Verordening (EG) nr. 1238/95 van de Commissie van 31 mei 1995 houdende toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad met betrekking tot de aan het Communautair Bureau voor Planterassen te betalen rechten
Publicatieblad Nr. L 121 van 01/06/1995 blz. 0031 - 0036
VERORDENING (EG) Nr. 1238/95 VAN DE COMMISSIE van 31 mei 1995 houdende toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad met betrekking tot de aan het Communautair Bureau voor Planterassen te betalen rechten DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (1), en met name op artikel 113, Overwegende dat Verordening (EG) nr. 2100/94, hierna "basisverordening" genoemd, ten uitvoer wordt gelegd door het Communautair Bureau voor Planterassen, hierna "het Bureau" genoemd; dat de ontvangsten van het Bureau in beginsel moeten volstaan om een sluitende begroting van het Bureau te waarborgen; dat die ontvangsten voortvloeien uit de rechten die op grond van de basisverordening en van Verordening (EG) nr. 1239/95 van de Commissie van 31 mei 1995 houdende voorschriften ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad, betreffende de procedures voor het Communautair Bureau voor Planterassen (2), hierna "de procedureverordening" genoemd, voor ambtsverrichtingen en voor elk jaar dat een communautair kwekersrecht geldt, moeten worden betaald; Overwegende dat tijdens de in artikel 113, lid 3, onder b), van de basisverordening vastgestelde overgangsperiode een subsidie uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen de uitgaven kan dekken die met de aanloopfase van het Bureau verband houden; dat deze periode op grond van genoemde bepaling met één jaar kan worden verlengd; Overwegende dat een dergelijke verlenging van de overgangsperiode in overweging moet worden genomen indien nog niet voldoende ervaring is opgedaan om de rechten op een zodanig niveau vast te stellen dat het beginsel van de zelffinanciering wordt gegarandeerd en terzelfder tijd de aantrekkelijkheid van het communautaire stelsel inzake de bescherming van planterassen wordt gevrijwaard; dat de opgedane ervaring vooral betrekking moet hebben op het aantal ingediende aanvragen voor een communautair kwekersrecht, op de aan de onderzoeksbureaus betaalde kosten en op de werkelijke duur van de verleende communautaire kwekersrechten; Overwegende dat bij de bepaling van de hoogte van de rechten moet worden uitgegaan van de beginselen van een gezond financieel beheer van het Bureau, met name zuinigheid en kosteneffectiviteit; Overwegende dat met het oog op een vereenvoudigde behandeling door het personeel van het Bureau de rechten in dezelfde valuta dienen te worden vastgelegd alsook aangerekend en betaald als die welke in de begroting van het Bureau aangehouden; Overwegende dat het aanvraagrecht een uniform recht zou moeten zijn dat uitsluitend betrekking heeft op de behandeling door het Bureau van een aanvraag voor een communautair kwekersrecht voor een plantesoort, zonder onderscheid naar gelang van de plantesoort; Overwegende dat onder de in artikel 51 van de basisverordening bedoelde termijn voor de betaling van het aanvraagrecht moet worden verstaan de periode die verloopt tussen de verrichtingen die nodig zijn voor het doen van de betalingen en de eigenlijke ontvangst ervan door het Bureau, met name omdat enerzijds het Bureau de reeds gedane kosten zo snel mogelijk vergoed moet krijgen en anderzijds, mede rekening houdend met de mogelijk lange afstand tussen een aanvrager en het Bureau, de indiening van de aanvragen zoveel mogelijk moet worden vergemakkelijkt; Overwegende dat de som van de onderzoeksrechten die in rekening worden gebracht voor het uitvoeren van een technisch onderzoek in beginsel moet overeenkomen met de som van de vergoedingen die door het Bureau aan