96/655/EG: Beschikking van de Commissie van 30 april 1996 betreffende staatssteun voor La Seda de Barcelona SA, gevestigd te El Prat de Llobregat, Catalonië, en te Alcalá de Henares binnen de Comunidad de Madrid (Slechts de tekst in de Spaanse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)
Publicatieblad Nr. L 298 van 22/11/1996 blz. 0014 - 0024
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 30 april 1996 betreffende staatssteun voor La Seda de Barcelona SA, gevestigd te El Prat de Llobregat, Catalonië, en te Alcalá de Henares binnen de Comunidad de Madrid (Slechts de tekst in de Spaanse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst) (96/655/EG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 93, lid 2, eerste alinea, Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzonderheid op artikel 62, lid 1, onder a), Na overeenkomstig de genoemde artikelen de betrokken partijen te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken, Overwegende hetgeen volgt: I Op 30 november 1994 heeft de Commissie besloten de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden ten aanzien van: - de overeenkomst tussen het Fondo de Garantía Salarial, hierna "Fogasa" genoemd, en la Seda de Barcelona SA, hierna "LSB" genoemd, krachtens welke de laatste in verband met de betaling door Fogasa van lonen en afvloeiingsbetalingen die LSB haar vroegere werknemers schuldig was, in de loop van een welbepaalde periode 1 221 136 511 pta zal terugbetalen; - de overeenkomst waarbij het Institut Català de Finances, hierna "ICF" genoemd, zich tot een bedrag van 1 700 000 000 pta garant stelt voor drie aan LSB toegekende leningen, en voor de rente daarover; - het besluit van de Comunidad de Madrid tot goedkeuring van een garantie ten belope van 1 000 000 000 pta voor een door LSB verkregen lening en voor de rente daarover, en - het voorstel van de Comunidad de Madrid om LSB reddingssteun te verlenen hangende de herziening van het herstructureringsplan en de afronding van het onderzoek van de Commissie. Bij het nemen van haar besluit heeft de Commissie opgemerkt dat zij niet in staat was om aan de hand van de door de Spaanse Regering verstrekte informatie te beoordelen of in de overeenkomst tussen Fogasa en LSB staatssteun was begrepen. Evenmin was de Commissie in staat om te beoordelen of bij de door ICF geboden garantie of bij die welke door de Comunidad de Madrid was goedgekeurd, staatssteun een rol speelde. Aangezien LSB evenwel een in moeilijkheden verkerende onderneming was, heeft de Commissie geconcludeerd dat beide overheidsgaranties althans een element van staatssteun bevatten. Derhalve stelde de Commissie zich op het standpunt dat de garanties tot vervalsing van de mededinging zouden kunnen leiden, omdat er binnen de Europese Economische Ruimte, hierna "EER" genoemd, een aanzienlijke handel in alle door LSB vervaardigde produkten bestaat. Aangezien het herstructureringsplan, dat door de garanties gemakkelijker zou kunnen worden uitgevoerd, LSB moeilijk levensvatbaar zou kunnen maken, leek de herstructureringssteun niet aan voor dergelijke steun vereiste voorwaarden te voldoen en evenmin in overeenstemming te zijn met de communautaire kaderregeling voor steunmaatregelen in de sector synthetische vezels. Derhalve was de Commissie van mening dat de garanties onverenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt en met de werking van de EER-Overeenkomst. Voorts kon de Commissie het voorstel van de Comunidad de Madrid om LSB een reddingssteun te verlenen, niet goedkeuren, omdat LSB weliswaar beantwoordde aan de voorwaarden om die steun te verkrijgen, doch de Spaanse Regering ontoereikende informatie had verstrekt om de Commissie in staat te stellen te bepalen of de in de vorm van een garantie toegekende steun aan de voor de goedkeuring van overheidsgaranties geldende voorwaarden voldeed. Derhalve geconcludeerde de Commissie dat de voorgenomen reddingssteun eveneens onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt en met de werking van de EER-Overeenkomst. Bij schrijven van 27 december 1994 stelde de Commissie de Spaanse Regering in kennis van haar besluit om de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden. De andere Lid-Staten en belanghebbenden werden hiervan door bekendmaking van dat schrijven in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (1) op de hoogte gesteld. II Bij schrijven van 21 februari 1995 diende de Spaanse Regering haar opmerkingen in over het besluit van de Commissie om de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden en verklaarde zij dat de Comunidad de Madrid een garantie had verleend tot een bedrag van 1 000 000 000 pta voor een aan LSB toegekende lening, en voor de rente daarover. Bij schrijven van 19 mei 1995 verzocht de Commissie de Spaanse Regering de huidige situatie met betrekking tot de eigendom van LSB nader uiteen te zetten en alle nadere gegevens over de diverse overeenkomsten te verstrekken. Bij schrijven van 27 juli 1995 verzocht de Spaanse Regering om verlenging van de antwoordtermijn, welk verzoek de Commissie bij schrijven van 2 augustus 1995 inwilligde. Bij schrijven van 6 oktober 1995 maande de Commissie de Spaanse Regering aan te antwoorden. Bij schrijven van 20 oktober 1995 herhaalde de Spaanse Regering de recente geschiedenis van LSB en verschafte zij een deel van de verlangde informatie. Bij schrijven van 26 oktober 1995 stelde de Spaanse Regering kopieën van verscheidene documenten ter beschikking, alsmede, bij schrijven van 27 november 1995, de tekst van het herziene herstructureringsplan dat door LSB ten uitvoer werd gelegd. Ten slotte stelde de Spaanse Regering de Commissie bij schrijven van 5 februari 1996 in kennis van de onlangs gesloten overeenkomst over de eigendom van de door Akzo NV in juli 1991 verkochte deelneming in LSB. Bij schrijven van 26 september 1995, parallel aan de briefwisseling naar rechtstreekse aanleiding van het besluit om de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden, verzocht de Commissie de Spaanse Regering te reageren op berichten in de pers dat de Catalaanse autoriteiten besloten hadden LSB een kapitaalinjectie te geven en dat de Comunidad de Madrid dit waarschijnlijk eveneens zou doen. Bij schrijven van 20 december 1995 merkte de Spaanse Regering op dat LSB haar aandeelhouders had verzocht een verhoging van haar aandelenkapitaal met 2 000 000 000 pta goed te keuren. De Spaanse Regering was evenwel van enig voornemen van de Catalaanse autoriteiten om in LSB te investeren niet op de hoogte, en ook de Comunidad de Madrid was dat niet van plan. III In haar opmerkingen wees de Spaanse Regering nogmaals erop dat LSB, de voornaamste producent van synthetische en cellulosevezels en -garens in Spanje, schade had ondervonden van de ernstige nationale economische crisis in de periode 1991-1993, die de gevolgen van de heviger wordende internationale