31997R1931

Verordening (EG) nr. 1931/97 van de Raad van 22 september 1997 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ruw, niet-gelegeerd zink van oorsprong uit Polen en Rusland en tot definitieve invordering van het voorlopige recht

Publicatieblad Nr. L 272 van 04/10/1997 blz. 0001 - 0009


VERORDENING (EG) Nr. 1931/97 VAN DE RAAD van 22 september 1997 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ruw, niet-gelegeerd zink van oorsprong uit Polen en Rusland en tot definitieve invordering van het voorlopige recht

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), hierna "de basisverordening" te noemen, inzonderheid op de artikelen 8, 9 en 23,

Gelet op het voorstel dat de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft voorgelegd,

Overwegende hetgeen volgt:

A. VOORLOPIGE MAATREGELEN

(1) Bij Verordening (EG) nr. 593/97 van de Commissie (2), hierna de "verordening voorlopig recht" genoemd, werd een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van ruw, niet-gelegeerd zink, vallende onder de GN-codes 7901 11 00, 7901 12 10 en 7901 12 30, van oorsprong uit Polen en Rusland.

B. VERVOLGPROCEDURE

(2) Alle belanghebbenden die hun medewerking verleenden aan het onderzoek, de indiener van de klacht en de Poolse en Russische autoriteiten werden schriftelijk in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan de voorlopige maatregelen werden ingesteld.

(3) De Poolse overheid, de twee medewerkende, in de verordening voorlopig recht vermelde Poolse producenten/exporteurs, hierna "de exporteurs" genoemd, en twee importeurs hebben binnen de in de genoemde verordening vastgestelde termijnen schriftelijke commentaar geleverd.

(4) Alle partijen die daarom verzochten, werden in de gelegenheid gesteld door de diensten van de Commissie te worden gehoord.

C. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(5) De Poolse overheid, de medewerkende Poolse exporteurs en een importeur van zink uit Rusland waren het er niet mee eens dat hun product en de door de Europese producenten vervaardigde producten als één en hetzelfde product werden beschouwd, gezien bepaalde verschillen in fysieke kenmerken tussen deze producten en het feit dat zij onder drie verschillende GN-codes vallen.

(6) Zoals uiteengezet in de overwegingen 9 tot 15 van de verordening voorlopig recht vertonen alle kwaliteiten (grades) ruw, niet-gelegeerd zink grote overeenstemming. Deze kwaliteiten zijn gelijk wat hun technische en fysieke kenmerken (minimumzinkgehalte voor alle kwaliteiten: 98,5 %) en belangrijkste gebruiksdoeleinden (b.v. koperindustrie) betreft. Daar komt nog bij dat de prijzen van alle kwaliteiten gebaseerd zijn op de London Metal Exchange (LME)-noteringen voor Special High Grade (SHG)-zink, hetgeen betekent dat zij door de markt als soortgelijke producten worden beschouwd.

(7) Het bestaan van kleine verschillen in zinkgehalte (Special High Grade (SHG), High Grade (HG), Good Ordinary Brand (GOB)) en onzuiverheden (vooral cadmium) tussen het door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde zink en het product van de Poolse fabrikanten, een argument dat door de exporteurs werd aangevoerd, doet geen afbreuk aan deze bevindingen, aangezien zowel HG- als GOB-zink - die door de exporteurs worden vervaardigd - en het door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde SHG-zink rechtstreeks met elkaar concurreren in het marktsegment waar zij worden gebruikt (thermisch verzinken, vervaardiging van koper, vervaardiging van legeringen andere dan gegoten legeringen). Tevens zij opgemerkt dat een aanzienlijk gedeelte van het door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde zink GOB-zink is dat rechtstreeks concurreert met het Poolse GOB- en HG-zink, evenals met het SHG-zink dat door de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt vervaardigd.

(8) De in de overwegingen 9 tot 15 van de verordening voorlopig recht neergelegde voorlopige bevindingen worden derhalve bevestigd.

D. DUMPING

a) POLEN

(9) De methode voor het berekenen van de dumpingmarges werd in het algemeen niet betwist, maar de Poolse ondernemingen die hun medewerking verleenden aan het onderzoek stelden een aantal specifieke problemen aan de orde in verband met productiekosten, normale handelstransacties en correcties.

i) Normale waarde

a) Productiekosten

(10) Een Poolse onderneming verzocht om bepaalde wijzigingen in de methode voor het berekenen van de productiekosten bij de vaststelling van de normale waarde. Deze onderneming voerde in het bijzonder aan dat bij de berekening van de productiekosten van zink ten onrechte eveneens de kosten en/of inkomsten in verband met bepaalde nevenproducten in aanmerking waren genomen. Deze correctie kon echter niet worden toegestaan omdat de berekening van de productiekosten gebaseerd was op de gegevens die de onderneming in de vragenlijst had verstrekt en die bij een onderzoek ter plaatse zorgvuldig werden geverifieerd. Bovendien kan meer in het algemeen worden opgemerkt dat, overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening, in het kader van een antidumpingprocedure normaliter de in de boekhouding van de onderneming vermelde productiekosten worden gebruikt. Voorstellen voor kostenallocaties die afwijken van de methode die normaliter door de betrokken onderneming wordt gebruikt, dienen binnen de in het bericht van inleiding gestelde termijn te worden ingediend teneinde een deugdelijke verificatie ter plaatse mogelijk te maken. De betrokken onderneming heeft dit evenwel nagelaten.

