31996D0559

96/559/EG: Beschikking van de Commissie van 13 maart 1996 betreffende steunverlening door het Gewest Ligurië (Italië) voor landbouwcoöperaties (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

Publicatieblad Nr. L 244 van 25/09/1996 blz. 0010 - 0014


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 13 maart 1996 betreffende steunverlening door het Gewest Ligurië (Italië) voor landbouwcoöperaties (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek) (96/559/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 234/68 van de Raad van 27 februari 1968 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector levende planten en produkten van de bloementeelt (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3290/94 (2), en met name op artikel 11, alsmede op de overeenkomstige bepalingen van de andere gemeenschappelijke marktordeningen voor landbouwprodukten,

Na overeenkomstig artikel 93, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I

1. Bij schrijven van 19 augustus 1993, geregistreerd op 30 augustus 1993, heeft de Permanente Vertegenwoordiging van Italië bij de Europese Gemeenschappen de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag in kennis gesteld van het ontwerp van Regionale Wet nr. 292/93 (Ligurië) inzake verlening van bijzondere steun voor landbouwcoöperaties, hierna "ontwerp van Wet nr. 292/93" genoemd. Bij schrijven van 22 oktober 1993 en van 13 januari 1994 hebben de Italiaanse autoriteiten in antwoord op verzoeken om nadere inlichtingen van de Commissie van, respectievelijk 16 september en 29 november 1993 aanvullende gegevens verstrekt.

Bij schrijven van 22 maart 1994 heeft de Commissie de Italiaanse Regering in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden ten aanzien van de in artikel 1 van het ontwerp van Wet nr. 292/93 opgenomen maatregelen, die lijken neer te komen op steun voor de bedrijfsvoering, waarop geen enkele van de uitzonderingsbepalingen van artikel 92 van het Verdrag van toepassing is en die derhalve als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt moet worden beschouwd.

De Commissie heeft in het kader van de genoemde procedure de Italiaanse Regering aangemaand haar opmerkingen kenbaar te maken. Door middel van een bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (3) heeft de Commissie ook de andere Lid-Staten en de overige belanghebbenden aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken.

De Italiaanse Regering heeft haar opmerkingen ingediend per telexbericht van 6 mei 1994, geregistreerd op 10 mei 1994, en per telexbericht van 12 december 1994, geregistreerd op 13 december 1994.

2. In artikel 1 van het ontwerp van Wet nr. 292/93 is bepaald dat steun wordt verleend aan coöperaties om hun schulden weg te werken.

Deze steun is bedoeld ter vermindering van financiële passiva die het gevolg zijn van:

a) in het verleden aangegane, ongesubsidieerde bankleningen om:

- investeringen zoals het optrekken van gebouwen of de aankoop van installaties en machines, te financieren,

- de aanloopkosten van de coöperaties te dekken,

- de kosten van beheer en bedrijfsvoering van de coöperaties te dekken;

(artikel 1, lid 2, onder a))

b) in de periode van 1 januari 1981 tot en met 31 december 1984 (periode waarin in Italië de rentevoeten bijzonder hoog waren) aangegane laagrentende leningen voor investeringen in grondverbetering;

(artikel 1, lid 2, onder b))

c) schulden ten opzichte van leden van de coöperatie voor geleverde en nog niet betaalde produkten.

(artikel 1, lid 2, onder c))

De begunstigden zijn coöperaties voor de oogst, de verwerking en de afzet van landbouwprodukten (grotendeels produkten van de bloementeelt) die een saneringsplan indienen. Dat plan, dat de financieel-economische situatie van de coöperatie moet beschrijven, de door de coöperatie in het vooruitzicht gestelde oplossingen moet opgeven en de verbintenis van de leden van de coöperatie tot een financiële bijdrage voor de sanering moet omvatten, wordt de overheid ter goedkeuring voorgelegd.

