31997R1732

Verordening (EG) nr. 1732/97 van de Commissie van 4 september 1997 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, India, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand

Publicatieblad Nr. L 243 van 05/09/1997 blz. 0017 - 0036


VERORDENING (EG) Nr. 1732/97 VAN DE COMMISSIE van 4 september 1997 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, India, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2331/96 (2), inzonderheid op artikel 7,

Na overleg met het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

(1) In december 1996 kondigde de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (3) de inleiding aan van een antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer in de Gemeenschap van roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (hierna de "VCR" genoemd), India, Maleisië, de Republiek Korea (hierna "Korea" genoemd) en Taiwan en startte zij een onderzoek.

In januari 1997 kondigde de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (4) de uitbreiding aan van de procedure tot de invoer uit Thailand.

(2) De procedure werd ingeleid en vervolgens uitgebreid naar aanleiding van twee klachten die werden ingediend door de European Industrial Fasteners Institute (EIFI) namens EG-producenten die het grootste gedeelte van de productie van roestvrijstalen bevestigingsmiddelen in de Gemeenschap voor hun rekening nemen. De klachten bevatten bewijzen van dumping in verband met bedoeld product en van aanzienlijke schade die hiervan het gevolg was; één en ander werd voldoende geacht om de inleiding van een procedure te rechtvaardigen.

(3) De Commissie bracht de producenten/exporteurs, de importeurs waarvan bekend was dat zij hierbij betrokken waren, de vertegenwoordigers van de exporterende landen en de klagende partijen officieel van de inleiding van de procedure op de hoogte; zij stelde de rechtstreeks betrokken partijen in de gelegenheid om hun standpunten schriftelijk bekend te maken en om te verzoeken te worden gehoord.

(4) De Commissie stuurde alle partijen waarvan bekend was dat zij hierbij betrokken waren, vragenlijsten en ontving antwoorden van de producenten van de Gemeenschap die de klagende partij vormden, van vier bedrijven in India, van twee bedrijven in Maleisië, van één bedrijf in Korea, van zeven bedrijven in Taiwan, van drie bedrijven in Thailand, van zes bedrijven in de VRC, van één bedrijf in Hongkong dat producten van oorsprong uit de VRC uitvoerde, van één bedrijf in Brazilië (dat men oorspronkelijk als analoog land op het oog had) en van één importeur in de Gemeenschap die met een Maleisisch bedrijf verbonden was. De Commissie ontving ook twee volledig ingevulde vragenlijsten van twee niet verbonden importeurs in de Gemeenschap.

(5) De Commissie verifieerde alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststellingen noodzakelijk achtte en verrichtte onderzoekingen bij de volgende bedrijven:

Producenten in de Gemeenschap

- Bulnava srl, Milano (Italië),

- Inox Viti snc di Cattinori Enrico e Bruno, Grumello Del Monte (Italië),

- Tevi srl (Trafilerie e Viterie Italiane srl), Ponte Dell'Olio (Italië),

- Tornillería del Besos SA (Torbesa), Barcelona (Spanje),

- Ugivis SA, Belley (Frankrijk);

Producenten/exporteurs en bedrijven in de exporterende landen die met deze producenten/exporteurs verbonden zijn

India

- Audler Fasteners, Vasai,

- Lakshmi Precision Screws Ltd, Rohtak,

- Kundan Industries Ltd, Vasai,

- Tata Exports Ltd, Bombay;

Maleisië

- Tigges Steel Fasteners (M) Sdn. Bhd., Ipoh,

- Tong Heer Fasteners Co., Sdn. Bdh., Penang;

Korea

- Daegil Trading Co. Ltd, Seoul;

Taiwan

- Arrow Fastener Co. Ltd, Taipei,

- CLC Industrial Co. Ltd, Tainan,

- Min Hwei Enterprise Co., Kaohsiung,

- Rodex Fasteners Corp., Chung Li,

- Sen Chang Industrial Co., Ltd, Tao Yuen,

- Taiwan Shan Yin Intern. Co. Ltd, Kaohsiung,

- Tong Hwei Enterprise Co. Ltd, Kaohsiung,

- Tong Jou Enterprise Co., Ltd, Kaohsiung;

Thailand

- Dura Fastener Co. Ltd, Samutprakarn,

- A.B.P. Stainless Fastener Co. Ltd, Ayutthaya,

- Thailock Fastener Co. Ltd, Chon Buri;

Honkong (bedrijven die producten van oorsprong uit de VRC uitvoeren)

- Power Van Industrial Co. Ltd,

- Tung Wah Metal Manufactory (verbonden met een bedrijf in de VRC);

Brazilië (oorspronkelijk als analoog land beoogd)

- Industrias Micheletto, Canoas;

Verbonden importeur in de Gemeenchap

- Tigges GmbH & Co. KG, Wuppertal (Duitsland);

Niet verbonden importeur in de Gemeenschap

- Acton SA, La Grand-Croix, Frankrijk.

(6) Het onderzoek naar de dumping had betrekking op de periode van 1 januari 1996 tot 30 november 1996 (hierna het "onderzoektijdvak" genoemd). Het onderzoek naar de schade had betrekking op de periode van 1992 tot 30 november 1996.

B. PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1. Product

(7) Het betreft roestvrijstalen bevestigingsmiddelen (hierna "RB's" genoemd), met name bouten, moeren en schroeven van roestvrij staal die gebruikt worden om twee of meer elementen mechanisch aan elkaar te bevestigen. De hierboven omschreven producten zijn allen ingedeeld onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61, 7318 15 70 en 7318 16 30.

Schroeven zijn bevestigingsmiddelen met een schroefdraad op de buitenkant van de schacht. Zij kunnen op zich worden gebruikt en in hout (houtschroeven) of metaalplaat (zelftappende schroeven) worden bevestigd of worden gecombineerd met een moer en sluitringen om zo een bout te vormen. Schroeven kunnen met verschillende koppen zijn uitgerust (bol, inbus, plat verzonken, zeskantig, enz.); zij kunnen verschillende schachtlengten en diameters hebben. De schacht kan volledig of gedeeltelijk van een schroefdraad voorzien zijn.

RB's worden in een groot aantal bedrijfstakken gebruikt en worden vaak ingezet wanneer de bevestigingsmiddelen bestand moeten zijn tegen corrosie aan de lucht en chemische corrosie of wanneer hygiëne belangrijk is zoals bij installaties voor de verwerking en opslag van levensmiddelen, installaties in de chemische industrie, medische uitrusting, straatverlichting, scheepsbouw, enz.

(8) Er zijn verschillende soorten RB's en elke soort wordt bepaald door haar specifieke fysische en technische eigenschappen en door de soort roestvrij staal waarvan zij is vervaardigd. Alle onderzochte producten die onder de gemeenschappelijke noemer "bevestigingsmiddelen" vallen, vertonen evenwel dezelfde fundamentele fysische eigenschappen, worden voor dezelfde doeleinden gebruikt en worden via dezelfde distributiekanalen verdeeld. Zij worden bijgevolg in het kader van onderhavig onderzoek beschouwd als één enkele categorie producten. Men besloot evenwel, om redenen die met het technisch onderzoek te maken hebben, het betrokken product in te delen in "soorten" en de gegevens op basis van deze soorten te verzamelen en verwerken. Hiertoe werden vijf criteria in aanmerking genomen (5). Iedere combinatie van deze criteria, die een "productcontrolenummer" draagt (hierna "pcn" genoemd), stemt overeen met een specifieke soort RB's.

(9) In de loop van het onderzoek werd vastgesteld dat de betrokken exporteurs sommige RB's die niet tot de standaardproducten behoren, verkochten. Deze producten die op bestelling worden vervaardigd, zijn in geen enkele standaardnomenclatuur ingedeeld. Hoewel hun kosten, prijs en winstmarge ongewoon hoog liggen en derhalve niet representatief zijn voor de gemiddelde RB's, worden deze producten toch als soortgelijke producten beschouwd. De vaststelling in verband met dumping vond evenwel uitsluitend plaats op basis van standaard-/RB's die, wat de totale uitvoer van RB's naar de Gemeenschap betreft, als voldoende representatief werden beschouwd.

(10) Tijdens het onderzoek werd aangevoerd dat moeren (GN-code 7318 16 30) van het onderzoek dienen te worden uitgesloten, aangezien geen moeren in de Gemeenschap werden vervaardigd. Het feit dat een specifieke productsoort niet langer door de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt vervaardigd, is evenwel op zich niet voldoende om te besluiten dat het van de antidumpingprocedure moet worden uitgesloten. De Commissie stelde hoe dan ook vast dat, hoewel een aanzienlijk gedeelte van de in de Gemeenschap verbruikte moeren vooral uit de betrokken landen werd ingevoerd, de bedrijfstak van de Gemeenschap toch ook voor een bepaalde productie van moeren zorgde en dat deze producten nadelige gevolgen van de betrokken invoer zou kunnen ondervinden.

De producenten hebben hun capaciteit voor de productie van moeren gehandhaafd en zouden hun productie van moeren zeer waarschijnlijk verhogen of hervatten indien op de markt van de Gemeenschap een redelijk prijspeil werd bereikt. Daarom achtten de diensten van de Commissie het niet verantwoord om moeren van het onderzoek uit te sluiten.

2. Soortgelijk product

(11) De Commissie stelde vast dat RB's die vervaardigd werden in en verkocht worden op de respectieve binnenlandse markten van India, Maleisië, Korea, Taiwan en Thailand en RB's die uit de betrokken landen naar de Gemeenschap uitgevoerd worden, alsmede RB's die door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigd en verkocht worden, dezelfde fysische, chemische en technische eigenschappen hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Derhalve werd geconcludeerd dat al deze producten soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 (hierna de "basisverordening" genoemd).

C. DUMPING

1. Normale waarde

a) India

(12) Van de vier Indiase bedrijven die medewerking aan het onderzoek verleenden, vervaardigden en exporteerden er twee het betrokken product, maar zij verkochten het niet op de binnenlandse markt gedurende het onderzoektijdvak. Een derde bedrijf dat medewerking verleende, vervaardigde het betrokken product en verkocht het op de binnenlandse markt; het voerde het product ook naar de Gemeenschap uit via het vierde bedrijf, een exportbedrijf. Derhalve werd, wat India betreft, de normale waarde slechts berekend voor de drie producenten.

(13) Om de normale waarde vast te stellen, gingen de diensten van de Commissie eerst na of de verkoop op de binnenlandse markt representatief was overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening. In dit verband werd, voor de enige producent die zijn medewerking verleende en op de binnenlandse markt verkocht, vastgesteld dat de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van het betrokken product meer dan 5 % van voor de Gemeenschap bestemde hoeveelheden vertegenwoordigden.

(14) Vervolgens werd onderzocht of de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van iedere productsoort minstens 5 % vertegenwoordigden van de voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte hoeveelheden van dezelfde soort.

