31995R2221

Verordening (EG) nr. 2221/95 van de Commissie van 20 september 1995 houdende nadere bepalingen ter toepassing van Verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad ten aanzien van de fysieke controle bij de uitvoer van voor een restitutie in aanmerking komende landbouwprodukten

Publicatieblad Nr. L 224 van 21/09/1995 blz. 0013 - 0018


VERORDENING (EG) Nr. 2221/95 VAN DE COMMISSIE van 20 september 1995 houdende nadere bepalingen ter toepassing van Verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad ten aanzien van de fysieke controle bij de uitvoer van voor een restitutie in aanmerking komende landbouwprodukten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad van 12 februari 1990 inzake de controle bij de uitvoer van landbouwprodukten die in aanmerking komen voor restituties of andere bedragen (1), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 163/94 (2), en met name op artikel 6,

Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 2030/90 van de Commissie (3) bepalingen ter toepassing van Verordening (EEG) nr. 386/90 zijn vastgesteld; dat deze bepalingen slechts die punten bestreken die strikt noodzakelijk waren om de communautaire regeling spoedig te kunnen toepassen, met dien verstande dat zij dan later op grond van de verworven ervaring zouden worden aangevuld met name ten aanzien van de kwalitatieve aspecten van de betrokken fysieke controle;

Overwegende dat de reeds bestaande controlemaatregelen in aanmerking dienen te worden genomen, met name die welke getroffen zijn in het raam van:

- Verordening (EEG) nr. 2200/87 van de Commissie van 8 juli 1987 tot vaststelling van algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling in de Gemeenschap van produkten voor levering als communautaire voedselhulp (4), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 790/91 (5);

- Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (6), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1384/95 (7);

Overwegende dat de Commissie in haar Aanvullend Verslag aan de Raad (8) over de toepassing van Verordening (EEG) nr. 386/90 nadrukkelijk haar voornemen te kennen heeft gegeven om het begrip "fysieke controle", bedoeld in artikel 2, onder a), van Verordening (EEG) nr. 386/90, nauwkeurig te omschrijven om tot een eenvormige toepassing van de communautaire regelgeving in de Lid Staten te komen;

Overwegende dat maatregelen dienen te worden genomen om te allen tijde te kunnen vaststellen of het controlepercentage van 5 % is bereikt;

Overwegende dat een regeling dient te worden getroffen voor de gevallen waarin het aantal uitvoertransacties dat door een douanekantoor wordt verwerkt, uiterst gering is;

Overwegende dat, gezien het gevaar van substitutie wanneer de aanvaarding van een uitvoeraangifte geschiedt door een in het binnenland gevestigd douanekantoor van een Lid-Staat, een minimumaantal door het douanekantoor van uitgang uit het grondgebied van de Gemeenschap te verrichten "substitutiecontroles" dient te worden vastgesteld; dat wegens de plaats waar deze substitutiecontroles worden verricht, deze een "vereenvoudigd" karakter moeten hebben;

Overwegende dat, om het substitutierisico te beperken, alle vervoermiddelen of colli dienen te worden verzegeld, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin de identificatie van de produkten op een andere wijze kan worden gewaarborgd;

Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (9), gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, en de bij Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (10), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1762/95 (11), vastgestelde uitvoeringsbepalingen daarvan, met name van toepassing zijn op de uitvoer van alle industrie- of landbouwprodukten; dat in het geval van landbouwprodukten waarvoor restituties bij uitvoer worden toegekend, bijzondere bepalingen noodzakelijk kunnen blijken;

Overwegende dat ter vergemakkelijking van de praktische toepassing van de nieuwe bepalingen en ter wille van de duidelijkheid en de administratieve doeltreffendheid, Verordening (EEG) nr. 2030/90 dient te worden vervangen;

Overwegende dat deze maatregelen, die noodzakelijk en proportioneel zijn en op uniforme wijze moeten worden toegepast, door de opgedane ervaring worden gevergd;

Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van alle betrokken Comités van beheer,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij deze verordening worden de nieuwe uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de in artikel 2, onder a), van Verordening (EEG) nr. 386/90 bedoelde fysieke controle, alsmede voor de in artikel 3 bis van dezelfde verordening bedoelde substitutiecontrole.

