31997D0450

97/450/EG: Beschikking van de Commissie van 4 december 1996 betreffende staatssteun aan Bestwood E.F. Kynder GmbH i. GV (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 194 van 23/07/1997 blz. 0032 - 0037


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 4 december 1996 betreffende staatssteun aan Bestwood E.F. Kynder GmbH i. GV (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst) (97/450/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 93, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzonderheid op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig artikel 93 van het EG-Verdrag in de gelegenheid te hebben gesteld hun opmerkingen kenbaar te maken,

Overwegende hetgeen volgt:

I

Op 2 december 1995 besloot de Commissie de procedure volgens artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden met betrekking tot staatssteun aan de onderneming Bestwood E.F. Kynder GmbH, hierna "Bestwood" genoemd, thans Bestwood GmbH i. GV in Mecklenburg-Voorpommeren, met ongeveer 500 werknemers één van de grootste producenten van spaanplaat- en houtvezelplaatproducten in Duistland, die zich vervolgens uit de markt heeft teruggetrokken en als Bestwood GmbH i GV faillissement heeft aangevraagd.

Bestwood was een staatsbedrijf en ontving bij privatisering door de Treuhandanstalt in 1991 steun bestaande uit 77 miljoen DM aan garanties en 52 miljoen DM aan kasmiddelen. Deze steun viel grotendeels onder de steunregelingen die door de Commissie overeenkomstig de toenmalige Treuhandregeling waren goedgekeurd. Daarnaast ontving Bestwood een langlopende lening van 5 miljoen DM tegen een rente van 4 % op jaarbasis, die deel uitmaakte van het consolideringsprogramma van de deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren, dat in 1994 door de Commissie was goedgekeurd. De Commissie had aan haar goedkeuring de voorwaarde verbonden dat steun aan ondernemingen bij overschrijding van het steunplafond voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO), steeds afzonderlijk moest worden aangemeld. De lening werd echter niet bij de Commissie aangemeld, hoewel Bestwood hoegenaamd niet beantwoordde aan de in Aanbeveling 96/280/EG van de Commissie (1) opgenomen KMO-definitie.

De privatisering van 1991 was evenwel geen succes en ging met tal van onregelmatigheden gepaard. De koper werd ervan verdacht de ontvangen steunbedragen te hebben misbruikt en daarom stelde het openbaar ministerie een onderzoek in. Aangezien de voormalige eigenaar naar Zwitserland was vertrokken, ontvingen de autoriteiten van de bevoegde rechtelijke instantie machtiging tot beslag op diens gehele vermogen in Duitsland teneinde hun vorderingen tot schadevergoeding veilig te stellen.

De onregelmatigheden bij de privatisering brachten de onderneming, die met verouderde installaties ondoelmatig produceerde, steeds weer in economische moeilijkheden. In december 1994 werden de aandelen van Bestwood tegen 2 DM overgedragen aan een vennootschap van NordLB, een bank die voor 100 % staatseigendom is. Hiermee werd beoogd zo snel mogelijk een nieuwe koper voor Bestwood te vinden en een herstructureringsplan ten uitvoer te leggen dat de levensvatbaarheid en de toekomstige rentabiliteit van de onderneming zou verzekeren.

In het kader van deze overname kreeg Bestwood een risicovrijstelling in de vorm van een borgstelling verleend door de deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren voor een lening van de NordLB van 25 miljoen DM. Deze borgstelling werd evenmin bij de Commissie aangemeld.

Duitsland liet in verband hiermee weten, dat werd getracht Bestwood een tweede maal te privatiseren en dat daartoe 100 miljoen DM extra steun nodig zou kunnen zijn.