Bij de productsoorten die aan het 5 %-criterium voldeden, gingen de diensten van de Commissie na of er voldoende hoeveelheden waren verkocht in het kader van normale handelstransacties overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening. In de gevallen waarin minder dan 20 % van de verkochte hoeveelheden van een productsoort onder de eenheidsprijs werd verkocht, werd de normale waarde vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde, gewogen gemiddelde prijs van de totale binnenlandse verkoop. In de gevallen waarin 20 % of meer, maar niet meer dan 90 % van de verkochte hoeveelheden van een productsoort, met verlies werd verkocht, werd de normale waarde vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde, gewogen gemiddelde prijs van de overige, winstgevende binnenlandse verkoop.

Indien de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van een productsoort minder bedroegen dan 5 % van de voor uitvoer naar de Gemeenschap bestemde hoeveelheden of indien de met verlies op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden meer bedroegen dan 90 % van deze uitvoer, werd de verkoop op de binnenlandse markt ontoereikend geacht in de zin van artikel 2, lid 3, van de basisverordening en werd deze verkoop niet in aanmerking genomen. In deze gevallen en bij gebrek aan andere verkoop op de binnenlandse markt door andere Indiase producenten werd de normale waarde samengesteld overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. Voor iedere productsoort werd de normale waarde berekend op basis van alle productiekosten vermeerderd met alle verkoopskosten en algemene en administratieve uitgaven van het bedrijf in kwestie, plus een redelijk bedrag voor winst. Het bedrag voor winst werd vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde winst die geboekt werd op de winstgevende verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt.

(15) Voor de twee exporterende producenten die het betrokken product niet op de binnenlandse markt verkochten en voor het exportbedrijf werd de normale waarde, ingevolge artikel 2, lid 1, van de basisverordening, telkens wanneer een vergelijkbare productsoort werd gevonden, gebaseerd op de gewogen gemiddelde prijs af fabriek die werd aangerekend door de enige producent die medewerking aan het onderzoek verleende en op de binnenlandse markt representatieve hoeveelheden van de vergelijkbare productsoort in het kader van normale handelstransacties verkocht.

Indien de andere producent de vergelijkbare productsoort niet op soortgelijke wijze, of in ontoereikende hoeveelheden, op de binnenlandse markt in het kader van normale handelstransacties verkocht, werd de normale waarde samengesteld overeenkomstig artikel 2, lid 3 en lid 6, onder a), van de basisverordening, dit wil zeggen op basis van alle voor de betrokken exporterende producent bij de vervaardiging van de bedoelde productsoort ontstane productiekosten vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten en algemene en administratieve uitgaven plus winst waarbij voor laatstgenoemd bedrag gebruik werd gemaakt van de gegevens die werden vastgesteld met betrekking tot de enige Indiase producent die op de binnenlandse markt verkocht.

b) Korea

(16) Voor de enige exporterende producent in Korea die medewerking aan het onderzoek verleende, werd vastgesteld dat de totale verkoop van het betrokken product meer dan 5 % van de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden vertegenwoordigde.

(17) Vervolgens werd onderzocht of de totale binnenlandse verkoop van elke productsoort minstens 5 % vertegenwoordigde van de voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte hoeveelheden van dezelfde soort.

Bij de productsoorten die aan het 5 %-criterium voldeden, gingen de diensten van de Commissie na of voldoende verkopen hadden plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Indien minder dan 20 % van de verkochte hoeveelheden van een productsoort onder de eenheidsprijs werd verkocht, werd de normale waarde vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde, gewogen gemiddelde prijs van de totale binnenlandse verkoop. Indien 20 % of meer, maar niet meer dan 90 % van de verkochte hoeveelheden van een productsoort met verlies werd verkocht, werd de normale waarde vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde prijs die bij de overige winstgevende binnenlandse verkoop werkelijk werd betaald.

Indien de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van een productsoort minder bedroegen dan 5 % van de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden of indien de op de binnenlandse markt met verlies verkochte hoeveelheden meer bedroegen dan 90 % werd de binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties ontoereikend geacht in de zin van artikel 2, lid 3, van de basisverordening en derhalve niet in aanmerking genomen. In deze gevallen en bij gebrek aan een andere Koreaanse producent die medewerking aan het onderzoek verleende, werd de normale waarde samengesteld overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening, dit wil zeggen dat voor iedere productsoort werd uitgegaan van alle productiekosten vermeerderd met de verkoopkosten, en de algemene en administratieve uitgaven van het bedrijf plus een redelijk bedrag aan winst. Het bedrag voor winst werd vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde winst die geboekt werd op de winstgevende binnenlandse verkoop van het betrokken product.

c) Maleisië

(18) Voor de beide Maleisische exporterende producenten werd vastgesteld dat de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van het betrokken product minder dan 5 % van de voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte hoeveelheden vertegenwoordigden. Derhalve werd de normale waarde, bij gebrek aan andere Maleisische producenten die aan het onderzoek medewerkten, samengesteld overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening, dit wil zeggen op basis van alle productiekosten van deze bedrijven vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene en administratieve uitgaven plus winst. Omdat deze bedragen niet konden worden vastgesteld op basis van de gegevens van deze producenten, aangezien hun verkoop op de binnenlandse markt niet representatief was, werden zij overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening vastgesteld "op basis van elke andere redelijke methode". Het bedrag voor verkoopkosten en algemene en administratieve uitgaven werd vastgesteld op basis van de gegevens van de producent die het betrokken product gedurende het onderzoektijdvak op de binnenlandse markt verkocht, aangezien werd bewezen dat dit bedrag overeenstemde met de gemiddelde verkoopkosten en algemene en administratieve uitgaven die werden vastgesteld voor alle bedrijven die in het kader van deze procedure werden onderzocht. Het bedrag voor de winst werd vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde winst die door de groep waartoe het bedrijf behoorde, bestaande uit het bedrijf in Maleisië plus twee bedrijven in Taiwan, werd geboekt bij rechtstreekse verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt; verkoop tussen leden van de groep werd niet in aanmerking genomen.

d) Taiwan

(19) Voor drie exporterende producenten werd vastgesteld dat de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van het betrokken product minstens 5 % vertegenwoordigden van de totale naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden en derhalve representatief waren overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening.

(20) Voor de producten die aan het 5 %-criterium voldeden, gingen de diensten van de Commissie na of de verkoop in het kader van normale handelstransacties toereikend was geweest overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Indien minder dan 20 % van de verkochte hoeveelheden van een productsoort onder de eenheidsprijs werd verkocht, werd de normale waarde vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde, gewogen gemiddelde prijs van de totale binnenlandse verkoop van die soort. Indien 20 % of meer, maar niet meer dan 90 % van de verkochte hoeveelheden van een productsoort met verlies werd verkocht, werd de normale waarde vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde prijs die bij de overige winstgevende binnenlandse verkoop van die soort werkelijk werd betaald.

Indien de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van een productsoort minder bedroegen dan 5 % van de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden of indien meer dan 90 % van de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden met verlies werd verkocht, werd de verkoop op de binnenlandse markt in het kader van normale transacties ontoereikend geacht in de zin van artikel 2, lid 3, van de basisverordening. In deze gevallen werd de normale waarde, ingevolge artikel 2, lid 1, tweede alinea, van de basiverordening gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de prijzen af fabriek die door de andere producenten in het betrokken land werden aangerekend voor representatieve binnenlandse verkopen van de vergelijkbare productsoort in het kader van normale handelstransacties.

Indien andere producenten in het betrokken land geen representatieve hoeveelheden van de vergelijkbare productsoort op de binnenlandse markt hadden verkocht, werd de normale waarde samengesteld overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening, dit wil zeggen op basis van alle productiekosten van de betrokken exporterende producent bij de vervaardiging van de productsoort in kwestie vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten en algemene en administratieve uitgaven plus winst. In het algemeen werd het bedrag voor verkoopkosten, algemene en administratieve uitgaven plus winst vastgesteld op basis van de overige representatieve binnenlandse verkopen door de betrokken producent van het onderzochte product in het kader van normale handelstransacties.

(21) Tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat twee van deze bedrijven verbonden waren. Er wordt bijgevolg op gewezen dat voor de vaststelling van de samengestelde normale waarde een gewogen gemiddelde van de winsten van deze twee verbonden exporterende producenten werd gebruikt en slechts een enkele dumpingmarge werd berekend.

(22) Deze twee verbonden exporterende producenten verkochten allebei het betrokken product op de binnenlandse markt, enerzijds via een verbonden bedrijf dat de producten doorverkocht en anderzijds rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers. In de gevallen waarin de productsoorten werden verkocht aan het verbonden bedrijf dat de producten doorverkocht, werd ingevolge artikel 2, lid 1, derde alinea, van de basisverordening geoordeeld dat deze verkoop niet had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties. In deze gevallen werd de normale waarde vastgesteld op basis van de prijzen waartegen het product een eerste maal aan een onafhankelijke afnemer werd doorverkocht.

(23) Voor de drie overige exporterende producenten in Taiwan werd vastgesteld dat de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van het betrokken product minder dan 5 % vertegenwoordigden van de voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte hoeveelheden en derhalve niet representatief waren in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. In deze gevallen werd de normale waarde, telkens wanneer dat mogelijk was, vastgesteld op basis van de binnenlandse prijzen van de andere Taiwanese bedrijven of werd een samengestelde normale waarde berekend, waarbij de hierboven uiteengezette methode werd toegepast.

Indien de normale waarde voor een bepaalde productsoort diende te worden samengesteld, werd het bedrag dat werd toegepast voor verkoopkosten, algemene en administratieve uitgaven plus winst, ingevolge artikel 2, lid 6, onder a), van de basisverordening, vastgesteld op basis van de gemiddelde bedragen die werden vastgesteld bij de andere Taiwanese producenten die het betrokken product op de binnenlandse markt verkochten.

e) Thailand

(24) Van de drie Thaise bedrijven die medewerking aan het onderzoek hebben verleend, had slechts één bedrijf het product gedurende het onderzoektijdvak op de binnenlandse markt verkocht. Voor dit bedrijf bleek uit het onderzoek dat de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van het betrokken product meer dan 5 % vertegenwoordigden van de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden.

Voor de producten die aan het 5 %-criterium voldeden, gingen de diensten van de Commissie na of toereikende verkopen hadden plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties in de zin van artikel 2, lid 4, van de basisverordening. De normale waarde werd derhalve gebaseerd op de prijzen van de binnenlandse verkoop of er werd een samengestelde normale waarde berekend en in dat geval werd de methode toegepast die is uiteengezet in overweging 13.

Indien de verkochte hoeveelheden van een productsoort minder bedroegen dan 5 % of indien de met verlies verkochte hoeveelheden meer bedroegen dan 90 %, werd de normale waarde samengesteld volgens de methode die in overweging 14 is uiteengezet.

(25) Voor de twee Thaise exporterende producenten werd, aangezien het eerste bedrijf geen vergelijkbare productsoort op de Thaise binnenlandse markt verkocht, een samengestelde normale waarde gebruikt overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. Er werd, per productsoort, een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene en administratieve uitgaven plus winst aan de productiekosten toegevoegd. De verkoopkosten, algemene en administratieve uitgaven plus winst werden berekend op basis van de gegevens met betrekking tot de productie en de binnenlandse verkoop van het Thaise bedrijf dat op de binnenlandse markt verkocht.

f) Volksrepubliek China1. Analoog land

(26) Aangezien de VRC beschouwd wordt als een land zonder markteconomie, diende een analoog land met markteconomie te worden geselecteerd voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening. In het bericht van inleiding werden hiertoe Brazilië of India voorgesteld. Binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn werden van geen enkele belanghebbende partij of autoriteit in de VRC reacties ontvangen.

