31995D0818

Besluit Nr. 818/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 1995 houdende aanneming van de derde fase van het programma "Jeugd voor Europa"

Publicatieblad Nr. L 087 van 20/04/1995 blz. 0001 - 0009


BESLUIT Nr. 818/95/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 maart 1995 houdende aanneming van de derde fase van het programma "Jeugd voor Europa"

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 126,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Overeenkomstig de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (4),

Overwegende dat de Raad op 16 juni 1988 Besluit 88/348/EEG tot vaststelling van een actieprogramma ter bevordering van de uitwisseling van jongeren in de Gemeenschap "Jeugd voor Europa-programma" (5) en op 29 juli 1991 Besluit 91/395/EEG tot vaststelling van het "Jeugd voor Europa-programma" (tweede fase) (6) voor de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1994 heeft goedgekeurd;

Overwegende dat in Besluit 87/569/EEG van de Raad van 1 december 1987 betreffende een actieprogramma voor de beroepsopleiding van jongeren en de voorbereiding van jongeren op het leven als volwassene en in een beroep (Petra) (7) wordt bepaald dat de ontwikkeling van creativiteit, initiatief en ondernemingsgeest bij de jongeren moet worden aangemoedigd;

Overwegende dat in Besluit 89/489/EEG van de Raad van 28 juli 1989 tot vaststelling van een actieprogramma ter bevordering van de kennis van vreemde talen in de Europese Gemeenschap (Lingua) (8) onder andere werd onderstreept dat het Jeugd voor Europa-programma niet ten volle aan de daarin genoemde doelstellingen zal kunnen voldoen zonder begeleidende maatregelen om het vreemde-talenonderwijs te bevorderen, en overwegende dat Lingua slechts projecten steunt die in het kader van onderwijsinstellingen worden georganiseerd;

Overwegende dat in de Resolutie van de Raad en de Ministers, in het kader van de Raad bijeen, van 26 juni 1991 inzake prioritaire acties op het gebied van jongeren (9) het verlangen werd bevestigd, in het licht van de met het Jeugd voor Europa-programma opgedane ervaring, de samenwerking op het gebied van uitwisseling en mobiliteit van jongeren met de EVA-landen, de landen van Midden- en Oost-Europa en in het kader van de Noord-Zuiddialoog te versterken;

Overwegende dat het Europees Parlement bij menige gelegenheid zijn actieve steun heeft verleend aan de ontwikkeling van de op communautair niveau op het gebied van de jeugd uitgevoerde acties en programma's, met name in zijn verslag van 24 mei 1991 van "Het communautaire beleid en de gevolgen daarvan voor jongeren";

Overwegende dat in de conclusies van de Europese Raad van Edinburgh van 11 en 12 december 1992 en die van Kopenhagen van 20 en 21 juni 1993 wordt onderstreept dat de activiteiten ter ontwikkeling van de zelfstandigheid en creativiteit van jongeren moeten worden ondersteund, respectievelijk dat er harde, afdoende maatregelen moeten worden genomen ter bestrijding van uitsluiting en racisme, met name door de opvoeding van jongeren;

Overwegende dat jongerenuitwisselingen een passend middel zijn om de culturele diversiteit van de Lid-Staten beter te leren kennen en begrijpen, en aldus bijdragen tot de versterking van de democratie, de verdraagzaamheid en de samenhang van de Gemeenschap in een solidariteitsperspectief; dat de deelname van jongeren aan de voorbereiding, uitvoering en controle van hun project kan worden aangewend ter versterking van de betrekkingen tussen de jongeren in de Gemeenschap en van hun actieve burgerschap;

Overwegende dat het in deze belangrijk is de actieve deelname van kansarme jongeren aan deze activiteiten te bevorderen door hun de toegang daartoe te vergemakkelijken; dat het noodzakelijk is deze acties ten behoeve van jongeren te ondersteunen door middel van op jongerenwerkers gerichte acties en dat zodoende de vaststelling van een communautair actieprogramma op basis van de reeds opgedane ervaring een Europese toegevoegde waarde bevat;

Overwegende dat in de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 september 1992 over het "Actieplan Voorlichting Jongeren" het belang voor de Gemeenschap van jongerenvoorlichting op Europees niveau wordt bevestigd;

Overwegende dat de samenhang tussen de acties in het kader van dit programma en die in het kader van het sociaal beleid, de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat, en de samenwerking met derde landen dient te worden versterkt;

Overwegende dat het bijzonder belangrijk is jongeren die afstammen van geïmmigreerde ouders - onverminderd het streven naar integratie - in de gelegenheid te stellen hun oorspronkelijke cultuur te leren kennen;

Overwegende dat de actie van de Gemeenschap plaatsvindt tegen de achtergrond van de in artikel 126 van het Verdrag vastgestelde doelstellingen inzake de jeugd, dat wil zeggen de bevordering van de uitwisselingen van jongeren en jongerenwerkers, en de samenwerking met derde landen;

