96/482/EG: Beschikking van de Commissie van 12 juli 1996 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften en veterinaire certificering voor de invoer van pluimvee en broedeieren uit derde landen, met uitzondering van loopvogels (Ratitae) en van eieren daarvan, en van de na invoer toe te passen veterinairrechtelijke maatregelen (Voor de EER relevante tekst)
Publicatieblad Nr. L 196 van 07/08/1996 blz. 0013 - 0027
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 12 juli 1996 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften en veterinaire certificering voor de invoer van pluimvee en broedeieren uit derde landen, met uitzondering van loopvogels (Ratitae) en van eieren daarvan, en van de na invoer toe te passen veterinairrechtelijke maatregelen (Voor de EER relevante tekst) (96/482/EG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Richtlijn 90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (1), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, en met name op artikel 23, lid 1, op artikel 24 en op artikel 26, lid 2, Gelet op Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (2), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, en met name op artikel 10, Overwegende dat bij Beschikking 95/233/EG van de Commissie (3) een lijst van derde landen is vastgesteld van waaruit in beginsel levend pluimvee en broedeieren mogen worden ingevoerd; Overwegende dat de in de lijst opgenomen landen voldoende waarborgen bieden om overeenkomstig Beschikking 93/342/EEG van de Commissie (4), gewijzigd bij Beschikking 94/438/EG (5), als vrij van aviaire influenza en van "Newcastle disease" (pseudo-vogelpest) te worden aangemerkt; Overwegende dat derhalve de algemene en bijzondere veterinairrechtelijke voorschriften en de modellen van diergezondheidscertificaten voor de invoer van levend pluimvee en van broedeieren dienen te worden vastgesteld; dat ook de voorschriften voor monsterneming en onderzoek dienen te worden vastgesteld; dat alle betrokken voorschriften minstens gelijkwaardig behoeven te zijn aan die welke bij Richtlijn 90/539/EEG en bij de uitvoeringsbeschikkingen daarvan voor het intracommunautaire handelsverkeer zijn vastgesteld; Overwegende dat bij Beschikking 96/483/EG van de Commissie (6) een lijst van derde landen is vastgesteld, welke landen de in de onderhavige beschikking vervatte certificaten mogen gebruiken; Overwegende dat voor kleine partijen pluimvee van deze voorschriften en derhalve ook van deze certificaten kan worden afgeweken; dat de voorwaarden en modelcertificaten voor dergelijke kleine partijen bij afzonderlijke beschikking dienen te worden vastgesteld; Overwegende dat derhalve rekening moet worden gehouden met de algemene dierziektesituatie in de betrokken derde landen; dat uit bepaalde derde landen van bovengenoemde lijst slechts de invoer van bepaalde categorieën levend pluimvee en broedeieren mag worden toegestaan; Overwegende dat, wegens de biologische verschillen tussen loopvogels (Ratitae) en andere pluimveesoorten, de vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften en veterinaire certificering voor de invoer van die vogels en van broedeieren daarvan dient te worden uitgesteld tot het Wetenschappelijk Veterinair Comité over de aan de invoer daarvan verbonden risico's advies heeft uitgebracht; Overwegende dat het voor de betrokken categorie produkten en met het oog op het behoud van de gezondheidsstatus van het hele grondgebied van de Gemeenschap noodzakelijk is een afzonderings- en observatieperiode in te stellen, na afloop waarvan een klinisch onderzoek dient te worden verricht; Overwegende dat wanneer zich in de dierziektesituatie van de betrokken landen een verandering mocht voordoen, de Commissie deze beschikking te allen tijde kan herzien; Overwegende dat de in deze beschikking vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Veterinair Comité, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 1. Deze beschikking is van toepassing voor de invoer van pluimvee en van broedeieren als omschreven in artikel 2, punten 1 en 2, van Richtlijn 90/539/EEG, met uitzondering van loopvogels (Ratitae) en van broedeieren daarvan. 2. Deze beschikking geldt niet voor de invoer van afzonderlijke partijen van minder dan twintig stuks levend pluimvee, respectievelijk broedeieren. 3. Voor de toepassing van deze beschikking gelden, in voorkomend geval, de definities van artikel 1 van Beschikking 93/342/EEG. Artikel 2 1. De Lid-Staten staan de invoer toe van: a) fok- en gebruikspluimvee, overeenkomstig de voorwaarden van het diergezondheidscertificaat in bijlage I, model A; de dieren moeten afkomstig zijn uit de in kolom A van de bijlage van Beschikking 96/483/EG aangekruiste derde landen of gebieden daarvan; b) broedeieren, overeenkomstig de voorwaarden van het diergezondheidscertificaat in bijlage I, model B; de eieren moeten afkomstig zijn uit de in kolom B van de bijlage van Beschikking 96/483/EG aangekruiste derde landen of gebieden daarvan; c) eendagskuikens, overeenkomstig de voorwaarden van het diergezondheidscertificaat in bijlage I, model C; de dieren moeten afkomstig zijn uit de in kolom C van de bijlage van Beschikking 96/483/EG aangekruiste derde landen of gebieden daarvan; d) slachtpluimvee en pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, overeenkomstig de voorwaarden van het diergezondheidscertificaat in bijlage I, model D; de dieren moeten afkomstig zijn uit de in kolom D van de bijlage van Beschikking 96/483/EG aangekruiste derde landen of gebieden daarvan, mits vergezeld van een desbetreffend, naar behoren ingevuld en ondertekend certificaat. 