Gedurende het onderzoek kwam evenwel aan het licht dat Brazilië noch India geschikt was. In verband met Brazilië werd vastgesteld dat het assortiment productsoorten dat door de enige Braziliaanse producent die medewerking aan het onderzoek verleende, werd vervaardigd niet voldoende representatief was. Wat India betreft bleek uit het onderzoek dat, hoewel het assortiment groter was, de diensten van de Commissie de concurrentievoorwaarden op de Indiase markt niet voldoende konden beoordelen. Overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening oordeelden de diensten van de Commissie uiteindelijk dat de redelijkste keuze, wat het analoge land betreft, in dit geval Taiwan was. Tijdens het onderzoek bleek dat in Taiwan een representatief assortiment producten werd vervaardigd en dat een groot aantal leveranciers op die markt een toereikende concurrentie waarborgde.

2. Normale waarde

(27) Om de hierboven aangegeven redenen werd de normale waarde vastgesteld op basis van de prijzen en kosten van de Taiwanese producenten die op de binnenlandse markt verkochten. Uit het onderzoek bleek dat de binnenlandse verkoop in Taiwan minstens 5 % vertegenwoordigde van de totale voor uitvoer naar de Gemeenschap bestemde Chinese verkoop.

(28) Voor de productsoorten die aan het 5 %-criterium voldeden, onderzochten de diensten van de Commissie of toereikende hoeveelheden waren verkocht in het kader van normale handelstransacties overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Indien minder dan 20 % van de hoeveelheden van een productsoort onder de eenheidsprijs werd verkocht, werd de normale waarde vastgesteld op basis van de voor de totale verkoop op de binnenlandse markt werkelijk betaalde, gewogen gemiddelde prijs. Indien 20 % of meer, maar niet maar dan 90 % van de verkochte hoeveelheden van een productsoort met verlies werd verkocht, werd de normale waarde vastgesteld op basis van de voor de overige winstgevende binnenlandse verkoop werkelijk betaalde, gewogen gemiddelde prijs.

Indien de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden per productsoort minder bedroegen dan 5 % van de voor uitvoer naar de Gemeenschap bestemde hoeveelheden of indien de op de binnenlandse markt met verlies verkochte hoeveelheden meer bedroegen dan 90 %, werd de binnenlandse verkoop die in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden ontoereikend geacht in de zin van artikel 2, lid 3, van de basisverordening en derhalve niet in aanmerking genomen. In deze gevallen werd de normale waarde samengesteld overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. Voor elke productsoort werd de normale waarde berekend op basis van alle productiekosten vermeerderd met de verkoopkosten en de algemene en administratieve uitgaven van de Taiwanese bedrijven, plus een redelijk bedrag voor winst. Het bedrag voor de winst werd vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde winst die geboekt werd op de winstgevende binnenlandse verkoop van het betrokken product.

2. Uitvoerprijs

a) India

(29) Voor de twee exporterende producenten die bij uitvoer naar de Gemeenschap rechtstreeks aan onafhankelijke importeurs verkochten, werden de uitvoerprijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, vastgesteld op basis van de door deze onafhankelijke afnemers werkelijk betaalde of te betalen prijzen. Aangezien het derde bedrijf het betrokken product verkocht aan een in India gevestigd, niet verbonden exportbedrijf en op het ogenblik van de verkoop wist dat dit product bestemd was voor uitvoer naar de Gemeenschap, werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de prijs die door de producent aan het exportbedrijf werd aangerekend.

b) Korea

(30) De enige exporterende producent in Korea die medewerking aan het onderzoek verleende, verkocht bij uitvoer naar de Gemeenschap rechtstreeks aan onafhankelijke importeurs en factureerde zijn leveringen hetzij rechtstreeks aan de importeurs, hetzij via een onafhankelijke handelsmaatschappij in Korea. In het eerste geval werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de door de onafhankelijke afnemers werkelijk betaalde of te betalen prijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening. In het laatste geval werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de door de betrokken producent aan de handelsmaatschappij gefactureerde prijzen.

c) Maleisië

(31) Voor één exporteur in Maleisië die bij uitvoer naar de Gemeenschap rechtstreeks aan onafhankelijke importeurs verkocht, werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de door deze onafhankelijke importeurs werkelijk betaalde of te betalen prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

(32) Bij de andere Maleisische exporteur vond alle uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap plaats via een verbonden importeur. Derhalve werd geoordeeld dat de prijzen van de door het producerende bedrijf in Maleisië aan het importerende bedrijf in Europa verkochte producten onbetrouwbaar waren. Om die reden en overeenkomstig de bepalingen van de artikel 2, lid 9, van de basisverordening werden de uitvoerprijzen samengesteld op basis van de prijs waartegen het geïmporteerde product voor het eerst werd doorverkocht aan een onafhankelijke afnemer, waarbij correcties werden aangebracht voor alle kosten die tussen de invoer en de wederverkoop waren ontstaan; er werd voorlopig ook een correctie toegepast voor winst en deze stemde overeen met de winst die door dit bedrijf werd geboekt op zijn verkoop aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap.

d) Taiwan

(33) De exporterende producenten verkochten bij uitvoer naar de Gemeenschap hetzij rechtstreeks aan onafhankelijke importeurs, hetzij via in Taiwan gevestigde, niet verbonden handelsmaatschappijen.

Indien bij uitvoer naar de Gemeenschap rechtstreeks aan onafhankelijke importeurs werd verkocht, werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de door deze importeurs werkelijk betaalde of te betalen prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

Indien bij uitvoer naar de Gemeenschap werd verkocht via de handelsmaatschappijen werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de door de betrokken producenten aan de handelsmaatschappijen gefactureerde prijzen.

e) Thailand

(34) Voor de twee exporterende producenten die bij uitvoer naar de Gemeenschap rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers verkochten, werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de door deze onafhankelijke afnemers betaalde of te betalen prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening. Aangezien de derde producent het betrokken product verkocht aan een in Thailand gevestigd niet verbonden exportbedrijf en op het ogenblik van de verkoop wist dat dit product voor uitvoer naar de Gemeenschap was bestemd, werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de prijs die het exportbedrijf door de producent werd aangerekend.

f) Volksrepubliek China

1. Afzonderlijke behandeling

(35) Alle exporterende producenten in de VRC die de vragenlijst van de Commissie volledig invulden en het betrokken product naar de Gemeenschap uitvoerden gedurende het onderzoektijdvak alsmede een bedrijf in Hongkong dat RB's van oorsprong uit de VRC uitvoerde, verzochten de Commissie om een afzonderlijke behandeling; zij wensten de vaststelling van afzonderlijke uitvoerprijzen en derhalve van afzonderlijke dumpingmarges.

De diensten van de Commissie gingen na of deze zeven bedrijven een zekere mate van juridische en feitelijke onafhankelijkheid ten aanzien van de staat genoten, vergelijkbaar met de onafhankelijkheid die in een land met markteconomie zou gelden. Hiertoe stuurden de diensten van de Commissie deze bedrijven gedetailleerde vragen omtrent de eigenaars van de bedrijven, het beheer en de zeggenschap over commercieel beleid en bedrijfsvoering.

(36) De zes betrokken bedrijven in de VRC konden niet ten genoegen van de diensten van de Commissie aantonen dat zij ten aanzien van de Chinese autoriteiten voldoende onafhankelijk konden optreden en de Commissie stelde meer bepaald vast dat sommige van deze bedrijven niet in alle vrijheid konden beslissen over hun prijsbeleid en over de op de binnenlandse en buitenlandse markt te verkopen hoeveelheden. Bovendien waren sommige bedrijven op diverse momenten afhankelijk van de goedkeuring van de Chinese autoriteiten, zoals bij de oprichting van het bedrijf, de wijziging van de statuten of de stopzetting van hun activiteiten. In sommige gevallen zetten de buitenlandse investeerders uiteindelijk een punt achter de joint-venture-overeenkomsten die zij met de betrokken bedrijven in de VRC vóór de aanvang van het onderzoektijdvak hadden gesloten. Derhalve werd besloten dat voor deze zes bedrijven geen afzonderlijke behandeling kon worden toegestaan.

(37) Voor het bedrijf in Hongkong dat RB's van oorsprong uit de VRC uitvoerde, werd vastgesteld dat het in Hongkong geregistreerd was, dat geen enkele partij uit de VRC een participatie in dit bedrijf had en dat het bedrijf geen connecties had met een bedrijf in de VRC. Uit onderzoek in Hongkong bleek dat het bedrijf in de VRC een productie-installatie voor de vervaardiging van RB's runde die het in huur had en dat de productie in deze installatie plaatsvond onder de directie en het beheer van het Hongkongse kantoor. Bovendien bleek dat dit bedrijf onafhankelijk van de Chinese autoriteiten optrad vooral wat de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap en de marketing betreft.

In het licht van deze overwegingen werd voorlopig besloten dit bedrijf in het kader van onderhavig antidumpingonderzoek een afzonderlijke behandeling toe te staan.

2. Uitvoerprijs

(38) Uit het onderzoek bleek dat vijf bedrijven in de VRC die medewerking aan het onderzoek verleenden en één bedrijf in Hongkong dat RB's van oorsprong uit de VRC uitvoerde, rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap uitvoerden. De uitvoerprijzen werden derhalve gebaseerd op de voor het product dat naar de Gemeenschap werd uitgevoerd werkelijk betaalde of te betalen prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

(39) In verband met een ander bedrijf in de VRC werd vastgesteld dat de uitvoer naar de Gemeenschap plaatsvond via een verbonden bedrijf in Hongkong dat het betrokken product verkocht aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap. In dit geval werden overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de prijzen die door het verbonden bedrijf aan onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap werden gefactureerd, waarbij correcties werden aangebracht voor alle kosten en winsten die tussen de invoer en de wederverkoop waren gemaakt.

3. Vergelijking

(40) Teneinde een billijke vergelijking mogelijk te maken werd, in de vorm van correcties, terdege rekening gehouden met verschillen, die naar werd aangetoond de vergelijkbaarheid van de prijzen zouden beïnvloeden. Overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening werden deze correcties toegepast voor verpakkingskosten, vervoerkosten, kosten voor verzekering, lading, lossing en overlading, en aanverwante kosten, indirecte belastingen en invoerheffingen, kredietkosten en commissies.

(41) Een bedrijf in India verzocht om een correctie voor kredietkosten bij de verkoop op de binnenlandse markt en wenste dat de werkelijke betaaldag in aanmerking werd genomen. Dit verzoek werd van de hand gewezen omdat overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder g), van de basisverordening slechts een correctie kan worden toegepast voor het aantal dagen dat werd overeengekomen op het ogenblik van de verkoop, aangezien slechts de uitgaven in verband met dat aantal dagen de beslissing van de koper kunnen hebben beïnvloed.