De steun bedraagt in totaal 2,6 miljard lire. De steun kan in de hierboven onder a) en c) beschreven gevallen tot 50 % van de betrokken passiva bedragen. In het onder b) beschreven geval stemmen de subsidies overeen met de geactualiseerde rentesubsidie voor de leningen voor grondverbetering, die maximaal kan overeenkomen met het verschil tussen de op het ogenblik van het aangaan van de leningen vastgestelde rentevoet en de huidige gesubsidieerde rentevoet.

In hun schrijven van 13 januari 1994 hebben de Italiaanse autoriteiten met betrekking tot de in artikel 1, lid 2, onder a), van het ontwerp van Wet nr. 292/93 bedoelde maatregelen meegedeeld: "de hoogte van de steun. . . is in overeenstemming met de bij Verordening (EEG) nr. 866/90 vastgestelde limieten en de begunstigde coöperaties hebben investeringen gedaan die onder de doelstellingen van artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 866/90 vallen".

3. In artikel 8 van het ontwerp van Wet nr. 292/93 is bepaald dat de wet eerst in werking treedt nadat de Commissie krachtens de artikelen 92 en 93 van het Verdrag een positieve beschikking dienaangaande zal hebben gegeven.

II

In het kader van de voornoemde procedure krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag zijn van Italiaanse zijde de volgende nadere gegevens verstrekt:

De Italiaanse autoriteiten hebben verklaard dat het gedeelte van de steun ter vermindering van de financiële passiva vanwege het verrichten van investeringen (punt 2, onder a), eerste streepje) "beantwoordt aan de voorwaarden (. . .) van de in punt 2 van de bijlage bij Beschikking 90/342/EEG van de Commissie bedoelde limieten per sector en aan de doelstellingen van artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 866/90".

Zij stellen dat de betrokken coöperaties zich genoodzaakt zouden kunnen zien hun faillissement aan te vragen, hetgeen negatieve gevolgen zou hebben voor de werkgelegenheid in de regio.

Met betrekking tot de andere voorgenomen steunmaatregelen voegen de Italiaanse autoriteiten eraan toe dat de steun "eenmalig" zal worden toegekend en dat "de steun wat de financiële dimensie ervan betreft, 2,5 miljard lire, zeer bescheiden is en geen problemen van concurrentievervalsing kan opleveren".

Bovendien voeren de Italiaanse autoriteiten aan dat de markt van de produkten van de bloementeelt niet door de activiteiten van de coöperaties zou worden verstoord en dat die activiteiten voor het milieu- en landschapsbehoud belangrijk zouden zijn.

III

Luidens artikel 92, lid 1, van het Verdrag "zijn steunmaatregelen van de Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt".

De onderhavige maatregelen hebben tot doel het voortbestaan en de werking veilig te stellen van de begunstigde coöperaties, die zonder deze steun van de markt zouden moeten verdwijnen of genoopt zouden worden economisch doeltreffender te worden.

Daarom hebben deze maatregelen tot gevolg dat de economische situatie van de begunstigde ondernemingen in vergelijking met die van hun concurrenten die de betrokken steun niet ontvangen, wordt verbeterd. Bijgevolg gaat het om maatregelen die de mededinging in de genoemde zin vervalsen of dreigen te vervalsen.

Uit de waarde van het handelsverkeer in levende planten en produkten van de bloementeelt (voor 1993: zendingen uit Italië naar de Gemeenschap: 179,59 miljoen ecu; zendingen uit de Gemeenschap naar Italië: 303,07 miljoen ecu (4)) blijkt dat de onderhavige steunmaatregelen, door de aard ervan, het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden door bevoordeling van de nationale produktie, verwerking en afzet ten koste van de marktdeelnemers uit de andere Lid-Staten.

In dit verband dient te worden onderstreept dat zelfs in geval van een vrij kleine onderneming of een vrij gering steunbedrag, zoals door de Italiaanse Regering naar voren gebracht, de mogelijkheid dat het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed, niet bij voorbaat uitgesloten moet worden geacht.