(11) De onderneming voerde bovendien aan dat de maandelijkse cijfers in in verband met de productiekosten niet representatief waren aangezien bepaalde eenmalige kostenelementen niet over het gehele onderzoektijdvak werden gespreid. Wat dit betreft, dient te worden opgemerkt dat de Commissie haar berekening aan de hand van de door de onderneming zelf verstrekte gegevens heeft uitgevoerd. De eerste opgave van de productiekosten van deze onderneming bevatte geen passende allocatie van (eenmalige) kosten en de onderneming heeft derhalve op verzoek van de Commissie een herziene versie ingediend die werd geverifieerd en die voor de vaststellingen werd gebruikt. Het lijkt derhalve onnodig deze berekening nogmaals uit te voeren.

(12) Tenslotte gaf de onderneming als haar mening te kennen dat bij hoge inflatie het beter is gemiddelde productiekosten per ton voor het gehele onderzoektijkvak te berekenen en de maandelijkse productiekosten vast te stellen door het gemiddelde kostenniveau te corrigeren voor de maandelijkse inflatiepercentages. Dit verzoek kon niet worden ingewilligd aangezien de werkelijke productiekosten op maandbasis met een redelijke mate van nauwkeurigheid aan de hand van de boekhoudgegevens van de onderneming konden worden vastgesteld. Deze maandelijkse kosten, die uit de antwoorden op de vragenlijst werden afgeleid en de bij het onderzoek ter plaatse geverifieerde informatie werden derhalve voor de vaststellingen gebruikt.

b) Verkoop in het kader van normale handelstransacties

(13) Een onderneming had bezwaar tegen de wijze waarop bij het onderzoek de vraag was beantwoord of de binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties plaatsvond. Zij betwistte in het bijzonder de uitsluiting van bepaalde niet-winstgevende transacties bij de berekening van de normale waarde.

(14) Er zij wat dit betreft aan herinnerd dat de Commissie reeds in het kader van de verordening voorlopig recht had onderzocht of de binnenlandse verkopen van deze onderneming overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening in het kader van normale handelstransacties hadden plaatsgevonden. Omdat de inflatie in Polen gedurende het onderzoektijdvak aanzienlijk was, werden de berekeningen op maandbasis uitgevoerd, zodat de verkooptransacties en de productiekosten op vrijwel hetzelfde tijdstip konden worden vergeleken (zie de overwegingen 17, 18 en 19 van de verordening voorlopig recht).

(15) Hoewel deze benaderingswijze in het algemeen niet werd betwist, voerde de onderneming aan dat bij hoge inflatie de gemiddelde maandelijkse productiekosten niet met individuele handelstransacties maar met de maandelijkse gemiddelde verkoopprijzen op de binnenlandse markt dienen te worden vergeleken. Deze onderneming was van mening dat de door de Commissie toegepaste methode vrijwel automatisch zou leiden tot de conclusie dat aan het begin van een periode een groter aantal verkopen met verlies plaatsvonden, waardoor deze ten onrechte zouden worden uitgesloten. De resultaten van het onderzoek tonen aan dat deze vrees ongegrond is. Uit een door de Commissie uitgevoerde analyse is gebleken dat, in tegenstelling tot wat de betrokken onderneming beweert, er geen duidelijk patroon is van winstgevende verkopen aan het einde van de maand of van verliesgevende transacties aan het begin van de maand.

(16) Bovendien werd het argument aangevoerd dat bepaalde verliesgevende verkopen niet uitgesloten mochten worden aangezien volgens artikel 2, lid 4, van de basisverordening de periode voor het terugverdienen van verliezen ten minste zes maanden bedraagt. Voor een bepaalde exporteur bleek evenwel uit een vergelijking van de maandelijkse productiekosten met de maandelijkse verkooptransacties dat gedurende het gehele onderzoektijdvak (één jaar) meer dan 20 % van zijn verkopen verliesgevend waren. Deze verliesgevende verkopen hebben in aanzienlijke hoeveelheden plaatsgevonden en de verliezen konden niet in voldoende mate worden goedgemaakt zoals artikel 2, lid 4, van de basisverordening voorschrijft.