(42) Het verzoek van hetzelfde Indiase bedrijf om een correctie in verband met invoerrechten werd van de hand gewezen omdat het bedrijf niet kon aantonen dat er een duidelijk verband was tussen de ingevoerde grondstoffen die werden gebruikt bij de vervaardiging van het betrokken product dat op de binnenlandse markt werd verkocht en de gevraagde correctie in verband met invoerrecht.

(43) Sommige exporterende producenten in Taiwan verzochten om een correctie voor verschillen in handelsstadium omdat zij verschillende hoeveelheden verkochten aan verschillende soorten klanten. Ze konden evenwel niet aantonen dat er voortdurend duidelijke verschillen zijn in de functies en prijzen van de verschillende handelsstadia bij verkoop op de Taiwanese binnenlandse markt. Derhalve werd geen correctie voor verschillen in handelsstadium toegestaan.

(44) Een bedrijf in Thailand verzocht om een correctie voor verschillen in fysische kenmerken en voor een verschil in handelsstadium. Deze twee verzoeken dienden om de volgende redenen van de hand te worden gewezen:

Het eerste verzoek werd niet relevant geacht omdat de dumpingberekening gebaseerd is op een vergelijking van de productsoorten die zowel op de binnenlandse als op de exportmarkt worden verkocht, en de producten door het bedrijf van dezelfde interne technische codes werden voorzien. Men stelde daarentegen vast dat het waarschijnlijk om dezelfde producten ging.

In verband met het tweede verzoek bleek uit het onderzoek dat minder dan 10 % van de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden aan een specifieke soort klanten werd verkocht. Het bedrijf kon evenwel niet aantonen dat er voortdurend duidelijke verschillen waren in de functies en prijzen van de verschillende handelsstadia bij verkoop op de Thaise binnenlandse markt. Derhalve werd geen correctie voor verschillen in handelsstadium toegestaan.

4. Dumpingmarge

1. Algemene methode

(45) In het algemeen worden de dumpingmarges ingevolge artikel 2, leden 10 en 11, van de basisverordening vastgesteld op basis van een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs af fabriek, in hetzelfde handelsstadium.

(46) Voor exporterende producenten die bij de procedure betrokken waren en die de vragenlijst van de Commissie niet hadden ingevuld, noch zich op een andere wijze bekendmaakten, werd de dumpingmarge vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening.

(47) Om het niveau van de medewerking vast te stellen, werden de Eurostatistieken vergeleken met de gegevens over de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden die ter beschikking werden gesteld door de exporterende producenten in de betrokken landen die medewerking aan het onderzoek verleenden.

Wanneer weinig medewerking aan het onderzoek werd verleend, besloten de diensten van de Commissie dat als redelijkste cijfer werd aangemerkt het cijfer dat werd vastgesteld in het kader van het onderzoek, namelijk het gewogen gemiddelde van alle transacties tegen dumpingprijzen dat voor het bedrijf met de hoogste dumpingmarge werd vastgesteld.

Indien het niveau van medewerking hoog lag, achtten de diensten van de Commissie het passend de dumpingmarge voor bedrijven die geen medewerking hadden verleend te baseren op de hoogste dumpingmarge die werd vastgesteld voor een exporterende producent in het betrokken land die wel medewerking verleende, aangezien er geen reden was om aan te nemen dat een exporterende producent die geen medewerking had verleend, lagere dumpingprijzen zou hanteren dan de hoogst vastgestelde.

Men achtte deze aanpak ook noodzakelijk om te vermijden dat bedrijven die geen medewerking hadden verleend hiervoor zouden worden beloond en de kans zouden krijgen om het recht te ontduiken.

2. Dumpingmarges

a) India

(48) De volgende dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de prijs cif grens Gemeenschap werden vastgesteld:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(49) Aangezien weinig medewerking werd ondervonden, werd de voorlopige dumpingmarge voor de exporterende producenten in India die geen medewerking verleenden, volgens de algemene methode die in de overwegingen 46 tot 47 is uiteengezet, vastgesteld op 133,5 % en uitgedrukt als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap.

b) Korea

(50) De dumpingmarge, uitgedrukt als een percentage van de prijs cif grens Gemeenschap bedroeg voor:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(51) Aangezien weinig medewerking werd ondervonden, werd de voorlopige dumpingmarge voor de exporterende producenten in Korea die geen medewerking verleenden, volgens de algemene methode die is uiteengezet in de overwegingen 46 tot 47, vastgesteld op 26,7 % en uitgedrukt als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap.

c) Maleisië

(52) Voor één onderzochte exporterende producent in Maleisië werd de gewogen gemiddelde normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening, vergeleken met de prijzen van alle afzonderlijke uitvoertransacties naar de Gemeenschap, aangezien werd vastgesteld dat de uitvoerprijzen een patroon vertoonden dat van tijdvak tot tijdvak aanzienlijk verschilde en dat een berekening gebaseerd op het gewogen gemiddelde de volle omvang van de dumping niet zou hebben weerspiegeld.

De dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de prijs cif grens Gemeenschap, bedroegen voor:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(53) Aangezien het niveau van de medewerking hoog was, werd de voorlopige dumpingmarge voor de exporterende producenten in Maleisië die geen medewerking aan het onderzoek verleenden, volgens de algemene methode die in de overwegingen 44 tot 46 is uiteengezet, vastgesteld op 9,5 % en uitgedrukt als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap.

d) Taiwan

(54) Voor drie onderzochte exporterende producenten in Taiwan werd de gewogen gemiddelde normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening, vergeleken met de prijzen van alle individuele uitvoertransacties naar de Gemeenschap, aangezien werd vastgesteld dat de uitvoerprijzen een patroon vertoonden dat van tijdvak tot tijdvak of van gebied tot gebied verschilde en dat een berekening gebaseerd op het gewogen gemiddelde de volle omvang van de dumping niet zou hebben weerspiegeld.

De dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de prijs cif grens Gemeenschap, bedroegen voor:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(55) Zoals hierboven werd aangegeven, waren twee bedrijven in Taiwan met elkaar verbonden. Bijgevolg was de kans groot dat de antidumpingmaatregelen zouden worden ontdoken door, indien twee verschillende marges werden vastgesteld, de uitvoer naar de Gemeenschap via het bedrijf met de laagste dumpingmarge te laten plaatsvinden. Derhalve werd geconcludeerd dat slechts één dumpingmarge voor de twee bedrijven moest worden vastgesteld; deze diende gebaseerd te zijn op het gewogen gemiddelde van de voor beide bedrijven vastgestelde dumpingmarge.

(56) Aangezien weinig medewerking aan het onderzoek werd ondervonden, werd de voorlopige dumpingmarge voor de exporterende producenten in Taiwan die geen medewerking aan het onderzoek verleenden, volgens de algemene methode die is uiteengezet in de overwegingen 44 tot 46, vastgesteld op 27,7 % en uitgedrukt als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap.

e) Thailand

(57) De dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de prijs cif grens Gemeenschap, bedroegen voor:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(58) Aangezien de medewerking groot was, werd de voorlopige dumpingmarge voor de exporterende producenten in Thailand die geen medewerking aan het onderzoek verleenden, volgens de algemene methode die is uiteengezet in de overwegingen 44 tot 46, vastgesteld op 32,9 % en uitgedrukt als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap.

f) Volksrepubliek China

(59) Aangezien zes exporterende producenten in de VRC die medewerking aan het onderzoek hadden verleend, een afzonderlijke behandeling was geweigerd, dienden de uitvoerprijzen van deze producenten te worden samengevoegd met gegevens van Eurostat om gegevens te verkrijgen over de totale uitvoer van de VRC naar de Gemeenschap. Bijgevolg konden alleen GN-codes worden vergeleken, met andere woorden verschillende pcn-codes werden samengevoegd. Derhalve werd per GN-code de gewogen gemiddelde normale waarde fob Taiwanese grens vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs fob Chinese grens, in hetzelfde handelsstadium.

De voorlopig vastgestelde dumpingmarge bedroeg 75,6 % en werd uitgedrukt als een percentage van de prijs cif grens Gemeenschap.

Voor het bedrijf in Hongkong dat een individuele behandeling werd toegestaan, werd de gewogen gemiddelde normale waarde fob Taiwanese grens vergeleken met zijn eigen gewogen gemiddelde uitvoerprijs fob Chinese grens, in hetzelfde handelsstadium. De voorlopig vastgestelde dumpingmarge bedroeg 16,2 % en is uitgedrukt als een percentage van de prijs cif grens Gemeenschap.

D. BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

(60) De Commissie onderzocht of de klagende partijen het grootste gedeelte van de totale productie in de Gemeenschap van het betrokken product voor hun rekening namen en kwam tot de conclusie dat de producenten die de klagende partij vormen (hierna de "bedrijfstak van de Gemeenschap" genoemd) 63 % van de totale productie van het soortgelijk product in de Gemeenschap in het onderzoektijdvak produceerden. De Commissie oordeelde derhalve dat de klagende bedrijven de bedrijfstak van de Gemeenschap vormen in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening.

E. SCHADE

1. Voorafgaande opmerkingen

(61) Om de schade in het kader van onderhavige procedure vast te stellen heeft de Commissie de gegevens onderzocht met betrekking tot de periode 1992 tot november 1996 (hierna de "onderzochte periode" genoemd). Er zij evenwel op gewezen dat de Commissie wat de ontwikkeling van de schade-indicatoren gedurende de onderzochte periode betreft met het oog op een vergelijking van jaar tot jaar gebruik heeft gemaakt van de cijfers die op het onderzoektijdvak betrekking hebben (elf maanden in 1996) en deze gegevens heeft geëxtrapoleerd zodat gegevens voor een volledig jaar 1996 werden verkregen.

Vanuit geografisch oogpunt had het onderzoek betrekking op de Gemeenschap zoals deze was samengesteld op het ogenblik van de inleiding van de procedure, dit wil zeggen de Gemeenschap van 15 lidstaten.

2. Cumulatie

(62) De Commissie ging na of de invoer van RB's van oorsprong uit de VRC, India, Maleisië, Korea, Taiwan en Thailand cumulatief diende te worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening.

De Commissie concludeerde dat RB's die waren ingevoerd uit de betrokken landen in alle opzichten soortgelijk waren (er zij op gewezen dat ingevoerde RB's aan dezelfde kwaliteitsnormen beantwoorden als in de Gemeenschap vervaardigde producten - meestal gaat het om een DIN-norm of een ISO-norm), onderling verwisselbaar waren en in de Gemeenschap op de markt werden gebracht via vergelijkbare verkoopkanalen en onder soortgelijke commerciële omstandigheden en vooral dat ze verkocht werden tegen prijzen van een vergelijkbaar niveau die aanzienlijk onder de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap lagen. Derhalve werd geoordeeld dat de ingevoerde RB's met elkaar en met de in de Gemeenschap vervaardigde RB's concurreerden.

De uit elk van de zes landen ingevoerde hoeveelheden op zich namen een niet te verwaarlozen marktaandeel voor hun rekening.

