werd toegepast. Zij verlangden dat de gewogen gemiddelde verkoopprijzen werden vergeleken met de gewogen gemiddelde kosten van de productsoorten in kwestie zonder de verkopen die met verlies gepaard gingen buiten beschouwing te laten. Hoewel sommige prijzen onder de kostprijs lagen ten tijde van de verkoop, lag de gemiddelde verkoopprijs van het product boven de gewogen gemiddelde kosten. Overeenkomstig de derde alinea van artikel 2, lid 4, van de basisverordening wordt voor de normale waarde gewoonlijk uitgegaan van alle verkopen, met inbegrip van die welke met verlies plaatsvonden indien aan twee voorwaarden is voldaan: - de gewogen gemiddelde productiekosten zijn lager dan de gewogen gemiddelde verkoopprijs voor een bepaald product, en - de omvang van de binnenlandse verkoop met verlies bedraagt minder dan 20 % van de totale verkoop. Omdat een andere aanpak in strijd zou zijn met artikel 2, lid 4, moest het verzoek van de Indiase exporteurs worden afgewezen. (14) Eén Indiase exporterende producent die het product in onvoldoende hoeveelheden op de binnenlandse markt verkocht en die productsoorten uitvoerde die door andere producenten/exporteurs in het betrokken land werden verkocht, voerde aan dat de berekening van de normale waarde zou moeten worden samengesteld en niet gebaseerd zou mogen worden op prijzen die in rekening worden gebracht door andere producten in India. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening wordt voor de normale waarde gewoonlijk uitgegaan van de binnenlandse prijzen. Wanneer een exporteur in het kader van normale handelstransacties, onvoldoende verkoopt op de binnenlandse markt, moet de normale waarde worden vastgesteld op basis van de verkoopprijzen van andere exporteurs voor het vergelijkbaar product omdat verondersteld kan worden dat het gebruik van prijzen van andere exporteurs een meer nauwkeurige normale waarde oplevert dan wanneer de normale waarde samengesteld wordt aan de hand van de productiekosten. Alleen wanneer representatieve binnenlandse verkoop van andere producenten ontbreekt of indien dergelijke verkoopprijzen niet geschikt zijn, zal de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening worden samengesteld. De exporteur in kwestie kon echter geen argument aanvoeren op grond waarvan het gebruik van de prijzen van andere exporteurs niet geschikt zou zijn. b) Indonesië (15) Een Indonesische exporterende producent betoogde dat het gewogen gemiddelde van de normale waarden dat was vastgesteld voor de andere Indonesische producenten, niet op hem zou moeten worden toegepast omdat het niet representatief was voor een bepaald soort zak. Hij stelde voor dit productsoort uit te sluiten van de berekening van de normale waarde of de normale waarde samen te stellen. Dit verzoek kon echter op grond van dezelfde redenen als uiteengezet bij overweging 10 van de verordening voorlopig recht niet worden aanvaard. c) Conclusie (16) De overige bij de overwegingen 14 tot en met 24 van de verordening voorlopig recht vermelde conclusies met betrekking tot de vaststelling van de normale waarde worden hierbij bevestigd. 2. Prijs bij uitvoer (17) Er werden geen nieuwe argumenten aangedragen met betrekking tot de vaststelling van de prijzen bij uitvoer. De bij overweging 20 van de verordening voorlopig recht uiteengezette conclusies worden derhalve bevestigd. 3. Vergelijking a) India (18) Vier Indiase exporterende producenten waren het er niet mee eens dat bankkosten werden meegerekend in de kredietkosten voor de aanpassing van de uitvoerprijzen. Zij betoogden dat zij hiermee geen rekening hielden. Bankkosten zijn in deze gevallen echter inherent gekoppeld aan de kredietkosten en moeten derhalve worden meegerekend voor het vaststellen van de kredietkosten. Op dit verzoek kan dan ook niet worden ingegaan. (19) De meeste producenten/exporteurs voerden aan dat onvoldoende rekening was gehouden met terugbetaling van rechten omdat voor alle in het binnenland aangekochte grondstoffen invoerrechten waren betaald waarvoor terugbetaling van rechten zou moeten worden verleend wanneer het betrokken product werd uitgevoerd, los van de vraag of de gebruikte grondstoffen van oorsprong waren uit de binnenlandse markt