(17) Voor de andere medewerkende onderneming werd vastgesteld dat - op jaarbasis - minder dan 20 % van de verkoop in het onderzoektijdvak verliesgevend was. Besloten werd derhalve bij de berekening van de normale waarde rekening te houden met de verliesgevende verkopen, waardoor de normale waarde van deze onderneming een weinig lager was.

ii) Exportprijs

(18) Een van de Poolse ondernemingen voerde aan dat de totale omvang van haar uitvoer naar de Gemeenschap hoger was dan die waarmee de Commissie bij de vaststelling van de exportprijzen rekening had gehouden. Dit argument werd van de hand gewezen omdat de door de betrokken onderneming uitgevoerde berekening niet op de bij de vragenlijst van de Commissie gevoegde wisselkoersen gebaseerd was.

iii) Vergelijking tussen de normale waarde en de exportprijs

(19) Een onderneming verzocht de Commissie haar normale waarde vast te stellen op basis van de binnenlandse verkopen aan afnemers die meer dan 2 000 ton per jaar afnemen omdat, volgens deze onderneming, de afnemers op de exportmarkt (EG) eveneens meer dan 2 000 ton per jaar afnemen. Dit verzoek kon niet worden ingewilligd omdat het niet bij de antwoorden op de vragenlijst voorkwam en na de instelling van het voorlopige recht geen aanvullende verificatiebezoeken meer konden worden uitgevoerd. Er kon derhalve niet worden vastgesteld of deze onderneming op haar binnenlandse markt daadwerkelijk een consequent, aan de hoeveelheid gerelateerd kortingenbeleid toepast.

(20) Beide Poolse exporteurs herhaalden hun voor de instelling van het voorlopige recht ingestelde verzoek om een correctie voor verschillen in handelsniveau. Opgemerkt zij evenwel dat geen nieuwe argumenten tot staving van dit verzoek werden aangevoerd en dat de bevindingen van overweging 24 van de verordening voorlopig recht derhalve bevestigd worden.

iv) Dumpingmarges

(21) Rekening houdend met de bovenvermelde wijzigingen in de normale waarde voor een onderneming werden de andere bevindingen voor Polen, die in de overwegingen 17 tot 28 van de verordening voorlopig recht zijn uitgezet, bevestigd. De herziene dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de prijzen franco grens Gemeenschap zijn als volgt:

Huta Cynku "Miasteczko Slaskie", Miasteczko Slaskie: 14,4 %;

Kombinat Gorniczco-Hutniczy Boleslaw, Bukowno: 5,2 %.

De dumpingmarges voor de niet-medewerkende producenten/exporteurs worden op 14,4 % gehandhaafd.

b) RUSLAND

i) Normale waarde

(22) Aangezien Rusland in het kader van antidumpingprocedures als een land zonder markteconomie wordt beschouwd (vgl. artikel 2, lid 7, van de basisverordening, dat naar Verordening (EG) nr. 519/94 (3) verwijst), werd de normale waarde voor dit land vastgesteld op basis van de normale waarde in een referentieland (in casu Polen, zie overweging 29 van de verordening voorlopig recht). Toen de normale waarde voor dit land werd herzien, werd de normale waarde die bij de berekeningen voor Rusland werd gebruikt dienovereenkomstig aangepast.

ii) Exportprijs

(23) Een importeur van zink uit Rusland voerde aan dat de Eurostat-statistieken voor Rusland mogelijkerwijze onjuist zijn omdat niet de juiste oorsprong van de producten werd opgegeven. Hij had willen zien dat de exportprijzen op basis van zijn uitvoertransacties werden berekend. Dit verzoek kon niet worden ingewilligd omdat de argumenten niet voldoende met bewijsmiddelen waren onderbouwd en in dit stadium van de procedure niet geverifieerd konden worden. Deze vermeende onjuistheden zouden bovendien slechts in een gedeelte van de Eurostat-gegevens voorkomen.

iii) Vergelijking tussen normale waarde en exportprijs

(24) Deze onderneming voerde bovendien aan dat het Poolse en het Russische zink niet van dezelfde kwaliteit zijn en dat derhalve een correctie voor fysieke verschillen gerechtvaardigd was. Wat dit betreft, werd evenwel opgemerkt dat de normale waarde werd vastgesteld voor de onderneming die dezelfde kwaliteit vervaardigde als de meerderheid van de Russische zinkproducenten. Een aanvullende correctie werd derhalve niet toegekend.

iv) Dumpingmarges

(25) Rekening houdende met de herziene normale waarde die voor het referentieland werd vastgesteld en met het feit dat de andere bevindingen voor Rusland, zoals deze in de overwegingen 29 tot 34 van de verordening voorlopig recht zijn neergelegd, worden bevestigd, werd de herberekende dumpingmarge, uitgedrukt als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap, vastgesteld op:

Rusland: 6,9 %.