Gezien het bovenstaande oordeelde de Commissie dat aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening was voldaan: de dumpingmarge was voor ieder exporterend land meer dan minimaal; de uit elk land ingevoerde hoeveelheid was niet te verwaarlozen (zie overweging 64 hieronder) en een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer was opportuun gezien de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde producten onderling en tussen de ingevoerde producten en de soortgelijke producten uit de Gemeenschap. De invoer uit de betrokken landen werd derhalve cumulatief beoordeeld.

3. Verbruik in de Gemeenschap

(63) De cijfers met betrekking tot het verbruik in de Gemeenschap waren gebaseerd op de antwoorden in de vragenlijsten (door de bedrijfstak van de Gemeenschap verkochte hoeveelheden), de gegevens van Eurostat (ingevoerde hoeveelheden) en de klacht (door de producenten in de Gemeenschap die geen deel uitmaakten van de klagende partij verkochte hoeveelheden).

Uitgaande van deze basis bleek het zichtbare verbruik in de Gemeenschap stabiel te zijn gebleven in 1992 en 1993 en bedroeg het toen 47 200 ton; het steeg tot 59 900 ton in 1994, tot 86 500 ton in 1995 en tot 82 400 ton in 1996, hetgeen neerkomt op een algemene stijging met 75 % gedurende de onderzochte periode.

Mogen we er de aandacht op vestigen dat de ontwikkeling van het zichtbare verbruik grotendeels beïnvloed wordt door het gedrag van de voorraadhouders op de markt van de Gemeenschap aangezien deze optreden als tussenpersonen tussen alle producenten van RB's, zowel die van de bedrijfstak van de Gemeenschap als de exporteurs. De cijfers van het zichtbare verbruik weerspiegelen derhalve de aankopen van de voorraadhouders gedurende de onderzochte periode en niet noodzakelijkerwijs die van de gebruikers. De lichte daling van het zichtbare verbruik in 1996 blijkt een gevolg te zijn van de massale stijging van de invoer gedurende de vorige jaren.

4. Gecumuleerde hoeveelheden en marktaandeel van de met dumping ingevoerde producten

(64) De met dumping in de Gemeenschap ingevoerde gecumuleerde hoeveelheden RB's van oorsprong uit de betrokken landen daalden van 15 800 ton in 1992 tot 14 800 ton in 1993, stegen nadien tot 20 600 ton in 1994 en 42 300 ton in 1995 en bleven in 1996 op bijna hetzelfde niveau met 41 200 ton; een en ander komt neer op een totale stijging met 161 %.

Het gecumuleerde marktaandeel van deze landen daalde van 33,5 % in 1992 tot 31,4 % in 1993 en steeg nadien tot 34,3 % in 1994, 48,9 % in 1995 en 50,1 % in 1996 hetgeen neerkomt op een stijging met 17 percentpunten gedurende de onderzochte periode. In het onderzoektijdvak bedroeg het marktaandeel van de betrokken landen respectievelijk 2 % voor Thailand, 3 % voor India, 3,2 % voor Korea, 5,3 % voor Maleisië, 12,5 % voor de VRC en 124 % voor Taiwan.

5. Prijsonderbieding

(65) Voor de prijsonderbieding werden de gegevens voor iedere soort RB's onderzocht. Voor elk van deze soorten vergeleek de Commissie de maandelijkse gewogen gemiddelde verkoopprijzen van de exporteurs en van de bedrijfstak van de Gemeenschap, na aftrek van alle kortingen en heffingen, berekend op basis van de verkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer en terdege gecorrigeerd zodat rekening werd gehouden met verschillen in distributiekanalen. De maandelijkse gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap werd gewogen voor de door ieder bedrijf verkochte hoeveelheden. Deze maandelijkse gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap werd dan vergeleken met het hiermee overeenstemmende cijfer van iedere betrokken exporteur dat gebaseerd was op zijn maandelijkse wederverkoopprijzen in de Gemeenschap en werd gewogen voor de verkochte hoeveelheden.

Om tot een handelsstadium te komen dat vergelijkbaar was met dat van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden de invoerprijzen van de betrokken landen gecorrigeerd zodat rekening werd gehouden met kosten die na de invoer waren ontstaan (waaronder kosten voor laden, lossen en overladen, financierings- en vervoerkosten), kosten voor het opnieuw verpakken en de te betalen invoerrechten. De correcties waren gebaseerd op gegevens die door de importeurs werden verstrekt.

De onderbiedingsmarges zijn uitgedrukt als een percentage van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap (af fabriek); deze methode verschilt van de methode voor de berekening van de onderprijzingsmarges welke worden uitgedrukt als een percentage van de gewogen gemiddelde prijs franco grens Gemeenschap. De onderbiedingsmarges bedragen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Voor het onderzoektijdvak werd een algemene gewogen gemiddelde prijsonderbieding van 28 % voor alle betrokken landen vastgesteld.

6. Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

6.1. Productiecapaciteit en bezettingsgraad

(66) De door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde hoeveelheden van het betrokken product stegen van 12 800 ton in 1992 tot 12 900 ton in 1993 en 23 100 ton in 1994; vervolgens kon een lichte daling worden vastgesteld tot 22 400 ton in 1995 en een verdere daling tot 19 000 ton in 1996. Dit komt neer op een algemene stijging met 48 % gedurende de onderzochte periode.

Er zij op gewezen dat de productie tussen 1993 en 1994 aanzienlijk steeg (80 percentpunten). Deze productiestijging is echter hoofdzakelijk te wijten aan het feit dat één van de producenten in de Gemeenschap die deel uitmaakt van de klagende partij een bedrijf opkocht dat het betrokken product wel vervaardigt maar geen deel uitmaakt van de klagende partij. In de capaciteit, verkoop, investeringen en de werkgelegenheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap die hieronder worden besproken komt deze aankoop ook tot uitdrukking.

De capaciteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg met 91 % gedurende dezelfde periode. Ondanks de stijging van de productie daalde de bezettingsgraad van de capaciteit evenwel tijdens bedoelde periode van 81 % in 1992 tot 63 % in 1996.

6.2. Voorraden

(67) De voorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap stegen aanzienlijk gedurende bedoelde periode, met name van 2 400 ton in 1992 tot 2 900 ton in 1993, 4 600 ton in 1994, 5 200 ton in 1995 en 5 300 ton in 1996, hetgeen neerkomt op een stijging met 124 % gedurende de onderzochte periode.

6.3. Verkochte hoeveelheden en marktaandeel

De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de markt van de Gemeenschap steeg van 12 400 ton in 1992 tot 13 200 ton in 1993 en 17 900 ton in 1994, daalde enigszins tot 17 400 ton in 1995 en verder tot 15 800 ton in 1996, hetgeen neerkomt op een algemene stijging met 3 400 ton (27 %). Deze stijging van de verkoop is matig vergeleken met de stijging van het verbruik die gedurende de onderzochte periode 35 200 ton (75 %) bedroeg.

Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg van 26 % in 1992 tot 28 % in 1993 en 30 % in 1994 en daalde nadien tot 20 % in 1995 en 19 % in 1996, hetgeen neerkomt op een algemeen verlies van 7 percentpunten gedurende de onderzochte periode.

6.4. Prijzen

(68) De stijging van de gewogen gemiddelde verkoopprijs van RB's die door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de markt van de Gemeenschap werden verkocht was tussen 1992 en 1996 in het algemeen te verwaarlozen. De gewogen gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap, uitgedrukt in ecu per ton, daalde van 3,36 in 1992 tot 3,19 in 1993 en tot 3,02 in 1994, steeg vervolgens tot 3,89 in 1995 en daalde opnieuw tot 3,40 in 1996. Er zij op gewezen dat de prijzen van de betrokken invoer steeds aanzienlijk onder de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap bleven en de prijsfluctuaties dienen in verband te worden gebracht met de aanzienlijke stijging van het verbruik vooraf tussen 1994 en 1995.

6.5. Rentabiliteit

(69) De financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap evolueerde van -3 % in 1992 tot 1,5 % in 1993, 4,7 % in 1994 en 9,1 % in 1995 en daalde vervolgens tot 0,1 % in 1996. De verbetering van de rentabiliteit in de eerste jaren kan worden toegeschreven aan de inspanningen van de bedrijfstak om de productiviteit te verhogen (zie overweging 72).

De rentabiliteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap verbeterde tussen 1994 en 1995 aanzienlijk. Bij deze situatie mag het belangrijke verlies aan marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende dezelfde periode (een daling met 10 percentpunten tussen 1994 en 1995) niet uit het oog worden verloren. Een en ander wijst erop dat de bedrijfstak van de Gemeenschap probeerde de winsten ten koste van marktaandeel te handhaven. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon in 1996 evenwel nauwelijks het break-evenpunt bereiken (een kleine winst van 0,1 %) en verloor verder marktaandeel.

De gewogen gemiddelde rentabiliteit van 0,1 % die gedurende het onderzoektijdvak werd vastgesteld is de laagste sedert 1992.

6.6. Investeringen

(70) De investeringen (uitgedrukt in ecu) stegen in het algemeen met 72 %, van 764 700 in 1992 tot 1 993 900 in 1993 en 3 658 600 in 1994 en daalden tot 1 520 100 in 1995 en 1 312 000 in 1996. De algemene stijging van de investeringen gedurende de onderzochte periode was het gevolg van het feit dat omvangrijke investeringen in de bedrijfstak van de RB's nodig zijn om het concurrentievermogen te handhaven. Men stelde vast dat deze bedrijfstak voortdurend zijn machines diende te vervangen en tot nieuwe investeringen diende over te gaan om aan milieu-eisen te kunnen voldoen.

Het hoge bedrag aan investeringen dat in 1994 werd vastgesteld was voor het grootste gedeelte afkomstig van een bedrijf van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat een ander bedrijf, dat het product vervaardigt, had opgekocht (zie overweging 66 hierboven).

6.7. Werkgelegenheid

(71) De werkgelegenheid steeg met 16 % gedurende de onderzochte periode van 325 tewerkgestelde personen in 1992 tot 378 in 1996. Ook deze stijging van de werkgelegenheid wijst op een groeiende markt. Alle producenten van de Gemeenschap, ook die welke geen deel uitmaken van de klagende partij, hadden samen in totaal 574 personen gedurende het onderzoektijdvak in dienst.

6.8. Productiviteit

(72) De productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg met 10 % tussen 1992 en 1996.

6.9. Conclusie in verband met de schade

(73) De Commissie concludeerde dat de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende de onderzochte periode was blootgesteld aan een aanzienlijke prijsdruk van de invoer uit de betrokken landen; deze voerden op de EG-markt steeds grotere hoeveelheden in en er werd vastgesteld dat zij de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende het onderzoektijdvak aanzienlijk onderboden. Tengevolge hiervan verloor de bedrijfstak van de Gemeenschap een belangrijk marktaandeel op een ogenblik dat het verbruik op de markt steeg en ondanks een stijging van de productie en de productiviteit. Ook de voorraden stegen voortdurend in aanzienlijke mate.