van de betrokken landen of waren ingevoerd uit derde landen. De producenten/exporteurs hebben evenwel geen doorslaggevend bewijsmateriaal ingediend waaruit zou blijken dat al het polyethyleen en polypropyleen dat werd gebruikt voor de productie van zakken, met inbegrip van zakken die op de binnenlandse markt werden verkocht, ingevoerde grondstoffen omvatten waarvoor overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening rechten waren betaald. Zoals bij overweging 24 van de verordening voorlopig recht werd uiteengezet, werd alleen terugbetaling van de rechten verleend wanneer kon worden aangetoond dat invoerrechten waren verschuldigd voor het soortgelijk product en materialen die daarvan fysiek deel uitmaken en die door de producenten/exporteurs in kwestie op hun binnenlandse markt werden verkocht en die bestemd waren voor verbruik binnen deze landen. b) Indonesië (20) De Indonesische exporterende producenten voerden aan dat rekening zou moeten worden gehouden met terugbetaling van rechten omdat dit in het verleden ook geschiedde en op basis van het feit dat vrijstelling van rechten voor polyethyleen en polypropyleenhars die worden gebruikt in de productie van de uitgevoerde zakken, tot uitdrukking zou komen in het feit dat invoerrechten zijn voldaan voor de hars die is verwerkt in de zakken die op de binnenlandse markt worden verkocht. De exporterende producenten konden geen voldoende bewijs leveren om aan te tonen dat polyethyleen en polypropyleenhars die waren gebruikt voor de productie van de zakken, met inbegrip van die welke op de binnenlandse markt werden verkocht, ingevoerde grondstoffen omvatten waarvoor overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening rechten waren betaald. Een aanpassing voor terugbetaling van rechten werd derhalve niet toegestaan. c) Thailand (21) De Thaise exporterende producenten voerden aan dat de belangrijke prijsverschillen tussen de grondstoffen die van oorsprong waren uit enerzijds de binnenlandse markt en gebruikt werden voor de verkoop op de binnenlandse markt van het product, en anderzijds grondstoffen van oorsprong uit de exportmarkten die gebruikt werden voor uitvoer naar derde landen, een aanpassing rechtvaardigden overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening. Zij voerden aan dat het in Thailand gehanteerde systeem van terugbetaling van rechten een belangrijk verschil opleverde tussen de kosten van de grondstoffen voor het uitgevoerde product en die van het in het binnenland verkochte product hetgeen van invloed was op de vergelijkbaarheid tussen de binnenlandse verkoopprijzen en de exportprijzen. Er dient op te worden gewezen dat de gevraagde aanpassing verband houdt met terugbetalingsregelingen en invoerrechten en volledig geregeld is bij artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening. De exporterende producenten slaagden er niet in voldoende bewijsmateriaal te verstrekken om aan te tonen dat al het polyethyleen en polypropyleen dat voor de productie van zakken werd gebruikt, met inbegrip van de zakken die op de binnenlandse markt werden verkocht, ingevoerde grondstoffen bevatten waarvoor overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening rechten waren betaald. 4. Dumpingmarge a) Algemeen (22) Omdat geen nieuwe argumenten werden verstrekt met betrekking tot het vaststellen van de dumpingmarge wordt de methode die is uiteengezet in de overwegingen 25 tot en met 36 van de verordening voorlopig recht hierbij bevestigd. b) India (23) Een Indiase exporterende producent betwistte de conclusies van overweging 27 van de verordening voorlopig recht waarbij werd vastgesteld dat slechts één dumpingmarge zou moeten worden vastgesteld voor twee verbonden bedrijven. Aangevoerd werd dat het bedrijf een aparte economische eenheid vormt, met een afzonderlijke productie, administratie en marketing, en een verschillend product vervaardigt. Omdat het bedrijf de in de verordening voorlopig recht uiteengezette feiten niet betwistte, en om het risico van ontwijking van de antidumpingmaatregelen te voorkomen, werd het besluit om slechts een dumpingmarge voor beide Indiase producenten/exporteurs in kwestie vast te stellen gehandhaafd. (24) De gewogen