concurrentie in de sector synthetische vezels nog had verergerd. Hoge rentetarieven, onder druk staande prijzen en een teruglopende vraag naar sommige van de produkten van LSB leidden tot winstdaling en brachten LSB's meerderheidsaandeelhouder, Akzo NV, in juli 1991 ertoe haar gehele deelneming (57,508 % van het aandelenkapitaal, met een waarde van 2 895 566 900 pta) voor het symbolische bedrag van één peseta van de hand te doen. Het rechtsgeding over de geldigheid van het verkoopcontract dat daarop volgde, heeft geleid tot verwarring over de vraag wie eigenaar was van LSB, van welke onderneming Akzo zeggenschap had over de ondernemingsleiding. Hangende de uitkomst van dit geschil werd de handel in LSB-aandelen opgeschort. Eind 1991 besloot LSB in verband met haar financiële moeilijkheden en de noodzaak haar concurrentievermogen te verbeteren dat het noodzakelijk was haar bedrijf te herstructureren en stelde hiertoe een plan op. Hoewel de totale waarde van LSB's activa meer dan 40 000 000 000 pta beliep, betekenden de onzekerheid over de eigendom van het merendeel van de aandelen in de onderneming en het feit dat LSB door de verkoop van het meerderheidspakket van Akzo feitelijk geen ondernemingsleiding meer had, dat de onderneming niet naar behoren werd bestuurd. LSB was volledig lamgelegd en kon niet meer onderhandelen met de normale financiers en raakte tevens in de schulden bij haar leveranciers. Daarop besloot LSB te trachten staatsgaranties te verkrijgen, zodat zij tegen gangbare commerciële voorwaarden kredieten kon verkrijgen en het herstructureringsplan zou kunnen uitvoeren. LSB begon in 1992 met de uitvoering van het plan, maar de daarin vervatte maatregelen moesten worden herzien, onder meer om rekening te houden met de opmerkingen die de Commissie bij schrijven van 2 augustus 1993 en 27 december 1994 had gemaakt. Met laatstgenoemd schrijven werd de Spaanse Regering in kennis gesteld van het besluit van de Commissie om de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden. De herstructurering had tot een aanzienlijke inkrimping van het werknemersbestand van LSB geleid door een combinatie van gedwongen ontslagen en natuurlijk verloop: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Een deel van de kosten van deze afslanking werd gedekt door de overeenkomst met Fogasa, krachtens welke LSB de bedragen met rente zal terugbetalen die namens haar door Fogasa zijn betaald uit hoofde van gewettigde aanspraken van haar vroegere werknemers op loon en ontslagvergoeding. De overige kosten van de afslanking werden deels gefinancierd met een krediet, dat verkregen was tegenover de dekking van de door ICF en de Comunidad de Madrid verstrekte kredietgaranties, en deels uit de eigen middelen van de ondernmeming. De uitvoering van het herziene herstructureringsplan zou tot de volgende veranderingen in de capaciteiten van LSB leiden: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Onlangs hebben de meerderheidsaandeelhouders van LSB een nieuw bestuur benoemd, waardoor de onderneming zich weer in een normale situatie bevindt wat de dagelijkse bedrijfsvoering en besluitvorming betreft. Voorts hebben, hoewel de einduitspraak in het geschil over de eigendom van de aandelen die voorheen aan Akzo toebehoorden nog niet is gevallen, de diverse partijen een overeenstemming bereikt: 12,6 % van deze aandelen zal in handen blijven van de oorspronkelijke koper, 24,9 % zal eigendom worden van een privé-onderneming, Inversiones Ibersuizas SL, en voor de resterende 20 % zal een overeenkomstige verlaging van het aandelenkapitaal van LSB worden doorgevoerd. De overeenkomst tussen Fogasa en LSB krachtens welke de laatste over een welbepaalde periode 1 221 136 511 pta zal terugbetalen, welk bedrag overeenkomt met de door Fogasa betaalde lonen en ontslagvergoedingen die LSB aan haar voormalige werknemers verschuldigd is De Spaanse Regering heeft verklaard dat Fogasa een onafhankelijke organisatie is die onder controle staat van het Ministerie van Werkgelegenheid en Sociale Zekerheid en gefinancierd wordt door bijdragen van de werkgevers. De belangrijkste taak van Fogasa is de betaling van lonen en ontslagvergoedingen die failliete of in ernstige moeilijkheden verkerende ondernemingen aan hun werknemers verschuldigd zijn. Fogasa verstrekt geen leningen aan de betrokken ondernemingen, maar regelt alle gewettigde aanspraken van hun voormalige werknemers en sluit een overeenkomst met deze ondernemingen, krachtens welke zij de volledige bedragen die Fogasa namens die ondernemingen heeft betaald, met rente moeten terugbetalen. Gedurende 1992, aan het begin van het voortgaande herstructureringsproces, ontsloeg LSB 447 werknemers, die daarmee aanspraak kregen op de betaling van loon en ontslagvergoeding. Overeenkomstig Real Decreto (Koninklijk Besluit) 505/1985 van 6 maart 1985 inzake de organisatie en werking van Fogasa, gewijzigd bij besluit van 20 augustus 1985, onderzocht Fogasa de afzonderlijke aanspraken van alle voormalige LSB-werknemers en betaalde zij diegenen van hen wier aanspraken zij gewettigd achtte. Vervolgens sloten Fogasa en LSB op 12 juni 1992 een overeenkomst, op grond waarvan LSB aan Fogasa 1 221 136 511 pta over acht jaar in driemaandelijkse termijnen zal terugbetalen. Dit bedrag is de som van de bedragen die Fogasa aan voormalige LSB-werknemers heeft betaald (in totaal 939 335 777 pta: 233 828 880 pta voor lonen en 705 506 897 pta voor ontslagvergoedingen) en de op 30 juli 1992 geldende wettelijke rente van 10 % over dat bedrag gedurende deze periode, zijnde 281 800 734 pta. De Spaanse Regering heeft opgemerkt dat LSB op 31 mei 1995 55 573 431 pta had terugbetaald. Bovendien moest LSB aan Fogasa een initiële som betalen voor de administratieve kosten van het opstellen van de op 30 juli 1992 in werking getreden overeenkomst. Als zekerheid verleende LSB hierbij een eersterangshypotheek op haar op het grondstuk "El Retamar", dat zich binnen de Comunidad de Madrid te Alcalá de Henares bevindt, gelegen terreinen en gebouwen. Na een technische verificatie van de door LSB verstrekte gegevens stemde Fogasa ermee in dat de waarde van deze onroerende goederen 8 000 000 000 pta bedroeg. Om al deze redenen is de Spaanse Regering van mening dat de overeenkomst geen staatssteun inhoudt. De overeenkomst waarbij ICF een garantie verleende tot een bedrag van 1 700 000 000 pta voor drie door LSB aangegane leningen en voor de rente daarover De Spaanse Regering heeft verklaard dat de raad van bestuur van ICF, dat eigendom is van de Generalitat de Catalunya, op 30 januari 1992 de verlening van een kredietgarantie aan LSB heeft goedgekeurd. Vervolgens verleende ICF deze garantie bij overeenkomst van 21 februari 1992 voor drie door LSB aangegane leningen die in totaal 1 500 000 000 pta beliepen, en voor de daarover verschuldigde rente, tot een maximum van 200 000 000 pta. Uit hoofde van deze garantie zou