alle onderzoeksbureaus worden betaald; dat de kosten voor de instandhouding van de referentieverzameling niet noodzakelijk volledig door de in rekening gebrachte onderzoeksrechten moeten worden gedekt; dat voor drie groepen plantesoorten onderzoeksrechten van verschillende hoogte moeten worden vastgesteld, rekening houdend met de in het kader van de bestaande nationale regelingen inzake de bescherming van planterassen opgedane ervaring; Overwegende dat de jaarlijkse rechten die tijdens de geldigheidsduur van een communautair kwekersrecht moeten worden betaald, voor het Bureau aanvullende inkomsten vormen, maar met name moeten dienen ter dekking van de kosten die verband houden met de technische controle van de rassen nadat een communautair kwekersrecht is verleend, en dat die rechten bijgevolg moeten worden afgestemd op de indeling in groepen die voor de onderzoeksrechten geldt; Overwegende dat het beroepsrecht eenvormig moet zijn teneinde de belangrijkste kostenelementen te dekken die met een beroepsprocedure verband houden, met uitzondering van de kosten in verband met een technisch onderzoek op grond van de artikelen 55 en 56 van de basisverordening of in verband met de bewijsvoering; dat twee verschillende data voor de voldoening van het aanvraagrecht de verzoekers ertoe moeten aanzetten hun beroep opnieuw in overweging te nemen met inachtneming van de beslissingen die door het Bureau op grond van artikel 70, lid 2, van de basisverordening zijn genomen; Overwegende dat andere rechten betreffende specifieke verzoeken in beginsel de kosten van de behandeling door het Bureau, met inbegrip van het nemen van een beslissing aangaande het verzoek, moeten dekken; Overwegende dat, teneinde de nodige flexibiliteit van het kostenbeheer te waarborgen, de voorzitter moet worden gemachtigd om rechten vast te stellen met betrekking tot de onderzoeksrapporten die niet in het bezit van het Bureau zijn, alsmede met betrekking tot specifieke verleende diensten; Overwegende dat toeslagen op de rechten mogen worden geïnd om voor het Bureau nodeloze kosten die het gevolg zijn van een gebrek aan medewerking met het Bureau van de zijde van aanvragers of houders van een communautair kwekersrecht, te helpen terugdringen; Overwegende dat de onderhavige verordening in het licht van artikel 117 van de basisverordening zo spoedig mogelijk in werking dient te treden; Overwegende dat de raad van bestuur van het Bureau is geraadpleegd; Overwegende dat de in deze verordening vervatte bepalingen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Comité voor kwekersrechten, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Werkingssfeer 1. De aan het Bureau te betalen rechten als bedoeld in de basisverordening en in de procedureverordening worden overeenkomstig deze verordening aangerekend. 2. De aan het Bureau verschuldigde rechten worden in ecu vastgelegd, aangerekend en betaald. 3. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is van overeenkomstige toepassing op de aan het Bureau verschuldigde toeslagen op rechten. 4. Nadere bijzonderheden betreffende de rechten, die op grond van de basisverordening of van de onderhavige verordening door de autoriteiten van de Lid-Staten kunnen worden aangerekend, worden in de desbetreffende nationale voorschriften van de betrokken Lid-Staten geregeld. 5. In de gevallen waarin de voorzitter van het Bureau bevoegd is een besluit te nemen over de hoogte van de rechten en over de wijze van betaling daarvan, worden deze besluiten in het Mededelingenblad van het Bureau gepubliceerd. Artikel 2 Algemene bepalingen 1. Voor elke individuele aangelegenheid dient een partij in de procedure als omschreven in de procedureverordening de verschuldigde rechten of toeslagen te betalen. Wanneer door of namens verscheidene partijen in de procedure gezamenlijk wordt gehandeld, is elk dezer partijen hoofdelijk tot betaling gehouden. 