Overwegende dat de tenuitvoerlegging van dit programma dient te steunen op gedecentraliseerde structuren die door de Lid-Staten, in nauwe samenwerking met de voor het jeugdbeleid verantwoordelijke nationale autoriteiten, zijn aangewezen om ervoor te zorgen dat de communautaire actie een ondersteuning van en aanvulling op de nationale activiteiten vormt, steeds indachtig het subsidiariteitsbeginsel zoals dat in artikel 3 B van het Verdrag is gedefinieerd;

Overwegende dat het programma "Jeugd voor Europa" voor deelname van de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa (LMOE's) moet worden opengesteld overeenkomstig de voorwaarden die voor de deelname aan communautaire programma's worden gesteld in de aanvullende protocollen bij de associatieovereenkomsten die met deze landen zullen worden gesloten; dat dit programma, volgens dezelfde regels als ten aanzien van de EVA-landen worden toegepast, op basis van aanvullende kredieten moet worden opengesteld voor deelname van Cyprus en Malta, volgens met deze landen overeen te komen procedures;

Overwegende dat in dit besluit financiële middelen worden vastgesteld die voor de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiepunt zijn in de zin van de gemeenschappelijke verklaring van 6 maart 1995;

Overwegende dat op 20 december 1994 overeenstemming is bereikt over een "modus vivendi" tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de uitvoeringsmaatregelen van besluiten die volgens de procedure van artikel 189 B van het EG-Verdrag worden vastgesteld,

BESLUITEN:

Artikel 1

Vaststelling van het programma "Jeugd voor Europa" (derde fase) 1. Bij dit besluit wordt het communautaire actieprogramma "Jeugd voor Europa" (derde fase), in de versie van de bijlage en hierna "het programma" genoemd, vastgesteld inzake het samenwerkingsbeleid in jeugdzaken, met inbegrip van uitwisselingen van jongeren binnen de Gemeenschap en met derde landen.

Dit programma wordt aangenomen voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999.

2. Het kader van dit besluit betreft maatregelen die de Lid-Staten in de specifieke sociaal-pedagogische context van het jeugdbeleid voor jongeren treffen, en waarmee wordt beoogd de onderstaande doelstellingen geheel of gedeeltelijk te verwezenlijken:

- jongeren in de gelegenheid stellen zich bewust te worden van het belang van de democratie in de organisatie van de maatschappij en hen stimuleren actief deel te nemen aan de maatschappelijke instellingen,

- de zelfstandigheid en creativiteit van jongeren, alsook hun ondernemingsgeest in communautair verband aanmoedigen, in het bijzonder op sociaal, burgerlijk en cultureel niveau en op milieugebied,

- jongeren in de gelegenheid stellen hun mening te geven over de inrichting van de samenleving en ervoor zorgen dat de verschillende betrokken overheden daarmee rekening houden,

- jongeren ervan bewust maken dat het van belang is te zorgen voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen en vrouwen te stimuleren in alle maatschappelijke sectoren een actief leven te leiden,

- het besef van de aan uitsluiting verbonden gevaren, met inbegrip van racisme en vreemdelingenhaat, aanscherpen door middel van sociaal-educatieve maatregelen voor en door jongeren,

- jongeren stimuleren de intrinsieke waarde van culturele diversiteit te leren kennen en erkennen,

- jongeren in staat stellen de Europese Unie te zien als integrerend onderdeel van hun historische, sociale, culturele en politieke omgeving,

- jongeren stimuleren actief aan de maatschappij deel te nemen, met name via verenigingen en organisaties zonder winstoogmerk.

3. Het programma heeft geen betrekking op projecten die worden uitgevoerd in het kader van formele onderwijs- en beroepsopleidingsstructuren.

Artikel 2

Financiële bepalingen Het programma bestrijkt een periode van vijf jaar. Het treedt op 1 januari 1995 in werking.

De financiële middelen voor de uitvoering van het gehele programma belopen 126 miljoen ecu voor de periode 1995-1999.

De begrotingsautoriteit stelt de voor elk begrotingsjaar beschikbare kredieten vast met inachtneming van de beginselen van een goed beheer zoals bedoeld in artikel 2 van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen.

Artikel 3

Doelstellingen van het programma 1. Hoofddoel van het programma is, met name via een intensievere samenwerking tussen de Lid-Staten, bij te dragen tot het onderwijsproces bij jongeren, door de ontwikkeling van uitwisselingsactiviteiten binnen de Gemeenschap, door andere, aanvullende activiteiten ten behoeve van jongeren die verband houden met het doel van dergelijke uitwisselingen, alsmede door uitwisselingen met derde landen waarmee de Gemeenschap met name samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten.