ICF de schulden van LSB op zich nemen indien LSB niet aan haar uit de leningen voortvloeiende verplichtingen zou voldoen. Meer in het bijzonder houden de leningen het volgende in: - de Caja de Ahorros de Cataluña heeft LSB een lening van 750 000 000 pta verstrekt, die driemaandelijks over een periode van vijf jaar, eindigend op 31 maart 1999, moet worden afgelost, met een aflossingsvrije periode van twee jaar, tegen een rente van 15 % in het eerste jaar, welke vervolgens variabel is naar functie van de interbancaire rente van Madrid, hierna "Mibor" ("Madrid Interbank Offered Rate") genoemd, en een commissie van 0,25 %. - De Caja de Ahorros y Pensiones de Barcelona/Caja General de Ahorro Popular heeft LSB een lening van 500 000 000 pta verstrekt, welke in driemaandelijkse termijnen over een periode van vijf jaar, eindigend op 31 maart 1999, moet worden afbetaald met een aflossingsvrije periode van twee jaar, een rente in het eerste jaar van 15 % en daarna tegen Mibor + 1,5 %, en een commissie van 0,25 %. - De Banca Catalana SA heeft LSB een lening van 250 000 000 pta verstrekt, die in driemaandelijkse termijnen over een periode van vijf jaar, eindigend op 27 maart 1999, moet worden afbetaald, met een aflossingsvrije periode van twee jaar en tegen Mibor + 1 % en een commissie van 0,5 %. LSB betaalt de hoofdsom en de rente daarop terug in overeenstemming met de in de diverse leningscontracten opgenomen aflossingsschema's. Met betrekking tot de garantie heeft LSB aan ICF een initiële som betaald voor administratiekosten van 0,5 % van het gegarandeerde bedrag, zijnde 8 500 000 pta. LSB betaalt tevens een jaarlijkse premie van 1,75 % van het gegarandeerde restbedrag, per 1 januari en per 1 juli, voor administratiekosten en voor het met de garantie verbonden risico. Op 31 december 1994 had LSB aan ICF 82 926 825 pta aan die jaarlijkse premies betaald. Als zekerheid voor de garantie heeft LSB aan ICF een eersterangshypotheek verleend op twee terreinen te El Prat de Llobregat, Catalonië. Ten tijde van de verlening van de garantie schatte ICF de totale waarde van dit onroerend goed op 9 269 000 000 pta, terwijl een voor LSB uitgevoerde taxatie op een bedrag van 25 980 374 330 pta uitkwam. Volgens de hypotheekvoorwaarden heeft ICF absolute voorrang op alle andere crediteuren, en indien LSB failliet zou worden verklaard, zou ICF als hypotheekhouder recht hebben om zich te onthouden van enige overeenkomst tussen andere crediteuren ten aanzien van de boedel, zonder hiermee aan zijn rechten als crediteur afbreuk te doen. Dit recht is vervat in artikel 900, eerste alinea, van het Spaanse Handelswetboek. Meer in het algemeen hebben hypotheekhouders op grond van het Spaanse burgerlijk wetboek voorrang op andere crediteuren tot het bedrag van hun vordering en overeenkomstig hun rang ten opzichte van andere hypotheekhouders. De Spaanse Regering heeft aangevoerd dat, indien LSB een vergelijkbare garantie zou hebben gezocht bij een particuliere financiële instelling in plaats van bij ICF, zij vergelijkbare voorwaarden zou hebben verkregen met die welke ICF heeft bedongen. Deze laatste heeft zich op gangbare wijze en in overeenstemming met de geldende marktvoorwaarden gedragen. Om al deze redenen is de Spaanse Regering van mening dat de overeenkomst geen staatssteun inhoudt. Het besluit van de Comunidad de Madrid tot goedkeuring van een garantie tot een beloop van maximaal 1 000 000 000 pta voor een door LSB aangegane lening, met inbegrip van de daarvoor verschuldigde rente De Spaanse Regering heeft verklaard dat de Comunidad de Madrid op 21 april 1993 heeft besloten de verlening van een garantie aan LSB goed te keuren, omdat gevreesd werd dat LSB anders niet in staat zou zijn de financiële middelen te vinden die nodig zijn om haar herstructureringsplan volledig uit te voeren, hetgeen voor de toekomstige levensvatbaarheid van de onderneming, en met name voor de werkgelegenheid in haar vestiging te Alcalá de Henares, ernstige gevolgen zou hebben. De geldigheidsduur van dit besluit verstreek echter voordat het kon worden uitgevoerd. Op 21 juli 1994 nam de Comunidad de Madrid derhalve een nieuw besluit om de verlening van een garantie voor een lening van LSB goed te keuren. Bij overeenkomst van 16 september 1994 verleende de Comunidad de Madrid vervolgens een garantie voor een lening ten bedrage van 1 000 000 000 pta die LSB bij Bankinter SA had gesloten, alsmede voor de daarover verschuldigde rente. Deze lening moet in driemaandelijkse termijnen over een periode van vijf jaar, eindigend op 28 september 1999, worden terugbetaald, met een aflossingsvrije periode van twee jaar tegen Mibor + 0,5 %. Uit hoofde van de garantie zou de Comunidad de Madrid de schulden van LSB op zich nemen indien de onderneming met betrekking tot haar met de lening samenhangende verplichtingen in gebreke blijft. LSB betaalde de Comunidad de Madrid geen enkele initiële som aan administratiekosten, maar zij moest wel een jaarlijkse premie van 0,75 % van het gegarandeerde bedrag betalen voor administratiekosten en voor het met de garantieverlening verbonden risico. Als zekerheid voor de garantie heeft LSB aan de Comunidad de Madrid op haar twee terreinen te Alcalá de Henares hypotheek verleend; op het meest waardevolle daarvan had LSB reeds aan Fogasa op grond van haar overeenkomst met LSB een eersterangshypotheek verleend. Volgens een taxatie die voor LSB is uitgevoerd ten tijde van de verlening van de garanties bedroeg de totale waarde van de beide terreinen 12 274 165 000 pta, terwijl de eigen taxatie van de Comunidad de Madrid, die gebaseerd was op de voor LSB verrichte taxatie, hieraan een totale waarde van 11 442 000 000 pta toekende. De Spaanse Regering merkte tevens op dat de Comunidad op grond van de overeenkomst alternatieve of aanvullende zekerheid kon verlangen indien dit noodzakelijk werd geacht. Om al deze redenen is de Spaanse Regering van mening dat de overeenkomst geen staatssteun inhoudt. Het voorstel van de Comunidad de Madrid om reddingssteun aan LSB te verlenen in afwachting van de herziening van haar herstructureringsplan en de afronding van het onderzoek van de Commissie Zoals reeds opgemerkt, heeft de Comunidad de Madrid bij overeenkomst van 16 september 1994 een garantie verleend voor aan LSB verstrekte leningen, hoewel de Commissie nog doende was de verenigbaarheid te onderzoeken van onder meer het besluit om deze garantie te verlenen, en ondanks het feit dat de Commissie nog geen kopie van het herziene herstructureringsplan had ontvangen. Derhalve werd afgezien van het voornemen om reddingssteun te verlenen. IV Bij schrijven van 3 april 1995 verzocht de Commissie Akzo Nobel NV, voorheen Akzo NV, nadere informatie te verstrekken over haar betrokkenheid bij LSB. Akzo antwoordde hierop bij schrijven van, respectievelijk, 2 mei, 9 mei en 15 mei 1995. Akzo verklaarde dat zij, voorafgaand aan de overdracht