Richtlijn 97/30/EG van de Commissie van 11 juni 1997 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 76/758/EEG van de Raad inzake markeringslichten, breedtelichten, achterlichten en stoplichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (Voor de EER relevante tekst)
Publicatieblad Nr. L 171 van 30/06/1997 blz. 0025 - 0048
RICHTLIJN 97/30/EG VAN DE COMMISSIE van 11 juni 1997 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 76/758/EEG van de Raad inzake markeringslichten, breedtelichten, achterlichten en stoplichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (Voor de EER relevante tekst) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/79/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), inzonderheid op artikel 13, lid 2, Gelet op Richtlijn 76/758/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende markeringslichten, breedtelichten, achterlichten en stoplichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (3), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, inzonderheid op artikel 10, Overwegende dat Richtlijn 76/758/EEG één van de bijzondere richtlijnen van de bij Richtlijn 70/156/EEG vastgestelde EG-typegoedkeuringsprocedure vormt; dat derhalve de bepalingen van Richtlijn 70/156/EEG betreffende voertuigsystemen, onderdelen en technische eenheden op de onderhavige richtlijn van toepassing zijn, Overwegende dat met name in artikel 3, lid 4, en in artikel 4, lid 3, van Richtlijn 70/156/EEG is bepaald dat aan iedere bijzondere richtlijn een inlichtingenformulier en een op bijlage VI gebaseerd typegoedkeuringsformulier wordt toegevoegd, met oog op de computerisering van de typegoedkeuring; dat het (de) aan Richtlijn 76/758/EEG gehechte typegoedkeuringsformulier(en) dienovereenkomstig dient/dienen te worden gewijzigd; Overwegende dat de procedures moeten worden vereenvoudigd om de gelijkwaardigheid van bepaalde bijzondere richtlijnen en de overeenkomstige reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UN-ECE), als vastgesteld bij artikel 9, lid 2, van Richtlijn 70/156/EEG, te behouden, wanneer voornoemde reglementen worden gewijzigd; dat als eerste stap de technische bepalingen van Richtlijn 76/758/EEG door die van de UN-ECE-reglementen nrs. 7, 87 en 91 dienen te worden vervangen door daarnaar te verwijzen; Overwegende dat het noodzakelijk is dagrijlichten, derde stoplichten en zijmarkeringslichten aan het toepassingsgebied van Richtlijn 76/756/EEG toe te voegen; Overwegende dat wordt verwezen naar Richtlijn 76/756/EEG van de Raad (4), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/28/EG van de Commissie (5) en naar Richtlijn 76/761/EEG van de Raad (6), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden; Overwegende dat de bepalingen van deze richtlijn in overeenstemming zijn met het advies van het bij Richtlijn 70/156/EEG ingestelde Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang. HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Richtlijn 76/758/EEG wordt als volgt gewijzigd: 1. De titel komt te luiden: "Richtlijn 76/758/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan". 2. Artikel 1, lid 1, komt te luiden: "1. Iedere lidstaat verleent de EEG-onderdeeltypegoedkeuring voor elk type markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten dat aan de in de bijlagen opgenomen constructie- en keuringsvoorschriften voldoet.". 3. De artikelen 2, 3 en 4 komen te luiden: "Artikel 2 De lidstaten kennen de fabrikant een EEG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk toe overeenkomstig de in bijlage I, aanhangsel 3, vastgestelde modellen voor ieder type markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten dat door hen krachtens artikel 1 wordt goedgekeurd. De lidstaten nemen de nodige maatregelen, teneinde te voorkomen dat merken worden gebruikt waardoor vervalsing kan ontstaan tussen markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten van een krachtens artikel 1 goedgekeurd type en andere inrichtingen. Artikel 3 1. De lidstaten mogen het op de markt brengen van markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten, voorzien van het EEG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk, niet verbieden om redenen die verband houden met hun constructie of werking. 2. Een lidstaat mag echter het op de markt brengen van markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten, voorzien van het EEG-goedkeuringsmerk, verbieden wanneer deze systematisch niet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type. Deze lidstaat brengt de genomen maatregelen onverwijld ter kennis van de andere lidstaten en de Commissie, met opgave van de redenen van zijn beslissing. Artikel 4 De bevoegde instanties van de lidstaten stellen elkaar volgens de in artikel 4, lid 6, van Richtlijn 76/156/EEG aangegeven procedure op de hoogte van elke goedkeuring die zij overeenkomstig de onderhavige richtlijn hebben verleend, geweigerd of ingetrokken.". 4. Artikel 5, lid 1, komt te luiden: "1. Indien de lidstaat die de EEG-goedkeuring heeft verleend, constateert dat verscheidene markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten, voorzien van hetzelfde EEG-goedkeuringsmerk, niet in overeenstemming zijn met het door hem goedgekeurde type, neemt hij de nodige maatregelen om de overeenstemming van de productie met het goedgekeurde type te waarborgen.". 5. De artikelen 6 tot en met 9 komen te luiden: "Artikel 6 Elke beslissingshoudende weigering of intrekking van de EEG-onderdeeltypegoedkeuring voor markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten, dan wel verbod van het op de markt brengen of het gebruik, genomen uit hoofde van de bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn, moet nauwkeurig worden gemotiveerd. Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende met opgave van de krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de lidstaten openstaande rechtsmiddelen en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Artikel 7 De lidstaten mogen de EEG-typegoedkeuring of de nationale typegoedkeuring van een voertuig niet weigeren of verbieden om redenen die verband houden met de markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijnmarkeringslichten indien deze van het EEG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk zijn voorzien en overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 76/756/EEG zijn aangebracht. Artikel 8 De lidstaten mogen de verkoop, de registratie, het in het verkeer brengen of het gebruik van voertuigen niet weigeren of verbieden om redenen die verband houden met de markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten, indien deze van het EEG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk zijn voorzien en overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 76/756/EEG zijn aangebracht. Artikel 9 Onder "voertuig" wordt in deze richtlijn verstaan, ieder voor deelneming aan het wegverkeer bestemd motorvoertuig, met of zonder carrosserie, op ten minste vier wielen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km per uur, alsmede aanhangwagens daarvan, met uitzondering van voertuigen die zich over rails bewegen, landbouw- en bosbouwtrekkers, alsmede alle mobiele machines.". 6. De bijlagen worden vervangen door de bijlage van de onderhavige richtlijn. Artikel 2 1. Met ingang van 1 januari 1998, of, indien de publicatie van de in artikel 3 genoemde teksten tot na 1 juli 1997 wordt uitgesteld, zes maanden na de effectieve datum van publicatie van deze teksten, mogen de lidstaten: - voor een type motorvoertuig of een hierna genoemd type licht, noch de EG-typegoedkeuring, noch de nationale typegoedkeuring weigeren, noch - de registratie, de verkoop of in het verkeer brengen van voertuigen, noch de verkoop of het gebruik van markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten verbieden, om redenen die verband houden met markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten, indien de lichten aan de bepalingen van Richtlijn 76/758/EEG, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, voldoen en, wat voertuigen betreft, deze overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 76/758/EEG zijn gemonteerd. 2. Met ingang van 1 oktober 1998 mogen de lidstaten: - niet langer de EG-typegoedkeuring verlenen en - de nationale typegoedkeuring weigeren, voor een type voertuig om redenen die verband houden met markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten, en voor een type markeringslicht, breedtelicht, achterlicht, stoplicht, dagrijlichten en zijmarkeringslichten, indien niet aan de bepalingen van Richtlijn 76/758/EEG, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, is voldaan. 