Artikel 2

1. Deze verordening is:

a) van toepassing op de uitvoer van landbouwprodukten naar derde landen en op de in de artikelen 34 en 42 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 bedoelde gelijkgestelde transacties waarvoor een restitutie wordt gevraagd, behalve in de gevallen waarin lid 2 wordt toegepast;

b) niet van toepassing op uitvoertransacties in het kader van de communautaire voedselhulp als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2200/87, waarvoor een bijzonder controlestelsel bestaat.

2. Onverminderd de in artikel 35, lid 4, en artikel 42, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 bedoelde controlemaatregelen, behoeven de Lid-Staten de fysieke en de substitutiecontroles niet op de in de artikelen 34 en 42 van genoemde verordening bedoelde leveranties toe te passen, wanneer de betrokken exporteurs voor de in artikel 35 van genoemde verordening en, in voorkomend geval, de in de artikelen 488 tot en met 494 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde procedure in aanmerking komen.

3. De Lid-Staten behoeven voor de berekening van het in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 386/90 bedoelde minimumpercentage van de te verrichten controles geen rekening te houden met uitvoeraangiften die betrekking hebben op een hoeveelheid van ten hoogste - 5 000 kilogram in de granen- en rijstsector, en - 500 kilogram wat de overige produkten betreft.

4. De Lid-Staten die van de in de leden 2 en 3 bedoelde mogelijkheden gebruik maken, stellen de nodige bepalingen vast om verlegging en misbruik te voorkomen.

Artikel 3

Voor de bepaling van de grondslag voor de berekening van het percentage voor het verrichten van de in artikel 2, onder a), van Verordening (EEG) nr. 386/90 bedoelde fysieke controles wordt onder "douanekantoor" als bedoeld in artikel 3, lid 2, eerste streepje, van genoemde verordening verstaan, elk kantoor dat bevoegd is om de formaliteiten ten uitvoer van de betrokken produkten te vervullen.

Artikel 4

Voor de toepassing van artikel 3, lid 2, derde streepje, van Verordening (EEG) nr. 386/90 worden de produkten die onder eenzelfde gemeenschappelijke landbouwmarktordening vallen, geacht van één enkele produktsector deel uit te maken.

Evenwel vormen de produkten van de sectoren granen en rijst één enkele produktsector, hetgeen eveneens geldt voor die welke niet onder bijlage II van het Verdrag vallen.

Artikel 5

1. Onder "fysieke controle" in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EEG) nr. 386/90 wordt verstaan, het onderzoek van de overeenstemming tussen de aangifte ten uitvoer, met inbegrip van de eventuele documenten ter staving, en de goederen wat hoeveelheid, aard en kenmerken ervan betreft.

In situaties als bedoeld in de bijlage moeten de aldaar beschreven methoden worden toegepast.

Het douanekantoor van uitvoer ziet erop toe dat artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 wordt nageleefd.

2. Een fysieke controle waarvoor de exporteur van tevoren uitdrukkelijk of stilzwijgend is gewaarschuwd, mag niet als fysieke controle worden meegerekend.

De eerste alinea geldt niet wanneer de boekhouding van een onderneming aan een controle volgens punt 3, onder a), van de bijlage wordt onderworpen.

3. Indien een douanekantoor van uitvoer per jaar en per sector minder dan twintig aangiften ten uitvoer aanvaardt, dient per sector ten minste één uitvoeraangifte aan een fysieke controle te worden onderworpen.

4. Indien de hoogte van de restitutie afhankelijk is van een bepaald gehalte, neemt het douanekantoor van uitvoer in het raam van de fysieke controle representatieve monsters om de bestanddelen ervan in het bevoegde laboratorium te doen analyseren.