E. SCHADE

a) Algemene schadefactoren

(26) De commentaar van de exporteurs ten aanzien van de voorlopige bevindingen in verband met de schadefactoren was beperkt tot de prijsonderbieding. De Poolse overheid voerde evenwel aan dat er weinig of geen schade was veroorzaakt aangezien de communautaire producenten vrijwel al hun productiecapaciteit in gebruik hadden. Dit argument doet echter geen afbreuk aan het bepaalde in overweging 51 van de verordening voorlopig recht, namelijk dat uit het onderzoek is gebleken dat, wegens het bijzondere karakter van het productieproces en de hoge vaste kosten die aan de productie van niet-gelegeerd zink verbonden zijn, de productiecapaciteit zo volledig mogelijk moet worden gebruikt, zelfs wanneer dit betekent dat het eindproduct met verlies wordt verkocht. In deze overweging wordt er bovendien op gewezen dat de variabele kosten bij onderbreking van de productie eveneens hoog zijn (b.v. hoog energieverbruik bij het opnieuw opstarten van het productieproces). Het argument dat de communautaire producenten geen aanmerkelijke schade leden omdat zij hun productiecapaciteit gedurende het onderzoektijdvak vrijwel geheel benutten, is in dit geval derhalve niet aanvaardbaar.

(27) Een van de in overweging 3 bedoelde importeurs voerde aan dat een toename van de voorraad GOB-zink niet door de invoer van HG-zink uit Rusland kan zijn veroorzaakt en tekende bezwaar aan tegen de cumulatieve beoordeling van Polen en Rusland, met het argument dat Rusland enkel HG-zink vervaardigde. Deze argumenten gaan evenwel voorbij aan het feit dat GOB- en HG-zink met elkaar concurreren in het marktsegment waar zij worden gebruikt, namelijk het thermisch verzinken en de koperproductie. Bovendien zijn de mededingingsvoorwaarden voor zink uit Polen en zink uit Rusland gelijk, aangezien noch HG-zink noch GOB-zink op de LME worden verhandeld en beide kwaliteiten, evenals bovendien het enigszins duurdere SHG-zink, in dit marktsegment kunnen worden gebruikt.

(28) De voorlopige bevindingen in verband met, meer bepaald, het verbruik op de markt van de Gemeenschap, de productie, de verkoop, de winstgevendheid van de communautaire bedrijfstak en de werkgelegenheid in deze bedrijfstak, die in de overwegingen 37 en 38, 40 tot 45 en 50 tot 60 van de verordening voorlopig recht zijn neergelegd, worden derhalve bevestigd.

b) Prijsonderbieding

(29) Naar aanleiding van opmerkingen van de exporteurs en van een van de in overweging 3 bedoelde importeurs werden de voorlopige bevindingen betreffende de prijzen van de communautaire producenten opnieuw in overweging genomen. Wat de verhoging van de LME-prijs met 3 % betreft (overweging 47 van de verordening voorlopig recht), werd opgemerkt dat publicaties van de International Lead and Zinc Study Group bevestigen dat gedurende het onderzoektijdvak het zink tegen een hogere prijs werd verkocht. De prijsverhoging van 3 % of 30 US-dollar op de gemiddelde LME-prijs van 1 000 US-dollar per ton die gedurende het onderzoektijdvak werd betaald, lijkt noch buitensporig noch onredelijk indien men rekening houdt met, bijvoorbeeld, het feit dat de kosten van het laden in de LME-opslagplaats (die door de koper worden betaald maar niet worden aangerekend bij directe verkoop buiten de LME) reeds 15 US-dollar per ton bedragen.

(30) Deze prijsvermeerdering van 3 % houdt verband met het feit dat de prijzen die de EG-producenten toepassen bij directe verkoop aan industriële gebruikers niet identiek is met de LME-prijs maar een weinig hoger, ter dekking van de verkoopkosten en de kosten in verband met het afdekken van de risico's van valuta- en zinktransacties. Bovendien is de koper bereid een enigszins hogere prijs te betalen, bijvoorbeeld om er zeker van te zijn dat hem een bepaald merk van een bepaalde producent zal worden geleverd of omdat de transportkosten bij deze wijze van verkoop lager zij dan wanneer de goederen uit een door de LME goedgekeurde opslagplaats worden betrokken. Het prijsverschil dekt alle door de producent gemaakte kosten in verband met het op de markt brengen en de technische dienstverlening aan de afnemer. Voor de koper heeft directe verkoop het voordeel dat de kosten van de "warrant" en van het vervoer van het metaal van een LME-opslaginrichting naar de vrachtwagen, evenals de commissie van de makelaar, die bij verkoop via de LME wel betaald moeten worden, komen te vervallen.

(31) Wat dit betreft, zij opgemerkt dat de kosten in verband met het afdekken van transactierisico's, die in deze hogere prijs besloten liggen, niet geïnflateerd konden zijn aangezien zij enkel de administratieve kosten, de commissie van de makelaar en de financiële lasten omvatten, terwijl de uit het afdekken van de transactierisico's voortvloeiende winsten of verliezen bij de berekening buiten beschouwing werden gelaten teneinde een deugdelijke vergelijking mogelijk te maken.