Bovendien was de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, na een verbetering in 1994 en 1995, niet rooskleurig en bijzonder onbevredigend gezien de verwachtingen en de investeringen van de bedrijfstak (gedurende het onderzoektijdvak werd een gewogen gemiddelde winst van 0,1 % vastgesteld). In het algemeen kon worden vastgesteld dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan het einde van de onderzochte periode zeer sterk verslechterde (van 1994 tot 1996).

Gezien bovenstaande feiten concludeerde de Commissie in het kader van haar voorlopige bevindingen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijke schade leed in de zin van artikel 3, lid 2, van de basisverordening.

7. Schade

7.1. Gevolgen van de invoer met dumping

(74) De Commissie onderzocht of de aanzienlijke schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had teweeg was gebracht door de invoer met dumping uit de VRC, India, Maleisië, Korea, Taiwan en Thailand.

Het is duidelijk dat de belangrijke prijsonderbieding die gedurende de onderzochte periode werd vastgesteld en de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap samenvallen. Het bewijs hiervan wordt vooral geleverd door de daling van het marktaandeel en door de verslechtering van de rentabiliteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende het onderzoektijdvak.

Wat het marktaandeel betreft, zij erop gewezen dat de invoer uit de betrokken landen een grotere stijging kende dan het verbruik (in totaal 161 %). Dit komt neer op een algemene stijging van het marktaandeel met 17 percentpunten, terwijl het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde met 7 percentpunten. Vooral de aanzienlijke stijging van de invoer tussen 1994 en 1995 (een stijging met 15 percentpunten) viel samen met een verlies aan marktaandeel (een daling met 10 percentpunten) voor de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende deze periode.

De Commissie concludeerde derhalve dat het verlies aan marktaandeel waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had volledig kan worden toegeschreven aan de winst aan marktaandeel door de betrokken landen.

De financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap was erbarmelijk aan het begin en aan het einde van de onderzochte periode; hieruit bleek dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in staat was om te profiteren van zijn investeringen of van de stijging van de vraag naar RB's op de markt van de Gemeenschap. De financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap verbeterde weliswaar in 1994 en 1995, maar dit gebeurde op een ogenblik dat hij marktaandeel verloor, hetgeen erop wijst dat het beleid van de bedrijfstak van de Gemeenschap onder druk kwam te staan door de invoer met dumping en dat hij zijn winsten handhaafde ten koste van marktaandeel. Door de aanhoudende druk van de invoer met dumping verloor de bedrijfstak van de Gemeenschap evenwel nog meer marktaandeel en daalden de winsten nog meer in 1996. Vooral de gecumuleerde gevolgen van de massale stijging van de invoer gedurende de onderzochte periode die leidde tot een overaanbod op de markt van de Gemeenschap in 1996 verplichtte de bedrijfstak van de Gemeenschap ertoe zijn prijzen in 1996 te verlagen, terwijl hij nogmaals marktaandeel verloor. In deze context werden de negatieve gevolgen van de grotere invoer nog versterkt door de aanzienlijke prijsonderbieding die gedurende deze periode kon worden vastgesteld.

7.2. Gevolgen van andere factoren

(75) De Commissie ging na of de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had ook kon zijn teweeggebracht door andere factoren dan de invoer met dumping. De Commissie onderzocht vooral de ontwikkeling van het verbruik, de evolutie en de gevolgen van de invoer uit andere derde landen en de gevolgen van de stijgende grondstoffenprijzen.

a) Verbruik

(76) De Commissie onderzocht of de evolutie van het verbruik gevolgen had voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Hoewel het verbruik enigszins daalde aan het einde van de onderzochte periode (4 100 ton), steeg het verbruik in het algemeen aanzienlijk, namelijk met 35 200 ton (75 %). Het is derhalve onwaarschijnlijk dat de schade in belangrijke mate haar oorzaak vindt in de evolutie van het verbruik.

b) Invoer uit andere derde landen

(77) Wat de invoer betreft uit andere derde landen waarop deze procedure niet van toepassing is, stelde de Commissie vast dat hoewel deze invoer een behoorlijk deel van de markt van de Gemeenschap voor zijn rekening nam (20 % gedurende het onderzoektijdvak) hij gedurende de onderzochte periode in het algemeen daalde van 25 % in 1992 tot 23 % in 1993, 20 % in 1994 en 19 % in 1995 en 1996.

In dit verband onderzocht de Commissie vooral de evolutie van de uit Zuid-Afrika en de Filipijnen ingevoerde hoeveelheden alsmede van de prijzen van deze invoer, aangezien werd aangevoerd dat de invoer uit deze landen gevolgen had gehad voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en dat de klacht discriminatoir was, aangezien deze landen niet in de procedure waren opgenomen.

Zuid-Afrika

(78) Hoewel uit de cijfers van Eurostat bleek dat gedurende bedoelde periode uit Zuid-Afrika werd ingevoerd, werd in het kader van de voorlopige bevindingen geoordeeld dat de gegevens met betrekking tot deze invoer onbetrouwbaar waren.

De Filipijnen

(79) Het marktaandeel van de invoer uit de Filipijnen daalde enigszins gedurende de onderzochte periode, namelijk van 3 % in 1992 tot 2 % in 1996. Bovendien lagen de prijzen van deze invoer aanzienlijk hoger dan de prijzen die door de betrokken landen werden aangerekend. De Commissie oordeelt derhalve dat de invoer uit de Filipijnen niet heeft bijgedragen tot de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had.

Andere derde landen

(80) De Commissie stelde vast dat het totale marktaandeel van andere derde landen gedurende de onderzochte periode daalde (van 19 % in 1992 tot 14 % in 1996) en dat de prijzen van deze invoer beduidend hoger lagen dan de prijzen van de invoer met dumping. Derhalve oordeelde de Commissie dat deze invoer ook nadelige gevolgen ondervond van de betrokken invoer met dumping en dat deze invoer niet bijdroeg tot de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had.

c) Grondstoffen

(81) De Commissie ging ook na of de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had, veroorzaakt kon zijn door stijging van de grondstoffenprijzen gedurende de onderzochte periode, aangezien werd aangevoerd dat deze prijsstijgingen ten minste gedeeltelijk voor de geleden schade verantwoordelijk waren. In dit opzicht stelde de Commissie vast dat de prijsfluctuaties, wat de grondstoffen betreft, niet sterk genoeg waren, vooral niet in 1996, om gevolgen te hebben voor de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

d) Andere argumenten

(82) Er werd ook aangevoerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende het onderzoektijdvak concurrentieverstorend optrad en dat de bedrijfstak van de Gemeenschap derhalve zelf had bijgedragen tot de schade waarvan hij te lijden had.

Volgens de Commissie kon deze bewering evenwel niet door de bevindingen van het onderzoek worden gestaafd en derhalve werd in het voorlopige stadium met dit argument geen rekening gehouden.

7.3. Conclusie in verband met de oorzaak

(83) Gezien bovenstaande uiteenzettingen concludeerde de Commissie dat de invoer uit de zes betrokken landen samen de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijke schade heeft toegebracht.

F. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1. Algemene overwegingen

(84) Aan de hand van de ingediende gegevens onderzocht de Commissie op voorlopige basis of er, ondanks de bevindingen met betrekking tot dumping en schade, dwingende redenen waren om te concluderen dat het in dit geval niet in het belang van de Gemeenschap was om maatregelen in te stellen.

Hiertoe onderzocht de Commissie voor alle bij de procedure betrokken partijen welke gevolgen het al dan niet instellen van voorlopige maatregelen zou hebben.

2. Inzameling van gegevens

(85) Om de gevolgen van mogelijke maatregelen na te gaan stuurde de Commissie alle belanghebbende partijen die haar op het ogenblik van de inleiding van de procedure bekend waren, die toeleveranciers of afnemers waren van de bedrijven die de onderzochte producten vervaardigen, vragenlijsten in verband met het belang van de Gemeenschap. De Commissie verzocht ook de bedrijfstak van de Gemeenschap om gegevens in verband met het belang van de Gemeenschap.

De Commissie oordeelde dat de antwoorden van de gecontacteerde partijen betrouwbaar waren, aangezien de verstrekte gegevens niet tegenstrijdig bleken te zijn. Daarom oordeelde de Commissie het niet nodig om voor haar onderzoek in verband met het belang van de Gemeenschap over te gaan tot verificaties bij bedoelde bedrijven.

3. De toeleveringsbedrijven

3.1. Situatie van de leveranciers van de grondstoffen

(86) De grondstof die bij de vervaardiging van RB's wordt gebruikt is roestvrijstalen walsdraad. Deze grondstof wordt vervaardigd door de belangrijkste producenten van roestvrij staal in Europa, die alle grondstoffen die door de bedrijfstak van de Gemeenschap worden verbruikt, leveren. Er kunnen verschillende soorten roestvrijstalen walsdraad gebruikt worden bij dit soort productie, maar de twee, zowel door de bedrijfstak van de Gemeenschap als door de producenten in de betrokken landen meest gebruikte soorten zijn austenitische staalsoorten, namelijk type A2 (AISI 304) en A4 (AISI 316). Deze staalsoorten worden hoofdzakelijk gebruikt vanwege hun resistentie tegen hitte en corrosie en hun hogere sterkte. De volgende gegevens werden verstrekt door de gecontacteerde grondstoffenleveranciers.

De leveranciers van de grondstof in kwestie stelden in 1996 meer dan 5 000 personen tewerk, waarvan er ongeveer 800 specifiek betrokken waren bij de productie van bedoelde grondstof (16 % van de werknemers). De totale omzet in 1996 bedroeg 1 400 miljoen ecu, waarvan 120 miljoen ecu betrekking had op bedoelde grondstof (8,4 % van de totale omzet). De totale omzet daalde met ongeveer 26,5 % tussen 1995 en 1996 en de omzet die betrekking had op bedoelde grondstof daalde met 34 %. De verkoop in de Gemeenschap daalde gedurende dezelfde periode eveneens van 149 miljoen ecu in 1995 tot 93 miljoen ecu in 1996, hetgeen neerkomt op een daling met 38 %.

Wat de rentabiliteit van de verkoop van bedoelde grondstof in de Gemeenschap betreft, bleek uit de beschikbare gegevens dat in 1996 een gewogen gemiddelde winst van 0,5 % werd geboekt.

3.2. Gevolgen van de instelling/niet-instelling van maatregelen

(87) Hoewel de bedrijven die bedoelde grondstof vervaardigen, ook andere markten buiten de Gemeenschap bevoorraden en in theorie hun verkoop naar deze markten kunnen afleiden, zal een sterke daling van de productie van het betrokken product in de Gemeenschap niettemin waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor deze producenten hebben, aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap een belangrijke klant van deze bedrijven is.

Aangezien de totale productie van bedoelde grondstof in de Gemeenschap meer dan een verwaarloosbaar gedeelte van de totale omzet en van de totale werkgelegenheid in de betrokken bedrijven voor haar rekening neemt, werd geoordeeld dat bij de instelling van maatregelen de situatie van deze bedrijven zou verbeteren, aangezien zij zouden profiteren van een grotere verkoop en van een verbetering van hun huidige lage rentabiliteit. Anderzijds wijst niets erop dat, indien geen maatregelen worden ingesteld, de omzet, verkoop en rentabiliteit van deze bedrijven niet verder zouden dalen en in de toekomst geen arbeidsplaatsen zouden dreigen verloren te gaan.