Artikel 6

Teneinde de identiteit van de uit te voeren goederen tussen het douanekantoor van uitvoer en dat van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap te waarborgen, dienen de vervoermiddelen of de colli overeenkomstig het bepaalde in artikel 349 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 te worden verzegeld.

Artikel 7

1. Elk douanekantoor van uitvoer treft maatregelen die het mogelijk maken te allen tijde vast te stellen of het controlepercentage van 5 % is bereikt.

Deze maatregelen doen per sector blijken:

- het aantal voor de fysieke controle in aanmerking genomen uitvoeraangiften, en - het aantal verrichte fysieke controles.

2. Over elke fysieke controle wordt door de bevoegde douaneambtenaar die de controle heeft verricht, een gedetailleerd verslag opgesteld.

Dit verslag bevat de datum en de naam van de bevoegde ambtenaar. De verslagen worden gedurende drie jaar na het jaar van uitvoer door het douanekantoor van uitvoer of door een ander kantoor op een gemakkelijk te raadplegen wijze bewaard.

3. Op het controle-exemplaar T5 dat de goederen vergezelt, wordt in vak D de volgende vermelding aangebracht:

a) "386/90", wanneer het douanekantoor van uitvoer een fysieke controle heeft verricht;

b) "2200/87", wanneer het uitvoer in het kader van communautaire voedselhulp betreft.

Indien het douanekantoor van uitgang en dat van uitvoer in dezelfde Lid-Staat zijn gelegen, wordt de in de eerste alinea bedoelde vermelding aangebracht op het nationale document dat de goederen vergezelt.

Artikel 8

1. Bij voorafbetaling van de restitutie overeenkomstig de artikelen 25 tot en met 29 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 mag de door de bevoegde autoriteiten:

- bij inslag of gedurende de opslag, in het in artikel 28 van genoemde verordening bedoelde geval,

- na de verwerking, in het in artikel 27 van genoemde verordening bedoelde geval,

uitgevoerde fysieke controle voor de berekening van het in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 386/90 bedoelde minimumcontrolepercentage in aanmerking worden genomen voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) de voorafgaand aan het vervullen van de douaneformaliteiten ten uitvoer verrichte fysieke controle even grondig is als die welke overeenkomstig artikel 5 van de onderhavige verordening wordt verricht, en b) de produkten en goederen die aan de voorafgaandelijk verrichte fysieke controle waren onderworpen, identiek zijn aan die waarop de aangifte ten uitvoer betrekking heeft.

2. Indien voorafgaand aan het vervullen van de douaneformaliteiten ten uitvoer analyses en andere fysieke controles zijn verricht op grond van communautaire of van nationale bepalingen die voor de betrokken douaneregeling dan wel voor de op de betrokken produkten en goederen toegepaste fabricageprocédés gelden, is lid 1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

1. Indien de aangifte ten uitvoer is aanvaard door een douanekantoor van uitvoer niet zijnde het douanekantoor van uitgang, dient het douanekantoor van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, een substitutiecontrole te verrichten.

2. Onverminderd de op grond van andere bepalingen getroffen controlemaatregelen, wordt ten minste eenmaal per dag, zoveel mogelijk op basis van een risicoanalyse, een substitutiecontrole verricht indien het douanekantoor van uitvoer het vervoermiddel of de colli niet heeft verzegeld.

3. Indien, gelet op de vereisten van het derde land van bestemming, een veterinair zegel is aangebracht en een douaneverzegeling is geschied, wordt de substitutiecontrole slechts bij vermoeden van fraude verricht.

4. De substitutiecontrole bestaat uit het visueel nagaan of de goederen overeenstemmen met de omschrijving ervan in het document dat deze van het douanekantoor van uitvoer naar dat van uitgang heeft vergezeld.

Er worden slechts monsters voor analyse genomen wanneer het douanekantoor van uitgang de overeenstemming van de goederen en het vergezellende document niet visueel en aan de hand van de gegevens van de verpakking of de documenten kan nagaan. In dat geval is artikel 5, lid 4, niet van toepassing.