(32) De exporteurs en een van de in overweging 3 bedoelde importeurs hadden bezwaar tegen de zienswijze van de Commissie dat de prijzen van de drie zinkkwaliteiten identiek waren. Zij beweerden dat de prijzen van het HG- en GOB-zink lager waren dan die van het SHG-zink, die voor de berekening was gebruikt (aangezien de LME-prijs een prijs voor SHG-zink is). Volgens de exporteurs dient rekening te worden gehouden met de prijsverschillen tussen de drie zinkkwaliteiten. De door de International Lead and Zinc Study Group gepubliceerde prijzen tonen inderdaad aan dat er in het onderzoektijdvak kleine verschillen waren tussen de prijzen van SHG-, HG- en GOB-zink en het is derhalve dienstig rekening te houden met dit prijsverschil. Omdat het HG-zink met een korting van ten hoogste 0,3 % op de prijs van SHG-zink werd verkocht, bedroeg het prijsverschil tussen GOB en SHG een weinig minder dan 1 % van de prijs van SHG-zink.

(33) Een van de exporteurs verzocht om een correctie voor het feit dat het door hem vervaardigde GOB-zink een veel hoger cadmiumgehalte heeft dan het in de Gemeenschap vervaardigd GOB-zink en stelde voor de marktwaarde van dit verschil, berekend aan de hand van de raffinagekosten, aan zijn exportprijzen toe te voegen zodat de berekening van de onderbieding op een eerlijke grondslag zou kunnen plaatsvinden.

(34) Hoewel de betrokken exporteur kon aantonen dat het door de communautaire producenten vervaardigde zink aan de CEN 1179-norm voldeed en het door hem vervaardigde (niet-gezuiverde) GOB-zink niet, waren de door deze exporteur overgelegde documenten voor de Commissie toch niet toereikend om zich een nauwkeurig oordeel te vormen over de prijzen van het niet-Poolse GOB-zink met hetzelfde cadmiumgehalte dat in het onderzoektijdvak door deze exporteur werd uitgevoerd en op de markt van de Gemeenschap verkocht. De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft informatie verstrekt betreffende de kosten van het zuiveren (met andere woorden kwaliteitsverbetering tot SHG- en GOB-zink met een standaard cadmiumgehalte door middel van distillatie van GOB-zink dat niet aan de CEN 1179-norm voldoet) die eventueel aan het verwijderen van het teveel aan cadmium kunnen worden toegerekend indien deze zuivering onmiddellijk na de raffinage van het zinkconcentraat plaatsvindt. De specifieke kosten voor het verwijderen van het teveel aan cadmium in geval van zuivering in een andere fabriek na raffinage van de zink-concentraten tot niet-gezuiverd GOB-zin (die vermoedelijk evenredig hoog zijn) konden evenwel niet nauwkeurig worden vastgesteld omdat de exporteur en de bedrijfstak van de Gemeenschap tegenstrijdige informatie verstrekken, onder meer ten aanzien van de vraag in hoeverre het zuiveren met het oog op het verwijderen van het teveel aan cadmium uit niet-gezuiverd GOB-zink onder deze omstandigheden economisch rendabel is.

(35) Aangezien het hoge cadmiumgehalte (en de gevolgen daarvan voor de gezondheid) het voor bepaalde gebruikers onmogelijk maakt niet-gezuiverd zink te gebruiken, hoewel het onderzoek uitwees dat dit niet het geval is voor alle gebruikers, diende het prijsverschil tussen GOB-zink met hoog cadmiumgehalte en GOB-zink dat aan de CEN 1179-norm voldoet te worden onderzocht. Wat dit betreft, zij opgemerkt dat aan de ene kant niet kan worden geconcludeerd dat de gemiddelde marktwaarde van zink met een lager "standaard" cadmiumgehalte samenvalt met de prijs van het door de betrokken exporteur uitgevoerde zink verhoogd met de kosten van raffinage (daar het onwaarschijnlijk is dat deze raffinagekosten steeds volledig in de prijs tot uitdrukking kunnen worden gebracht en dus volledig aan elke afnemer kunnen worden doorberekend), terwijl aan de andere kant op basis van de door de exporteur (die aantoonde dat het verschil tussen de prijs van het door hem vervaardigde GOB-zink en de LME-prijs het door de International Lead and Zinc Study Group gepubliceerde prijsverschil van 1 % tussen de prijzen van GOB- en SHG-zink overschreed) en de bedrijfstak van de Gemeenschap verstrekte informatie een redelijk gemiddeld prijsverschil tussen GOB-zink met een hoog cadmiumgehalte en GOB-zink met een cadmiumgehalte dat het maximum van de CEN-norm niet overschreed, kon worden vastgesteld. Dit vormt de grondslag voor de correctie van de door de betrokken Poolse exporteur toegepaste exportprijs.