3. Met ingang van 1 oktober 1999 zijn de bepalingen van Richtlijn 76/758/EEG van de Raad inzake markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten als onderdeel, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, van toepassing voor de doeleinden van artikel 7, lid 2, van Richtlijn 70/156/EEG. 4. Onverminderd de leden 2 en 3 blijven de lidstaten de EG-typegoedkeuring verlenen en de verkoop of het gebruik van markeringslichten, breedtelichten, achterlichten en stoplichten als reserveonderdeel overeenkomstig de voorgaande versies van Richtlijn 76/758/EEG toestaan, mits dergelijke lichten: - zijn bestemd om op reeds in gebruik zijnde voertuigen te worden gemonteerd en - voldoen aan de bepalingen van die richtlijn die golden toen de voertuigen voor het eerst werden geregistreerd. Artikel 3 De in punt 2.1 van de bijlagen II, III en IV aangegeven bepalingen en bijlagen van UN-ECE-reglementen nrs. 7, 87 en 91 zullen vóór 1 juli 1997 in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden gepubliceerd. Artikel 4 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1998 aan deze richtlijn te voldoen; indien de publicatie van de in artikel 3 genoemde teksten echter tot na 1 juli 1997 wordt uitgesteld, voldoen de lidstaten aan deze verplichting zes maanden na de effectieve datum van publicatie van deze teksten. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van 1 januari 1998, of dat geschiedt indien de publicatie van de in artikel 3 genoemde teksten tot na 1 juli 1997 wordt uitgesteld, zes maanden na de effectieve datum van publicatie van deze teksten. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 5 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 6 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, 11 juni 1997. Voor de Commissie Martin BANGEMANN Lid van de Commissie (1) PB nr. L 42 van 23. 2. 1970, blz. 1. (2) PB nr. L 18 van 21. 1. 1997, blz. 7. (3) PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 54. (4) PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 1. (5) Zie blz. 1 van dit Publikatieblad. (6) PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 96. BIJLAGE "LIJST VAN BIJLAGEN BIJLAGE I: Administratieve bepalingen voor de typegoedkeuring Aanhangsel 1: Inlichtingenformulier Aanhangsel 2: EG-typegoedkeuringsformulier Aanhangsel 3: Voorbeelden van het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk BIJLAGE II: Toepassingsgebied en technische voorschriften voor markeringslichten, breedtelichten, achterlichten en stoplichten. BIJLAGE III: Toepassingsgebied en technische voorschriften voor dagrijlichten. BIJLAGE IV: Toepassingsgebied en technische voorschriften voor zijmarkeringslichten. BIJLAGE I ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN VOOR DE TYPEGOEDKEURING 1. DEZE BIJLAGE HEEFT BETREKKING OP DE TYPEGOEDKEURING VAN: 1.1. markeringslichten, breedtelichten, achterlichten en stoplichten die zijn bedoeld voor gebruik op motorvoertuigen en op de aanhangwagens daarvan en voldoen aan de voorschriften van bijlage II; 1.2. dagrijlichten die zijn bedoeld voor gebruik op motorvoertuigen en voldoen aan de voorschriften van bijlage III; 1.3. zijmarkeringslichten die zijn bedoeld voor gebruik op motorvoertuigen en op de aanhangwagens daarvan en voldoen aan de voorschriften van bijlage IV; 2. AANVRAAG VAN EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURING VAN EEN VOERTUIGTYPE 2.1. De aanvraag van EG-onderdeeltypegoedkeuring overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Richtlijn 70/156/EEG voor een type markeringslicht, breedtelicht, achterlicht, dagrijlicht, zijmarkeringslicht en stoplicht wordt ingediend door de fabrikant. 2.2. Een model van het inlichtingenformulier is in aanhangsel 1 opgenomen. 2.3. Het volgende moet ter beschikking worden gesteld aan de voor de uitvoering van de typegoedkeuringsproeven verantwoordelijke technische dienst: 2.3.1. twee monsters met de aanbevolen lamp of lampen; indien de goedkeuring is aangevraagd voor inrichtingen die niet identiek zijn maar symmetrisch en geschikt zijn om aan de linker-, respectievelijk de rechterkant van het voertuig en/of aan de voor-, respectievelijk achterzijde te worden gemonteerd, mogen de monsters identiek en geschikt zijn om alleen aan de rechter- of de linkerkant en/of aan de voor-, respectievelijk achterzijde te worden gemonteerd; bij stoplichten met twee intensiteitsniveaus moet de aanvraag eveneens vergezeld gaan van twee monsters van de samenstellende delen, die de twee intensiteitsniveaus bewerkstelligen. 3. MERKTEKENS 3.1. De inrichtingen die voor EG-onderdeeltypegoedkeuring worden aangeboden, moeten voorzien zijn van: 3.1.1. het merk of de handelsnaam van de fabrikant; 3.1.2. in geval van lichten met vervangbare lichtbronnen: het (de) type(n) van de voorgeschreven gloeilampen; 3.1.3. in geval van lichten met niet-vervangbare lichtbronnen: de nominale spanning en het nominaal vermogen. 3.2. Deze merktekens moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar op het lichtdoorlatende gedeelte of een van de lichtdoorlatende gedeelten van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten van buitenaf zichtbaar zijn wanneer de inrichting op het voertuig is gemonteerd. 3.3. Elke inrichting moet voldoende ruimte bieden voor het onderdeeltypegoedkeuringsgoedkeuringsmerk. Deze ruimte moet op de in aanhangsel 1 genoemde tekeningen worden aangegeven. 4. VERLENING VAN EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURING 4.1. Indien aan de terzake dienende voorschriften is voldaan, wordt EG-typegoedkeuring overeenkomstig artikel 4, lid 3, en, in voorkomend geval, artikel 4, lid 4, van Richtlijn 70/156/EEG verleend. 4.2. Een model van het EG-typegoedkeuringsformulier is in aanhangsel 2 opgenomen. 4.3. Er dient een goedkeuringsnummer overeenkomstig bijlage VII van Richtlijn 70/156/EEG aan elk goedgekeurd type markeringslicht, breedtelicht, achterlicht, stoplicht, dagrijlicht en zijmarkeringslicht te worden toegekend. Dezelfde lidstaat mag datzelfde nummer niet aan een ander type markeringslicht, breedtelicht, achterlicht, stoplicht, dagrijlicht en zijmarkeringslicht toekennen. 4.4. Wanneer EG-onderdeeltypegoedkeuring wordt aangevraagd voor een type verlichtings- en lichtsignaalinrichting bestaande uit een markeringslicht, breedtelicht, achterlicht, stoplicht, dagrijlicht of zijmarkeringslicht en andere lichten, mag één EG-onderdeeltypegoedkeuringsnummer worden toegekend, op voorwaarde dat het markeringslicht, breedtelicht, achterlicht, stoplicht, dagrijlicht en zijmarkeringslicht voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn en dat alle andere lichten die deel uitmaken van de verlichtings- en lichtsignaalinrichting waarvoor EG-onderdeeltypegoedkeuring is aangevraagd, aan de daarop van toepassing zijnde bijzondere richtlijnen voldoen. 5. EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURINGSMERK 5.1. Behalve de in punt 3.1 genoemde merktekens moet ieder markeringslicht, breedtelicht, achterlicht, stoplicht, dagrijlicht en zijmarkeringslicht, dat overeenkomt met een overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurd type, voorzien zijn van een EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk. 5.2. Dit merk bestaat uit: 5.2.1. een rechthoek met daarin de letter "e", gevolgd door het kengetal of de kenletters van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 5.2.2. nabij de rechthoek, het "basisgoedkeuringsnummer", opgenomen in deel 4 van het in bijlage VII van Richtlijn 70/156/EEG bedoelde typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door twee cijfers die het volgnummer vormen, dat is toegekend aan de recentste ingrijpende technische wijziging van de desbetreffende bijlage van Richtlijn 76/758/EEG op de dag waarop de EG-typegoedkeuring is verleend. Het volgnummer van deze richtlijn is: - 02 voor bijlage II; - 00 voor bijlage III; - 00 voor bijlage IV; 5.2.3. het/de volgende aanvullende symbo(o)l(en): 5.2.3.1. op inrichtingen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn wat de markeringslichten en de breedtelichten betreft, de letter "A"; 5.2.3.2. op inrichtingen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn wat de markeringslichten en de achterlichten betreft, de letter "R"; 5.2.3.3. op inrichtingen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn wat de stoplichten betreft, de letter "S", gevolgd door het cijfer 1 bij inrichtingen met één intensiteitsniveau, het cijfer 2 bij inrichtingen met twee intensiteitsniveaus en het cijfer 3 wanneer de inrichting voldoet aan de voor stoplichten van categorie S3 specifieke voorschriften; 5.2.3.4. op inrichtingen die bestaan uit zowel een achterlicht als een stoplicht die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn wat dergelijke lichten betreft, de letter "R" en "S1" of "S2", naar gelang van het geval, met daartussen een horizontaal streepje; 5.2.3.5. op inrichtingen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn wat dagrijlichten betreft, de letters "RL"; 5.2.3.6. op inrichtingen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn wat zijmarkeringslichten betreft, een van de symbolen "SM1" of "SM2", afhankelijk van de categorie van de inrichting; 5.2.3.7. op breedte- en achterlichten waarvan de zichtbaarheidshoeken asymmetrisch ten opzichte van de referentieas in horizontale richting zijn, een pijl die naar de zijde wijst waarvoor aan de fotometrische specificaties wordt voldaan tot een hoek van 80° H; 5.2.3.8. op lichten die als afzonderlijk licht of als deel van een samenstel van twee lichten mogen worden gebruikt, de aanvullende letter "D" ter rechter zijde van het in de punten 5.2.3.1 t/m 5.2.3.4 genoemde symbool. 