Gezien het voorafgaande, worden de betrokken steunmaatregelen beschouwd als staatssteun die aan de in artikel 92, lid 1, van het Verdrag vervatte criteria beantwoordt.

IV

1. Op het beginsel van onverenigbaarheid als neergelegd in artikel 92, lid 1, van het Verdrag bestaan echter uitzonderingen.

2. De in artikel 92, lid 2, opgenomen uitzonderingen op deze onverenigbaarheid zijn op het onderhavige geval duidelijk niet van toepassing. De Italiaanse autoriteiten hebben zich dan ook niet erop beroept.

3. De in artikel 92, lid 3, bedoelde uitzonderingen moeten bij het onderzoek van elk regionaal of sectoraal steunprogramma en van elke individuele toepassing van een algemene steunregeling strikt worden uitgelegd.

Met name kan alleen dan van deze uitzonderingsbepalingen gebruik worden gemaakt als de Commissie tot het besluit kan komen dat de steun voor het bereiken van een van de betrokken doelstellingen noodzakelijk is. Toepassing van deze uitzonderingen voor steun die niet aan deze voorwaarde voldoet, zou neerkomen op het toestaan van niet door het communautaire belang gerechtvaardigde ingrepen in het handelsverkeer tussen Lid-Staten en concurrentiedistorsies, en dus van ongerechtvaardigde voordelen voor de marktdeelnemers in sommige Lid-Staten.

4. In het onderhavige geval voldoet de steun op geen enkele wijze aan de genoemde voorwaarde. De Italiaanse Regering heeft namelijk geen feiten naar voren gebracht waaruit volgt dat de betrokken steun voor toepassing van één van de uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, van het Verdrag in aanmerking komt en de Commissie heeft dergelijke feiten ook niet ontdekt.

5. Het gaat niet om maatregelen ter bevordering van de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang in de zin van het bepaalde onder b), van genoemd artikel aangezien deze steunmaatregelen tegen het gemeenschappelijk belang indruisen door de weerslag die zij op het handelsverkeer kunnen hebben.

Het betreft evenmin steunmaatregelen om een ernstige verstoring in de economie van de betrokken Lid-Staat op te heffen in de zin van diezelfde bepaling.

6. De door de Italiaanse Regering verstrekte gegevens geven de Commissie aanleiding om de volgende opmerkingen en conclusies te formuleren.

Met betrekking tot het argument dat de betrokken coöperaties zich zonder deze steunverlening genoopt zouden zien hun faillissement aan te vragen, dient te worden opgemerkt dat het een normale gang van zaken is dat de in de markteconomie werkzame krachten tot de verdwijning van ondernemingen met onvoldoende concurrentiekracht kunnen leiden.

Zoals de Commissie bij de inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag heeft opgemerkt, kunnen deze steunmaatregelen slechts als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd indien aan een aantal welomschreven voorwaarden is voldaan, namelijk:

a) de steunmaatregelen moeten dienen om het hoofd te bieden aan lasten die voortvloeien uit leningen welke zijn aangegaan om reeds gedane investeringen te financieren;

b) het gecumuleerde subsidie-equivalent van de eventueel bij het aangaan van de leningen toegekende steun en de betrokken steun mag niet hoger zijn dan het in de regel door de Commissie geaccepteerde percentage, dit wil zeggen voor investeringen voor verwerking of afzet 55 % voor projecten die in de sectorprogramma's passen of die beantwoorden aan één van de doelstellingen van artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 866/90 van de Raad van 29 maart 1990 inzake de verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwprodukten (5), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2843/94 (6), en 35 % voor de andere projecten, voor zover het niet gaat om projecten die zijn uitgesloten op grond van de selectiecriteria als vermeld in punt 2 van de bijlage bij Beschikking 90/342/EEG van de Commissie (7), die voor de toetsing van steun aan artikel 92 van het Verdrag mutatis mutandis wordt toegepast;

c) de betrokken steun moet verband houden met een aanpassing van de rente op nieuwe leningen aan de schommelingen van de rentetarieven of moet ten goede komen aan landbouwbedrijven die garanties voor levensvatbaarheid bieden, vooral ingeval de financiële lasten in verband met bestaande leningen zo zwaar zijn dat het bestaan van de landbouwbedrijven in gevaar kan komen en voor deze mogelijk zelfs een faillissement dreigt.