(36) De exporteurs waren bovendien van mening dat er sprake was van een verschil in handelsstadium, aangezien de door de Poolse exporteurs uitgevoerde producten enkel aan handelaren werden verkocht. Zoals uiteengezet in overweging 46 van de verordening voorlopig recht werd de onderbieding berekend aan de hand van de prijs van het door de communautaire producenten vervaardigde zink op de markt van de Gemeenschap, rekening houdend met het feit dat de zinkraffinagebedrijven aanzienlijke hoeveelheden van hun product rechtstreeks aan zowel industriële gebruikers als handelaren verkopen en dat deze verkopen niet via de LME plaatsvinden. Dit betekent dat zowel rekening werd gehouden met verkopen aan industriële gebruikers als aan handelaren en dat de door de communautaire producenten op de markt van de Gemeenschap toegepaste, berekende prijs, die een weinig hoger was dan de LME-prijs, een gemiddelde prijs vormt voor beide categorieën. Het wordt derhalve dienstig geacht de berekening van de prijsonderbieding wat dit betreft te corrigeren door de toegepaste exportprijzen te verhogen met een redelijke marge voor de handelaar.

(37) De exporteurs verzochten bovendien om een correctie voor de kosten van vervoer binnen de Gemeenschap. Een van de exporteurs was van mening dat de exportprijzen van de exporteurs vergeleken hadden moeten worden met de LME-prijs van de maand voorafgaand aan de maand waarin de transactie plaatsvond. Voor de berekening van de prijsonderbieding werden de prijzen af fabriek van de communautaire producenten met de exportprijs van het Poolse zink (na inklaring, franco grens Gemeenschap) vergeleken voor elke maand van het onderzoektijdvak. Verdere correcties lijken derhalve niet noodzakelijk.

c) Conclusie ten aanzien van de schade

(38) De marges van prijsonderbieding werden opnieuw berekend met inachtneming van het geringe prijsverschil tussen de drie soorten zink, het verschil in handelsstadium en, voor een van de exporteurs, het hogere cadmiumgehalte van het uit Polen ingevoerde GOB-zink. Het resultaat is als volgt:

Huta Cynku "Miasteczko Slaskie", Miasteczko Slaskie: 14,0 %;

Kombinat Gorniczco-Hutniczy Boleslaw, Bukowno: 6,6 %;

Andere Poolse producenten/exporteurs: 14,0 %;

Rusland: 5,2 %.

(39) Afgezien van deze wijzigingen, worden de voorlopige bevindingen, als omschreven in de overwegingen 37 tot 60 van de verordening voorlopig recht, bevestigd.

F. OORZAKELIJK VERBAND

(40) Een van de in overweging 3 bedoelde importeurs heeft een aantal opmerkingen gemaakt ten aanzien van de bevindingen van de Commissie, in hoofdzaak op grond van de veronderstelling dat HG- en GOB-zink niet met elkaar concurreren. Aangezien deze veronderstelling onjuist is, werden derhalve geen met voldoende bewijsmateriaal onderbouwde opmerkingen gemaakt ten aanzien van de voorlopige bevindingen betreffende het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping van zink uit Polen en Rusland en de schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap als bedoeld in de overwegingen 61 tot 70 van de verordening voorlopig recht; deze voorlopige bevindingen worden bij deze bevestigd.

G. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

(41) De industriële gebruikers noch hun vertegenwoordigers hebben enige opmerking naar voren gebracht betreffende het belang van de Gemeenschap. De exporteurs hebben er echter op gewezen dat de voorraden die zich in de LME-opslagplaatsen bevinden, sedert het einde van het onderzoektijdvak waren teruggelopen en dat de prijzen vermoedelijk op korte termijn zouden stijgen aangezien de vraag het aanbod zou overtreffen.

(42) Wat dit betreft, zij opgemerkt dat er een direct verband bestaat tussen de prijs van zinkconcentraten (de grondstof voor de zinkraffinage) en de prijs van geraffineerd zink. Elke prijsverhoging van geraffineerd zink op het niveau van de LME leidt derhalve automatisch tot een prijsverhoging van de grondstoffen voor de communautaire producenten. In dat handelsstadium kan van een prijsverhoging van geraffineerd zink derhalve geen oplossing worden verwacht en een dergelijke prijsontwikkeling kan nooit van dien aard zijn dat zij in dit geval maatregelen overbodig maakt.

(43) Een van de in overweging 3 bedoelde importeurs voerde aan dat de belangen van de eindgebruikers niet correct waren beoordeeld. Opgemerkt zij dat de Commissie wat dit betreft had vastgesteld dat de gevolgen van de maatregelen voor de verwerkende industrie vermoedelijk zeer gering zouden zijn. Aangenomen wordt derhalve dat de eindgebruikers niet met grote prijsstijgingen geconfronteerd zullen worden.

(44) Deze zelfde importeur, die verklaarde dat Russische smelterijen zink voor hem zouden vervaardigen in het kader van een loonveredelingscontract, voerde bovendien aan dat maatregelen strijdig zouden zijn met het belang van de Gemeenschap omdat bepaalde grote communautaire producenten zink uit Rusland hadden betrokken. Deze bewering werd evenwel niet met voldoende bewijsmiddelen gestaafd. Bovendien zij wat dit betreft eraan herinnerd dat artikel 4, lid 1, onder a), niet voorziet in de automatische uitsluiting van producenten die het tegen dumpingprijzen verkochte product zelf invoeren.