5.3. Het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk moet zodanig op de lens of op een van de lenzen van het licht worden aangebracht dat zij onuitwisbaar en goed leesbaar zijn, ook wanneer de lichten op het voertuig zijn gemonteerd. 5.4. Samenstelling van het goedkeuringsmerkteken. 5.4.1. Onafhankelijke lichten. Voorbeelden van het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk zijn afgebeeld in figuur 1 van aanhangsel 3. 5.4.2. Gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten: 5.4.2.1. Wanneer overeenkomstig punt 4.4 één EG-onderdeeltypegoedkeuringsnummer aan een type verlichtings- en lichtsignaalinrichting bestaande uit een markeringslicht, breedtelicht, achterlicht, stoplicht, dagrijlicht of zijmarkeringslicht en andere lichten is toegekend, mag één EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk worden aangebracht, bestaande uit: 5.4.2.1.1. een rechthoek met daarin de letter "e" gevolgd door het kengetal of de kenletters van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend (zie punt 5.2.1); 5.4.2.1.2. het basisgoedkeuringsnummer (zie punt 5.2.2, eerste helft van de zin); 5.4.2.1.3. indien nodig, de voorgeschreven pijl, voorzover deze betrekking heeft op de gehele verlichtingseenheid. 5.4.2.2. Dit merk mag op een willekeurige plaats op het gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde licht worden aangebracht, mits: 5.4.2.2.1. het zichtbaar is na montage van de lichten; 5.4.2.2.2. geen lichtuitstralende onderdelen van gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten kunnen worden verwijderd zonder tegelijkertijd het goedkeuringsmerk te verwijderen. 5.4.2.3. Het identificatiesymbool voor elk licht overeenkomstig elke richtlijn krachtens welke de EG-onderdeeltypegoedkeuring werd verleend, tezamen met het volgnummer (zie punt 5.2.2, tweede helft van de zin), in voorkomend geval de letter"D" en de voorgeschreven pijl moeten worden aangebracht: 5.4.2.3.1. hetzij op het desbetreffende uitvalsvlak van het licht; 5.4.2.3.2. hetzij op zodanige wijze gegroepeerd dat de gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten duidelijk kunnen worden geïdentificeerd. 5.4.2.4. De afmetingen van de onderdelen van dit merk mogen niet kleiner zijn dan de minimumafmetingen die zijn aangeven voor de afzonderlijke merken in de verschillende richtlijnen krachtens welke de EG-onderdeeltypegoedkeuring werd verleend. 5.4.2.5. Voorbeelden van het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk voor een met andere lichten gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd licht zijn in figuur 2 van aanhangsel 3 afgebeeld. 5.4.3. Voor een licht dat is samengebouwd met andere lichten, waarvan de lens ook voor andere typen koplichten mag worden gebruikt: 5.4.3.1. zijn de voorschriften van punt 5.4.2 van toepassing; 5.4.3.2. bovendien mogen laatstgenoemde, indien dezelfde lens wordt toegepast, voorzien zijn van een ander goedkeuringsmerk dat betrekking heeft op andere typen koplichten of verlichtingseenheden, mits er op het hoofdonderdeel van het koplicht, ook al kan dit niet worden losgenomen van de lens, de in punt 3.3 bedoelde ruimte is en daarop de goedkeuringsmerken voor de aanwezige functies zijn aangebracht; 5.4.3.3. indien verschillende typen koplichten hetzelfde hoofdonderdeel hebben, mogen op laatstgenoemde verschillende goedkeuringsnummers zijn aangebracht; 5.4.3.4. voorbeelden van het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk voor met een koplicht samengebouwde lichten zijn in figuur 3 van aanhangsel 3 afgebeeld. 6. WIJZIGING VAN HET TYPE EN WIJZIGING VAN DE GOEDKEURING 6.1. Bij wijziging van het overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurde type zijn de bepalingen van artikel 5 van Richtlijn 70/156/EEG van toepassing. 7. OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE 7.1. Normaal dienen maatregelen te worden genomen overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 70/156/EEG om de overeenstemming van de productie te waarborgen. 7.2. Iedere in punt 1.1 bedoelde inrichting moet aan de in de punten 6 en 8 van het in punt 2.1 van bijlage II van deze richtlijn genoemde document aangegeven fotometrische en colorimetrische voorwaarden voldoen. Bij een willekeurig geselecteerde inrichting uit een serieproductie, mogen de resultaten ten aanzien van de minimumintensiteit van het uitgestraalde licht (gemeten met een standaardlamp als bedoeld in punt 7 van het in punt 2.1 van bijlage II van deze richtlijn genoemde document) in alle richtingen niet meer dan 80 % van de in de punten 6.1 en 6.2 van het in punt 2.1 van bijlage II van deze richtlijn genoemde document aangegeven minimumwaarden bedragen. 7.3. Iedere in punt 1.2 bedoelde inrichting moet aan de in de punten 7, 8, 9 en 11 van het in punt 2.1 van bijlage III van deze richtlijn genoemde document aangegeven voorschriften voldoen. Bij een willekeurig geselecteerde inrichting uit een serieproductie, moeten de resultaten ten aanzien van de minimumintensiteit van het uitgestraalde licht (gemeten met een standaardlamp als bedoeld in punt 10 van het in punt 2.1 van bijlage III van deze richtlijn genoemde document) in alle richtingen minimaal 80 % van de in de punten 7.1 en 7.2 van het in punt 2.1 van bijlage III van deze richtlijn genoemde document aangegeven minimumwaarden bedragen en mogen deze niet meer dan 120 % van de in punt 7.3 van het in punt 2.1 van bijlage III van deze richtlijn genoemde document aangegeven maximumwaarden bedragen. 7.4. Iedere in punt 1.3 bedoelde inrichting moet aan de in de punten 7 en 8 van het in punt 2.1 van bijlage IV van deze richtlijn genoemde document aangegeven voorschriften voldoen. Bij een willekeurig geselecteerde inrichting uit een serieproductie, moeten de resultaten ten aanzien van de minimumintensiteit van het uitgestraalde licht (gemeten met een standaardlamp als bedoeld in punt 10 van het in punt 2.1 van bijlage IV van deze richtlijn genoemde document) in alle richtingen minimaal 80 % van de in punt 7.1 van het in punt 2.1 van bijlage IV van deze richtlijn genoemde document aangegeven minimumwaarden en mogen deze niet meer dan 120 % van de daarin aangegeven maximumwaarden bedragen. Aanhangsel 1 Inlichtingenformulier nr. . . . betreffende de EG-onderdeeltypegoedkeuring van markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten voor motorvoertuigen en voor aanhangwagens daarvan >BEGIN VAN DE GRAFIEK> (Richtlijn 76/758/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn . . ./. . ./EG) De onderstaande gegevens moeten in voorkomend geval in drievoud worden verstrekt en van een inhoudsopgave vergezeld gaan. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot dat formaat gevouwen verstrekt. Op eventuele foto's zijn voldoende details te zien. Indien de systemen, onderdelen of afzonderlijke technische eenheden elektronisch gestuurde fucties hebben, worden gegevens over de prestaties verstrekt. 0. ALGEMENE GEGEVENS 0.1. Merk (firmanaam): . 0.2. Type en algemene handelsbenaming(en): . 0.5. Naam en adres van de fabrikant: . 0.7. In geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk: . 0.8. Adres(sen) van de assemblagefabriek(en): . 1. BESCHRIJVING VAN DE INRICHTING 1.1. Type inrichting: . 1.1.1. Functie(s) van de inrichting: . 1.1.2. Categorie of klasse waartoe de inrichting behoort: . 1.1.3. Kleur van het uitgestraalde of gereflecteerde licht: . 1.2. Tekening(en) met voldoende details zodat het type inrichting kan worden geïdentificeerd en waaruit blijkt: 1.2.1. op welke geometrische plaats de inrichting op het voertuig moet worden gemonteerd (niet van toepassing op de achterkentekenplaatverlichting): . 