gemiddelde dumpingmarges die definitief werden vastgesteld voor de Indiase producenten/exporteurs die hun medewerking verleenden, uitgedrukt in percentages van de prijs franco grens Gemeenschap bedragen: >RUIMTE VOOR DE TABEL> (25) De definitief vastgestelde dumpingmarge voor andere Indiaanse exporteurs dan die welke hun medewerking hebben verleend aan dit onderzoek, uitgedrukt als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap bedraagt 36,0 %. (26) De Plastics and Linoleums Export Promotion Council in India maakt bezwaar tegen de opmerking bij overweging 29 van de verordening voorlopig recht dat het niveau van niet-medewerking hoog was. Rekening houdend met het feit dat het aantal medewerkende exporteurs ongeveer 57 % van de totale export vertegenwoordigde, volgt hieruit dat 43 % van de exporteurs geen medewerking verleende. Dit wordt gewoonlijk als een hoog niveau van niet-medewerking beschouwd. Met dit verzoek kon derhalve geen rekening worden gehouden en de in overweging 29 van de verordening voorlopig recht uiteengezette methode wordt derhalve gehandhaafd. c) Indonesië (27) De dumpingmarges die voorlopig werden vastgesteld door de Indonesische producenten/exporteurs, onder de overwegingen 31 tot en met 33 van de verordening voorlopig recht worden hierbij definitief bevestigd. De dumpingmarges die worden uitgedrukt als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap luiden dienovereenkomstig als volgt: i) voor producenten/exporteurs die hun medewerking hebben verleend en deel uitmaken van de steekproef: >RUIMTE VOOR DE TABEL> ii) voor de producenten/exporteurs die hun medewerking hebben verleend doch niet zijn opgenomen in de steekproef: 28,3 %; iii) voor andere Indonesische producenten/exporteurs dan die welke hun medewerking hebben verleend aan dit onderzoek: 56,0 %. d) Thailand (28) Een Thaise exporterende producent maakte bezwaar tegen de vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de exportprijs per verrichting omdat er volgens hem slechts een aantal verrichtingen waren die aanzienlijk verschilden van de gewogen gemiddelde verkoopprijs en dat deze schaarse verrichtingen betrekking hadden op prijzen die aanzienlijk hoger lager dan de gewogen gemiddelde exportprijs. Nader onderzoek van de berekeningen bleek dit te bevestigen en de gewogen gemiddelde normale waarde werd derhalve vergeleken met de gewogen gemiddelde exportprijs. Deze vergelijkingsmethode werd tevens opnieuw bekeken voor de andere Thaise exporteurs en omdat een soortgelijke situatie is aangetroffen bij twee andere bedrijven werd besloten ook voor deze bedrijven de gewogen gemiddelde normale waarde te vergelijken met de gewogen gemiddelde exportprijs. (29) De gewogen gemiddelde dumpingmarges die definitief werden vastgesteld voor de Thaise producenten/exporteurs die hun medewerking hebben verleend, indien uitgedrukt als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap zijn als volgt: >RUIMTE VOOR DE TABEL> De dumpingmarge die definitief werd vastgesteld voor andere Thaise exporteurs dan die die geen medewerking hebben verleend aan dit onderzoek, bedraagt uitgedrukt als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap 60,8 %. e) Nieuwe exporteurs in India (30) Drie Indiase bedrijven die het betrokken product niet naar de Europese Gemeenschap uitvoerden tijdens het onderzoekstijdvak, verzochten om te worden behandeld als nieuwkomers. Na te hebben onderzocht of aan alle voorwaarden van artikel 11, lid 4, van de basisverordening was voldaan, bepaalde de Commissie dat de gewogen gemiddelde dumpingmarge voor de medewerking verlenende Indiaanse bedrijven, i.e. 10,5 %, moest worden gehanteerd voor deze drie nieuwkomers. V. COMMUNAUTAIRE BEDRIJFSTAK (31) De Plastics and Linoleums Export Promotion Council in India (PLEPCI) vroeg zich af welke positie de klagende partijen hadden omdat van de acht oorspronkelijke klagers slechts vier, plus een ander die zich later bij hen had gevoegd, de vragenlijst van de Commissie hadden ingevuld, en vond dat de Commissie geen basis had voor haar conclusie inzake de representativiteit van de klagende bedrijfstak zoals uiteengezet in overweging 37 van de verordening voorlopig recht. (32) Deze kritiek werd niet