De Commissie kwam tot de bevinding dat zowel bij de langlopende lening van 5 miljoen DM als bij de borgstelling van 25 miljoen DM sprake was van steunmaatregelen die overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag hadden moeten worden aangemeld. Bovendien twijfelde zij er ernstig aan of de uitzonderingen van artikel 92, lid 3, onder a), respectievelijk onder c), van het EG-Verdrag, hier konden worden toegepast, vooral gezien de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (2). Daarom besloot zij de procedure op grond van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden. Voor een snelle afwikkeling van de procedure en om alle steunmaatregelen ten gunste van Bestwood in één keer te kunnen onderzoeken, nam de Commissie ook de in verband met de tweede privatisering voorgenomen steun in deze procedure op.

De brief aan Duitsland werd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (3) bekendgemaakt.

II

Bij brief van 29 januari 1996 deelde Duitsland mee dat de rente voor de lening van 5 miljoen DM met terugwerkende kracht tot het tijdstip van de toekenning van het krediet tot 6,62 % was verhoogd.

Bij brief van 1 februari 1996 deelde Duitsland de Commissie mede dat Bestwood 18 miljoen DM zou ontvangen om in afwachting van de definitieve beschikking van de Commissie de activiteiten voort te zetten. De aanmelding van deze steun zou volgen.

Voorts deelde Duitsland mee, dat Bestwood op 4 december 1995 faillissement had aangevraagd. Ondertussen zou er een kandidaat zijn gevonden waaraan Bestwood in het kader van een tweede privatisering zou kunnen worden verkocht. Bovendien legden de Duitse autoriteiten een door de koper uitgewerkt privatiseringsplan voor. Om Bestwood vrij van schulden aan de koper te kunnen overdragen, zou de deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren echter 26 miljoen DM moeten betalen aan banken en kleinere schuldeisers, wier kredieten door grondstukken, gebouwen en installaties van Bestwood waren gedekt. Ten slotte werd de koper steun in de vorm van rechtstreekse subsidies en borgstellingen beloofd, die het voor de nieuwe deelstaten toegelaten steunplafond van 35 % ruim overschreed. Zo bestond de voorgenomen steun uit een liquiditeitssteun aan de koper van 30 miljoen DM, hetgeen overeenkomt met het in het kader van de "Gemeinschaftsaufgabe" toegelaten plafond voor investeringssteun van 35 %, en een garantie ten belope van 80 % van het nieuwe investeringsbedrag voor Bestwood.

Bij brief van 16 februari 1996 werd Duitsland meegedeeld dat, zolang de procedure van artikel 93, lid 2, loopt, reddingssteun slechts kan worden toegestaan wanneer is voldaan aan alle voorwaarden van de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden. Bovendien kreeg Duitsland het verzoek mee te delen, of de aangekondigde reddingssteun een onderdeel was van de garantie van 25 miljoen DM waarop de ingeleide procedure betrekking had, of dat het om een nieuwe steunmaatregel ging. Verder verzocht de Commissie om nadere uitleg over de in de deelstaten toegepaste faillissementsprocedure, daar vorderingen van de schuldeisers, voorzover haar bekend, moesten worden voldaan uit de verkoop van het vermogen van de gefailleerde onderneming en niet door de staat. Ten slotte werd Duitsland meegedeeld, dat zelfs bij een eventuele gunstige beschikking van de Commissie ten aanzien van de aan Bestwood verleende steun, de voor de tweede privatisering voorgenomen steunmaatregelen in deze omvang bezwaarlijk konden worden toegestaan.

Bij brief van 20 maart 1996 deelde Duitsland de Commissie mee, dat de voorgenomen reddingssteun van 18 miljoen DM een nieuwe steunmaatregel was, die los stond van de garantie van 25 miljoen DM waarvoor de procedure was ingeleid.

De betaling van 26 miljoen DM aan de schuldeisers van Bestwood, waarmee het vermogen van de failliete onderneming van schulden kon worden bevrijd, was volgens de Duitse autoriteiten nodig voor de tweede privatisering die was verlopen via een inschrijvingsprocedure waarop drie ondernemingen hadden gereageerd en die één koper moest opleveren. De uiteindelijk in aanmerking genomen koper wenste echter niet meer te betalen dan een symbolisch bedrag van 1 DM en dit alleen op voorwaarde dat het vermogen van de onderneming van schulden bevrijd zou zijn.