4. De bedrijfstak van de Gemeenschap

4.1. Aard en structuur van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(88) De bedrijfstak van de Gemeenschap bestaat uit kleine en middelgrote ondernemingen die gevestigd zijn in Frankrijk, Spanje en Italië. De productie is kapitaalintensief en sterk geautomatiseerd. RB's zijn afgewerkte producten (dit wil zeggen dat RB's geen verdere bewerkingen ondergaan) en worden hoofdzakelijk gebruikt door verwerkende bedrijven die RB's in verschillende toepassingen gebruiken (zie overweging 95).

In totaal stellen de producenten van de Gemeenschap ongeveer 600 personen tewerk (1996). Er dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat nog eens ongeveer 800 personen tewerkgesteld zijn bij de vervaardiging van de grondstof waar het bij deze procedure om gaat.

Het assortiment van RB's is sterk gestandaardiseerd en zowel de bedrijfstak van de Gemeenschap als de exporteurs in de betrokken landen vervaardigen RB's volgens afgesproken normen (DIN- of ISO-normen). Door deze hoge mate van standaardisering zijn RB's, en vooral de meest courante soorten, prijsgevoelig.

4.2. Levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(89) Er zij aan herinnerd (zie overweging 70) dat de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende de periode die voor het onderzoek naar de schade in aanmerking werd genomen, tot omvangrijke investeringen overging. Deze investeringen werden, behalve voor de aankoop van een bedrijf door de bedrijfstak van de Gemeenschap, hoofdzakelijk gebruikt voor de vervanging van machines. Deze voortdurende vervanging van de machines wordt door de bedrijfstak van de Gemeenschap noodzakelijk geacht, wil hij zijn concurrentievermogen op de markt van de Gemeenschap en op andere markten handhaven.

De bedrijfstak van de Gemeenschap produceert ook een ruim assortiment van speciale RB's dat zowel stukken omvat die weinig afwijken van de standaard RB's, als compleet op maat gemaakte bevestigingsmiddelen die niet alleen extra investeringen in machines noodzakelijk maken, maar ook - en dat is misschien nog belangrijker - nauwe technische samenwerking vereisen tussen de bedrijven, de klanten en de leveranciers van de grondstof (die vaak tot heel wat research overgaan om de geschikte grondstof te leveren die aan de specificaties van het speciale RB voldoet). De bedrijfstak van de Gemeenschap is de belangrijkste leverancier van speciale RB's, aangezien de exporteurs in derde landen in het algemeen niet de vereiste technische samenwerking aanbieden die voor de productie van deze, grotendeels op bestelling vervaardigde RB's noodzakelijk is.

Men stelde vast dat speciale RB's geproduceerd konden worden met dezelfde machines (mits toevoeging van speciale onderdelen) en door dezelfde arbeidskrachten als de standaard RB's en dat derhalve de productie van speciale RB's sterk afhankelijk was van de productie van standaard RB's, bijvoorbeeld om de algemene kosten te spreiden.

Rekening houdend met bovenstaande opmerkingen en gezien het stijgend gebruik van roestvrijstalen producten op de markt van de Gemeenschap en de hieruit voortvloeiende grotere vraag naar speciale RB's, oordeelt de Commissie dat het in het belang is van de Gemeenschap en vooral van de verwerkende industrie, die naar verluidt geen andere bevoorradingsbron zou hebben, dat de productiebasis voor speciale RB's in de Gemeenschap wordt gehandhaafd. De Commissie is ook van oordeel dat, indien de bedrijfstak van de Gemeenschap schade zou lijden bij zijn productie van standaard RB's dit ook negatieve gevolgen zou hebben voor zijn productie van speciale RB's.

4.3. Gevolgen van de instelling van maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap

(90) Om de gevolgen van mogelijke maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap na te gaan, is de Commissie uitgegaan van een situatie waarin de vraag stijgt. Aangezien de productie van roestvrij staal in de Gemeenschap stijgt, oordeelt de Commissie dat ook het verbruik van RB's zal stijgen omdat in het algemeen voor roestvrijstalen apparaten allen RB's in aanmerking komen. In de loop van het onderzoek stelde de Commissie vast dat het enige mogelijke vervangingsproduct voor een RB een bevestigingsmiddel is van ongelegeerd staal met een bekleding die tegen corrosie aan de lucht bestand is, maar gezien de lagere kwaliteit van een dergelijk product bleek dit soort bevestigingsmiddel niet als vervangingsmiddel te worden gebruikt.

Verwacht wordt dat de prijzen van RB's en in zekere mate de op de markt van de Gemeenschap verkochte hoeveelheden na de instelling van maatregelen zullen stijgen. Deze stijging zal de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat stellen verloren marktaandeel terug te winnen en zijn verkoop met de toekomstige stijging van het verbruik te laten meestijgen. Het is niet uitgesloten dat de ingevoerde hoeveelheden afnemen, maar aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap niet over de capaciteit beschikt om de gehele markt van de Gemeenschap te bevoorraden (gedurende het onderzoektijdvak kon de bedrijfstak van de Gemeenschap aan ongeveer 36 % van de vraag voldoen) zal deze daling van de invoer waarschijnlijk niet belangrijk zijn. Het prijspeil van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de verkochte hoeveelheden zullen naar alle waarschijnlijkheid stijgen zodat de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn financieel evenwicht kan herwinnen, waardoor de betrokken bedrijven kunnen voortbestaan en in nieuwe capaciteit kunnen investeren. Doordat er evenwel ook andere leveranciers zijn, is het weinig waarschijnlijk dat een prijsstijging even hoog zal zijn als het niveau van de rechten.

4.4. Gevolgen van het niet instellen van maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap

(91) Indien geen maatregelen worden ingesteld, zullen de negatieve ontwikkelingen in de bedrijfstak van de Gemeenschap zich waarschijnlijk voortzetten en op lange termijn leiden tot bedrijfssluitingen. Kenmerkend voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap is vooral het verlies aan marktaandeel en de negatieve financiële situatie. Een en ander leidt waarschijnlijk in de toekomst tot een verlies aan arbeidsplaatsen. Indien de negatieve evolutie zich voortzet zal dit, zoals hierboven is uiteengezet, niet alleen gevolgen hebben voor de productie van het betrokken product, maar ook voor de productie van de speciale roestvrijstalen bevestigingsmiddelen, die door de betrokken landen niet in grote hoeveelheden worden vervaardigd.

Om te besluiten zouden wij willen opmerken dat aangezien uit het onderzoek van de bedrijfstak van de Gemeenschap blijkt dat deze bedrijfstak structureel levensvatbaar is, wordt verwacht dat maatregelen doeltreffend zullen zijn omdat zij de bedrijfstak in de gelegenheid zullen stellen de geleden schade te boven te komen. Hoewel de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet noodzakelijk zullen worden opgetrokken tot het niveau van het recht, wordt toch verwacht dat de verkochte hoeveelheden zullen stijgen en het verloren marktaandeel zal worden teruggewonnen. Door de stijging van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde hoeveelheden zouden ook de kosten per eenheid afnemen en zou de rentabiliteit worden verhoogd. Derhalve wordt geoordeeld dat het in het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap is om maatregelen in te stellen.

5. Importeurs en handelaren

5.1. Structuur van de invoer en distributiekanalen

(92) Kenmerkend voor de distributie van RB's in de Gemeenschap is dat een groot aantal importeurs/handelaren over ruime voorraden van het betrokken product beschikken. In principe treden de importeurs/handelaren op als tussenpersonen tussen de producenten (in en buiten de Gemeenschap) en de gebruikers waardoor de prijzen van RB's sterk afhankelijk zijn van hun gedrag op de markt. Er werd vastgesteld dat de bedrijfstak van de Gemeenschap weinig of geen rechtstreeks contact met de gebruikers onderhoudt en derhalve voor bijna de gehele verkoop een beroep doet op het traditionele distributienetwerk. Gezien het grote aantal bij dit distributienetwerk betrokken personen en de belangrijke rol die zij spelen, verdient hun situatie meer aandacht.

5.2. Economische situatie van de importeurs/handelaren

(93) In de eerste plaats zij erop gewezen dat, hoewel de importeurs/handelaren grote voorraden van het betrokken product houden, zij ook handel drijven in een groot aantal andere producten die in deze procedure niet aan bod komen.

De Commissie stelde vast dat de gemiddelde totale omzet van de importeurs/handelaren in 1996 262 miljoen ecu bedroeg en dat de omzet die betrekking had op het behandelde product 79 miljoen ecu bedroeg, met andere woorden ongeveer 30 %. Op basis van de beschikbare gegevens werd het totale aantal tewerkgestelde personen geraamd op 4 500; hiervan waren er 1 600, met andere woorden 35 %, betrokken bij activiteiten in verband met het behandelde product. Aangezien de importeurs/handelaren zowel de in de Gemeenschap vervaardigde als de in de Gemeenschap ingevoerde goederen verhandelen, wordt ervan uitgegaan dat ongeveer de helft van de werkgelegenheid, wat het betrokken product betreft, betrekking heeft op activiteiten die verband houden met de invoer uit de betrokken landen. In verband met de financiële situatie van de importeurs/handelaren in 1996 zij opgemerkt dat de winsten meestal varieerden van 8 tot 35 %. In 1995 werd grotendeels een soortgelijke situatie vastgesteld.

5.3. Gevolgen van het al dan niet instellen van maatregelen

(94) De Commissie is van oordeel dat indien maatregelen worden ingesteld, de prijzen van RB's op de markt van de Gemeenschap zullen stijgen. Hoewel de prijzen van de ingevoerde producten naar alle waarschijnlijkheid zullen stijgen met een bedrag gelijk aan het volledige bedrag van het recht, is het mogelijk dat de prijzen van de producten van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in dezelfde mate stijgen. Deze prijsstijging heeft waarschijnlijk negatieve gevolgen voor de importeurs en handelaren die hun winstmarges hierdoor wellicht zien verkleinen, maar men mag niet uit het oog verliezen dat de importeurs ook grotendeels als handelaren optreden en de voorkeur kunnen geven aan andere leveranciers, bijvoorbeeld aan de producenten in de Gemeenschap die ook RB's produceren; het is dus weinig waarschijnlijk dat de gevolgen zich zullen uitstrekken tot alle activiteiten van deze handelaren. Men stelde vooral vast dat de winstmarges van de importeurs/handelaren gedurende deze periode behoorlijk zijn gebleven zodat men tot de conclusie kwam dat de negatieve gevolgen van de prijsstijgingen zo beperkt mogelijk kunnen worden gehouden door deze kleinere winstmarges door middel van prijsverhogingen op de verwerkende bedrijven te verhalen.

Bovendien zij erop gewezen dat, aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in staat is geheel aan de vraag op de markt van de Gemeenschap te voldoen, heel waarschijnlijk de invoer, noch het distributienetwerk te lijden zullen hebben van de instelling van maatregelen, met andere woorden de ingevoerde hoeveelheden zullen naar alle waarschijnlijkheid omvangrijk blijven en de bedrijfstak van de Gemeenschap zal voor bijna zijn gehele verkoop in de Gemeenschap gebruik blijven maken van het distributienetwerk.