in juli 1991 van haar aandelenpakket als meerderheidsaandeelhouder, LSB enige financiële bijstand had gegeven om de herstructurering te vergemakkelijken. Een deel van deze bijstand had de vorm van garanties die LSB in staat stelden bij particuliere banken extra middelen te verwerven om een onmiddellijk liquiditeitsprobleem te voorkomen. De banken deden kort na de overdracht van de aandelen van Akzo een beroep op deze garanties, welke vorderingen vervolgens door Akzo werden betaald, die tevens afstand deed van haar rechten op de betrokken bedragen van in totaal 3 700 000 000 pta. Hoewel Akzo op geen enkele wijze voor de overige schulden van LSB garanties had verleend, steunde zij LSB opnieuw door de financiering op zich te nemen van 57,5 % van de uitstaande bankschulden van de onderneming waarvoor geen garanties waren verleend. Door subrogatie verkreeg Akzo hiermee een vordering op LSB van 4 117 141 026 pta, welk bedrag Akzo tot 1 september 1993 rentevrij ter beschikking stelde aan LSB door een ten opzichte van de rentedragende schuld van LSB achtergestelde lening. Naar het oordeel van Akzo verleende deze steun LSB een redelijke financiële structuur en zou deze de onderneming in staat moeten stellen de noodzakelijke herstructurering uit te voeren. Op dat moment verwachte Akzo dat het op 1 september 1993 mogelijk zou zijn een marktrente en een normaal aflossingsschema overeen te komen. In september 1993 werd Akzo echter meegedeeld dat de financiële positie van LSB verder was verslechterd en dat met de herstructurering slechts in bescheiden mate vooruitgang was geboekt. Om wederom liquiditeitsmoeilijkheden te voorkomen, verlengde Akzo de periode (van de achtergestelde, rentevrije lening) tot september 1994. Op verzoek van LSB, en in overleg met de Generalitat van Catalonië, besloot Akzo in december 1994 de achtergestelde lening kwijt te schelden, om LSB in staat te stellen de verhouding tussen schulden en eigen vermogen te verbeteren en zich te concentreren op de winstgevende bedrijfsonderdelen. Akzo heeft verklaard dat het besluit om af te zien van rente over de achtergestelde lening en de hoofdsom daarvan kwijt te schelden, werd genomen zonder dat er sprake was van enige financiële vergoeding of andere compenserende maatregelen, noch van toezeggingen, van de zijde van de Spaanse autoriteiten dienaangaande. De kwijtgescholden schuld werd in de jaarrekening voor 1994 van LSB opgenomen als "buitengewone baten" en droeg bij tot de winst van LSB in dat jaar. V In het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, werden opmerkingen ontvangen van de British Polyolefin Textiles Association, hierna "BPTA" genoemd, de International Rayon & Synthetic Fibres Committee, hierna " CIRFS " genoemd, en Hoechst Trevira GmbH & Co KG, hierna "Hoechst Trevira" genoemd. BPTA benadrukte een blijvend voorstander te zijn van de kaderregeling voor steunmaatregelen in de sector synthetische vezels en een fel tegenstander van steun aan enige producent van de onder de kaderregeling vallende vezels en garens, voornamelijk omdat de steun voor de produktie van een bepaald garen door een onderneming zijn weerslag zou hebben op andere producenten, ongeacht of deze al dan niet hetzelfde garen vervaardigen als de begunstigde onderneming. BPTA vroeg zich ook af waarom LSB de steun van overheidsgaranties nodig had. CIRFS, waarvan LSB lid is, en Hoechst Trevira gaven te kennen ronduit voorstander te zijn van de toepassing van de kaderregeling en van een verbod op elke daarmee niet in overeenstemming zijnde steun. Hoechst Trevira merkte tevens op dat, hoewel de gemiddelde capaciteitsbenuttingsgraad bij de produktie van industrieel polyesterfilamentgaren in Europa was verbeterd van 66 % in 1993 tot 78 % in 1994, een verdere verbetering zou worden getemperd door de gevolgen van de installatie van nieuwe produktiecapaciteit in Frankrijk door Allied Signal Fibers Europe SA. Hoechst Trevira heeft ook haar eigen ramingen van toekomstige capaciteitsniveaus ingediend. Bij schrijven van 14 november 1995 heeft de Commissie deze opmerkingen doen toekomen aan de Spaanse Regering, die bij schrijven van 7 februari 1996 de omstandigheden herhaalde waaronder de overheidsgaranties waren verleend en te kennen gaf dat noch de garantieovereenkomsten, noch de overeenkomst tussen Fogasa en LSB staatssteun inhielden. De Spaanse Regering merkte tevens op dat de volledige uitvoering van het herstructureringsplan zou leiden tot een nettoreductie van de produktiecapaciteit van LSB, en voegde daarbij een kopie van de relevante bladzijde van het herziene herstructureringsplan. VI De Commissie moet nagaan of de voorwaarden van de overeenkomst tussen Fogasa en LSB neerkomen op staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag en van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst, alsmede of er sprake is van staatssteun bij de garanties die ICF en de Comunidad de Madrid hebben verleend. De overeenkomst tussen Fogasa en LSB waarbij de laatste binnen een vastgestelde termijn 1 221 136 511 pta zal terugbetalen in verband met de door Fogasa betaalde lonen en ontslagvergoedingen die LSB aan haar voormalige werknemers verschuldigd was De Commissie heeft geen bezwaar tegen het optreden van Fogasa voor zover deze hiermee tegemoet is gekomen aan de gewettigde aanspraken van sommige vroegere werknemers van LSB op loon en ontslagvergoeding. In dit opzicht bevat de overeenkomst geen enkel element van staatssteun. Een dergelijke actie tot bescherming van de rechten van werknemers is in overeenstemming met artikel 3, onder j), van het EG-Verdrag. De verplichtingen van een onderneming uit hoofde van de arbeidswetgeving of van collectieve arbeidsovereenkomsten met vakbonden om ontslagpremies en/of vervroegd pensioen aan te bieden maken evenwel deel uit van de normale bedrijfskosten, die ondernemingen uit hun eigen middelen moeten bestrijden. Elke bijdrage van de staat aan deze kosten moet als steun worden beschouwd, ongeacht of de betalingen rechtstreeks aan de onderneming worden gedaan of, via een overheidsinstantie, aan de werknemers. Overeenkomstig Real Decreto 505/1985, zoals gewijzigd, is de rente die LSB op grond van de overeenkomst met Fogasa moet betalen de wettelijke rente, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de overeenkomst 10 % bedroeg. Gewoonlijk maakt de Commissie voor de beoordeling of deze rente met de geldende marktvoorwaarden strookt, een vergelijking met de waarde van het referentiepercentage dat op dat tijdstip voor de betrokken Lid-Staat was vastgesteld. Dit percentage is echter voor Spanje nog niet vastgesteld. In overeenstemming met de resolutie van de Raad van 20 oktober 1971 (2) moet de Commissie daarom een vergelijking maken met de gemiddelde rente op de betrokken markt, die in dit geval de gemiddelde rente is die particuliere banken in Spanje voor leningen met een looptijd van meer dan drie jaar