(45) De voorlopige bevindingen betreffende het belang van de Gemeenschap (overwegingen 71 tot 75 van de verordening voorlopig recht) worden bevestigd.

H. DEFINITIEVE MAATREGELEN

a) Verbintenissen

(46) Na de instelling van de voorlopige antidumpingrechten en nadat zij commentaar hadden gegeven op de voorlopige bevindingen van de Commissie hebben de twee medewerkende Poolse exporteurs een verbintenis aangeboden overeenkomstig artikel 8 van de basisverordening. Elk van deze exporteurs verbindt zich onder meer ertoe gedurende een bepaalde referentieperiode, voor de verschillende soorten zink die worden uitgevoerd, rechtstreeks aan de LME-prijzen voor SHG-zink gekoppelde minimumprijzen toe te passen.

(47) Deze verbintenissen, waarvan de naleving op doeltreffende wijze kan worden gecontroleerd, zouden de nadelige gevolgen van de dumping als bedoeld in artikel 8, lid 1, van de basisverordening moeten wegnemen. De Commissie heeft het Raadgevend Comité geraadpleegd over de aanvaarding van deze verbintenissen en het comité heeft hiertegen geen bezwaren naar voren gebracht. De aangeboden verbintenissen werden vervolgens aanvaard bij Beschikking 97/644/EG van de Commissie (4). Het onderzoek ten aanzien van deze twee exporteurs dient derhalve te worden beëindigd.

b) Definitief recht

(48) Het verdient aanbeveling een residueel recht in te stellen op de invoer van zink uit Polen. Dit residuele recht wordt noodzakelijk geacht om te voorkomen dat niet-medewerkende ondernemingen voordeel hebben bij het onthouden van hun medewerking aan het onderzoek. Daar komt nog bij dat hoewel in dit geval de exporteurs de door de Commissie gebruikte cijfers betreffende de uitvoer van zink uit Polen naar de Gemeenschap hebben betwist, de betrokken exporteurs niet konden verklaren of het verschil tussen deze cijfers en hun eigen uitvoergegevens verband hield met indirecte uitvoer naar de Gemeenschap van hun eigen producten of met uitvoer van ander zink. Het recht dient in overeenstemming te zijn met de schademarge, aangezien deze marge lager bleek te zijn dan de dumpingmarge.

(49) De Russische producenten/exporteurs hebben geen medewerking verleend aan het onderzoek. Er werd derhalve gevraagd dat het recht voor Rusland minstens even hoog zou zijn als het recht dat voor de niet-medewerkende Poolse ondernemingen werd vastgesteld. Dit verzoek kon evenwel niet worden ingewilligd omdat het recht normaliter wordt vastgesteld aan de hand van gegevens voor elk van de respectieve landen. Dit betekent dat, aangezien de bevindingen voor Rusland enkel werden herzien wat de normale waarde voor het referentieland met een markteconomie betreft, het noodzakelijk is de invoer van zink uit Rusland te onderwerpen aan een definitief antidumpingrecht op het niveau dat noodzakelijk is om de schade weg te nemen, aangezien de schademarge lager is dan de herziene dumpingmarge.

I. DEFINITIEVE INVORDERING VAN HET VOORLOPIGE RECHT

(50) Een van de in overweging 3 bedoelde importeurs, een onderneming die na de bekendmaking van het bericht van inleiding werd opgericht, verzocht de Commissie haar nog niet ingeklaarde voorraden die zich op 5 april 1997 nog in douane-entrepot bevonden, vrij te stellen van de definitieve invordering van het voorlopige antidumpingrecht. Deze importeur meende namelijk, gezien zijn bijzondere situatie, te mogen verwachten niet aan rechten te worden onderworpen. Aangezien het voorlopige antidumpingrecht pas na een overeenkomstig de voorschriften aangekondigd onderzoek werd ingesteld, komen de importeurs in beginsel niet voor vrijstelling in aanmerking. De specifieke omstandigheden waarop deze importeur zich beroept, rechtvaardigen geen uitzondering op deze regel.

(51) Aangezien de medewerkende Poolse producenten/exporteurs zich ertoe hebben verbonden de verbintenissen, indien deze door de Commissie worden aanvaard, met ingang van 20 juni 1997 na te komen, is het billijk de voorlopige antidumpingrechten op het door deze exporteurs vervaardigde zink dat op of na die datum in het vrije verkeer werd gebracht, niet in te vorderen. Het door deze exporteurs vervaardigde zink dat vóór 20 juni 1997 werd ingevoerd, dient evenwel te worden onderworpen aan het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing zou zijn geweest indien de verbintenissen niet waren aanvaard (namelijk 5,2 % voor Kombinat Gorniczco-Hutniczy Boleslaw, Bukowno, en 14 % voor Huta Cynku "Miasteczko Slaskie", Miasteczko Slaskie).