2. Tenzij in de onderhavige verordening anders bepaald, zijn de bepalingen van de basisverordening en de procedureverordening, met inbegrip van die inzake het taalgebruik, van toepassing. Artikel 3 Wijze van betaling 1. De aan het Bureau verschuldigde rechten en toeslagen worden door overmaking op een bankrekening van het Bureau betaald. 2. De voorzitter van het Bureau kan, overeenkomstig de regels inzake de werkmethoden die overeenkomstig het bepaalde in artikel 36, lid 1, onder d), van de basisverordening worden vastgesteld, de navolgende andere wijzen van betaling toestaan: a) door overhandiging of toezending van een op naam van het Bureau en in ecu betaalbaar gestelde gecertificeerde cheque, of b) door overmaking in ecu op een postgirorekening van het Bureau, of c) door betaling in ecu op een bij het Bureau aangehouden rekening. Artikel 4 Datum waarop de betaling wordt geacht te zijn ontvangen 1. Een betaling van rechten en toeslagen wordt geacht door het Bureau te zijn ontvangen op de datum waarop het bedrag van de in artikel 3, lid 1, bedoelde overmaking daadwerkelijk op een bankrekening van het Bureau wordt geboekt. 2. Wanneer de voorzitter van het Bureau overeenkomstig artikel 3, lid 2, andere betalingswijzen toestaat, bepaalt hij terzelfder tijd onder dezelfde voorwaarden de datum die als datum waarop de betaling wordt ontvangen, wordt aangemerkt. 3. Wanneer de betaling niet wordt geacht binnen de vastgestelde termijn door het Bureau te zijn ontvangen, wordt ten aanzien van het Bureau deze termijn als te zijn nageleefd beschouwd, indien binnen deze termijn het Bureau voldoende bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat de persoon die de betaling heeft gedaan, de nodige handelingen heeft verricht. 4. Als "nodige handelingen" in de zin van lid 3 geldt dat de persoon die de betaling heeft verricht, naar behoren een bankinstelling of postkantoor opdracht heeft gegeven het te betalen bedragen in ecu op een bankrekening van het Bureau over te maken. 5. Als "voldoende bewijsstukken" in de zin van lid 3 geldt de overlegging van een door de bankinstelling of het postkantoor afgegeven bewijs van de opdracht tot overmaking. Artikel 5 Naam van de persoon die de betaling verricht en doel van de betaling 1. Een persoon die rechten of toeslagen betaalt, dient schriftelijk zijn naam, alsmede het doel van de betaling te vermelden. 2. Wanneer het Bureau het doel van de betaling niet kan vaststellen, verzoekt het de persoon die de betaling heeft verricht, dit binnen twee maanden schriftelijk mee te delen. Indien dit niet binnen deze termijn geschiedt, wordt de betaling geacht niet te zijn geschied en wordt het bedrag terugbetaald aan de persoon die de betaling heeft gedaan. Artikel 6 Betaling van een ontoereikend bedrag Een termijn voor de betaling van rechten of toeslagen wordt in beginsel slechts geacht te zijn nageleefd, indien het volledige bedrag van het recht en/of de toeslag naar behoren is voldaan. Wanneer niet het volledige bedrag van de rechten en/of toeslagen wordt voldaan, wordt hetgeen is betaald, terugbetaald nadat de betalingstermijn is verstreken. Het Bureau kan evenwel, wanneer zulks gerechtvaardigd wordt geacht, besluiten ontbrekende geringe bedragen buiten beschouwing te laten, zonder dat dit aan de rechten van degene die de betaling heeft verricht, afbreuk doet. Artikel 7 Aanvraagrecht 1. Degene die een communautair kwekersrecht aanvraagt, hierna "de aanvrager" genoemd, betaalt een aanvraagrecht van 1 000 ecu voor de behandeling van de aanvraag als bedoeld in artikel 113, lid 2, onder a), van de basisverordening. 