aanrekenen. Deze rente heeft de Commissie ook bij eerdere gelegenheden voor vergelijkingen gebruikt wanneer zij moest beoordelen of er van staatssteun in overeenkomsten tussen Fogasa en bepaalde particuliere ondernemingen sprake was (3). Volgens de door de Banco de España (de Spaanse centrale bank) gepubliceerde statistieken bedroeg de gemiddelde rente die particuliere banken in 1992 in rekening brachten voor leningen met een looptijd van meer dan drie jaar 17,28 %, aanzienlijk meer dan de rente die van toepassing is op de overeenkomst tussen Fogasa en LSB. Bovendien bevat de overeenkomst geen clausule voor verwijlintresten bij laattijdige betaling. De voorwaarden van de overeenkomst stemmen derhalve niet overeen met de ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst tussen de partijen geldende marktvoorwaarden. Bovendien had LSB volgens het aflossingsschema in de overeenkomst uiterlijk op 31 mei 1995 413 307 741 pta moeten hebben terugbetaald, maar in werkelijkheid werd dat slechts 55 573 431 pta. LSB was op dat moment derhalve 357 734 310 pta aan achterstallige betalingen schuldig en voldeed daarmee niet aan haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. Er blijkt echter dat Fogasa niet heeft besloten om tot uitwinning van de hypotheek over te gaan, hoewel Real Decreto 505/1985, zoals gewijzigd, mogelijkheid daartoe biedt. Dit gedrag komt niet overeen met dat van een tegen normale marktvoorwaarden handelende crediteur. Derhalve bevat de overeenkomst staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag en artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst. Deze is onrechtmatig, omdat de Commissie van het voornemen om steun te verlenen niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag vooraf in kennis was gesteld. De Commissie is niet in staat het exacte bedrag te bepalen van de onrechtmatige staatssteun die in de overeenkomst besloten ligt, maar het is minstens gelijk aan het financiële voordeel vanwege het feit dat LSB op grond van de overeenkomst slechts 10 % rente behoeft te betalen. De overeenkomst waarbij ICF een garantie verleende ten belope van 1 700 000 000 pta voor drie door LSB aangegane leningen en voor de rente daarover Aangezien ICF wordt gefinancierd door de Generalitat van Catalonië, is de garantie een overheidsgarantie. Op grond van de overeenkomst betaalt LSB voor de garantie een jaarlijkse premie aan ICF en de rente die LSB betaalt over de leningen die zij dank zij de garantie kon verkrijgen, los van de jaarlijkse premiebetaling aan ICF, kan worden beschouwd als vergelijkbaar met de rente die een niet in financiële moeilijkheden verkerende onderneming aan een commerciële garant op de vrije markt zou moeten betalen. Bovendien houdt het contract in dat, indien de garantie wordt ingeroepen, ICF de uit hoofde van de garantie betaalde bedragen door uitwinning van de hypotheek op het onroerend goed, waarvan de waarde naar het oordeel van ICF groter is dan het totale gegarandeerde bedrag, kan terug verkrijgen. Ten slotte geldt de garantie niet voor alle schulden van LSB en is zij van beperkte duur. De Commissie aanvaardt daarom de mogelijkheid dat een particuliere garant die onder normale marktvoorwaarden handelt, bereid zou zijn een garantie te verlenen op met die van de overheidsgarantie vergelijkbare voorwaarden. De Spaanse Regering heeft echter niet gesuggereerd dat een particuliere garant hiertoe ook daadwerkelijk bereid was. Integendeel, de Spaanse Regering heeft verklaard dat LSB zich genoodzaakt zag een overheidsgarantie te vragen om commercieel krediet te kunnen verkrijgen, dit vanwege de onduidelijkheid over de eigendom van de aandelen die voorheen aan Akzo NV toebehoorden en de daaruit resulterende verlamming van de dagelijkse leiding en verlies aan vertrouwen in het vermogen van de onderneming om aan haar financiële verplichtingen ten opzichte van haar crediteuren te voldoen. De Commissie moet daarom concluderen dat LSB zonder de overheidsgarantie geen leningen op vergelijkbare voorwaarden in de particuliere sector had kunnen verkrijgen en dat geen commerciële garant bereid zou zijn geweest om een garantie te verlenen op met die van de overheidsgarantie vergelijkbare voorwaarden. Aangezien de overheidsgarantie neerkomt op een verbintenis van ICF om aan de verplichtingen van LSB te voldoen indien deze in gebreke blijft, beïnvloedde de garantie het beeld dat commerciële crediteuren van het aan leningen aan LSB verbonden risico hadden. De overheidsgarantie stelde LSB derhalve in staat middelen voor de herstructurering van haar bedrijfsactiviteiten te verkrijgen die anders niet beschikbaar zouden zijn geweest. De overeenkomst bevat derhalve staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag en van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst, welke, evenals de in de overeenkomst tussen Fogasa en LSB besloten liggende staatssteun, onrechtmatig is omdat de Commissie niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag vooraf van het voornemen om de garantie te verlenen in kennis was gesteld. De Commissie is hier evenmin in staat het exacte bedrag aan onrechtmatige staatssteun te bepalen dat in de overeenkomst besloten ligt. Het besluit van de Comunidad de Madrid om de verlening van een garantie ten belope van maximaal 1 000 000 000 pta goed te keuren voor een door LSB aangegane lening en voor de rente daarvan De Spaanse Regering heeft verklaard dat LSB zich genoodzaakt zag om ook de Comunidad de Madrid om een overheidsgarantie te verzoeken in verband met de voortdurende onzekerheid over de eigendom van de aandelen die voorheen Akzo NV toebehoorden. Derhalve moet de Commissie, volgens dezelfde redenering als die gevolgd bij de beoordeling van de garantieovereenkomst met ICF, concluderen dat het weinig waarschijnlijk zou zijn dat LSB zonder de door de Comunidad de Madrid verleende overheidsgarantie in staat zou zijn geweest op dezelfde voorwaarden bij Bankinter SA of bij enige andere commerciële financieringsbron aanvullend krediet te verkrijgen en dat een particuliere garant bereid zou zijn een garantie te verlenen op met die van de overheidsgarantie vergelijkbare voorwaarden. Aangezien de overheidsgarantie neerkomt op een verbintenis van de Comunidad de Madrid om aan de verplichtingen van LSB te voldoen indien deze in gebreke blijft, beïnvloedde de garantie het beeld dat commerciële crediteuren van het aan leningen aan LSB verbonden risico hadden. De overheidsgarantie stelde LSB derhalve in staat middelen voor de herstructurering van haar bedrijfsactiviteiten te verkrijgen die anders niet beschikbaar zouden zijn geweest. Derhalve bevat ook de overeenkomst waarbij de Comunidad de Madrid een overheidsgarantie heeft verleend staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag en van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst ongeacht of de voorwaarden daarvan als commercieel kunnen