Door toepassing van deze criteria wordt beoogd ervoor te zorgen dat voor saneringssteun alleen een coöperatieve onderneming in aanmerking komt die weliswaar rendabel is, maar die, nadat een op permanente verbetering van de landbouwstructuur gerichte investering is gedaan, door bijzondere, niet te voorziene en niet aan de exploitant van de coöperatieve onderneming te wijten omstandigheden, in ernstige liquiditeitsmoeilijkheden is geraakt.

De door de Italiaanse autoriteiten gemelde wettekst en de naderhand meegedeelde nadere gegevens bevatten geen informatie aan de hand waarvan geconcludeerd kan worden dat de diverse in artikel 1 van het ontwerp van Wet nr. 292/93 vervatte maatregelen aan alle bovengenoemde criteria voldoen.

Volgens het onder a) genoemde criterium mag de financieel onevenwichtige situatie van de begunstigde coöperaties slechts veroorzaakt zijn door lasten in verband met leningen die ter financiering van investeringen zijn aangegaan. Bijgevolg is het uitgesloten dat de in deel I, punt 2, onder a), tweede en derde streepje, en onder c), genoemde steunmaatregelen beantwoorden aan de maatstaven die de Commissie gewoonlijk hanteert ten aanzien van steunmaatregelen ten gunste van coöperaties in moeilijkheden.

De in deel I, punt 2, onder a), eerste streepje, en onder b), beschreven steun houdt wel verband met investeringen die aan de in dit punt 6, onder a), gestelde voorwaarde voldoen, doch op grond van het hierboven onder b) vermelde criterium kan deze steun niet met de communautaire voorschriften in overeenstemming worden geacht.

Hoewel de Italiaanse autoriteiten hebben verklaard dat aan de doelstellingen van artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 866/90 alsook aan de sectorlimieten voldaan is, hetgeen overigens niet in het ontwerp van Wet nr. 292/93 onder de voorwaarden om voor de steun in aanmerking te komen, is opgenomen, stelt de Commissie vast dat zij niet in kennis is gesteld van de nodige elementen om het netto-subsidie-equivalent te berekenen, hoewel door haar daarom ter nadere informatie was verzocht en die het voorwerp waren van het besluit om de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden.

Bovendien hebben de Italiaanse autoriteiten met betrekking tot de in punt 6, onder c), vermelde voorwaarde (de garantie voor levensvatbaarheid) geen enkele parameter of ander economisch criterium meegedeeld om de levensvatbaarheid van de begunstigde coöperaties te bepalen, en de Commissie heeft deze niet kunnen ontdekken.

Overigens is de economische rentabiliteit geen "conditio sine qua non" voor de toekenning van steun, maar krachtens artikel 4 van het ontwerp van wet slechts één van de diverse criteria om de prioriteit bij de toekenning van de genoemde steun vast te stellen.

Voorts had de Commissie in haar besluit om de procedure in te leiden vermeld dat de moeilijkheden van de coöperaties aan externe factoren te wijten moesten zijn. De van de Italiaanse autoriteiten ontvangen gegevens bevatten evenwel geen informatie aan de hand waarvan de veronderstelling kan worden uitgesloten dat het om steunmaatregelen gaat die, althans gedeeltelijk, bestemd zijn om uitgaven wegens onrendabel beheer van de coöperaties te dekken.

Aangezien de in artikel 1 van het ontwerp van Wet nr. 292/93 bedoelde steun niet aan alle onder a), b) en c) vermelde voorwaarden voldoet, gaat het om steun die op de ontwikkeling van de betrokken sector geen duurzaam effect kan hebben en die bijgevolg niet verenigbaar is met de maatstaven die de Commissie volgens vaste praktijk hanteert.