2. De aanvrager verricht, overeenkomstig artikel 3, de nodige handelingen voor de betaling van het aanvraagrecht uiterlijk op de datum waarop de aanvraag rechtstreeks bij het Bureau of bij één van de eigen diensten of nationale organen die op grond van artikel 30, lid 4, van de basisverordening zijn opgericht of met bepaalde taken zijn belast, wordt ingediend; artikel 4, lid 4, is van overeenkomstige toepassing. 3. Indien de betaling van het aanvraagrecht niet wordt geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop de aanvraag bij het Bureau wordt ontvangen, stelt het bureau overeenkomstig artikel 51 van de basisverordening een termijn van twee weken vast waarbinnen de datum van aanvraag in de zin van artikel 51 van de basisverordening gehandhaafd blijft. Voor het verstrijken van die termijn, wordt de aanvrager geen nieuwe aanmaning tot betaling als bedoeld in artikel 83, lid 2, van de basisverordening, betekend. 4. Indien de betaling van het aanvraagrecht niet wordt geacht te zijn ontvangen binnen de op grond van lid 3 gestelde termijn, wordt de datum waarop de betaling wordt ontvangen, als datum van aanvraag in de zin van artikel 51 van de basisverordening aangemerkt. 5. Lid 4 is niet van toepassing indien te zamen met de aanvraag voldoende bewijsstukken worden overgelegd betreffende de voor de betaling van het aanvraagrecht benodigde handelingen; artikel 4, lid 5, is van overeenkomstige toepassing. 6. Zolang de betaling van het aanvraagrecht niet wordt geacht door het Bureau te zijn ontvangen, maakt het Bureau de aanvraag niet bekend en stelt het de uitvoering van het technisch onderzoek uit. Artikel 8 Met technisch onderzoek verband houdende rechten 1. De in bijlage 1 vervatte rechten voor het uitvoeren en doen uitvoeren van het technisch onderzoek van een ras waarvoor een aanvraag voor een communautair kwekersrecht wordt ingediend, hierna "onderzoeksrecht" genoemd, zijn voor elke begonnen teeltperiode verschuldigd. Bij rassen waarvoor materiaal van specifieke componenten herhaaldelijk moet worden gebruikt om materiaal te produceren, is het onderzoeksrecht voor alle componenten waarvan geen officiële beschrijving beschikbaar is en die ook moeten worden onderzocht, verschuldigd, doch zal dan maximaal 3 000 ecu belopen. 2. Het onderzoeksrecht voor de eerste teeltperiode wordt voldaan uiterlijk één maand na de uiterste datum voor ontvangst van het materiaal voor het technisch onderzoek. 3. Het onderzoeksrecht voor elke daaropvolgende teeltperiode moet worden voldaan uiterlijk één maand vóór het begin van die periode, tenzij het Bureau een andere termijn vaststelt. 4. De voorzitter van het Bureau maakt de data voor de betaling van de onderzoeksrechten in het Mededelingenblad van het Bureau bekend. 5. In het geval van een onderzoeksrapport met betrekking tot de uitkomsten van een technisch onderzoek dat overeenkomstig artikel 27 van de procedureverordening reeds vóór de aanvraagdatum bedoeld in artikel 51 van de basisverordening is uitgevoerd, is een binnen een door het Bureau gestelde termijn te betalen administratief recht verschuldigd. Artikel 9 Jaarlijks recht 1. Het Bureau rekent de houder van een communautair kwekersrecht, hierna "de houder" genoemd, een in bijlage 2 vervat recht aan voor elk jaar dat dit communautaire kwekersrecht geldt, hierna "jaarlijks recht" genoemd. 2. Het jaarlijks recht wordt voldaan op de laatste dag van de kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin het communautaire kwekersrecht is verleend, en voorts op de overeenkomstige dag van elk daaropvolgend jaar. 3. Het Bureau doet de houder een verzoek tot betaling toekomen waarin melding wordt gemaakt van de reden voor de betaling, het verschuldigde bedrag en de datum voor betaling, en waarin tevens gegevens zijn opgenomen over op de mogelijkheid dat overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder a), een toeslag wordt aangerekend. 