31996L0010

Richtlijn 96/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 maart 1996 tot wijziging van Richtlijn 89/647/EEG met betrekking tot de erkenning van contractuele verrekening door de bevoegde autoriteiten

Publicatieblad Nr. L 085 van 03/04/1996 blz. 0017 - 0021


RICHTLIJN 96/10/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 21 maart 1996 tot wijziging van Richtlijn 89/647/EEG met betrekking tot de erkenning van contractuele verrekening door de bevoegde autoriteiten

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Europees Monetair Instituut (3),

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (4),

Overwegende dat in bijlage II van Richtlijn 89/647/EEG van de Raad van 18 december 1989 betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen (5) is bepaald op welke wijze op rente en wisselkoersen betrekking hebbende posten buiten de balanstelling bij de berekening van het vereiste eigen vermogen voor kredietinstellingen moeten worden behandeld;

Overwegende dat de Lid-Staten teneinde een soepel functioneren van de interne markt en inzonderheid gelijke mededingingsvoorwaarden te garanderen, verplicht zijn ernaar te streven dat hun bevoegde autoriteiten overeenkomsten inzake contractuele verrekening uniform beoordelen;

Overwegende dat deze richtlijn in overeenstemming is met de werkzaamheden van een internationaal forum van banktoezichthouders op het gebied van de erkenning van bilaterale verrekening door toezichthouders, meer bepaald de mogelijkheid om het vereiste eigen vermogen voor bepaalde transacties op basis van een netto- en niet van een brutobedrag te berekenen, op voorwaarde dat er rechtens bindende overeenkomsten bestaan krachtens welke het kredietrisico tot het nettobedrag wordt beperkt;

Overwegende dat de regels voor de erkenning van verrekening door toezichthouders welke in breder internationaal verband worden overwogen, voor internationaal opererende kredietinstellingen en groepen kredietinstellingen in een groot aantal derde landen van waaruit kredietinstellingen met de kredietinstellingen van de Gemeenschap concurreren, de mogelijkheid tot verlaging van de eigen-vermogensvereisten zullen scheppen;

Overwegende dat voor kredietinstellingen die hun statutaire zetel in de Lid-Staten hebben, alleen een wijziging van Richtlijn 89/647/EEG een soortgelijke mogelijkheid tot erkenning van bilaterale verrekening door de bevoegde autoriteiten kan scheppen, waardoor zij onder dezelfde voorwaarden kunnen concurreren; dat de desbetreffende regels evenwichtig zijn en geschikt om de toepassing van maatregelen van bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen nog krachtiger te maken;

Overwegende dat de bevoegde autoriteiten in de Lid-Staten zich ervan dienen te vergewissen dat de berekening van de opslagen ("add-ons") niet op de in de boeken vermelde, maar op de effectieve theoretische bedragen gebaseerd is;

Overwegende dat in het licht hiervan deze richtlijn in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel, aangezien het doel van de richtlijn slechts kan worden bereikt door een geharmoniseerde wijziging van bestaande Gemeenschapswetgeving,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II van Richtlijn 89/647/EEG wordt vervangen door de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

Artikel 1 laat onverlet de erkenning door de bevoegde autoriteiten van bilaterale schuldvernieuwingscontracten die vóór de inwerkingtreding van de voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn noodzakelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen zijn gesloten.

Artikel 3

1. De Lid-Staten doen na de inwerkingtreding van deze richtlijn en uiterlijk op 30 juni 1996 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 21 maart 1996.

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

K. HÄNSCH

Voor de Raad

De Voorzitter

A. GAMBINO

(1) PB nr. C 142 van 25. 5. 1994, blz. 8, en PB nr. C 165 van 1. 7. 1995, blz. 6.

(2) PB nr. C 393 van 31. 12. 1994, blz. 30.

(3) Advies uitgebracht op 16 januari 1995 (nog niet bekendgemaakt in het Publikatieblad).