5. Elk douanekantoor van uitgang treft maatregelen waaruit te allen tijde blijkt:

- het aantal voor de substitutiecontrole in aanmerking genomen uitvoeraangiften, en - het aantal verrichte substitutiecontroles.

Wanneer het douanekantoor van uitgang een monster heeft genomen, wordt op het controle-exemplaar T5 of, in voorkomend geval, op het nationaal document dat aan de bevoegde autoriteit wordt teruggezonden, de vermelding "monster genomen" aangebracht.

Een duplicaat of een kopie van het officiële document wordt bij het douanekantoor van uitgang bewaard.

6. Het douanekantoor van uitgang licht de in lid 5 bedoelde bevoegde autoriteit schriftelijk over de uitslag van de analyse in door mede te delen:

- ofwel "analyseresultaat conform",

- ofwel het eigenlijke analyseresultaat, indien dit resultaat niet met de aangifte van het produkt overeenstemt.

Artikel 10

Verordening (EEG) nr. 2030/90 wordt ingetrokken.

Artikel 11

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing vanaf 1 januari 1996 voor de uitvoeraangiften die op of na die datum worden aanvaard.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 20 september 1995.

Voor de Commissie Franz FISCHLER Lid van de Commissie

BIJLAGE

Voor het verrichten van een fysieke controle toe te passen methoden

1. a) Indien de exporteur voor het laden van de onverpakte goederen gebruik maakt van geijkte gesloten automatische laad- en weeginrichtingen, wordt de overeenstemming tussen de uitvoeraangifte en de goederen op zodanige wijze gecontroleerd dat de hoeveelheid door de geijkte automatische weeginrichtingen en de aard en de kenmerken door middel van representatieve steekproeven worden vastgesteld.

Bovendien controleert het douanekantoor van uitvoer steekproefsgewijze of:

- de weeg- en laadinrichtingen zich niet lenen voor omleiding van de goederen of voor andere manipulatie,

- de ijktermijn van de weeginrichting niet is verlopen en de verzegeling intact is indien het een gesloten weeginrichting betreft,

- de gewogen partijen daadwerkelijk in het opgegeven vervoermiddel worden geladen, en - de gegevens in de weegboeken of -bewijzen overeenstemmen met die in de laaddocumenten.

b) In uitzonderlijke gevallen waarin de hoeveelheid van de onverpakte goederen niet door een geijkte automatische weeginrichting wordt vastgesteld, maakt het douanekantoor gebruik van een ander, in commercieel opzicht bevredigend controlemiddel.

2. a) Indien de exporteur voor het verpakken van de aangegeven goederen in zakken, dozen, flessen, enz., en het wegen/meten ervan gebruik maakt van geijkte automatische inrichtingen of van verpakkingen of flessen in de zin van de Richtlijnen 75/106/EEG (1) en 75/107/EEG van de Raad (2), moet het aantal zakken, dozen, flessen, enz. in beginsel volledig worden geteld en moeten de aard en de kenmerken door middel van representatieve steekproeven door het douanekantoor van uitvoer worden gecontroleerd. Het gewicht of de maat wordt vastgesteld door de geijkte automatische weeg-/meetinrichting of aan de hand van de verpakking of de flessen in de zin van de voornoemde richtlijnen. Het douanekantoor van uitvoer kan een zak, een doos of een fles wegen of meten.

Indien de inrichting met een automatische teller is uitgerust, mogen de vaststellingen van de automatische teller in aanmerking worden genomen voor de fysieke controle wat betreft de hoeveelheid.

Punt 1.a), tweede alinea, is van overeenkomstige toepassing.