(52) Het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van zink uit Polen dat door andere producenten dan de twee medewerkende producenten werd vervaardigd en op alle invoer van zink uit Rusland dient definitief te worden ingevorderd tot het niveau van het definitieve antidumpingrecht, namelijk respectievelijk 14 % en 5,2 %.

J. SLOTBEPALINGEN

(53) De betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap werd in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was de instelling van definitieve maatregelen, met inbegrip van de aanvaarding van verbintenissen, aan te bevelen en heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

(54) De exporteurs werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen die ten grondslag lagen aan het voorstel voor definitieve maatregelen dat de Commissie voornemens was in te dienen. Zij hebben hierop geen verder commentaar gegeven.

(55) De Associatieraad en de Poolse overheid werden overeenkomstig het bepaalde in de Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Polen, anderzijds (5), in kennis gesteld van alle relevante informatie en werden vooraf op de hoogte gebracht van het resultaat van het onderzoek waarop deze verordening en het besluit van de Commissie tot aanvaarding van de door de exporteurs aangeboden verbintenissen betrekking hebben. De Poolse overheid heeft uitdrukkelijk haar tevredenheid uitgesproken over de regeling die voor de twee medewerkende Poolse exporteurs werd getroffen.

(56) De Russische overheid werd overeenkomstig het bepaalde in de interim-overeenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor atoomenergie, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds (6), in kennis gesteld van alle relevante informatie en werd vooraf op de hoogte gebracht van het resultaat van het onderzoek dat in deze verordening is neergelegd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van ruw, niet-gelegeerd zink, vallende onder de GN-codes 7901 11 00, 7901 12 10 en 7901 12 30 van oorsprong uit Polen en Rusland.

2. Voor het in lid 1 bedoelde product van oorsprong uit Polen bedraagt het antidumpingrecht op de nettoprijs franco grens Gemeenschap, voor inklaring, 14 % (aanvullende Taric-code 8900), behalve voor de producten die worden vervaardigd en voor uitvoer naar de Gemeenschap verkocht door:

- Kombinat Gorniczco-Hutniczy Boleslaw, Bukowno

(aanvullende Taric-code 8965); of

- Huta Cynku "Miasteczko Slaskie", Miasteczko Slaskie

(aanvullende Taric-code 8093),

die van het recht worden vrijgesteld, op voorwaarde dat de ingevoerde producten vergezeld gaan van een na 19 juni 1997 afgegeven EUR. 1-certificaat waarop, onder de vermelding "exporteur", de naam en het adres van een van deze ondernemingen zijn ingevuld en de Gemeenschap of een van haar lidstaten als land van bestemming is opgegeven. Dit document dient te zijn afgegeven en gecertificeerd door de Poolse autoriteiten overeenkomstig het bepaalde in de Europa-overeenkomst met Polen.

3. Voor het in lid 1 bedoelde product van oorsprong uit de Russische Federatie bedraagt het antidumpingrecht op de nettoprijs franco grens Gemeenschap, voor inklaring, 5,2 %.

4. Tenzij anders bepaald, zijn de voorschriften betreffende de douanerechten van toepassing.

Artikel 2

1. De bedragen waarvoor zekerheid is gesteld door middel van het bij Verordening (EG) nr. 593/97 ingestelde voorlopige antidumpingrecht worden definitief ingevorderd ter hoogte van de rechten die definitief worden ingesteld op de invoer van ruw, niet-gelegeerd zink van oorsprong uit, respectievelijk, Polen en Rusland. Onverminderd het bepaalde in lid 2 wordt het voorlopige antidumpingrecht op producten van oorsprong uit Polen die zijn vervaardigd en worden uitgevoerd door Kombinat Gorniczco-Hutniczy Boleslaw, Bukowno definitief ingevorderd op het niveau van 5,2 %.

De bij wijze van zekerheidsstelling betaalde bedragen die het definitief antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven.

2. Het voorlopige recht op de invoer van zink uit Polen waarvan kan worden aangetoond dat het is vervaardigd door, hetzij Huta Cynku "Miasteczko Slaskie", Miasteczko Slaskie, het Kombinat Gorniczco-Hutniczy Boleslaw, Bukowno, en dat op of na 20 juni 1997 in het vrije verkeer is gebracht, wordt niet definitief ingevorderd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 september 1997.

Voor de Raad

De Voorzitter

F. BODEN

(1) PB L 56 van 6. 3. 1996, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2331/96 (PB L 317 van 6. 12. 1996, blz. 1).

(2) PB L 89 van 4. 4. 1997, blz. 6.

(3) PB L 67 van 10. 3. 1994, blz. 89.

(4) Zie bladzijde 50 van dit Publicatieblad.

(5) PB L 348 van 31. 12. 1993, blz. 2.

(6) PB L 247 van 13. 10. 1995, blz. 1.