1.2.2. de waarnemingsas die bij de proeven wordt gekozen als referentieas (horizontale hoek H = 0°, verticale hoek V = 0°) en het punt dat dient als referentiepunt bij voornoemde proeven (niet van toepassing op retroflectoren en de achterkentekenplaatverlichting): . 1.2.3. de voor het EG-onderdeeltypegoekeuringsmerk bestemde ruimte: . 1.2.4. voor de achterkentekenplaatverlichting, de geometrische plaats waar de inrichting wordt gemonteerd ten opzichte van de ruimte die wordt ingenomen door de kentekenplaat, en de omtrek van het oppervlak dat voldoende wordt verlicht: . 1.2.5. voor koplichten en voormistlichten, een vooraanzicht van de lichten met bijzonderheden over eventuele lensribbels en de dwarsdoorsnede: . 1.3. Een korte technische beschrijving, met, behalve voor lichten met niet-vervangbare lichtbronnen, in het bijzonder vermelding van de categorie of categorieën waartoe de voorgeschreven gloeilampen (een of meer van de in Richtlijn 76/761/EEG genoemde) behoren (niet van toepassing op retroflectoren): . 1.4. Specifieke gegevens: 1.4.1. Voor de achterkentekenplaatverlichting, een verklaring of de inrichting bestemd is om een lange/brede/lange en brede plaat te verlichten: . 1.4.2. Voor koplichten: 1.4.2.1. gegevens waaruit blijkt of de lichten bestemd zijn om zowel te zorgen voor het gedimd licht als voor het grootlicht of alleen voor een van deze lichten: . 1.4.2.2. voor het geval het koplicht bestemd is om te zorgen voor het gedimd licht, een indicatie of het licht ontworpen is voor zowel rechts als links verkeer of alleen voor rechts of voor links verkeer: . . 1.4.2.3. indien het koplicht is uitgerust met een verstelbare reflector, een indicatie van de montagestand(en) van het koplicht ten opzichte van het wegdek en het middenlangsvlak van het voertuig, indien het koplicht uitsluitend bestemd is om in die stand(en) te worden gebruikt: . 1.4.3. Voor breedtelichten, achterlichten, stoplichten en richtingaanwijzers: . 1.4.3.1. of de inrichting ook in een samenstel van twee lichten van dezelfde categorie mag worden gebruikt: . 1.4.3.2. in het geval van een inrichting met twee verschillende lichtintensiteitsniveaus (stoplichten en richtingaanwijzers van categorie 2b), een plaatsingsdiagram en vermelding van de eigenschappen van het systeem dat de twee lichtintensiteitsniveaus bewerkstelligt: . 1.4.4. Voor reflectoren, een korte beschrijving met technische gegevens over de materialen van de retroflecterende optische eenheid: . 1.4.5. Voor achteruitrijlichten, een verklaring waaruit blijkt of de inrichting is bedoeld om uitsluitend paarsgewijs op een voertuig te worden gemonteerd: . >EIND VAN DE GRAFIEK> Aanhangsel 2 MODEL (maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)) EEG-TYPEGOEDKEURINGSFORMULIER >BEGIN VAN DE GRAFIEK> Dienststempel Mededeling betreffende: - goedkeuring (1), - uitbreiding van de typegoedkeuring (1), - weigering van de typegoedkeuring (1), - intrekking van de typegoedkeuring (1), van een type voertuig/onderdeel/afzonderlijke technische eenheid (1) met betrekking tot Richtlijn . . ./. . ./EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn . . ./. . ./EG. Goedkeuringsnummer: . Reden voor uitbreiding: . DEEL I 0.1. Merk (firmanaam): . 0.2. Type en algemene handelsbenaming(en): . 0.3. Middel tot identificatie van het type, indien het op het voertuig/onderdeel/afzonderlijke technische eenheid is aangegeven (1) (2): . 0.3.1. Plaats van het merkteken: . 0.4. Categorie waartoe het voertuig behoort (1) (3): . 0.5. Naam en adres van de fabrikant: . 0.7. In het geval van onderdelen en afzonderlijke technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk: . 0.8. Adres(sen) van de assemblagefabriek(en): . DEEL II 1. Eventuele aanvullende inlichtingen zie addendum. 2. Met de keuring belaste technische dienst: . 3. Datum van het keuringsrapport: . 4. Nummer van het keuringsrapport: . 5. Eventuele opmerkingen: zie addendum. 6. Plaats: . 7. Datum: . 8. Handtekening: . 9. Bijgaand is een lijst aangehecht van de documenten waaruit het informatiepakket bestaat dat door de goedkeuringsinstantie wordt bewaard. De documenten zijn op aanvraag verkrijgbaar. (1) Doorhalen wat niet van toepassing is. (2) Indien de identificatie van het type tekens omvat die niet van belang zijn voor de beschrijving van het type voertuig, onderdeel of technische eenheid waarop dit typegoedkeuringsformulier betrekking heeft, dient dit in de documentatie te worden aangegeven door middel van het symbool "?" (bijvoorbeeld: ABC??123???).(3) Als gedefinieerd in bijlage II, deel A, bij Richtlijn 70/156/EEG.Addendum bij EG-typegoedkeuringsformulier nr. . . . betreffende de onderdeeltypegoedkeuring van een verlichtings- en/of lichtsignaalinrichting met betrekking tot (de) Richtlijn(en) 76/757/EEG, 76/758/EEG, 76/759/EEG, 76/760/EEG, 76/761/EEG, 76/762/EEG, 77/538/EEG, 77/539/EEG en 77/540/EEG (1), laatstelijk gewijzigd bij (de) Richtlijn(en) . . . 1. Aanvullende gegevens 1.1. In voorkomend geval, voor elk licht het volgende aangeven: 1.1.1. de categorie(ën) waartoe de inrichting(en) behoort (behoren): . 1.1.2. het aantal gloeilampen en de categorie daarvan (niet van toepassing op retroflectoren) (2): . 1.1.3. de kleur van het uitgestraalde of gereflecteerde licht: . 1.1.4. is de goedkeuring uitsluitend verleend voor het gebruik als reserveonderdeel voor reeds in het verkeer gebrachte voertuigen: ja/nee (1). 1.2. Specifieke gegevens voor bepaalde typen verlichtings- of lichtsignaalinrichtingen: 1.2.1. retroflectoren: afzonderlijk/deel van een samenstel van inrichtingen; 1.2.2. achterkentekenplaatverlichting: inrichting bestemd voor de verlichting van een brede/een lange plaat (1); 1.2.3. koplichten: indien het koplicht is uitgerust met een verstelbare reflector, de montagestand(en) van het koplicht ten opzichte van het wegdek en het middenlangsvlak van het voertuig, indien het koplicht uitsluitend bestemd is om in die stand(en) te worden gebruikt: . 1.2.4. achteruitrijlichten: deze inrichting is bedoeld om uitsluitend paarsgewijs op een voertuig te worden gemonteerd: ja/neen (1). 5. Opmerkingen 5.1. Tekeningen: 5.1.1. voor achterkentekenplaatverlichting: op de aangehechte tekening nr . . . is de geometrische plaats aangegeven waar de inrichting moet worden gemonteerd ten opzichte van de ruimte voor de achterkentekenplaat, alsmede de omtrek van het voldoende verlichte vlak; 5.1.2. voor retroflectoren: op de aangehechte tekening nr . . . is de geometrische plaats aangegeven waar de inrichting op het voertuig moet worden gemonteerd; 5.1.3. voor alle andere verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen: op de aangehechte tekening nr . . . is de geometrische plaats aangegeven waar de inrichting op het voertuig moet worden gemonteerd, alsmede de referentieas en het referentiepunt van de inrichting; 5.2. voor koplichten: de tijdens de test ingestelde standen (zie punt 5.2.3.9 van bijlage I van Richtlijn 76/761/EEG): . (1) Doorhalen wat niet van toepassing is. (2) Bij lichten met niet-vervangbare lichtbronnen, het aantal en het totale vermogen van de lichtbronnen aangegeven. >EIND VAN DE GRAFIEK> Aanhangsel 3 VOORBEELDEN VAN HET EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURINGSMERK Figuur 1a >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> De inrichting met het hierboven afgebeelde EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk is een breedtelicht, dat in Duitsland is goedgekeurd (e1) overeenkomstig bijlage II van deze richtlijn (02) met als basisgoedkeuringsnummer 1471. De pijl geeft de zijde aan waar tot een hoek van 80° H aan de voorgeschreven fotometrische specificaties wordt voldaan. Figuur 1b >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> De inrichting met het hierboven afgebeelde EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk is een achterlicht, dat in Duitsland een typegoedkeuring heeft verkregen (e1) overeenkomstig bijlage II van deze richtlijn (02) met als basisgoedkeuringsnummer 1471 en dat ook mag worden gebruikt in een samenstel van twee achterlichten. Figuur 1c >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> De inrichting met het hierboven afgebeelde EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk is een inrichting, bestaande uit een achterlicht en een stoplicht met één lichtintensiteitsniveau, die in Duitsland een typegoedkeuring heeft verkregen (e1) overeenkomstig bijlage II van deze richtlijn (02) met als basisgoedkeuringsnummer 1471 en dat ook mag worden gebruikt in een samenstel van twee achterlichten. Figuur 1d >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> De inrichting met het hierboven afgebeelde EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk is een stoplicht, dat in Duitsland een typegoedkeuring heeft verkregen (e1) overeenkomstig bijlage II van deze richtlijn (02) met als basisgoedkeuringsnummer 1471. Figuur 1e >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> De inrichting met het hierboven afgebeelde EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk is een dagrijlicht, dat in Duitsland een typegoedkeuring heeft verkregen (e1) overeenkomstig bijlage III van deze richtlijn (00) met als basisgoedkeuringsnummer 1471. Figuur 1f >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> De inrichting met het hierboven afgebeelde EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk is een zijmarkeringslicht, dat in Duitsland een typegoedkeuring heeft verkregen (e1) overeenkomstig bijlage IV van deze richtlijn (00) met als basisgoedkeuringsnummer 1471. Figuur 2a Vereenvoudigd merk van gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten wanneer twee of meer lichten deel uitmaken van dezelfde eenheid >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> MODEL B >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> MODEL C >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> NB: De drie voorbeelden van de goedkeuringsmerken, de modellen A, B en C zijn drie mogelijke varianten van de merktekens voor een verlichtings- en lichtsignaalinrichting, waarbij twee of meer lichten deel uitmaken van dezelfde gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde inrichting. Dit merkteken geeft aan dat de inrichting in Duitsland (e1) werd goedgekeurd met als basisgoedkeuringsnummer 1712 en bestaat uit: een achter- en zijretroflector van klasse IA, goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 76/757/EEG van de Raad (PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 32), volgnummer 02; een achterrichtingaanwijzer van categorie 2a, goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 76/759/EEG van de Raad (PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 71), volgnummer 01; een rood achterlicht (R), goedgekeurd overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 76/758/EEG, volgnummer 02; een achtermistlicht (F), goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 77/538/EEG van de Raad (PB nr. L 220 van 29. 8. 1977, blz. 60) volgnummer 00; een achteruitrijlicht (AR), goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 77/539/EEG van de Raad (PB nr. L 220 van 29. 8. 1977, blz. 72) volgnummer 00; een stoplicht met twee intensiteitsniveaus (S), goedgekeurd overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 76/558/EEG, volgnummer 02; een zijmarkeringslicht van categorie 1 (SM1), goedgekeurd overeenkomstig bijlage IV van Richtlijn 76/758/EEG, volgnummer 00. Figuur 2b Vereenvoudigd merk van gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten wanneer twee of meerdere lichten deel uitmaken van dezelfde eenheid >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> MODEL B >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> MODEL C >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> MODEL D >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> NB: De vier voorbeelden van de goedkeuringsmerken, de modellen A, B, C en D, zijn vier mogelijke varianten van de merktekens voor een verlichtings- en lichtsignaalinrichting, waarbij twee of meer lichten deel uitmaken van dezelfde gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde inrichting. Dit merkteken geeft aan dat de inrichting in Duitsland (e1) werd goedgekeurd met als basisgoedkeuringsnummer 7120 en bestaat uit: een breedtelicht (A), goedgekeurd overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 76/758/EEG, volgnummer 02; een koplicht (HCR) met een gedimde lichtbundel, ontworpen voor rechts en links rijdend verkeer en een grootlichtbundel met een maximumsterkte die ligt tussen 86 250 en 101 250 candela (aangegeven door het nummer 30), goedgekeurd overeenkomstig bijlage V van Richtlijn 76/761/EEG, volgnummer 02; een dagrijlicht (RL), goedgekeurd overeenkomstig bijlage III van Richtlijn 76/758/EEG, volgnummer 00; een voorrichtingaanwijzer van categorie 1a, goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 76/759/EEG, volgnummer 01. Figuur 3 >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> Het bovenstaande voorbeeld komt overeen met de merktekens op een lens die bestemd is voor gebruik op verschillende typen koplicht, namelijk: - een koplicht met een gedimde lichtbundel, ontworpen voor rechts- en linksrijdend verkeer en een grootlichtbundel met een maximumsterkte die ligt tussen 86 250 en 101 250 candela (aangegeven door het nummer 30), goedgekeurd in Duitsland (e1) met als basisnummer 7120 overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV van Richtlijn 76/761/EEG, volgnummer 04, dat is samengebouwd met een dagrijlicht, goedgekeurd overeenkomstig bijlage III van Richtlijn 76/758/EEG, volgnummer 00; - een koplicht met een gedimde lichtbundel, ontworpen voor rechts- en linksrijdend verkeer en een grootlichtbundel, goedgekeurd in Duitsland (e1) met als basisnummer 7122 overeenkomstig de voorschriften van bijlage II van Richtlijn 76/761/EEG, volgnummer 01, dat is samengebouwd met hetzelfde bovengenoemde dagrijlicht; - een van de twee bovengenoemde koplichten, goedgekeurd als één licht. Op het hoofdonderdeel van het koplicht is het enige geldige goedkeuringsnummer aangebracht, bijvoorbeeld: >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> of >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> of >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> of >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> BIJLAGE II TOEPASSINGSGEBIED EN TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN 1. TOEPASSINGSGEBIED Deze richtlijn is van toepassing op markeringslichten, breedtelichten, achterlichten en stoplichten voor motorvoertuigen en de aanhangwagens daarvan 2. TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN 2.1. De technische voorschriften zijn die welke zijn opgenomen in de punten 1 en 5 t/m 8 en de bijlagen 1, 4 en 5 van UN-ECE-reglement nr. 7, dat uit de volgende geconsolideerde documenten bestaat: - de 01 en 02-serie van wijzigingen met inbegrip van supplement 1 op de 02-serie wijzigingen en diverse correcties (1); - het erratum (2); - supplement 2 op de 02-serie wijzigingen (3); - corrigendum 1 op supplement 2 en supplement 3 op de 02-serie wijzigingen (4); met dien verstande dat: 2.1.1. wanneer verwezen wordt naar "reglement nr. 48", dit dient te worden gelezen als "Richtlijn 76/756/EEG"; 2.1.2. wanneer verwezen wordt naar "Reglement nr. 37", dit dient te worden gelezen als "bijlage VII van Richtlijn 76/761/EEG"; 2.1.3. voetnoot 1 in de tabel van punt 6.1 als volgt dient te worden gelezen: "De installatie van de bovengenoemde inrichtingen op motorvoertuigen en de aanhangwagens daarvan is beschreven in Richtlijn 76/756/EEG.". >RUIMTE VOOR DE TABEL> BIJLAGE III TOEPASSINGSGEBIED EN TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN 1. TOEPASSINGSGEBIED Deze richtlijn is van toepassing op dagrijlichten voor motorvoertuigen 2. TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN 2.1. De technische voorschriften zijn die welke zijn opgenomen in de punten 2 en 6 t/m 11 en bijlagen 3 en 4 van UN-ECE-reglement nr. 87, dat bestaat uit de volgende geconsolideerde documenten: - het reglement in de oorspronkelijke vorm (00) (1), - corrigendum 1 op reglement nr. 87 (2), - supplement 1 op reglement nr. 87 (3), met dien verstande dat: 2.1.1. wanneer verwezen wordt naar "reglement nr. 48", dit dient te worden gelezen als "Richtlijn 76/756/EEG". >RUIMTE VOOR DE TABEL> BIJLAGE IV TOEPASSINGSGEBIED EN TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN 1. TOEPASSINGSGEBIED Deze richtlijn is van toepassing op zijmarkeringslichten voor motorvoertuigen en de aanhangwagens daarvan. 2. TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN 2.1. De technische voorschriften zijn die welke zijn opgenomen in de punten 2 en 6 t/m 9 en de bijlagen 1, 4 en 5 van UN-ECE-reglement nr. 91, dat uit de volgende geconsolideerde documenten bestaat: - het reglement in de oorspronkelijke vorm (00) (1), - supplement 1 op reglement nr. 91 (2), met dien verstande dat: 2.1.1. wanneer verwezen wordt naar "reglement nr. 48", dit dient te worden gelezen als "Richtlijn 76/756/EEG", 2.1.2. wanneer verwezen wordt naar "reglement nr. 37", dit dient te worden gelezen als "bijlage VII van Richtlijn 76/761/EEG". >RUIMTE VOOR DE TABEL> Technische voorschriften van Reglement nr. 7 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties als bedoeld in artikel 3 en in bijlage II, punt 2.1 van Richtlijn 97/30/EG van de Commissie (1) houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 76/758/EEG van de Raad betreffende markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan 1. DEFINITIES In dit reglement 1.1 verstaat men onder "breedtelicht" een licht dat, vanaf de voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig; 1.2 verstaat men onder "achterlicht" een licht dat, vanaf de achterzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig; 1.3 verstaat men onder "stoplicht" een licht bestemd om de weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsrem bedient. De stoplichten mogen worden geactiveerd wanneer een vertrager of soortgelijke inrichting in werking wordt gesteld. 1.4 Onder "markeringslicht" verstaat men een licht dat op het breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt aangegeven. Dit licht is bestemd om voor bepaalde motorvoertuigen en aanhangwagens de breedte- en achterlichten aan te vullen door in 't bijzonder de aandacht te vestigen op de omtrek; 1.5 "Definitie van termen" In dit reglement gelden de definities van Reglement nr. 48 en van alle wijzigingen daarvan die ten tijde van het verzoek om typegoedkeuring van kracht zijn. 1.6 Onder "breedtelichten, achterlichten, stoplichten en markeringslichten van verschillende types" verstaat men lichten die in elk van de genoemde categorieën wezenlijk verschillen ten aanzien van - het fabrieks- of handelsmerk, - de kenmerken van het optisch systeem (lichtsterkte, lichtverspreidingshoek, type gloeilamp, enz...) - het gebruikte systeem om de verlichting 's nachts te beperken - voor stoplichten met twee lichtsterkteniveaus. 5. ALGEMENE BEPALINGEN 5.1 Alle voorgelegde inrichtingen moeten voldoen aan de in de punten 6 en 8 genoemde bepalingen. 5.2 De inrichtingen moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks de trillingen waaraan zij in dat geval blootgesteld kunnen zijn, de in dit reglement voorgeschreven kenmerken behouden en goed blijven functioneren. 5.3 Lichten die als breedtelicht of achterlicht zijn goedgekeurd, worden ook als markeringslicht beschouwd. 5.4 Gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde breedtelichten en achterlichten kunnen ook als markeringslichten worden gebruikt. 6. STERKTE VAN HET UITGESTRAALDE LICHT 6.1 Op de referentieas moet de intensiteit van het door elk van de geleverde inrichtingen uitgestraalde licht minstens gelijk zijn aan het minimum en ten hoogste gelijk aan het maximum zoals hierna vastgesteld: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 6.2 Buiten de referentieas en binnen de hoekvelden die zijn omschreven in de schema's van bijlage I bij dit reglement, mag de intensiteit van het door elk van de twee voorgelegde inrichtingen uitgestraalde licht: 6.2.1 in elke richting overeenkomende met de punten van de tabel voor de lichtverspreiding in bijlage 4 bij dit reglement niet minder zijn dan het in punt 6.1 aangegeven minimum, vermenigvuldigd met het percentage dat in deze tabel voor de betrokken richting is vermeld; 6.2.2 in geen enkele richting binnen het gebied waar de lichtsignaalinrichting kan worden waargenomen meer bedragen dan het onder punt 6.1 aangegeven maximum; 6.2.3 een lichtintensiteit van 60 cd is evenwel toegelaten voor achterlichten die met stoplichten zijn samengebouwd (zie punt 6.1.3) beneden een vlak dat een hoek van 5° in benedenwaartse richting met het horizontale vlak vormt. 6.2.4 Bovendien, 6.2.4.1 mag de intensiteit van het uitgestraalde licht binnen de in bijlage I omschreven velden nergens minder zijn dan 0,05 cd voor breedtelichten, achterlichten en markeringslichten, 0,3 cd voor stoplichten met één lichtsterkteniveau en voor stoplichten met twee sterkteniveaus 0,3 cd overdag en 0,07 cd bij nacht; 6.2.4.2 wanneer een achterlicht met een stoplicht is samengebouwd, moet de verhouding van de werkelijke gemeten lichtsterkte van de beide gelijktijdig ontstoken lichten tot de lichtsterkte van het alleen ontstoken achterlicht minstens 5:1 bedragen in het veld dat is afgebakend door de horizontale rechten die gaan door + en - 5° V en de verticale rechten die gaan door + en - 10° H van de lichtverspreidingstabel. Indien het licht twee lichtsterkteniveaus heeft moet aan deze voorwaarde zijn voldaan wanneer de nachtstand is ingeschakeld; 6.2.4.3 moeten de voorschriften van punt 2.2 van bijlage 4 bij dit reglement inzake plaatselijke variaties van de lichtsterkte in acht worden genomen. 6.3 De lichtsterkten worden gemeten bij (een) voortdurend brandende lamp(en) en wanneer het gaat om inrichtingen die selectief geel, of rood licht uitstralen, wordt de lichtsterkte in gekleurd licht gemeten. 6.4 Voor stoplichten met twee lichtsterkteniveaus wordt de verstreken tijd tussen het inschakelen van de elektrische stroom en het tijdstip waarop de lichtopbrengst, gemeten op de referentieas, 90 % bereikt van de volgens punt 6.3 gemeten waarde, zowel in de nachtstand als in de dagstand gemeten. De in de nachtstand gemeten tijd mag niet meer bedragen dan de tijd gemeten in de dagstand. 6.5 In bijlage 4, waarnaar punt 6.2.1 verwijst, staan nadere gegevens over de toe te passen meetmethoden. 7. UITVOERING VAN DE PROEF 7.1 Alle metingen worden uitgevoerd met een witte standaardgloeilamp van het voor de inrichting voorgeschreven type, waarbij de voedingsspanning zodanig is ingesteld dat de normale lichtstroom wordt uitgestraald die voor dit type gloeilamp is voorgeschreven. 7.1.1 Alle metingen van lichten met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) worden uitgevoerd bij respectievelijk 6,75 V, 13,5 V of 28,0 V Voor lichtbronnen met een speciale voeding gelden de genoemde beproevingsspanningen voor de ingangsklemmen van die voeding. Het beproevingslaboratorium kan verlangen dat de fabrikant de speciale voeding voor de lichtbronnen ter beschikking stelt. 7.2 Bij stoplichten waarbij een aanvullend systeem wordt gebruikt om de nachtlichtsterkte in te stellen, wordt voor meting van de nachtlichtsterkte dezelfde spanning gebruikt waarmee de gloeilamp werd gevoed om de daglichtsterkte te meten. (2) 7.3 Wanneer een achterlicht is samengebouwd met een stoplicht met twee lichtsterktes en een aanvullend regelsysteem voor de sterkte van het uitgestraalde licht permanent is ingeschakeld, wordt, voor meting van het uitgestraalde licht, op dat systeem de spanning aangesloten die bij een gloeilamp de voorgeschreven normale lichtstroom voortbrengt. 7.4 De verticale en horizontale omtrekken van het lichtdoorlatend gedeelte van een lichtsignaalinrichting (punt 1.6.2) worden vastgesteld en gemeten uitgaande van het referentiepunt (punt 1.6.5). Opmerking: 8. KLEUR VAN HET UITGESTRAALDE LICHT De kleur van het uitgestraalde licht moet binnen de grenzen blijven van de coördinaten die voor de desbetreffende kleur zijn voorgeschreven in bijlage 5 bij dit reglement. (1) Voor de werking en installatie van deze aanvullende systemen zullen speciale voorschriften worden opgesteld. (2) PB nr. L 171 van 30. 6. 1997, blz. 25. BIJLAGE 1 BREEDTELICHTEN, ACHTERLICHTEN, MARKERLINGSLICHTEN EN STOPLICHTEN: MINIMUMHOEKEN, VEREIST VOOR DE RUIMTELIJKE LICHTVERSPREIDING VAN DEZE LICHTEN (1) De verticale minimumhoeken van de ruimtelijke lichtverspreiding bedragen 15° boven en 15° onder het horizontale vlak voor alle in dit reglement genoemde categorieën van inrichtingen met uitzondering van stoplichten van categorie S3 waarvoor de hoeken 10° boven en 5° onder het horizontale vlak zijn. Horizontale minimumhoeken van de ruimtelijke lichtverspreiding >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> >BEGIN VAN DE GRAFIEK> Breedtelichten Markeringslichten >EIND VAN DE GRAFIEK> >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> >BEGIN VAN DE GRAFIEK> Achterlichten Markeringslichten >EIND VAN DE GRAFIEK> >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> >BEGIN VAN DE GRAFIEK> Stoplichten (S1 en S2) >EIND VAN DE GRAFIEK> >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> >BEGIN VAN DE GRAFIEK> Stoplichten (S3) >EIND VAN DE GRAFIEK> Opmerking: (1) De in deze tekeningen aangegeven hoeken gelden voor op de rechterkant van het voertuig gemonteerde inrichtingen De pijlen zijn naar de voorkant van de voertuigen gericht. BIJLAGE 4 Fotometrische metingen 1. MEETMETHODEN 1.1 Bij de fotometrische metingen moeten storende weerkaatsingen worden vermeden door een passende afscherming. 