4. Het Bureau betaalt geen betalingen terug die zijn verricht om een communautair kwekersrecht in stand te houden. Artikel 10 Rechten voor de behandeling van specifieke verzoeken 1. De rechten voor de behandeling van een verzoek die moeten worden betaald door de persoon die een dergelijk verzoek indient, bedragen: a) voor een verzoek om een dwanglicentie met inbegrip van inschrijving in de registers, een verzoek om een door het Bureau op grond van artikel 100, lid 2, van de basisverordening te verlenen licentie of een verzoek om aanpassing van een verleende licentie (dwanglicentierecht), met uitzondering van een verzoek van de Commissie of van een Lid-Staat als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de basisverordening: 1 500 ecu; b) voor een verzoek om inschrijving in het register van communautaire kwekersrechten (inschrijvingsrecht) van: - de overdracht van een communautair kwekersrecht, - een contractuele licentie, - de identificatie van rassen als oorspronkelijk en in hoofdzaak afgeleid, - de instelling van een vordering tot opeising als bedoeld in artikel 98, leden 1 en 2, en in artikel 99 van de basisverordening, - de vestiging van een zekerheidsrecht of van een zakelijk recht op een communautair kwekersrecht, - een executiemaatregel als bedoeld in artikel 24 van de basisverordening: 300 ecu; c) voor elk verzoek om inschrijving in het register van de aanvragen tot verlening van communautaire kwekersrechten of in het register van communautaire kwekersrechten, niet zijnde een verzoek als bedoeld onder a) en b): 100 ecu; d) voor een verzoek om bepaling van de kosten op grond van artikel 85, lid 5, van de basisverordening: 100 ecu. 2. De in lid 1 bedoelde rechten worden voldaan op de datum van ontvangst van het verzoek voor de ambtsverrichting waarvoor het recht verschuldigd is. Indien de betaling niet tijdig wordt ontvangen, is artikel 83, lid 2, van de basisverordening van toepassing. Artikel 11 Beroepsrecht 1. De appellant betaalt een beroepsrecht van 1 500 ecu voor de behandeling van een beroep als bedoeld in artikel 113, lid 2, onder c), van de basisverordening. 2. Een derde van het beroepsrecht moet worden voldaan op de datum waarop het beroepschrift bij het Bureau inkomt; voor dat derde geldt artikel 83, lid 2, van de basisverordening. Het resterende deel van het beroepsrecht (twee derde) moet op verzoek van het Bureau worden voldaan binnen een maand nadat de zaak door de bevoegde instantie van het Bureau aan de Kamer van Beroep is voorgelegd. 3. Onder de voorwaarden van artikel 83, lid 4, van de basisverordening gelast in het geval van een prejudiciële herziening de voorzitter van het Bureau en in andere gevallen de Kamer van Beroep de terugbetaling van het reeds betaalde beroepsrecht. 4. Lid 1 is niet van toepassing op het beroep dat door de Commissie of een Lid-Staat tegen een besluit op grond van artikel 29, lid 2, van de basisverordening wordt ingesteld. Artikel 12 Door de voorzitter van het Bureau vastgestelde rechten 1. De voorzitter van het Bureau bepaalt het bedrag van de volgende aangelegenheden: a) het administratieve recht bedoeld in artikel 8, lid 5; b) rechten voor de verstrekking van al dan niet gewaarmerkte afschriften, zoals met name genoemd in artikel 84, lid 3, van de procedureverordening, alsmede c) rechten terzake van het Mededelingenblad van het Bureau (artikel 89 van de basisverordening, artikel 87 van de procedureverordeningen), alsmede elke andere door het Bureau verrichte bekendmaking. 