In dezelfde brief deelde Duitsland mee dat het Amtsgericht Stralsund op 1 maart 1996 had besloten een faillissementsprocedure te openen en dat tot die datum geen extra steun aan Bestwood was uitbetaald. De reddingssteun van 18 miljoen DM was evenwel nodig om de bewindvoerder in staat te stellen de exploitatie van de onderneming in afwachting van de definitieve overname voort te zetten. Er waren geen betalingen verricht voor de risicovrijstelling bij de lening van 25 miljoen DM van NordLB. De bank had evenwel garanties en leningen ten bedrage van rond 25 miljoen DM aan Bestwood verstrekt. Waarschijnlijk zou dus de deelstaat worden aangesproken, wanneer de verkoop van het vermogen van Bestwood niet voldoende zou opleveren om NordLB terug te betalen.

Bij brief van 4 juli 1996 stelde Duitsland de Commissie ervan in kennis, dat de bewindvoerder op 11 juni 1996 had meegedeeld dat het geld op was, waarna de aandeelhoudersvergadering ermee had ingestemd per 12 juni 1996 de activiteiten van Bestwood stop te zetten. Volgens dit besluit zou Bestwood zich uit de markt terugtrekken. De bewindvoerder begon vervolgens het personeel van Bestwood te ontslaan. Op 30 juli 1996 zou deze operatie voltooid zijn en zou Bestwood ophouden te bestaan. De Duitse autoriteiten bevestigden dat de extra steunmaatregelen die zij in hun brief van 1 februari 1996 aangekondigd en in die van 20 maart 1996 nog eens toegelicht hadden, berustten op een herstructureringsplan dat inmiddels door de deelstaat verworpen was. De Commissie moest deze aanmelding dus als nietig beschouwen omdat de steun nooit was uitgekeerd. Voorts werd benadrukt dat de faillissementsprocedure volgens het Duitse faillissementsrecht was verlopen, zonder ingrijpen van de staat en vooral zonder toekenning van extra steun. Een eventuele overname zou bestaan uit de verkoop van het vermogen van Bestwood, waarbij de koper volstrekte beslissingsvrijheid zou genieten: tussen Bestwood en de nieuwe onderneming zou geen enkele band meer bestaan. Indien in het kader van de overname nieuwe steunmaatregelen zouden worden getroffen, zou de Commissie deze in de nieuwe context moeten onderzoeken.

III

Bij brief van 30 juli 1996 bracht de Commissie de Duitse autoriteiten op de hoogte van de opmerkingen die zij naar aanleiding van de bekendmaking van de inleiding van de procedure van een Italiaanse en een Zweedse vereniging van multiplexplaatproducenten alsmede van een Deense concurrent had ontvangen.

Die opmerkingen behelsden bezwaren tegen de eventuele gevolgen van een met staatssteun gefinancierde herstructurering voor de capaciteit van Bestwood, omdat Bestwood naar de mening van de genoemde producenten de rentabiliteit hoegenaamd niet zou kunnen herstellen zonder een aanzienlijke uitbreiding van de capaciteit en de productie, hetgeen de concurrentie in een door overcapaciteit gekenmerkte markt in ernstige mate zou verstoren en de concurrenten die geen staatssteun genieten, zou benadelen. De Deense concurrent betwijfelde zelfs of Bestwood zich na een herstructurering op de markt zou kunnen handhaven. Hij wees erop dat de houtvoorraden in Mecklenburg-Voorpommeren niet toereikend zouden zijn om Bestwood te bevoorraden, hetgeen zou betekenen dat de onderneming in andere delen van Duitsland, in Polen en in de Baltische staten hout zou moeten aankopen. Hierdoor zouden de transportkosten hoger zijn dan die van concurrenten in gebieden met grote hourvoorraden. Bovendien zou Bestwood geen afzetmarkt in de omgeving hebben, omdat Mecklenburg-Voorpommeren geen meubelindustrie heeft. De producten zouden dus in ander delen van Duitsland, in Denemarken en in Zweden moeten worden afgezet, waardoor de transportkosten opnieuw zouden worden opgevoerd.