(4) Advies van het Europees Parlement van 16 februari 1995 (PB nr. C 56 van 6. 3. 1995, blz. 79), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 5 september 1995 (PB nr. C 288 van 30. 10. 1995, blz. 30) en besluit van het Europees Parlement van 14 december 1995 (PB nr. C 17 van 22. 1. 1996). Besluit van de Raad van 26. 2. 1996.

(5) PB nr. L 386 van 30. 12. 1989, blz. 14. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/15/EG van de Commissie (PB nr. L 125 van 8. 6. 1995, blz. 23).

BIJLAGE

"BIJLAGE II

BEHANDELING VAN OP RENTE EN WISSELKOERSEN BETREKKING HEBBENDE POSTEN BUITEN DE BELANGSTELLING1. TOEPASSINGSGEBIED EN KEUZE VAN DE METHODE

Na toestemming van hun bevoegde autoriteiten kunnen de kredietinstellingen een van de onderstaande methoden kiezen om de risico's te bepalen die verbonden zijn aan de in bijlage III genoemde transacties. Rente- en valutacontracten die op erkende beurzen worden verhandeld en waarvoor aldaar dagelijkse margevereisten gelden, en valutacontracten met een oorspronkelijke looptijd van veertien dagen of minder worden hiervan uitgezonderd.

2. METHODEN

Methode 1: benadering gebaseerd op waardering tegen marktwaarde

Stap a): door het toekennen van de actuele marktwaarde aan de contracten ("mark to market") wordt de actuele vervangingswaarde van alle contracten met een positieve waarde verkregen.

Stap b): teneinde een waarde te bepalen voor het potentiële toekomstige kredietrisico (1) wordt het totaal van de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden vermenigvuldigd met de volgende percentages:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Stap c): de som van de actuele vervangingswaarde en het potentiële toekomstige kredietrisico wordt vermenigvuldigd met de risicowegingsfactoren die in artikel 6 aan de betrokken tegenpartijen zijn toegekend.

Methode 2: benadering gebaseerd op "het oorspronkelijke risico"

Stap a): de theoretische hoofdsommen van ieder instrument worden vermenigvuldigd met de onderstaande percentages:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Stap b): het aldus verkregen oorspronkelijke risico wordt vermenigvuldigd met de risicowegingsfactoren die in artikel 6 aan de betrokken tegenpartijen zijn toegekend.

(1) Met uitzondering van op één valuta betrekking hebbende "floating/floating-renteswaps", waarvoor alleen de vervangingswaarde wordt berekend.

3. CONTRACTUELE VERREKENING (SCHULDVERNIEUWINGSCONTRACTEN EN VERREKENINGSOVEREENKOMSTEN)

a) Vormen van verrekening die door de bevoegde autoriteiten mogen worden erkend

Voor de toepassing van punt 3 wordt onder "tegenpartij" verstaan elk lichaam (met inbegrip van natuurlijke personen) dat bekwaam is een overeenkomst inzake contractuele verrekening te sluiten.

De bevoegde autoriteiten mogen de volgende vormen van contractuele verrekening als risicoverminderend erkennen:

i) bilaterale schuldvernieuwingscontracten tussen een kredietinstelling en haar tegenpartij, krachtens welke wederzijdse vorderingen en verplichtingen automatisch worden verrekend, zodat deze schuldvernieuwing telkens wanneer schuldvernieuwing van toepassing is, leidt tot de vaststelling van één nettobedrag, waardoor één rechtens bindend nieuw contract ontstaat dat in de plaats van de vroegere contracten treedt;

ii) bilaterale verrekeningsovereenkomsten tussen een kredietinstelling en haar tegenpartij.