2. De voorzitter van het Bureau kan besluiten om voor de in lid 1, onder b) en c), genoemde diensten betaling van een voorschot te verlangen. Artikel 13 Toeslagen 1. Het Bureau kan een toeslag op het aanvraagrecht aanrekenen indien het vaststelt dat: a) een voorgestelde rasbenaming overeenkomstig artikel 63 van de basisverordening niet kan worden goedgekeurd omdat deze identiek is met een benaming van een ander ras of afwijkt van een benaming van hetzelfde ras, of b) een aanvrager van een communautair kwekersrecht een nieuw voorstel voor een rasbenaming indient, tenzij het Bureau hem daarom had verzocht of hij, overeenkomstig artikel 21, lid 3, van de procedureverordening een aanvraagprocedure ter verkrijging van een communautair kwekersrecht voortzet. Het Bureau maakt een voorstel voor een rasbenaming niet bekend alvorens de op grond van de eerste alinea geheven toeslag is voldaan. 2. Het Bureau kan een toeslag op het jaarlijks recht aanrekenen indien het vaststelt dat: a) de houder het jaarlijks recht niet heeft voldaan overeenkomstig artikel 9, leden 2 en 3, of b) de rasbenaming overeenkomstig artikel 66, lid 1, van de basisverordening moet worden gewijzigd omdat een ouder recht van een derde het gebruik ervan in de weg staat. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde toeslagen worden in overeenstemming met de op grond van artikel 36, lid 1, onder d), van de Verordening vastgestelde regels inzake de werkmethoden geheven en bedragen ten hoogste 20 % van het betrokken recht en ten minste 100 ecu, en moeten binnen één maand na de datum waarop het Bureau om betaling ervan heeft verzocht, worden voldaan. Artikel 14 Afwijkingen 1. In afwijking van artikel 7, bij aanvragen die overeenkomstig artikel 116, lid 1 of lid 2, van de basisverordening worden ingediend, blijft de toegekende datum van aanvraag als bedoeld in artikel 51 van de basisverordening van kracht, indien uiterlijk op 30 september 1995 voldoende bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat de aanvrager voor een communautair kwekersrecht de voor de betaling benodigde handelingen vóór die datum heeft verricht. 2. In afwijking van artikel 8, lid 5, dient een administratief recht van 100 ecu te worden betaald indien overeenkomstig artikel 116, lid 3, van de basisverordening het technisch onderzoek van een ras op basis van de beschikbare resultaten van een procedure tot verlening van een nationaal kwekersrecht wordt verricht. Dit administratieve recht moet uiterlijk op 30 november 1995 worden voldaan. 3. In afwijking van artikel 8, lid 5, zijn instanties waarvoor een procedure tot verlening van een nationaal kwekersrecht is gevoerd, bevoegd om overeenkomstig de in artikel 93, lid 3, van de procedureverordening vervatte voorwaarden, aan de aanvrager een recht voor de terbeschikkingstelling van de betrokken documenten in rekening te brengen. Dit recht zal niet meer bedragen dan het recht dat in de betrokken Lid-Staat wordt geheven voor de overdracht van een onderzoeksrapport aan een onderzoeksinstantie in een ander land; de betaling hiervan laat de uit hoofde van het bepaalde in de leden 1 en 2 verschuldigde bedragen onverlet. 4. In afwijking van artikel 8 is, binnen een door het Bureau vast te stellen termijn, voor een communautair kwekersrecht een verslagrecht van 300 ecu verschuldigd voor onderzoeksverslagen die aan het Bureau ter beschikking worden gesteld overeenkomstig artikel 94 van de procedureverordening. Artikel 15 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag van haar publikatie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 31 mei 1995. Voor de Commissie Franz FISCHLER Lid van de Commissie BIJLAGE I Het krachtens artikel 8 voor elke teeltperiode te betalen onderzoeksrecht bedraagt: >RUIMTE VOOR DE TABEL> BIJLAGE II Het op grond van artikel 9 verschuldigde jaarlijkse recht voor elk jaar dat een kwekersrecht geldt, wordt, voor de in bijlage 1 bedoelde groepen, als volgt vastgesteld: >RUIMTE VOOR DE TABEL>