7. Overigens zijn de overwogen maatregelen evenmin in overeenstemming met de communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (8).

Deze richtsnoeren van deze kaderregeling, die in 1994 door de Commissie is vastgesteld nadat de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag was ingeleid, geven aan wat ten aanzien van reddings- en herstructureringssteun in alle sectoren het algemene standpunt is.

In de landbouwsector kan een Lid-Staat desgewenst ten aanzien van individuele begunstigden de algemene richtsnoeren toepassen in plaats van de bijzondere voorschriften die ten tijde van de inleiding van de procedure worden toegepast daar er toen geen andere mogelijkheid was.

In de kaderregeling is onder meer bepaald dat reddingssteun moet bestaan in kassteun in de vorm van een kredietgarantie of af te lossen kredieten tegen een rente gelijk aan de marktrente.

Nog steeds volgens die kaderregeling is voor elk herstructureringsplan de condition sine qua non "dat het de levensvatbaarheid en gezondheid op lange termijn van de onderneming dient te herstellen binnen een redelijk tijdsbestek en op grond van realistische veronderstellingen inzake de omstandigheden waaronder de onderneming in de toekomst zal functioneren. Derhalve moet herstructureringssteun gekoppeld zijn aan een levensvatbaar herstructurerings- of herstelprogramma dat in detail aan de Commissie is voorgelegd.".

Omdat aan geen enkele van de bovengenoemde voorwaarden is voldaan, kan de betrokken steun niet worden aangemerkt als reddings- en herstructureringssteun aan een onderneming in moeilijkheden.

De Commissie constateert daarom dat deze maatregelen niet in aanmerking kunnen komen voor toepassing van de uitzonderingen in artikel 92, lid 3, onder a) en c), van het Verdrag wat steun ter bevordering of vergemakkelijking van de economische ontwikkeling van de regio's betreft, en onder c), van het Verdrag wat steun voor de ontwikkeling van bepaalde bedrijvigheid betreft.

8. Wat de activiteit van de coöperaties betreft en de invloed ervan op het milieu en de uiterst belangrijke rol ervan voor het landschapsschoon van het Gewest Ligurië, waarvan de Italiaanse autoriteiten gewaagden, zijn door deze autoriteiten geen nadere gegevens verstrekt om na te kunnen gaan of en, in voorkomend geval, in hoeverre de steunmaatregel in de eerste plaats milieubescherming tot doel heeft.

De Commissie kan dan ook de door de Italiaanse Regering aangevoerde rechtvaardiging niet aanvaarden.

9. Op grond van het voorafgaande komt de betrokken steun voor geen enkele van de uitzonderingen van artikel 92 van het Verdrag in aanmerking en moet deze steun als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De steun als bedoeld in artikel 1 van het ontwerp van Wet nr. 292/93 van het Gewest Ligurië is krachtens artikel 92 van het EG-Verdrag onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en mag niet worden toegekend.

Artikel 2

Italië moet de in artikel 1 binnen twee maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving van deze beschikking, genoemde bepaling schrappen.

Artikel 3

Italië stelt de Commissie binnen twee maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van deze beschikking, in kennis van de maatregelen die zijn genomen om aan deze beschikking te voldoen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 13 maart 1996.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 55 van 2. 3. 1968, blz. 1.

(2) PB nr. L 349 van 31. 12. 1994, blz. 105.

(3) PB nr. C 159 van 10. 6. 1994, blz. 3.

(4) Eurostat-Comext.

(5) PB nr. L 91 van 6. 4. 1990, blz. 1.

(6) PB nr. L 302 van 25. 11. 1994, blz. 1.

(7) PB nr. L 163 van 29. 6. 1990, blz. 71.

(8) PB nr. C 368 van 23. 12. 1994, blz. 12.