b) Voorwaarden voor de erkenning

De bevoegde autoriteiten mogen contractuele verrekening slechts onder de volgende voorwaarden als risicoverminderend erkennen:

i) de kredietinstelling heeft een overeenkomst inzake contractuele verrekening met haar tegenpartij, waaruit één enkele juridische verplichting ontstaat die alle onder die overeenkomst vallende transacties bestrijkt, zodat als een tegenpartij ingevolge in gebreke blijven, faillissement of liquidatie, dan wel andere soortgelijke omstandigheden niet aan haar verplichtingen voldoet, de kredietinstelling slechts een vordering tot ontvangst of een verplichting tot betaling heeft van het nettobedrag van de tegen marktwaarde gewaardeerde positieve en negatieve waarden van de afzonderlijke onder de overeenkomst vallende transacties;

ii) de kredietinstelling heeft aan de bevoegde autoriteiten schriftelijke en met redenen omklede juridische adviezen ter beschikking gesteld, volgens welke de bevoegde rechterlijke en bestuurlijke autoriteiten, in geval van een geschil, zouden oordelen dat in de onder i) beschreven gevallen de vorderingen en verplichtingen van de kredietinstelling beperkt zijn tot het nettobedrag als omschreven onder i), krachtens:

- het recht van het rechtsgebied waarin de tegenpartij haar statutaire zetel heeft en, indien het een buitenlands bijkantoor van een onderneming betreft, tevens het recht van het rechtsgebied waarin het bijkantoor is gevestigd,

- het recht dat van toepassing is op de afzonderlijke onder de overeenkomst vallende transacties, en

- het recht dat van toepassing is op de eventuele contracten of overeenkomsten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de contractuele verrekening;

iii) de kredietinstelling beschikt over procedures die garanderen dat de rechtsgeldigheid van de door haar verrichte contractuele verrekening voortdurend getoetst wordt aan eventuele wijzigingen in het toepasselijke recht.

De bevoegde autoriteiten moeten, indien nodig na overleg met andere betrokken bevoegde autoriteiten, ervan overtuigd zijn dat de contractuele verrekening krachtens het recht van alle betrokken rechtsgebieden rechtsgeldig is. Indien een van deze bevoegde autoriteiten te dien aanzien niet overtuigd is, zal de overeenkomst inzake contractuele verrekening voor geen van beide tegenpartijen als risicoverminderend worden erkend.

De bevoegde autoriteiten mogen met redenen omklede juridische adviezen aanvaarden die per type contractuele verrekening zijn opgesteld.

Overeenkomsten welke een beding bevatten op grond waarvan een niet in gebreke zijnde tegenpartij slechts beperkte betalingen of in het geheel geen betalingen aan de boedel van de in gebreke zijnde partij kan verrichten, zelfs wanneer deze laatste partij een nettocrediteur is ("afhaak"-beding), worden niet als risicoverminderend erkend.

c) Gevolgen van de erkenning

i) Schuldvernieuwingscontracten

In plaats van de betreffende brutobedragen mogen de nettobedragen die uit schuldvernieuwingscontracten resulteren, worden gewogen. Op deze wijze kunnen bij toepassing van methode 1

- voor stap a): de actuele vervangingswaarde, en

- voor stap b): de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden

worden berekend met inachtneming van het schuldvernieuwingscontract. Bij toepassing van methode 2 kan voor stap a) de theoretische hoofdsom worden berekend met inachtneming van het schuldvernieuwingscontract; de percentages van tabel 2 zijn van toepassing.

ii) Verrekeningsovereenkomsten

Bij toepassing van methode 1 kan voor stap a) de actuele vervangingswaarde voor contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, worden berekend door de actuele hypothetische nettovervangingswaarde die uit de overeenkomst resulteert, in aanmerking te nemen. Voor stap b) mogen de nettobedragen slechts in aanmerking worden genomen bij valutatermijncontracten en vergelijkbare contracten, waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de kasstromen, indien de te vorderen of te betalen bedragen op dezelfde valutadatum vervallen en in dezelfde valuta luiden.

Bij toepassing van methode 2 kunnen voor stap a)

- voor valutatermijncontracten en vergelijkbare contracten, waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de kasstromen, indien de te vorderen of te betalen bedragen op dezelfde valutadatum vervallen en in dezelfde valuta luiden, de theoretische hoofdsommen worden berekend met inachtneming van de verrekeningsovereenkomst; op al deze contracten is tabel 2 van toepassing;

- voor alle overige contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, de toe te passen percentages worden verlaagd overeenkomstig tabel 3:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

"