gestaafd met enig bewijsmateriaal waaruit zou blijken dat de conclusies van de Commissie in dit opzicht onjuist waren. Zoals uiteengezet bij overweging 37 van de verordening voorlopig recht was tijdens het onderzoek nagegaan of de klagende producenten in de Gemeenschap die hun medewerking hadden verleend, nog steeds het grootste gedeelte van de totale communautaire productie van het betrokken product in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening voor hun rekening namen. Dit onderzoek wees uit dat de bij overweging 4 van de verordening voorlopig recht opgesomde producenten die hun medewerking hadden verleend, ongeveer 75 % van de geraamde totale communautaire productie van het soortgelijk product voor hun rekening namen. Het feit dat de klagende bedrijfstak wordt aangeduid als de communautaire bedrijfstak voor deze procedure, zoals vermeld in overweging 37 van de verordening voorlopig recht, wordt hierbij derhalve bevestigd. VI. SCHADE (33) PLEPCI vroeg zich af waarom geen cijfers werden genoemd voor het aantal werknemers dat afhankelijk was van de productie van het betrokken product in de verordening voorlopig recht en vroeg opheldering over de daling in de werkgelegenheid van 16,9 % zoals vermeld in overweging 51 van die verordening. In antwoord hierop kan eenvoudigweg worden vermeld dat het aantal werknemers werd vastgesteld op basis van de antwoorden van de communautaire bedrijfstak op de vragenlijsten. De werkgelegenheid in de Gemeenschap voor de productie van het soortgelijk product daalde van 767 in 1992 tot 637 tijdens het onderzoekstijdvak, dat wil zeggen met 16,9 %. (34) Omdat geen andere argumenten werden aangevoerd met betrekking tot de schade die werd geleden door de communautaire bedrijfstak, bevestigde de Raad de conclusies inzake schade alsmede de conclusie dat deze bedrijfstak aanzienlijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3 van de basisverordening, zoals uiteengezet in overweging 38 tot en met 52 van de verordening voorlopig recht, met name gezien de negatieve trends op het gebied van de productie, de capaciteitsbenutting, het marktaandeel, de prijzen, de winstgevendheid, de investeringen en de werkgelegenheid in de gehele periode die werd bestreken door dit onderzoek. VII. OORZAKELIJK VERBAND (35) PLEPCI voerde aan dat de Commissie een daling van 3,9 % had vastgesteld van de gewogen gemiddelde verkoopprijs van de communautaire bedrijfstak tijdens het onderzoektijdvak, maar had nagelaten te verklaren welke rol de daling van de prijzen van de grondstoffen voor de productie van het soortgelijk product had gespeeld bij deze negatieve prijsontwikkeling, en betoogde dat de grondstofprijzen tussen 1991 tot 1993 met meer dan een derde waren gedaald. Bovendien werd aangevoerd dat er een verband bestaat tussen de spectaculaire daling van de grondstofprijzen in 1993 en de verliezen van de communautaire bedrijfstak in dat jaar. (36) Tijdens het onderzoek bleek uit de beschikbare informatie niet dat de ontwikkeling van de prijzen van grondstoffen een belangrijke rol zou hebben gespeeld bij de trend van de verkoopprijzen op de communautaire markt tussen 1992 en het eerste kwartaal van 1995, oftewel het gehele onderzoektijdvak. Omdat PLEPCI geen overtuigend bewijsmateriaal of informatie kon verstrekken waaruit het tegendeel zou blijken, kan met hun argumenten verder geen rekening worden gehouden. (37) Voorts dient erop te worden gewezen dat in tegenstelling tot de verklaring van PLEPCI een eventuele daling in de kosten van de grondstoffen op de een of andere wijze een positieve impact zou moeten hebben gehad op de winstgevendheid van de communautaire bedrijfstak met name wanneer men ervan uitgaat dat grondstoffen tot een derde van de totale productiekosten van het product van de communautaire bedrijfstak kunnen bedragen. Uit de conclusies in overweging 49 van de verordening voorlopig recht blijkt echter dat dit niet het geval was. (38) PLEPCI vroeg tevens opheldering over de conclusies van de Commissie inzake voorraden, verkoop en productie van de klagende producenten tussen 1994 en het onderzoektijdvak en verklaarde dat het inconsequent was te stellen dat de omvang van verkoop en productie van de communautaire