worden aangemerkt. Bovendien is ook deze steun onrechtmatig, omdat de Commissie van dit voornemen om een garantie te verlenen evenmin overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag vooraf in kennis is gesteld. Wederom is de Commissie niet in staat om het exacte bedrag aan onrechtmatige staatssteun te bepalen. Het voorstel van de Comunidad de Madrid om reddingssteun aan LSB te verlenen in afwachting van de herziening van haar herstructureringsplan en de afronding van het onderzoek van de Commissie Aangezien de Spaanse Regering afgezien heeft van haar voorstel om reddingssteun aan LSB te verlenen, is het punt van de verenigbaarheid daarvan niet meer relevant. VII Nu is vastgesteld dat de overeenkomst tussen Fogasa en LSB en de garantieovereenkomsten met ICF en de Comunidad de Madrid voor diverse, door LSB aangegane leningen en voor de daarover verschuldigde rente staatssteun bevatten, moet de Commissie nagaan of deze steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en met de werking van de EER-Overeenkomst. In artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag is bepaald dat, behoudens andersluidende bepalingen, staatssteun die de mededinging door begunstiging van bepaalde produkties vervalst of dreigt te vervalsen, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt. In dezelfde zin bepaalt artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst dat, behoudens andersluidende bepalingen, dergelijke steun onverenigbaar is met de werking van de EER-Overeenkomst. Tussen de Lid-Staten en de Staten die deel uitmaken van de EER bestaat handelsverkeer in alle produkten die door LSB vervaardigd worden (in 1994 bij voorbeeld ongeveer 40 000 ton polyamide filamentgaren en ongeveer 75 000 ton polyester filamentgaren voor industriële doeleinden), zodat enige steun aan LSB haar positie ten opzichte van met haar concurrerende producenten zou versterken, waardoor de handel tussen Lid-Staten ongunstig zou worden beïnvloed en de mededinging zou worden vervalst. De Commissie moet derhalve nagaan of een van de bepalingen van het EG-Verdrag en van de EER-Overeeenkomst, volgens welke dergelijke staatssteun verenigbaar kan worden geacht met het EG-Verdrag en met de werking van de EER-Overeenkomst, van toepassing kan zijn. De staatssteun in het onderhavige geval is vervat in de overeenkomsten die gericht zijn op het vergemakkelijken van de herstructurering van LSB met het oog op het herstel van de levensvatbaarheid op de lange termijn door de uitvoering van een herstructureringsplan. De volledige uitvoering van dit plan brengt zowel sociale kosten als investeringskosten met zich. De steun moet derhalve worden beoordeeld in het licht van de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (4). Volgens deze regeling moet dergelijke steun gekoppeld zijn aan een haalbaar herstructureringsprogramma om de duurzame levensvatbaarheid van de onderneming te herstellen, dat maatregelen behelst die de nadelige gevolgen voor concurrenten zoveel mogelijk compenseren, en voorts moeten het bedrag en de intensiteit van de steun tot het voor de uitvoering van de herstructurering strikt noodzakelijke worden beperkt en verband houden met de voordelen die de Commissie daarvan verwacht. Wat de eerste voorwaarde betreft, is door de herstructurering een geleidelijke inkrimping van LSB's personeelsbestand bereikt waardoor de arbeidsplaatsen van de overige werknemers veilig zijn gesteld, en rationaliseert de onderneming haar bedrijfsactiviteiten door zich terug te trekken uit activiteiten die niet langer levensvatbaar zijn en de activiteiten te herstructureren die op basis van realistische veronderstellingen over de toekomstige bedrijfsomstandigheden van de onderneming en de ontwikkeling van de betrokken produktmarkten weer concurrerend kunnen worden gemaakt. Voor deze laatste activiteiten beschrijft het plan de huidige en verwachte toestand van de relevante markten en de positie van LSB op elk van die markten en schetst het een strategie die specifieke investeringen omvat welke nodig zijn om LSB weer binnen een redelijke termijn levensvatbaar te maken. Het herziene plan lijkt LSB in een positie te kunnen brengen waarin zij op eigen kracht, zonder verdere staatssteun, op de markt kan concurreren. Deze conclusie wordt gesteund door de informatie die de Spaanse Regering heeft verstrekt over de huidige financiële positie van de onderneming, die voor 1995 een toename van de verkoop en de winst ten opzichte van 1994 te zien geeft, zelfs met weglating van de piek in het bedrijfsresultaat van LSB in 1994 als gevolg van de kwijtschelding door Akzo van de achtergestelde lening van 4 117 141 026 pta. Derhalve wordt voldaan aan de eerste voorwaarde voor goedkeuring van de herstructureringssteun. Wat de tweede voorwaarde betreft, die inhoudt dat het herstructureringsplan maatregelen moet omvatten die de nadelige gevolgen voor concurrenten zoveel mogelijk compenseren, moet de Commissie de gevolgen beoordelen die het plan zou hebben voor de produktiecapaciteit van LSB. In dit geval moet de Commissie de capaciteit die LSB na herstructurering zou hebben, vergelijken met die waarover zij beschikte ten tijde van de inwerkingtreding van de eerste overeenkomst ter ondersteuning van de uitvoering van het plan, dus op 12 juni 1992, de datum waarop de eerste overeenkomst tussen Fogasa en LSB tot stand kwam. De eerste bijlage bij het schrijven van de Spaanse Regering van 6 oktober 1993 bevat gegevens over de produktiecapaciteit van LSB in 1992. De capaciteit van LSB voorafgaand aan de uitvoering van het herstructureringsplan wordt niet vermeld in het herziene herstructureringsplan, dat slechts verwijst naar de "geïnstalleerde capaciteit", zonder aan te geven wanneer de onderneming dit capaciteitsniveau bereikte. Het plan vermeldt echter uitdrukkelijk dat LSB reeds een aanzienlijke vermindering van de produktiecapaciteit voor polyester textielfilamentgaren had verwezenlijkt alvorens met de marktanalyse die tot de opstelling van een herstructureringsplan leidde, werd begonnen. De betrokken capaciteit is evenwel begrepen in de gegevens over de "geïnstalleerde capaciteit" van LSB die in het plan zijn vermeld. Voorts heeft de Spaanse Regering nimmer gesteld dat de gegevens die zij eerder over de capaciteit van LSB in 1992 had verstrekt, op enigerlei wijze onjuist of onvolledig zouden zijn. Deze gegevens zijn overgenomen in de bekendmaking van de Commissie met betrekking tot de inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag, maar noch LSB, noch enige andere belanghebbende heeft hierover opmerkingen gemaakt. De Commissie moet daarom concluderen dat LSB's produktiecapaciteit voorafgaand aan de uitvoering van het herstructureringsplan de capaciteit is die is vermeld in de eerste bijlage bij het schrijven van de Spaanse Regering van 6 oktober 1993, en niet de in het herziene herstructureringsplan van de