2. Het fok- en gebruikspluimvee, de broedeieren en de eendagskuikens uit derde landen moeten afkomstig zijn uit inrichtingen die door het betrokken derde land zijn erkend onder voorwaarden die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld bij Richtlijn 90/539/EEG, bijlage II, en voor zover de erkenning van deze inrichtingen niet is geschorst of ingetrokken. Artikel 3 1. Fok- en gebruikspluimvee of eendagskuikens worden na invoer ten minste zes weken, te rekenen vanaf de dag van aankomst, of, wanneer de dieren vóór de afloop van deze termijn van zes weken worden geslacht, tot de slachtdatum op het bedrijf, respectievelijk de bedrijven van bestemming gehouden. Van ingevoerde broedeieren afkomstig pluimvee wordt ten minste drie weken, te rekenen vanaf de dag van het uitbroeden, op het bedrijf, respectievelijk bedrijven gehouden waarnaar de kuikens na het uitbroeden zijn verzonden. 2. Gedurende de in lid 1 genoemde perioden en gedurende het uitbroeden wordt het ingevoerde pluimvee, respectievelijk worden de ingevoerde eieren en het van die eieren afkomstige pluimvee gescheiden gehouden van niet-ingevoerde dieren, respectievelijk eieren. Daartoe wordt het pluimvee gehouden in ruimten waar geen andere koppels aanwezig zijn en worden de eieren in afgezonderd gehouden voorbroeders en uitkomstkasten uitgebroed. In afwijking van de eerste alinea mogen de Lid-Staten toestaan dat ingevoerd pluimvee in ruimten wordt geplaatst waar reeds ander pluimvee aanwezig is of dat ingevoerde eieren bij andere eieren in de voorbroeder, respectievelijk uitkomstkast worden ingelegd. In dat geval nemen de in lid 1 bedoelde perioden een aanvang nadat het laatste ingevoerde dier of ei is binnengebracht, respectievelijk ingelegd. Uiterlijk aan het einde van de in lid 1 genoemde perioden worden de dieren door een erkende dierenarts klinisch onderzocht en worden zo nodig monsters genomen om de gezondheidstoestand ervan na te gaan. De in lid 1 bedoelde perioden worden verlengd, wanneer verdenking van besmetting met "Newcastle disease" of met aviaire influenza niet als ongegrond kan worden afgewezen. Artikel 4 Wanneer het pluimvee, de broedeieren en de eendagskuikens en/of de koppels van herkomst op grond van de eisen in de in bijlage I vermelde certificaten aan tests moeten worden onderworpen, worden deze tests en de monsternemingen voor deze tests volgens de voorschriften van bijlage II uitgevoerd. Artikel 5 Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 oktober 1996. Artikel 6 Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten. Gedaan te Brussel, 12 juli 1996. Voor de Commissie Franz FISCHLER Lid van de Commissie (1) PB nr. L 303 van 31. 10. 1990, blz. 6. (2) PB nr. L 268 van 24. 9. 1991, blz. 56. (3) PB nr. L 156 van 7. 7. 1995, blz. 76. (4) PB nr. L 137 van 8. 6. 1993, blz. 24. (5) PB nr. L 181 van 15. 7. 1994, blz. 35. (6) Zie bladzijde 28 van dit Publikatieblad. BIJLAGE I >REFERENTIE NAAR EEN FILM> BIJLAGE II Voorschriften voor de normalisatie van materiaal en werkwijzen voor veterinaire tests in verband met de invoer van pluimvee en broedeieren uit derde landen 1. Newcastle disease (pseudo-vogelpest) De bemonsterings- en onderzoekmethoden moeten in overeenstemming zijn met de methoden die zijn beschreven in Beschikking 92/340/EEG van de Commissie met betrekking tot het onderzoek van pluimvee op Newcastle disease vóór verzending, krachtens artikel 12 van Richtlijn 90/539/EEG van de Raad. 2. Salmonella pullorum - De bemonsteringsmethoden moeten in overeenstemming zijn met de in hoofdstuk III van bijlage II bij Richtlijn 90/539/EEG beschreven methoden. - De onderzoekmethoden moeten in overeenstemming zijn met de door het OIE in Parijs uitgegeven Manual of Standards for diagnostic tests and vaccines (B67). 3. Salmonella gallinarum - De bemonsteringsmethoden moeten in overeenstemming zijn met de in hoofdstuk III van bijlage II bij Richtlijn 90/539/EEG beschreven methoden. - De onderzoekmethoden moeten in overeenstemming zijn met de door het OIE in Parijs uitgegeven Manual of Standards for diagnostic tests and vaccines (B62). 4. Salmonella arizonae Serologisch onderzoek: bij 60 dieren moeten bij het in de leg komen monsters worden genomen. Het onderzoek moet worden uitgevoerd overeenkomstig de methoden die zijn beschreven in de door het OIE in Parijs uitgegeven Manual of Standards for diagnostic tests and vaccines (B31, B47). 5. Mycoplasma gallisepticum - De bemonsteringsmethoden moeten in overeenstemming zijn met de in hoofdstuk III van bijlage II bij Richtlijn 90/539/EEG beschreven methoden. - De onderzoekmethoden moeten in overeenstemming zijn met de door het OIE in Parijs uitgegeven Manual of Standards for diagnostic tests and vaccines (B65). 6. Mycoplasma meleagridis De bemonsteringsmethoden moeten in overeenstemming zijn met de in hoofdstuk III van bijlage II bij Richtlijn 90/539/EEG beschreven methoden.