IV

Bij brief van 20 augustus 1996 deelden de Duitse autoriteiten hun antwoord mee op de opmerkingen van belanghebbenden.

Zij bevestigden dat Bestwood op 12 juli 1996 de werkzaamheden had gestaakt en zich uit de markt had teruggetrokken. Behalve de steun waarvoor de Commissie de procedure volgens artikel 93, lid 2, had ingeleid, zou Bestwood geen verdere steun hebben ontvangen. Ook zouden in het kader van de tweede privatisering geen extra steunbedragen zijn toegekend, hoewel hiertoe op het tijdstip waarop de procedure werd ingeleid, wel voornemens bestonden.

V

De uitslag van de procedure volgens artikel 93, lid 2, heeft de opvatting van de Commissie bevestigd dat de door de deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren vóór de opening van de procedure getroffen maatregelen moeten worden aangemerkt als steunmaatregelen in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag, die niet voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling op grond van artikel 92, lid 3, van het EG-Verdrag en niet in overeenstemming zijn met de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, de enige kaderregeling op grond waarvan de steun eventueel had kunnen worden goedgekeurd.

De langlopende lening van 5 miljoen DM moet beschouwd worden als steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag respectievelijk artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst. Het feit dat de rente over deze lening met terugwerkende kracht is opgetrokken tot 6,62 %, dat wil zeggen tot het gebruikelijke niveau voor kredieten aan de particuliere sector, neemt niet weg dat geen enkele particuliere kredietinstelling Bestwood, gezien de enorme financiële moeilijkheden waarin de onderneming verkeerde, zonder bijkomende zekerheden een lening zou hebben toegestaan zoals de deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren heeft gedaan.

De aan Bestwood toegekende steun is van dien aard dat deze de concurrentie kan vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten nadelig kan beïnvloeden. Tussen Duitsland en de overige lidstaten bestaat een omvangrijke handel in vezel- en spaanplaatproducten: in 1995 werden 622 083 ton spaanplaatproducten ter waarde van 264,5 miljoen ecu en 167 647 ton vezelplaatproducten ter waarde van 92,3 miljoen ecu uit Duitsland naar andere lidstaten uitgevoerd, terwijl 757 214 ton spaanplaatproducten ter waarde van 280 miljoen ecu en 158 343 ton vezelplaatproducten ter waarde van 88,2 miljoen ecu werden ingevoerd. Het aandeel van Duitsland in de intracommunautaire handel in deze producten bedraagt rond 25 % voor spaanplaatproducten en 3 % voor vezelplaatproducten. Met 500 werknemers behoorde Bestwood tot de grote producenten in deze sector, waarin de gemiddelde bedrijfsgrootte op Gemeenschapsniveau 40 werknemers per onderneming bedraagt. Bestwood was nauw bij de intracommunautaire handel betrokken: ongeveer 35 % van de productie ging naar Denemarken en Zweden. Dit betekent dat elke steunmaatregel de positie van Bestwood op de interne markt ten opzichte van niet-gesteunde "concurrenten" kon verbeteren.

Aangezien het hier ging om steunmaatregelen in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag respectievelijk artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst hadden zij overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag moeten worden aangemeld. De steun kwam niet in aanmerking voor een vrijstelling van deze verplichting op grond van het goedgekeurde consolideringsprogramma van de deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren, omdat Bestwood met 500 werknemers ten tijde van de toekenning van de steun ruim boven het palfond voor KMO's lag. Duitsland is zijn verplichtingen niet nagekomen, hetgeen betekent dat de steun onrechtmatig is toegekend.