bedrijfstak waren gestegen terwijl de voorraden tijdens dezelfde periode waren geslonken. Inderdaad kan worden bevestigd dat de voorraden tussen 1994 en het onderzoek tijdvak enigszins daalden. Dit kan worden verklaard uit het feit dat de verkoop van deze bedrijfstak op de communautaire markt over het algemeen stabiel was (-46 ton) terwijl de verkoop gericht op export buiten de Gemeenschap in dezelfde periode dienovereenkomstig steeg. (39) Tot slot voerde PLEPCI aan dat niet kon worden gesteld dat de invoer in kwestie geen aanzienlijke schade kon hebben toegebracht aan de communautaire bedrijfstak omdat de prijzen en het marktaandeel van de communautaire producenten tussen 1994 en het onderzoektijdvak waren gestegen terwijl de importeurs die werden onderzocht, een deel van de markt hadden moeten afstaan als gevolg van een lichte stijging van hun invoerprijs. (40) Het onderzoek bestreek de periode van 1 januari 1992 tot 31 maart 1995, oftewel namelijk een periode van meer dan drie jaar. Een specifieke trend binnen deze periode zou derhalve moeten worden bezien in het licht van de algemene trend tijdens het onderzoektijdvak. Omdat de conclusies van PLEPCI slechts gebaseerd zijn op een beperkte periode binnen het onderzoektijdvak, waar de algemene trend in de betrokken periode buiten beschouwing wordt gelaten, heeft dit argument slechts een beperkte waarde. (41) Bevestigd wordt dat het marktaandeel van de communautaire bedrijfstak met 0,2 % steeg en dat de prijzen tijdens het onderzoektijdvak vergeleken met 1994 enigszins stegen. De communautaire bedrijfstak heeft desalniettemin verlies aan marktaandeel gehad en de verkoopprijzen daalden tijdens de periode die werd bestreken voor het onderzoek naar schade, d.w.z. van 1992 tot het eind van het onderzoektijdvak zoals vermeld in de overwegingen 47 en 48 van de verordening voorlopig recht. Hoewel de invoer in kwestie een verlies aan marktaandeel had van 1,8 % bij een prijsstijging van 2,5 % in het onderzoektijdvak, vergeleken met 1994, dient erop te worden gewezen dat van 1992 tot het onderzoektijdvak, namelijk de gehele periode die werd onderzocht om de schade te kunnen beoordelen, het marktaandeel met 13,8 procentpunten of met 46 % was gestegen en hun invoerprijs met 3,3 % was gedaald. Hun argument kon derhalve niet worden aanvaard. (42) Omdat geen nieuwe belangrijke argumenten werden ontvangen in verband met de conclusies in de overwegingen 53 tot en met 72 van de verordening voorlopig recht wordt de voorlopige conclusie inzake de oorzaak van de aanzienlijke schade aan de communautaire bedrijfstak bevestigd. VIII. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP (43) Zoals blijkt uit overweging 73 e.v. van de verordening voorlopig recht werden de verschillende belangen met inbegrip van de belangen van de communautaire bedrijfstak, verwerkers en importeurs beoordeeld waarbij geen dwingende redenen werden gevonden tegen invoering van antidumpingmaatregelen. Veeleer werd vastgesteld dat de redelijke belangen van de Gemeenschap vragen om bescherming van de communautaire bedrijfstak tegen de oneerlijke handelspraktijken van de invoer met dumping uit India, Indonesië en Thailand. (44) Omdat geen nieuwe argumenten werden ontvangen in verband met de analyse inzake het belang van de Gemeenschap zoals deze werd uiteengezet in de verordening voorlopig recht, worden de voorlopige conclusies hierbij bevestigd. IX. ANTIDUMPINGMAATREGELEN (45) Uitgaande van bovenstaande conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en het belang van de Gemeenschap moest worden nagegaan welke vorm de antidumpingmaatregelen zouden moeten aannemen en op welk niveau ze zouden moeten worden vastgesteld om de handelsverstorende gevolgen van schadelijke dumping op te heffen en doelmatige concurrentievoorwaarden te herstellen voor de communautaire markt. (46) Omdat het prijspeil waarop de schadelijke gevolgen van de invoer tenietgedaan zouden worden, hoger lag dan de dumpingmarge van alle bij het onderzoek betrokken landen, werd de dumpingmarge gehanteerd om de hoogte van de maatregelen te bepalen. (47) Op basis van het voorgaande zouden definitieve rechten in de vorm van ad valorem-rechten moeten worden