1.2 In geval van twijfel over de resultaten van de metingen, moeten deze als volgt worden uitgevoerd: 1.2.1 De meetafstand moet zodanig zijn dat de wet van het omgekeerde van het kwadraat van de afstand van toepassing is; 1.2.2 De meetapparatuur moet zodanig zijn dat de hoekopening van de lichtgevoelige apparatuur, gezien vanuit het referentiepunt van het licht, tussen 10' en 1° ligt; 1.2.3 Aan de eis betreffende de lichtsterkte voor een bepaalde waarnemingsrichting wordt voldaan wanneer dit wordt bereikt in een richting die niet meer dan een kwartgraad van de waarnemingsrichting afwijkt. 2. Tabel van de standaard-lichtverspreiding >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> >RUIMTE VOOR DE TABEL> 2.1 De richting H = 0° en V = 0° komt overeen met de referentieas (op het voertuig loopt deze horizontaal, evenwijdig met het middenlangsvlak van het voertuig, in de richting van het voorgeschreven gezichtsveld). Zij loopt door het referentiepunt. De in de tabel aangegeven waarden geven voor de verschillende meetrichtingen de minimumlichtsterkten in procenten van het vereiste minimum voor elk licht in de as (in de richting H = 0° en V = 0°). 2.2 Binnen het schematisch als een raster voorgestelde lichtverspreidingsveld van punt 2, moet het lichtpatroon nagenoeg uniform zijn, d.w.z. dat de lichtsterkte in alle richtingen van een door de rasterlijnen gevormde deel van het veld ten minste de minimumwaarde moet bereiken die op de rasterlijnen rond de desbetreffende richting in procenten is aangegeven 3. Fotometrische meting van lichten met verschillende lichtbronnen De fotometrische prestaties worden gecontroleerd: 3.1 Voor niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere): met een lichtbron in de lamp overeenkomstig punt 7.1.1 van dit reglement 3.2 Voor vervangbare lichten met gloeilamp: die zijn uitgerust met seriematig vervaardigde gloeilampen van 6,75 V, 13,5 V of 28,0 V, dient de waarde van de voortgebrachte lichtsterkte te liggen tussen de maximum- en de minimumgrens van dit reglement, vermeerderd met de toegestane afwijking van de lichtstroom voor het gekozen type gloeilamp als bedoeld in Reglement nr. 37 betreffende seriematig vervaardigde gloeilampen; anderzijds mag ook beurtelings in iedere fitting een seriematig vervaardigde gloeilamp worden gebruikt die met de referentielichtstroom brandt waarna de afzonderlijke metingen voor iedere fitting worden samengeteld. BIJLAGE 5 Lichtkleuren >RUIMTE VOOR DE TABEL> Voor de controle van deze colorimetrische eigenschappen, wordt gebruik gemaakt van een lichtbron met een kleurtemperatuur van 2 854 K overeenkomende met lichtbron A van de Internationale Commissie voor Verlichtingskunde (CIE). Voor lampen met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) echter moeten de colorimetrische eigenschappen worden gecontroleerd met de lichtbron in de lamp overeenkomstig punt 7.1.1 van dit reglement Technische voorschriften van Reglement nr. 87 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties als bedoeld in artikel 3 en in bijlage III, punt 2.1 van Richtlijn 97/30/EG van de Commissie (1) houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 76/758/EEG van de Raad betreffende markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan 2. DEFINITIES In dit reglement: 2.1 Verstaat men onder "dagrijlicht" een licht dat voorwaarts gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het rijden overdag beter zichtbaar te maken. 2.2 In dit reglement gelden de definities van Reglement nr. 48 en van alle wijzigingen daarvan die ten tijde van het verzoek om typegoedkeuring van kracht zijn. 2.3 Onder "dagrijlichten van verschillende types" verstaat men dagrijlichten die wezenlijk verschillen ten aanzien van: 2.3.1 het fabrieks- of handelsmerk, 2.3.2 de kenmerken van het optische systeem, 2.3.3 het type gloeilamp. 6. ALGEMENE BEPALINGEN 6.1 Elk licht moet voldoen aan de in de volgende punten vermelde bepalingen. 6.2 Dagrijlichten moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks de trillingen waaraan zij in dat geval blootgesteld kunnen zijn, de in dit reglement voorgeschreven kenmerken behouden en goed blijven functioneren. 7. LICHTSTERKTE 7.1 De sterkte van het door iedere lamp uitgestraalde licht op de referentie-as moet ten minste 400 cd bedragen. 7.2 Buiten de referentie-as mag de intensiteit van het door elk van de lampen uitgestraalde licht in elke richting overeenkomende met de punten van de tabel voor de lichtverspreiding in bijlage 3 bij dit reglement niet minder zijn dan het minimum aangegeven onder punt 7.1, vermenigvuldigd met het percentage dat in deze tabel voor de betrokken richting is aangegeven; 7.3 De sterkte van het door iedere lamp uitgestraalde licht in een willekeurige richting mag niet meer dan 800 cd bedragen. 7.4 Indien een lamp meer dan één lichtbron bevat dient de lamp, wanneer één van de lichten uitvalt, te voldoen aan de vereiste minimumlichtsterkte en mogen alle lichtbronnen samen de toegestane maximumlichtsterkte niet overschrijden 8. LICHTDOORLATEND GEDEELTE De oppervlakte van het lichtdoorlatend gedeelte moet ten minste 40 cm² bedragen. 9. LICHTKLEUR De kleur van het licht moet wit zijn. Voor de meting wordt gebruik gemaakt van een lichtbron met een kleurtemperatuur van 2 854 K (hetgeen overeenkomt met lichtbron A van de Internationale Commissie voor Verlichtingskunde, CIE). Voor lichten met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) moeten de colorimetrische eigenschappen evenwel worden gecontroleerd met de lichtbron in het licht overeenkomstig punt 10.2 van dit reglement. De kleur moet binnen de grenzen blijven van de trichromatische coördinaten in bijlage 4 bij dit reglement. 10. UITVOERING VAN DE PROEF 10.1 Alle metingen worden uitgevoerd met een kleurloze standaardgloeilamp van de voor het dagrijlicht voorgeschreven categorie, die zodanig is ingesteld dat hij de referentielichtstroom uitstraalt die voor deze categorie gloeilamp is voorgeschreven. 10.2 Alle metingen van lichten met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) worden uitgevoerd bij respectievelijk 6,75 V, 13,5 V of 28,0 V Voor lichtbronnen met een speciale voeding gelden de genoemde beproevingsspanningen voor de ingangsklemmen van die voeding. Het beproevingslaboratorium kan verlangen dat de fabrikant de speciale voeding voor de lichtbronnen ter beschikking stelt. 11. BEPROEVING VAN DE WARMTEVASTHEID 11.1 Het licht wordt na een opwarmperiode van 20 minuten onderworpen aan een duurtest van één uur. De omgevingstemperatuur moet 23 ± 5 °C bedragen. De gebruikte gloeilamp moet behoren tot de voor het licht voorgeschreven categorie en de voedingsstroom en -spanning worden zodanig ingesteld dat bij de overeenkomstige beproevingsspanning het voorgeschreven gemiddeld vermogen wordt afgegeven. Voor lichten met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) moet de proef evenwel worden uitgevoerd met de lichtbronnen in licht overeenkomstig punt 10.2 van dit reglement. 11.2 Wanneer uitsluitend een maximumvermogen is vermeld, dient voor deze proef de spanning zo te worden geregeld dat het vermogen 90 % van het voorgeschreven vermogen bedraagt. Het hiervoor genoemde gemiddelde of hoogste vermogen dient in ieder geval te worden geselecteerd uit het spanningsbereik van 6, 12 of 24 V waarbij het de hoogste waarde bereikt. Voor lampen met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) moeten de proefomstandigheden van punt 10.2 van dit reglement worden toegepast. 11.3 Nadat het licht op omgevingstemperatuur is gestabiliseerd mag geen vervorming, barst of kleurwijziging merkbaar zijn. Bij twijfel wordt de lichtsterkte overeenkomstig punt 7 hiervoor gemeten. Bij die meting moeten de waarden ten minste 90 % bereiken van de waarden die vóór de warmtebestendigheidsproef bij die inrichting werd gemeten. (1) PB nr. L 171 van 30. 6. 1997, blz. 25. BIJLAGE 3 Fotometrische metingen 1. Bij de fotometrische metingen moeten storende weerkaatsingen worden vermeden door een passende afscherming; 2. In geval van twijfel over de resultaten van de metingen, moeten deze als volgt worden uitgevoerd; 2.1 de meetafstand moet zodanig zijn dat de wet van het omgekeerde van het kwadraat van de afstand van toepassing is; 2.2 de meetapparatuur moet zodanig zijn dat de openingshoek van de lichtgevoelige apparatuur, gezien vanuit het referentiepunt van het licht, tussen 10' en 1° ligt; 2.3 Aan de eis betreffende de lichtsterkte voor een bepaalde waarnemingsrichting wordt voldaan wanneer de vereiste lichtsterkte wordt bereikt in een richting die niet meer dan een kwartgraad van de waarnemingsrichting afwijkt. 