De steun kan evenmin als rechtmatig worden aangemerkt op grond van de uitzonderingsbepalingen van artikel 92 van het EG-Verdrag.

Deze uitzonderingen zijn hier niet van toepassing aangezien het doel van de steun met geen van de daarin opgesomde doelstellingen overeenstemt.

Het is duidelijk dat Bestwood gevestigd was in een streek met een ernstig gebrek aan werkgelegenheid en een uitzonderlijk lage levensstandaard. Steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van dergelijke streken kunnen op grond van artikel 92, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, maar in dit geval vormde de steun geen bijdrage tot de bevordering van de economische ontwikkeling van de betrokken regio. De steun werd enkel gebruikt voor de voortzetting van de activiteiten van een verlieslijdende onderneming en niet voor investeringen of het scheppen van banen.

De steun voldoet evenmin aan de voorwaarden van de toepasselijke horizontale communautaire richtsnoeren voor steun aan ondernemingen.

Dit geldt inzonderheid voor de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden. Bestwood was ongetwijfeld een onderneming in moeilijkheden die niet in staat was zich daar op eigen kracht uit te werken. Luidens de kaderregelingen mag reddingssteun bestaan in kassteun in de vorm van een kredietgarantie of af te lossen kredieten tegen een rente gelijk aan de marktrente. De lening van 5 miljoen DM, waarvan de rentevoet met terugwerkende kracht werd opgetrokken tot 6,62 %, dat wil zeggen tot de ten tijde van de toekenning van de steun in Duitsland geldende rentevoet, voldoet bijgevolg aan dit criterium van de kaderregeling. Maar de Duitse autoriteiten konden niet aantonen dat de lening verband hield met concrete herstructureringsmaatregelen, hetgeen volgens de kaderregeling een voorwaarde is voor de goedkeuring van reddingssteun. In de loop van de procedure werd duidelijk dat de steun enkel tot doel had de status quo te handhaven en het onvermijdelijke uit te stellen, terwijl tegelijkertijd de industriële en sociale problemen werden afgewenteld op beter presterende ondernemingen en op andere lidstaten en de steun niet ten goede kwam aan de herstructurering die met de toekenning van de reddingssteun had moeten beginnen.

Bovendien was de steun van dien aard dat de concurrentie hierdoor ernstig kon worden vervalst. Voor spaan- en vezelplaatproducten is er niet alleen sprake van een grote overcapaciteit, maar bestond er ook in het verleden al een brede kloof tussen de productiecapaciteit en de vraag. In de toekomst dreigt deze nog groter te worden, aangezien tot 1997 een jaarlijkse productiegroei van 2,2 % wordt verwacht, terwijl het verbruik slechts met 1,8 % op jaarbasis zal toenemen. De druk die in deze sector op de concurrentie weegt, kan echter niet door een toename van de uitvoer worden opgeheven. De uitvoer uit de Gemeenschap was in het verleden stabiel en voor de toekomst worden geen wijzigingen verwacht. Naast de reeds bestaande overcapaciteit in de Gemeenschap zal er rekening mee moeten worden gehouden dat de concurrentie in de toekomst nog zal toenemen, wanneer de Oost-Europese landen hun handelsovereenkomsten met de Gemeenschap gaan benutten om hun uitvoer op te voeren. Onder deze omstandigheden kan de lening aan Bestwood concurrenten ernstig benadelen.

De risicovrijstelling voor de lening van NordLB van 25 miljoen DM, in wezen een garantie met als uiteindelijke begunstigde Bestwood, moet worden aangemerkt als steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag respectievelijk artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst.

Het steunelement van een dergelijke garantie komt doorgaans overeen met het verschil tussen de rente in normale marktomstandigheden en de dankzij de garantie na aftrek van de premies daadwerkelijk bereikte rente. Daarenboven is het de vaste opvatting van de Commissie om, wanneer gezien de moeilijke financiële situatie van een onderneming geen enkele kredietinstelling meer zonder staatsgarantie een lening zou toestaan, het totale bedrag van de lening als steun aan te merken (zie Beschikking 94/696/EEG van de Commissie (4)).