Indien de exporteur gebruik maakt van pallets die geladen zijn met kisten, dozen, enz., kiest het douanekantoor van uitvoer representatieve pallets uit en controleert het of deze het opgegeven aantal kisten, dozen, enz. bevatten. Het douanekantoor kiest uit deze pallets een aantal representatieve kisten of dozen en controleert of deze het opgegeven aantal flessen, stuks, enz. bevatten.

b) Indien de exporteur geen gebruik maakt van inrichtingen als bedoeld onder a), alinea's 1 en 2, moet het douanekantoor van uitvoer het aantal zakken, dozen, enz. tellen. De aard en de kenmerken, het gewicht of de maat worden door middel van representatieve steekproeven gecontroleerd. De voorgaande alinea is van overeenkomstige toepassing.

3. a) Voor goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen en die - verpakt zijn voor verkoop in de detailhandel of gegevens over inhoud en gewicht op de onmiddellijke verpakking dragen, en - ofwel voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1222/94 van de Commissie (3), ofwel waarvoor de gebruikte hoeveelheden produkt vastgesteld zijn in bijlage C bij die verordening,

kan het douanekantoor van uitvoer als volgt te werk gaan:

aa) eerst worden het gewicht en de inhoud van de niet onder bijlage II vallende goederen in de onmiddellijke verpakking gecontroleerd aan de hand van de desbetreffende gegevens op de onmiddellijke verpakking. Het kantoor kan uit de partij één stuk nemen en het wegen zonder verpakking;

bb) vervolgens wordt de totale hoeveelheid van de niet onder bijlage II vallende goederen in de onmiddellijke verpakking - in beginsel - geteld en/of gewogen.

Punt 2, onder a) en b), is van overeenkomstige toepassing.

Het kantoor kan een monster nemen om te verifiëren of er geen substitutie heeft plaatsgevonden. Artikel 5, lid 4, van de onderhavige verordening is niet van toepassing;

cc) aaa) het douanekantoor van uitvoer mag aannemen dat de samenstelling van deze niet onder bijlage II vallende goederen klopt, indien de op de onmiddellijke verpakking vermelde omschrijving en inhoud in overeenstemming zijn met de uitvoeraangifte en met de identificatiecode waaronder de ten hoogste één jaar voor de uitvoer door de bevoegde autoriteiten gecontroleerde fabricageformule is geregistreerd.

In dat geval zorgt het douanekantoor van uitvoer ervoor dat de onder de bevoegde autoriteiten ressorterende controleur van de boekhouding achteraf zo spoedig mogelijk verifieert of de geproduceerde en de uitgevoerde goederen identiek zijn. De controleur stelt het douanekantoor van uitvoer hierna in kennis van het resultaat.

Indien de fabricageformule nog niet officieel is geverifieerd, zorgt het douanekantoor van uitvoer ervoor dat deze verificatie en een identiteitscontrole achteraf zo spoedig mogelijk worden verricht door de onder de bevoegde autoriteiten ressorterende controleur van de boekhouding;

bbb) met het oog op de toepassing van deze methode voor het verifiëren van de samenstelling van niet onder bijlage II vallende goederen, stelt de Lid-Staat vooraf een procedure vast die het volgende inhoudt:

- de samenstelling van de betrokken niet onder bijlage II vallende goederen kan worden geverifieerd aan de hand van de boekhouding en de specifieke documenten betreffende de produktie;

- de produktiedocumenten van de onderneming moeten zodanig zijn opgesteld dat de overeenstemming tussen de geproduceerde niet onder bijlage II vallende goederen, de fabricageformule en de uitgevoerde goederen kan worden geverifieerd, en - de overeenstemming tussen de uitgevoerde goederen, de daarop betrekking hebbende uitvoeraangifte, de fabricageformule en de geproduceerde goederen moet a posteriori door de controleur van de boekhouding kunnen worden geverifieerd.

b) De specifieke documenten betreffende de produktie van de betrokken niet onder bijlage II van het Verdrag vallende goederen dienen na het jaar van de uitvoer nog drie jaar lang door de onderneming te worden bewaard.

c) Wanneer de procedure van punt 3, onder a), niet wordt toegepast, moet het douanekantoor van uitvoer representatieve monsters nemen, onverminderd het bepaalde in artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1222/94.