onderneming genoemde "geïnstalleerde capaciteit". De volledige uitvoering van het herziene herstructureringsplan zal de capaciteit voor polyamide polymeergranulaat volkomen ongewijzigd laten (3 000 ton, evenals in 1992) en een vermindering teweegbrengen van de capaciteit voor polyester polymeergranulaat (van 52 000 ton in 1992 tot 34 000 ton) en voor viscose textielfilamentgaren (van 4 200 ton in 1992 tot 3 700 ton). Deze capaciteitsverminderingen kunnen toereikend worden geacht om de nadelige gevolgen van de herstructureringssteun voor de ondernemingen waarvan LSB de concurrent is, zo gering mogelijk te doen zijn, voor zover dit zonder ondermijning van de doelstelling van het herstructureringsplan, namelijk herstel van de levensvatbaarheid van LSB, mogelijk is. De overige produkten van LSB vallen echter binnen het toepassingsgebied van de kaderregeling voor steunmaatregelen in de sector synthetische vezels, die in 1977 is ingevoerd om steunverlening te voorkomen die tot een stijging van de produktiecapaciteit in deze bedrijfstak zou leiden. Sinds de invoering is de kaderregeling enkele malen herzien en de in elk van de betrokken overeenkomsten vervatte onrechtmatige steun moet worden beoordeeld in het licht van de versie van de kaderregeling (5) zoals die in de periode 1993-1996 gold, dus, zowel op het tijdstip waarop de Commissie de huidige procedure van artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag inleidde, als op 27 november 1995, de dagtekening van het schrijven van de Spaanse autoriteiten waarbij zij de Commissie de laatste gegevens verschaften die voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun benodigd waren. In de voor het tijdvak 1993-1996 geldende versie van de kaderregeling was bepaald dat aan de goedkeuring van investeringssteun in alle gevallen de voorwaarde verbonden was dat de produktiecapaciteit van de steunontvangende onderneming (dit wil zeggen de totale capaciteit om onder de kaderregeling vallende vezels en garens te produceren) aanzienlijk zou worden gereduceerd. Voor de vraag, of in dit bijzondere geval een vermindering van ongeveer 25 % "aanzienlijk" in de zin van de kaderregeling is, moet de Commissie de specifieke bijzonderheden van de onderhavige zaak onderzoeken, met inbegrip van de vestigingsplaats van de betrokken onderneming en de gevolgen voor de sector. Ten eerste is, zoals reeds opgemerkt, de volledige uitvoering van het herziene herstructureringsplan erop gericht LSB's levensvatbaarheid op lange termijn te waarborgen en daarmee de arbeidsplaatsen van de resterende werknemers zeker te stellen. LSB is gevestigd te El Prat de Llobregat, Catalonië, en te Alcalá de Henares binnen de Comunidad de Madrid. Sinds de toetreding van Spanje tot de Europese Gemeenschap komen deze gebieden in aanmerking voor financiële bijstand uit de structuurfondsen van de Gemeenschap uit hoofde van doelstelling 2, waarmee omschakeling van door industriële neergang ernstig getroffen regio's wordt beoogd. Ten tweede zal, wat de gevolgen voor de capaciteit betreft, de volledige uitvoering van het herziene herstructureringsplan leiden tot een vermindering van 2 % van de in de EER aanwezige produktiecapaciteit voor polyamide textielfilamentgaren, een vermindering van minder dan 0,5 % van de produktiecapaciteit in de EER voor polyester textielfilamentgaren en een vermindering van 1,5 % van de produktiecapaciteit in de EER voor polyester stapelvezels, daarentegen tot een uitbreiding in de EER van minder dan 1 % van de produktiecapaciteit voor polyamide filamentgaren voor industriële toepassingen en van ongeveer 1 % van de produktiecapaciteit voor polyester filamentgaren voor industriële toepassingen. Los van enige andere veranderingen die op de produktie en de capaciteit in deze sector in de EER van invloed zijn, zullen deze veranderingen als netto effect hebben dat de capaciteit in de EER voor de relevante produkten met ongeveer 1 % daalt (van ongeveer 1 650 000 ton in 1992 tot ongeveer 1 630 000 ton) en dat er een verbetering optreedt in de gemiddelde bezettingsgraad voor deze produkten, welke in 1992 ongeveer 77,5 % bedroeg. Eventuele nadelige gevolgen voor de mededinging van de geplande uitbreiding van de produktiecapaciteit van LSB voor industrieel filamentgaren zullen daarom ruimschoots worden gecompenseerd door de voorgenomen vermindering van de produktiecapaciteit voor textielfilamentgarens en stapelvezels. Bijgevolg kan, om de boven uiteengezette redenen, de nettovermindering van de produktiecapaciteit van LSB voor onder de kaderregeling vallende synthetische vezels en garens, welke het gevolg zal zijn van de volledige uitvoering van het herstructureringsplan, als aanzienlijk worden aangemerkt. Bijgevolg is de staatssteun die in de overeenkomst waarbij de Comunidad de Madrid een garantie voor de door LSB aangegane lening verstrekte, besloten ligt, in overeenstemming met de toen geldende versie van de kaderregeling. De volledige uitvoering van de maatregelen in het herziene herstructureringsplan zal daarom de eventuele nadelige gevolgen voor concurrenten zoveel mogelijk compenseren, zonder de vooruitzichten om LSB weer tot levensvatbaarheid te brengen, te ondermijnen. Derhalve wordt ook voldaan aan de tweede voorwaarde voor goedkeuring van de herstructureringssteun. Wat de derde voorwaarde betreft, namelijk dat de steun beperkt moet blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de herstructurering tot een goed einde te brengen, houdt de hoeveelheid staatssteun die in de overeenkomst tussen Fogasa en LSB besloten ligt, verband met het aantal voormalige werknemers van LSB wier aanspraken op loon en ontslagvergoeding door Fogasa zijn gehonoreerd. Ook de staatssteun die in de overeenkomsten waarbij overheidsgaranties door ICF en de Comunidad de Madrid voor door LSB aangegane leningen werden verleend, besloten ligt, heeft op zich geen rechtstreekse financiële waarde voor LSB, maar dient slechts om de toegang te vergemakkelijken tot krediet op commerciële voorwaarden, die de onderneming voor de financiering van de uitvoering van het herstructureringsplan noodzakelijk acht. De herstructureringssteun die in de overeenkomsten besloten ligt, zou derhalve niet ertoe leiden dat LSB de beschikking krijgt over een surplus aan kasmiddelen die zij voor agressieve, marktverstorende activiteiten of voor nieuwe, niet met de herstructurering verband houdende investeringen zou kunnen gebruiken. Derhalve wordt eveneens voldaan aan de derde voorwaarde voor goedkeuring van de herstructureringssteun. Concluderend voldoet de staatssteun in de overeenkomsten aan de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, voor zover LSB het herziene herstructureringsplan volledig uitvoert en de daarmee gepaard gaande stillegging van capaciteit onomkeerbaar is. Herstructureringssteun dient echter beperkt te blijven tot het herstellen van de levensvatbaarheid van de