Aangezien de risicovrijstelling een voorwaarde was voor het financiële engagement van NordLB ten aanzien van Bestwood (zij sprong immers voor 25 miljoen DM aan verbintenissen in), sluit zij duidelijk een steunelement in dat wegens het zeer hoge garantierisico in volle omvang met het financiële engagement van NordLB overeenkomt.

De risicovrijstelling is om dezelfde redenen als de lening van 5 miljoen DM van dien aard dat zij de concurrentie kan vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten nadelig kan beïnvloeden.

Omdat de risicovrijstelling niet op een goedgekeurd steunprogramma was gebaseerd, diende zij ingevolge artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag afzonderlijk te worden aangemeld. Duitsland is deze verplichting niet nagekomen, waardoor de steun formeel onrechtmatig is.

De Commissie had deze garantie echter kunnen goedkeuren, indien zij gebruikt was om de insolventie van Bestwood tijdens de procedure van artikel 93, lid 2, af te wenden. Er zijn precedenten waarin de Commissie dergelijke gevallen van reddingssteun heeft goedgekeurd, zoals de zaak Nino Textil waar het gevaar bestond dat de onderneming in de loop van de procedure van artikel 93, lid 2, economisch niet zou overleven en zonder staatssteun faillissement had moeten aanvragen alvorens de definitieve steunbeschikking zou zijn gegeven.

Wel zou aan de goedkeuring van de risicovrijstelling de voorwaarde zijn verbonden dat zij in overeenstemming was met de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden. Dit betekent dat de risicovrijstelling

- de vorm van een garantie of van een af te lossen krediet tegen een rente gelijk aan de marktrente had moeten hebben,

- qua bedrag beperkt had moeten zijn tot het strikt noodzakelijke voor de voortzetting van de exploitatie van Bestwood (bijvoorbeeld dekking van de loonkosten, lopende leveringen) en

- alleen had mogen worden uitgekeerd voor de periode (over het algemeen niet langer dan zes maanden) die voor de vaststelling van realistische saneringsmaatregelen nodig was.

Bovendien had de reddingssteun niet in één keer mogen worden uitgekeerd, maar hadden gespreid over zes maanden verschillende betalingen moeten gebeuren. De Commissie had van deze betalingen op de hoogte moeten worden gebracht om zich ervan te kunnen vergewissen dat zij uitsluitend voor de dekking van de lopende kosten werden gebruikt.

De Duitse regering heeft in de loop van de procedure niet kunnen aantonen dat de door haar verleende risicovrijstelling aan bovengenoemde voorwaarden voldeed. Bijgevolg kan de risicovrijstelling niet worden goedgekeurd, omdat zij niet aan de criteria voldoet.

Ook de door de deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren in het kader van een tweede privatisering voorgenomen schuldencompensatie van rond 100 miljoen DM, die een eventuele koper van alle financiële verbintenissen zou ontslaan, had als steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag moeten worden aangemerkt.

In de loop van de procedure werd evenwel duidelijk dat de Duitse autoriteiten waren afgestapt van hun oorspronkelijke plan om de exploitatie van Bestwood voort te zeten totdat een koper was gevonden en de tweede privatisering kon worden afgerond. Bestwood heeft zich na de faillissementsprocedure uit de markt teruggetrokken. De vennootschap wordt overeenkomstig het Duitse faillissementsrecht vereffend en de werknemers worden ontslagen. Een eventuele koper van het vermogen van Bestwood mag naar eigen goeddunken personeel aanwerven en de productie voortzetten. In de loop van de faillissementsprocedure is naast de lening van 5 miljoen DM en de risicovrijstelling van 25 miljoen DM, waarvoor de Commissie de procedure heeft ingeleid, geen aanvullende steun toegekend.

