31996E0184

96/184/GBVB: Gemeenschappelijk standpunt van 26 februari 1996 door de Raad bepaald op grond van artikel J.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de uitvoer van wapens naar voormalig Joegoslavië

Publicatieblad Nr. L 058 van 07/03/1996 blz. 0001 - 0002


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT van 26 februari 1996 door de Raad bepaald op grond van artikel J.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de uitvoer van wapens naar voormalig Joegoslavië (96/184/GBVB)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid op artikel J.2,

Gezien Resolutie 1021 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 22 november 1995,

Overwegende dat de Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten op 5 juli 1991 hebben besloten een voor geheel Joegoslavië geldend embargo op wapens en militaire uitrusting in te stellen,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT BEPAALD:

1. Met het oog op de totstandbrenging van vrede en stabiliteit voor de bevolking in de regio van voormalig Joegoslavië, en met name gezien de noodzaak de veiligheid van de gedurende de vredesimplementatie in Bosnië-Herzegovina en Kroatië ingezette internationale troepenmacht en het aldaar werkzame burgerpersoneel te verzekeren, is de Europese Unie van oordeel dat de exporterende landen ook na de opheffing van het wapenembargo krachtens VN-Resolutie 1021 zich terughoudend zullen moeten opstellen.

2. De Raad van de Europese Unie besluit derhalve:

i) gedurende de ontplooiing van IFOR en UNTAES, alsmede andere operaties, onder meer ITPF, blijft het tegen Bosnië-Herzegovina, Kroatië en de Federale Republiek Joegoslavië ingestelde EU-embargo inzake wapens, munitie en militair materieel (1) van kracht.

De overdracht van uitrustingen voor ontmijning valt niet onder het embargo. De Lid-Staten doen de Raad mededeling van dergelijke overdrachten;

ii) behoudens het bepaalde in Resolutie 1021 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (2) worden aanvragen voor exportvergunningen voor Slovenië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM) per geval in beschouwing genomen.

Deze bepaling wordt aangenomen met dien verstande dat de Lid-Staten in hun wapenexportbeleid ten aanzien van Slovenië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM) zich terughoudend zullen opstellen, uitgaande van de gemeenschappelijke criteria voor wapenexporten als vervat in de conclusies van de Europese Raad van Luxemburg van 28-29 juni 1991 en van de Europese Raad van Lissabon van 26-27 juni 1992. Voorts zullen zij rekening houden met de doelstellingen van het beleid van de Europese Unie in de regio, die hoofdzakelijk de totstandbrenging van vrede en stabiliteit, alsmede de noodzaak tot wapenbeheersing en vermindering van wapens tot het laagste niveau en tot vertrouwenwekkende maatregelen behelzen;

iii) de Europese Unie zal trachten ook andere landen tot een terughoudend beleid aan te moedigen.

3. Dit gemeenschappelijk standpunt wordt vóór het einde van de ontplooiing van IFOR en UNTAES opnieuw bezien.

4. Dit gemeenschappelijk standpunt wordt op 13 maart 1996 van kracht.

5. Dit gemeenschappelijk standpunt wordt bekendgemaakt in het Publikatieblad.

Gedaan te Brussel, 26 februari 1996.

Voor de Raad

De Voorzitter

S. AGNELLI

(1) Het hierboven bedoelde embargo geldt voor wapens ontworpen om te doden en daarvoor bestemde munitie, bewapende platforms, niet-bewapende platforms en bijkomende uitrusting als opgenomen in de EG-embargolijst van 8-9 juli 1991. Het geldt ook voor reserve-onderdelen, reparaties, overdracht van militaire technologie en vóór de intreding van het embargo aangegane overeenkomsten.

(2) Het eerste punt van Resolutie 1021 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bepaalt dat de levering van zware wapens (als omschreven in de vredesregeling), daarvoor bestemde munitie, mijnen, militaire vliegtuigen en helicopters aan alle voormalige Joegoslavische Republieken verboden blijft gedurende de tweede periode van 90 dagen na het rapport van de Secretaris-generaal over de formele ondertekening van het vredesakkoord en totdat de in Annex 1b bedoelde wapenbeheersingsregeling in werking is getreden. Zodra de Secretaris-generaal heeft gerapporteerd over de implementatie van Annex 1b (regionale stabilisering) zoals door de partijen is overeengekomen, nemen alle bepalingen van het VN-wapenembargo een einde tenzij de Veiligheidsraad anders besluit.