ingesteld. (48) Overeenkomstig artikel 11, lid 4, van de basisverordening kan in deze procedure geen nieuw onderzoek naar de exporteurs worden ingesteld om de individuele dumpingmarges te bepalen ten aanzien van Indonesië omdat in het oorspronkelijk onderzoek een steekproef was gebruikt. Om echter te zorgen voor een gelijke behandeling tussen nieuwe exporteurs en de bedrijven die hun medewerking hebben verleend aan dit onderzoek, is men van oordeel dat het gewogen gemiddeld recht dat op laatstgenoemde bedrijven werd ingesteld, ook moet worden toegepast op eventuele nieuwe exporteurs die anders op grond van artikel 11, lid 4, aanspraak zouden kunnen maken op een nieuw onderzoek. X. INVORDERING VAN DE VOORLOPIGE RECHTEN (49) Gezien de hoogte van de dumpingmarges die voor de exporterende producenten werden vastgesteld en in het licht van de ernstige schade die werd berokkend aan de communautaire bedrijfstak, wordt het nodig geacht de bedragen die zijn zekergesteld door middel van de voorlopige antidumpingrechten voor verrichtingen met dit product definitief te innen op het niveau van de definitieve rechten, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Op de invoer van geweven zakken voor verpakkingsdoeleinden, andere dan van brei- of haakwerk, vervaardigd van strippen of van artikelen van dergelijke vorm, van polyethyleen of polypropyleen waarvan het weefsel niet meer dan 120 g/m² weegt, van oorsprong uit India, Indonesië en Thailand, worden definitieve antidumpingrechten ingesteld. Het hier omschreven product valt onder de GN-codes 6305 32 81, 6305 33 91, ex 3923 21 00 (Taric-code: 3923 21 00*10), ex 3923 29 10 (Taric-code: 3923 29 10*10) en ex 3923 29 90 (Taric-code: 3923 29 90*10). 2. In het kader van onderhavige verordening bedraagt het recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring: a) 36,0 % voor zakken van oorsprong uit India (aanvullende Taric-code 8900) met uitzondering van ingevoerde producten die vervaardigd zijn door de volgende ondernemingen waarop de volgende rechten van toepassing zijn: India: >RUIMTE VOOR DE TABEL> b) 56 % voor zakken van oorsprong uit Indonesië (aanvullende Taric-code 8900) met uitzondering van de ingevoerde producten die vervaardigd zijn door de volgende ondernemingen waarop het volgende recht van toepassing is: Indonesië: >RUIMTE VOOR DE TABEL> c) 60,8 % voor zakken van oorsprong uit Thailand (aanvullende Taric-code 8900) met uitzondering van de ingevoerde producten die vervaardigd zijn door de volgende ondernemingen waarop het volgende recht van toepassing is: Thailand: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 3. Mits anders bepaald zijn de voor douanerechten van kracht zijnde bepalingen op dit recht van toepassing. 4. Wanneer een Indonesische partij aan de Commissie kan aantonen dat zij de in artikel 1, lid 1, beschreven goederen tijdens het onderzoektijdvak niet uitvoerde, dat zij niet verbonden is met een exporteur of producent waarop de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn en dat zij de goederen in kwestie na het onderzoektijdvak heeft uitgevoerd of dat zij een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een belangrijke hoeveelheid naar de Gemeenschap uit te voeren, kan de Raad met eenvoudige meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, na overleg met het Raadgevend Comité, artikel 1, lid 2, onder b), wijzigen door op deze partij het recht toe te passen dat van toepassing is op de producenten/exporteurs die hun medewerking hebben verleend doch geen deel uitmaken van de steekproef, d.w.z. 28,3 %. Artikel 2 Het in de vorm van een voorlopig antidumpingrecht op grond van Verordening (EG) nr. 45/97 zekergestelde bedrag zal definitief worden geïnd tegen het definitief ingestelde recht. Bedragen die zijn zekergesteld boven het definitieve percentage van het antidumpingrecht in verband met de invoer van zakken worden vrijgegeven. Artikel 3 Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Luxemburg, 6 oktober 1997. Voor de Raad De Voorzitter J. POOS (1) PB L 56 van 6. 3. 1996, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2331/96 (PB L 317 van 6. 12. 1996, blz. 1). (2) PB L 12 van 15. 1. 1997, blz. 8. (3) PB L 169 van 27. 6. 1997, blz. 14.