Gelet op het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat zowel de lening van de deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren ten bedrage van 5 miljoen DM als de risicovrijstelling van 25 miljoen DM moeten worden aangemerkt als steunmaatregelen die niet onder de uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, van het EG-Verdrag vallen.

VI

Wanneer steunmaatregelen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden bevonden, verlangt de Commissie dat de lidstaat de steun van de begunstigde terugvordert (5). De steunmaatregelen ten voordele van Bestwood zijn niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en moeten bijgevolg worden ingetrokken. Het feit dat Bestwood faillissement heeft aangevraagd en zich uit de markt heeft teruggetrokken, doet hieraan niets af. De invordering van de steun is niet onmogelijk, aangezien de activa van Bestwood worden verkocht en de vorderingen van de schuldeisers uit de opbrengst zullen worden voldaan.

De terugvordering van de steun moet naar Duits recht geschieden en met inachtneming van de bepalingen betreffende de moratoire intrest op schuldvorderingen van de staat die begint te lopen op het tijdstip van de toekenning van de steun (6).

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moeten bij terugvordering van steun de terzake toepasselijke voorschriften aldus worden toegepast, dat de volgens het Gemeenschapsrecht noodzakelijke invordering niet praktisch onmogelijk wordt gemaakt. Procedurele of andere moeilijkheden bij de uitvoering van deze maatregelen hebben geen invloed op de rechtmatigheid ervan (7),

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De overheidssteun in de vorm van een langlopende lening van 5 miljoen DM en een "risicovrijstelling" (garantie) van 25 miljoen DM ten gunste van Bestwood E.F. Kynder GmbH is onrechtmatig, omdat deze steun door de deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren is toegekend zonder dat Duitsland de verplichting is nagekomen volgens welke deze steun overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag vóór uitkering bij de Commissie moet worden aangemeld.

De steunmaatregelen zijn volgens artikel 92 van het EG-Verdrag onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

Duitsland draagt er zorg voor dat de in artikel 1 genoemde steun ten gunste van Bestwood E.F. Kynder GmbH binnen twee maanden na bekendmaking van deze beschikking wordt teruggevorderd.

De terugvordering geschiedt volgens de procedures en de bepalingen van het Duitse recht, in het bijzonder volgens die betreffende de inning van staatsvorderingen. Intrest wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de steun werd uitgekeerd op basis van de op dat tijdstip voor de berekening van het nettosubsidie-equivalent van regionale steun in de Bondsrepubliek Duitsland geldende rentevoet.

Deze bepalingen moeten op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat de volgens het Gemeenschapsrecht noodzakelijke terugvordering niet praktisch onmogelijk wordt gemaakt. Procedurele of andere moeilijkheden bij de uitvoering van deze maatregel hebben geen invloed op de rechtmatigheid ervan.

Artikel 3

Duitsland deelt de Commissie binnen twee maanden na de bekendmaking van deze beschikking mee welke maatregelen getroffen zijn om aan de beschikking te voldoen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 4 december 1996.

Voor de Commissie

Karel VAN MIERT

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 107 van 30. 4. 1996, blz. 4.

(2) PB nr. C 368 van 23. 12. 1994, blz. 12.

(3) PB nr. C 144 van 16. 5. 1996, blz. 6.

(4) PB nr. L 273 van 25. 10. 1994, blz. 22.

(5) Mededeling van de Commissie in PB nr. C 318 van 24. 11. 1993, blz. 3. Zie ook de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 juli 1973 in zaak 70/72 (Commissie tegen Duitsland), Jurisprudentie 1973, blz. 813, en van 24 februari 1987 in zaak 310/85 (Deufil tegen Commissie) Jurisprudentie 1987, blz. 901.

(6) Brief SG(91) D/4577 van 4 maart 1991 van de Commissie aan de lidstaten - zie ook de volgende voetnoot.

(7) Arrest van het Hof van Justitie van 21 maart 1989 in zaak C-142/87 (België tegen Commissie), Jurisprudentie 1990, blz. I-959 (rechtsoverwegingen 58-63).