De Commissie oordeelde dan ook dat indien geen maatregelen worden ingesteld, de situatie van de importeurs/handelaren zich waarschijnlijk verder positief zal ontwikkelen. Worden echter wel maatregelen ingesteld, dan zal hun situatie hierdoor niet ernstig verslechteren.

6. Verwerkende bedrijven

6.1. Aard en structuur van de verwerkende bedrijven

(95) De Commissie stelde vast dat RB's niet rechtstreeks aan consumenten werden verkocht en beperkte derhalve haar analyse met betrekking tot het belang van de Gemeenschap tot de gevolgen van de maatregelen voor de verwerkende bedrijven.

RB's kennen een ruime verscheidenheid aan toepassingen en derhalve is een groot aantal verwerkende bedrijven bij deze procedure betrokken. De Commissie stelde vast dat RB's hoofdzakelijk gebruikt worden voor de volgende toepassingen (de lijst is niet volledig); de levensmiddelenindustrie, de horeca, de farmaceutische industrie, bedrijven die medische uitrusting vervaardigen, bedrijven die huishoudtoestellen vervaardigen (witgoed), de automobielindustrie, de scheepsbouw en de bouwnijverheid, toepassingen waarbij milieunormen moeten worden nageleefd, energiebedrijven, chemische en petrochemische bedrijven en de vervoersector.

Gelet op het aantal betrokken verwerkende bedrijven en het groot aantal toepassingen in elke sector, was de voor het onderzoek van de Commissie beschikbare informatie zeer beperkt.

6.2. Economische situatie van de verwerkende bedrijven

(96) De totale omzet van de verwerkende bedrijven varieerde van 3 miljoen ecu tot 460 miljoen ecu, hetgeen de grote verschillen in omvang van de betrokken bedrijven weerspiegelt. Daarentegen varieerde het gedeelte van de omzet dat betrekking had op bedoeld product van 0,1 % tot slechts 6 %, waaruit blijkt dat RB's voor deze bedrijven niet zo belangrijk zijn. Gelijklopend met de omzet varieerde het aantal door deze bedrijven tewerkgestelde personen van 19 tot 2 500, terwijl het aantal werknemers dat bij de verwerking van RB's betrokken is, varieerde van 1 tot 40.

Bij het onderzoek naar mogelijke gevolgen van de instelling van maatregelen voor de verwerkende bedrijven ging de Commissie na in welke mate de kosten van RB's gevolgen hadden voor het eindproduct dat door de verwerkende bedrijven werd vervaardigd; zij stelde vast dat de invloed van RB's te verwaarlozen was.

6.3. Gevolgen van de instelling/niet instelling van maatregelen

(97) Zoals hierboven is meegedeeld, oordeelt de Commissie dat bij de instelling van maatregelen de prijzen van RB's op de markt van de Gemeenschap zullen stijgen. De kosten van deze prijsstijging zullen waarschijnlijk, tot op zekere hoogte, worden doorberekend aan de verwerkende bedrijven; in welke mate dit zal gebeuren zal evenwel afhangen van het prijsbeleid van de bedrijfstak van de Gemeenschap en van het gedrag van de importeurs/distributeurs.

Hoe dan ook, doordat de gevolgen van de kosten van RB's voor de door de verwerkende bedrijven vervaardigde eindproducten verwaarloosbaar zijn zal ook een stijging van deze kosten zeer waarschijnlijk geen belangrijke gevolgen hebben. Aangezien volgens de Commissie de totale ingevoerde hoeveelheden naar alle waarschijnlijkheid weinig zullen afnemen, daar de bedrijfstak van de Gemeenschap niet volledig aan de vraag op de markt van de EG kan voldoen, is het weinig waarschijnlijk dat de verwerkende bedrijven ten gevolge van de instelling van maatregelen te kampen zullen krijgen met een daling van het aanbod.

Indien geen maatregelen worden ingesteld, zouden de verwerkende bedrijven anderzijds verder profiteren van de huidige lage prijzen voor RB's op de markt van de Gemeenschap. Men mag evenwel niet uit het oog verliezen dat een daling van de productie van door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde RB's of het uiteindelijk verdwijnen van deze productie ook de bevoorrading met speciale RB's zou beperken, hetgeen nadelige gevolgen voor de verwerkende bedrijven zou hebben. Zoals eerder werd uiteengezet, worden speciale RB's hoofdzakelijk in de Gemeenschap vervaardigd en de Commissie verwacht dat het verbruik van deze producten zal stijgen.

7. Conclusie in verband met het belang van de Gemeenschap

(98) De gegevens die van de partijen werden ontvangen, hebben de Commissie in staat gesteld de verschillende belangen te beoordelen, zoals is voorgeschreven in artikel 21, lid 1, van de basisverordening, alsmede na te gaan wat het totale effect van instelling, dan wel de niet-instelling van antidumpingmaatregelen zou zijn. In het kader van dit onderzoek besteedde de Commissie bijzondere aandacht aan de noodzaak om de handelsontwrichtende gevolgen van de schadelijke dumping weg te werken en echte concurrentie te herstellen.

Men mag verwachten dat de instelling van maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat zal stellen het verloren marktaandeel terug te winnen en zijn rentabiliteit te herstellen, hetgeen gunstige gevolgen zal hebben voor de concurrentievoorwaarden op de markt van de Gemeenschap. Men mag ook verwachten dat de gunstige gevolgen de toeleveringsbedrijven ten goede zullen komen en dat het voortbestaan en eventueel de uitbreiding van bedrijven die speciale RB's produceren, zal zijn gewaarborgd.

De importeurs/handelaren zullen vermoedelijk negatieve gevolgen ondervinden van de waarschijnlijk geachte prijsstijging, maar de omvang van deze negatieve gevolgen kan beperkt worden door wat vaak behoorlijke winstmarges zijn in te krimpen (zie overweging 93) of door de hogere kosten op de verwerkende bedrijven te verhalen. De verwerkende bedrijven zullen op hun beurt weinig ernstige gevolgen ondervinden van een dergelijke stijging omdat de prijs van RB's weinig doorweegt in de eindproducten. Bovendien zouden zij profiteren van de handhaving, en de mogelijke uitbreiding, van de productie van speciale RB's op de markt van de Gemeenschap.

Gelet op het bovenstaande oordeelt de Commissie dat er geen dwingende redenen zijn om geen maatregelen in te stellen en dat de toepassing van antidumpingmaatregelen in het belang van de Gemeenschap is.

G. VOORGESTELDE MAATREGELEN

1. Schademarge

(99) Bij de berekening van het bedrag aan rechten dat nodig is om de gevolgen van de schadelijke dumping op te heffen en het de bedrijfstak van de Gemeenschap mogelijk te maken zich te herstellen, werd geoordeeld dat maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat dienden te stellen zijn productiekosten te dekken en in het algemeen een redelijke winst te boeken op de verkoop van het soortgelijk product. In dit verband werd vastgesteld dat een winstmarge van 5 % op de omzet beschouwd kan worden als een behoorlijk minimum dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, indien er van schadelijke dumping geen sprake was geweest, mocht verwachten.

Om het bedrag aan rechten te berekenen, werd een prijs vastgesteld die de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moest stellen dit resultaat te bereiken. Aangezien er verschillende soorten RB's waren, berekende de Commissie een prijs voor elke soort, bestaande uit de gewogen gemiddelde productiekosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap vermeerderd met een winstmarge van 5 %.

Er werd van uitgegaan dat het recht, bij vergelijkbare soorten, het verschil diende te dekken tussen de berekende prijs en de werkelijke verkoopprijs van de exporteurs in de Gemeenschap. Dit recht zou de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat stellen zijn prijs tot een redelijk winstniveau op te trekken. Om het niveau van het recht te bepalen, werden de op deze wijze vastgestelde prijsstijgingen uitgedrukt als een percentage van de gewogen gemiddelde waarde, franco grens Gemeenschap, van de ingevoerde goederen in tegenstelling tot de onderbiedingsmarges die worden uitgedrukt als een percentage van de gewogen gemiddelde prijzen af fabriek van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

De volgende schademarges werden vastgesteld:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(100) Aangezien de op deze wijze vastgestelde schademarges voor de Chinese, Maleisische, Taiwanese, Koreaanse en Thaise exporteurs hoger liggen dan de dumpingmarges, dienen de rechten gebaseerd te zijn op de dumpingmarges en aangezien de schademarges die werden vastgesteld voor de Indiase exporteurs lager lagen dan de dumpingmarges dienen de rechten voor de Indiase exporteurs gebaseerd te zijn op de schademarges ingevolge artikel 7, lid 2, van de basisverordening.

(101) De voorlopige antidumpingrechten voor de VRC, Maleisië, Taiwan, Korea en Thailand dienen derhalve overeen te stemmen met de dumpingmarges die zijn vastgesteld in de respectieve overwegingen 50 tot 59, terwijl de rechten voor India dienen overeen te stemmen met de marges die werden vastgesteld in de overwegingen 49 en 99.

H. RECHTEN VAN DE BELANGHEBBENDE PARTIJEN

(102) Om de zaak vlot af te handelen, dient een termijn te worden vastgesteld binnen welke de betrokken partijen hun standpunt schriftelijk kunnen bekend maken en kunnen verzoeken te worden gehoord. Bovendien dient erop te worden gewezen dat de bevindingen in het kader van deze verordening voorlopig zijn en eventueel opnieuw dienen te worden onderzocht met het oog op een eventueel door de Commissie vast te stellen definitief recht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, ingedeeld onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61, 7318 15 70 en 7318 16 30, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, India, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand.

2. De volgende rechten zijn van toepassing op de netto prijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Tenzij anders bepaald, zijn de voor douanerechten van kracht zijnde bepalingen op dit recht van toepassing.

4. Het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van de in lid 1 bedoelde producten is afhankelijk van het stellen van een waarborg gelijk aan het bedrag van het voorlopige recht.

Artikel 2

Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen de betrokken partijen binnen een maand na de datum van inwerkingtreding van deze verordening hun standpunt schriftelijk kenbaar maken en verzoeken door de Commissie te worden gehoord.

Ingevolge artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen de betrokken partijen binnen een maand na de datum van inwerkingtreding van deze verordening hun standpunten met betrekking tot de toepassing van deze verordening uitbrengen.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 september 1997.

Voor de Commissie

Leon BRITTAN

Vice-Voorzitter

(1) PB L 56 van 6. 3. 1996, blz. 1.

(2) PB L 317 van 6. 12. 1996, blz. 1.

(3) PB C 369 van 7. 12. 1996, blz. 3.

(4) PB C 25 van 25. 1. 1997, blz. 9.

(5) Deze criteria zijn de volgende: 1. GN-code; 2. gebruikte grondstof; 3. DIN-nummer, d.w.z. het codenummer waaronder het product in de "DIN"-nomenclatuur is ingedeeld; 4. diameter in millimeter; 5. lengte in millimeter.