3. Tabel van de standaard-lichtverspreiding >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> 3.1 De richting H = 0° en V = 0° komt overeen met de referentie-as (op het voertuig loopt deze horizontaal, evenwijdig met het middenlangsvlak van het voertuig, in de richting van het voorgeschreven gezichtsveld). Zij loopt door het referentiepunt. De in de tabel aangegeven waarden geven voor de verschillende meetrichtingen de minimumlichtsterkten in procenten van het vereiste minimum voor elk licht in de as (in de richting H = 0° en V = 0°). 3.2 Binnen het als een raster voorgestelde lichtverspreidingsveld van punt 3, moet het lichtpatroon nagenoeg uniform zijn, d.w.z. dat de lichtsterkte in alle richtingen van het door de rasterlijnen gevormde deel van het veld ten minste de minimumwaarde moet bereiken die op de rasterlijnen rond de desbetreffende richting in procenten is aangegeven. BIJLAGE 4 Lichtkleur TRICHROMATISCHE COÖRDINATEN >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> Technische voorschriften van Reglement nr. 91 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties als bedoeld in artikel 3 en in bijlage IV, punt 2 van Richtlijn 97/30/EG van de Commissie (1) houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 76/758/EEG van de Raad betreffende markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan 2. DEFINITIES 2.1 In dit reglement gelden de definities van Reglement nr. 48 en van alle wijzigingen daarvan die ten tijde van het verzoek om typegoedkeuring van kracht zijn. 2.2 Onder "zijmarkeringslicht" verstaat men een licht dat, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt; 2.3 Onder "type" met betrekking tot zijmarkeringslichten verstaat men zijmarkeringslichten die niet wezenlijk verschillen ten aanzien van: 2.3.1 het fabrieks- of handelsmerk, 2.3.2 de kenmerken van het optisch systeem (lichtsterkte, lichtverspreidingshoek, type gloeilamp, enz...) 6. ALGEMENE BEPALINGEN 6.1 Alle voor de typegoedkeuring aangeboden zijmarkeringslichten dienen te voldoen aan de voorschriften van de punten 7 en 8 van dit reglement. 6.2 Zijmarkeringslichten moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks de trillingen waaraan zij in dat geval blootgesteld kunnen zijn, de in dit reglement voorgeschreven kenmerken behouden en goed blijven functioneren. 7. STERKTE VAN HET UITGESTRAALDE LICHT 7.1 Het door elk van de twee monsters uitgestraalde licht moet de volgende intensiteit hebben: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 7.1.4 Indien een licht meer dan één lichtbron bevat: dient het licht te voldoen aan de eisen inzake minimumlichtsterkte indien een van de lichtbronnen uitvalt; mag de voorgeschreven maximumlichtsterkte niet worden overschreden wanneer alle lichtbronnen branden. 7.2 Buiten de referentie-as en binnen de hoekvelden die zijn omschreven in de schema's van bijlage 1 bij dit reglement, mag de intensiteit van het door elk van de twee aangeboden zijmarkeringslichten uitgestraalde licht: 7.2.1 in elke richting overeenkomstig de punten van de tabel voor de lichtverspreiding in bijlage 4 bij dit reglement niet minder zijn dan het minimum aangegeven onder punt 7.1, vermenigvuldigd met het percentage dat in deze tabel voor de betrokken richting is aangegeven; 7.2.2 in geen enkele richting binnen het gebied waar het zijmarkeringslicht kan worden waargenomen meer bedragen dan het onder punt 7.1 aangegeven maximum; 7.2.3 moeten de voorschriften van punt 2.2 van bijlage 4 bij dit reglement inzake plaatselijke variaties van de lichtsterkte in acht worden genomen. 7.3 In bijlage 4, waarnaar punt 7.2.1 verwijst, staan nadere gegevens over de toe te passen meetmethoden. 8. KLEUR VAN HET UITGESTRAALDE LICHT 8.1 Het zijmarkeringslicht moet ambergeel licht uitstralen; als het achterste zijmarkeringslicht echter is gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd met het achterlicht, het markeringslicht, het mistachterlicht, het stoplicht of gegroepeerd is met of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte gemeenschappelijk heeft met de achterretroflector, mag het rood zijn 8.2 De kleur van het uitgestraalde licht moet binnen de grenzen blijven van de trichromatische coördinaten die voor de desbetreffende kleur zijn voorgeschreven in bijlage 5 bij dit reglement. 9. UITVOERING VAN DE PROEF 9.1 De metingen worden uitgevoerd met een kleurloze standaardlamp van het voor het zijmarkeringslicht voorgeschreven type, die zodanig is ingesteld dat hij, met inachtneming van de bepalingen van punt 9.2 hierna, de normale lichtstroom uitstraalt die voor dit type gloeilamp is voorgeschreven. 9.2 Alle metingen van lichten met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) worden uitgevoerd bij respectievelijk 6,75 V, 13,5 V of 28,0 V Voor lichtbronnen met een speciale voeding gelden de genoemde beproevingsspanningen voor de ingangsklemmen van die voeding. Het beproevingslaboratorium kan verlangen dat de fabrikant de speciale voeding voor de lichtbronnen ter beschikking stelt. (1) PB nr. L 171 van 30. 6. 1997, blz. 25. BIJLAGE 1 Minimumhoeken van de ruimtelijke lichtverspreiding Verticale minimumhoeken, SM1 en SM2: >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> Horizontale minimumhoeken, SM1: >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> Horizontale minimumhoeken, SM2: >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> BIJLAGE 4 Fotometrische metingen 1. MEETMETHODEN 1.1 Bij de fotometrische meting moeten storende weerkaatsingen worden vermeden door een passende afscherming; 1.2 In geval van twijfel over de resultaten van de metingen, moeten deze als volgt worden uitgevoerd; 1.2.1 De meetafstand moet zodanig zijn dat de wet van het omgekeerde van het kwadraat van de afstand van toepassing is; 1.2.2 De meetapparatuur moet zodanig zijn dat de hoekopening van de lichtgevoelige apparatuur, gezien vanuit het referentiepunt van het licht, tussen 10' en 1° ligt; 1.2.3 Aan de eis betreffende de lichtsterkte voor een bepaalde waarnemingsrichting wordt voldaan wanneer deze wordt bereikt in een richting die niet meer dan een kwartgraad van de waarnemingsrichting afwijkt. 1.3 De richting H = 0° en V = 0° komt overeen met de referentie-as (op het voertuig loopt deze horizontaal, loodrecht op het middenlangsvlak van het voertuig, in de richting van het voorgeschreven gezichtsveld). Zij loopt door het referentiepunt. 2. TABEL VAN DE LICHTVERSPREIDING 2.1 Zijmarkeringslichten van categorie SM1 >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> 2.1.1 Minimumwaarden: 0,6 cd op een willekeurig punt buiten de referentieas; op die as dient het 4,0 cd te zijn. 2.1.2 Maximumwaarden: 25,0 cd op elk punt 2.2 Zijmarkeringslichten van categorie SM2 >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> 2.2.1 Minimumwaarden: 0,6 cd op elk punt 2.2.2 Maximumwaarden: 25,0 cd op elk punt 2.3 Voor zijmarkeringslichten van categorie SM1 en SM2 kan het volstaan slechts vijf door de beproevingsinstantie geselecteerde punten te verifiëren. 2.4 Binnen het hiervoor als een raster voorgestelde lichtverspreidingsveld moet het lichtpatroon in wezen gelijk zijn, d.w.z. dat de lichtsterkte binnen een door de rasterlijnen gevormde deel van het veld in alle richtingen ten minste de voor de respectieve rasterlijnen toepasselijke minimumwaarde moet bereiken. 3. FOTOMETRISCHE METING VAN LICHTEN MET VERSCHILLENDE LICHTBRONNEN De fotometrische prestaties worden gecontroleerd: 3.1 Voor niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere): met de lichtbron in de lamp overeenkomstig punt 9.2 van dit reglement. 3.2 Voor vervangbare gloeilampen: die zijn uitgerust met seriematig vervaardigde gloeilampen van 6,75 V, 13,5 V of 28,0 V, dient de waarde van de voortgebrachte lichtsterkte te liggen tussen de maximum- en de minimumgrens van dit reglement, vermeerderd met de toegestane afwijking van de lichtstroom voor het gekozen type gloeilamp als bedoeld in Reglement nr. 37 betreffende seriematig vervaardigde gloeilampen; anderzijds mag ook beurtelings in iedere fitting een seriematig vervaardigde gloeilamp worden gebruikt die met de referentielichtstroom brandt waarna de afzonderlijke metingen voor iedere fitting worden samengeteld. BIJLAGE 5 Kleur van het uitgestraalde licht: trichromatische coördinaten >RUIMTE VOOR DE TABEL> Voor de controle van deze colorimetrische eigenschappen, wordt gebruik gemaakt van een lichtbron met een kleurtemperatuur van 2 854 K hetgeen overeenkomt met lichtbron A van de Internationale Commissie voor Verlichtingskunde (CIE). Voor lichten met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) moeten de colorimetrische eigenschappen echter worden gecontroleerd met de lichtbron in het licht overeenkomstig punt 9.2 van dit reglement