steunontvangende onderneming in overeenstemming met het plan en mag niet worden gebruikt voor uitbreiding van de capaciteit, tenzij dit noodzakelijk wordt geacht om de levensvatbaarheid te herstellen en deel uitmaakt van het herstructureringsplan dat door de steun mogelijk wordt gemaakt. Om deze redenen verlangt de Commissie doorgaans dat over de uitvoering van dergelijke plannen gedetailleerde jaarlijkse verslagen worden overgelegd. Ten slotte heeft de Commissie verklaard dat zij slechts goedkeuring zal geven voor staatsgaranties indien het garantiecontract specifieke voorwaarden bevat voor het geval dat de garantie wordt ingeroepen, welke de garantieverlener in staat stellen de uit hoofde van de garantie betaalde bedragen terug te verkrijgen. De overeenkomsten waarbij door ICF en de Comunidad de Madrid garanties zijn verleend, bevatten dergelijke voorwaarden en de Commissie heeft geen reden om aan te nemen dat deze staatsgarantieverleners niet zouden overgaan tot uitwinning van de hypotheken die verleend zijn tot zekerheid voor het geval dat LSB haar verplichtingen aan haar crediteuren uit hoofde van de gegarandeerde leningen niet zou nakomen. Derhalve voldoen alle elementen van staatssteun in de overeenkomsten aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in artikel 92, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag en in artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst genoemde uitzondering, krachtens welke goedkeuring kan worden verleend voor steun om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. De steun is derhalve verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en met de werking van de EER-Overeenkomst. VIII Indien LSB niet binnen de in de overeenkomst met Fogasa gestelde termijn het volledige bedrag zou terugbetalen dat door Fogasa aan de voormalige werknemers van LSB is betaald, vermeerderd met de totale som aan rente zoals in die overeenkomst is bepaald, en Fogasa zou besluiten om niet tot uitwinning van de door LSB als zekerheid verleende hypotheek over te gaan, noch enige andere actie te ondernemen om het gehele door LSB verschuldigde bedrag terug te verkrijgen, zou de Commissie moeten beoordelen of er al dan niet sprake is van een nieuwe staatssteun ten gunste van LSB en, indien dit het geval is, of deze verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en met de werking van de EER-Overeenkomst. Dit geldt ook indien LSB in gebreke zou blijven bij de aflossing van de hoofdsom en de rente van bepaalde of alle, dank zij de door ICF en de Comunidad de Madrid verstrekte garanties verkregen, leningen en een of beide garantieverleners de schulden van LSB op zich zou nemen zonder vervolgens de hypotheken uit te winnen die LSB tot zekerheid voor de garanties heeft verleend, noch enige andere actie zou ondernemen om het gehele betrokken bedrag terug te verkrijgen. De Commissie moet evenwel wederom benadrukken dat zij geen reden ziet om aan te nemen dat LSB bij de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de rente van de leningen waarvoor ICF en de Comunidad de Madrid zich garant hebben gesteld, in gebreke zal blijven of haar verplichtingen niet zal nakomen tot terugbetaling, binnen de in de overeenkomst met Fogasa vastgestelde termijn, van het volledige bedrag, met rente, dat door Fogasa aan haar voormalige werknemers is betaald, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 1. Op voorwaarde dat wordt voldaan aan de in de leden 2 en 3 van dit artikel genoemde voorwaarden, zijn de elementen van staatssteun die in de hierna volgende overeenkomsten besloten liggen, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt op grond van artikel 92, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag en met de werking van de EER-Overeenkomst op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van die Overeenkomst: - de overeenkomst tussen het Fondo de Garantía Salarial en La Seda de Barcelona SA, krachtens welke de onderneming binnen een bepaald tijdvak 1 221 136 511 pta zal terugbetalen in verband met de betaling door het Fondo de Garantía Salarial van lonen en ontslagvergoedingen die de onderneming haar vroegere werknemers schuldig was; - de overeenkomst waarbij het Institut Català de Finances zich ten belope van maximaal 1 700 000 000 pta garant heeft gesteld voor drie leningen en voor de betaling van de rente daarover, die La Seda de Barcelona SA is aangegaan, en - de overeenkomst waarbij de Comunidad de Madrid een garantie heeft verleend ten belope van maximaal 1 000 000 000 pta voor een lening en voor de betaling van rente daarover, die La Seda de Barcelona SA is aangegaan. 2. Op 31 december 1999 mag als gevolg van de volledige uitvoering van het herstructureringsplan dat door de Spaanse Regering bij schrijven van 27 november 1995 bij de Commissie is verstrekt, de produktiecapaciteit van La Seda de Barcelona SA voor alle vormen van stapelvezels en filamentgarens op basis van polyamide, polyester, polypropyleen of acryl maximaal 67 000 ton bedragen. 3. Totdat de Commissie ervan overtuigd is dat La Seda de Barcelona SA het herziene herstructureringsplan volledig heeft uitgevoerd, moet Spanje uiterlijk drie maanden na afloop van het huidige boekjaar, en uiterlijk drie maanden na afloop van elk volgend boekjaar, de Commissie jaarlijks verslag uitbrengen over a) de vooruitgang die de onderneming bij de uitvoering van het plan heeft geboekt, met vermelding van haar produktiecapaciteit, in ton, voor elk van haar produkten, b) de ontvangst van enige steun door de onderneming sinds de datum van de onderhavige beschikking, c) de financiële positie van de onderneming, d) het totale bedrag dat de onderneming heeft terugbetaald uit hoofde van haar overeenkomst met het Fondo de Garantía Salarial en de totale bedragen die de onderneming heeft terugbetaald met betrekking tot de leningen en daarmee verbonden rente waarvoor het Institut Català de Finances en de Comunidad de Madrid garanties hebben verleend, en e) het totale bedrag dat de onderneming aan het Institut Català de Finances en aan de Comunidad de Madrid heeft betaald als jaarlijkse premie voor de door deze lichamen voor de leningen verstrekte garanties. Artikel 2 Spanje doet de Commissie binnen twee maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking mededeling van de maatregelen die zijn genomen om aan artikel 1, leden 2 en 3, te voldoen. Artikel 3 Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Spanje. Gedaan te Brussel, 30 april 1996. Voor de Commissie Karel VAN MIERT Lid van de Commissie (1) PB nr. C 253 van 29. 9. 1995, blz. 3. (2) PB nr. C 111 van 4. 11. 1971, blz. 1. (3) PB nr. L 5 van 8. 1. 1991, blz. 18. (4) PB nr. C 368 van 23. 12. 1994, blz. 12. (5) PB nr. C 346 van 30. 12. 1992, blz. 2. De geldigheidsduur van deze versie van de kaderregeling is tweemaal verlengd, zie PB nr. C 224 van 12. 8. 1994, blz. 4, en PB nr. C 142 van 8. 6. 1995, blz. 4.