2. In dit verband zijn de specifieke doelstellingen van het programma:

a) bevordering van uitwisselingen van jongeren tussen 15 en 25 jaar uit een of meer Lid-Staten;

b) ondersteuning van door en voor jongeren opgezette vernieuwende initiatieven en projecten van communautair of transnationaal belang die hen in staat stellen een actieve, erkende rol in de samenleving te spelen en hun persoonlijke vaardigheden, creativiteit, gemeenschapszin en zelfstandigheid te ontwikkelen;

c) scheppen van gunstige voorwaarden opdat de ontmoetingen een hoog niveau bereiken; kwaliteitsbewaking van alle activiteiten die in het kader van het programma worden ondernomen;

d) bijdragen aan de opleiding van jeugdwerkers, teneinde jongeren in de gelegenheid te stellen van kwalitatief hoogwaardige gemeenschappelijke acties in samenhang met de algemene doelstellingen van het programma gebruik te maken;

e) intensivering van de samenwerking tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en de Commissie door de uitwisseling van ervaringen en door gemeenschappelijke initiatieven op communautaire schaal, teneinde aldus de Lid-Staten te steunen in hun streven de kwaliteit van de diensten en maatregelen ten behoeve van jongeren te verbeteren, onder meer door de ontwikkeling van voorlichtingsactiviteiten voor jongeren met betrekking tot de doelstellingen van het programma;

f) bevordering van uitwisselingen met jongeren uit derde landen waarmee de Gemeenschap met name samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten.

Artikel 4

Positieve actie ten behoeve van kansarme jongeren 1. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan de toegang van kansarme jongeren tot de activiteiten van het programma, en aan de kwalitatieve verbetering van de met deze doelgroep uitgevoerde projecten.

Onder "kansarme jongeren" worden in dit besluit jongeren verstaan die om redenen van culturele, sociale, economische, lichamelijke, geestelijke of geografische aard de meeste moeite hebben om aan de op communautair en op nationaal, regionaal en lokaal niveau bestaande activiteiten deel te nemen.

2. De Commissie en de Lid-Staten zien erop toe dat ten minste één derde van de kredieten voor actie A als omschreven in de bijlage, wordt aangewend ten behoeve van kansarme jongeren en dat in het kader van de acties B, C, D, en E inspanningen in dit opzicht worden gedaan.

Artikel 5

Samenwerking met de Lid-Staten 1. De Commissie en de Lid-Staten nemen de nodige maatregelen ter handhaving en ontwikkeling van de structuren die op nationaal niveau in het leven zijn geroepen om de doelstellingen van het programma te verwezenlijken, om te zorgen voor de evaluatie en controle van de in het programma beoogde acties en om de overleg- en selectiemechanismen toe te passen.

2. De Commissie geeft tevens ondersteuning voor de beleidsmatige samenwerking op jeugdgebied, gericht op het ontwikkelen van activiteiten voor jongeren in regio's waar gewoonlijk weinig mogelijkheden voorhanden zijn.

3. Elke Lid-Staat streeft er zoveel mogelijk naar de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat jongeren die aan uitwisselingen of transnationale activiteiten uit hoofde van het programma deelnemen, hun rechten, met name op het gebied van hun sociale bescherming, niet verliezen.

Artikel 6

Comité 1. De Commissie legt het programma ten uitvoer overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

2. Bij de uitvoering van deze taak wordt de Commissie bijgestaan door een comité bestaande uit twee door elke Lid-Staat aangewezen vertegenwoordigers en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. De leden van het comité kunnen zich laten bijstaan door deskundigen of adviseurs.

3. Het comité kan alle vraagstukken in verband met de tenuitvoerlegging van het programma bespreken. De Commissie kan het comité raadplegen over de algemene richtsnoeren en over elk ander vraagstuk dat niet in lid 5 wordt genoemd.

4. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naargelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.

Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere Lid-Staat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

5. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité voor:

- het jaarlijkse werkprogramma voor de acties A.II, B.II, C, D en E;

- het algemene evenwicht tussen alle acties;

- de indicatieve verdeling van de middelen over de Lid-Staten;

- de wijze van controle en evaluatie van het programma.

6. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naargelang van de urgentie van de materie, advies uit over de in lid 5 bedoelde maatregelen. Het advies wordt uitgebracht met de in artikel 148, lid 2, van het Verdrag voorgeschreven meerderheid voor de aanneming van besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie moet nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht.

In dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten voor een periode van twee maanden uitstellen.

De Raad kan binnen de in de voorgaande alinea genoemde termijn met gekwalificeerde meerderheid een andersluidend besluit nemen.

Artikel 7

Tenuitvoerlegging 1. De Commissie draagt zorg voor de tenuitvoerlegging van het programma.

2. De besluiten betreffende het algemene evenwicht tussen de aan het programma deelnemende Lid-Staten en de verschillende soorten acties worden volgens de in artikel 6 omschreven procedure vastgesteld.

3. De Commissie stelt alle noodzakelijke maatregelen vast om de doorzichtigheid van alle fasen van de tenuitvoerlegging van het programma te garanderen, waarbij zij rekening houdt met de wil en de noodzaak om het beheer van het programma steeds verder te decentraliseren en tegelijkertijd de cooerdinatie op communautair niveau te versterken.

4. Het programma wordt voor deelname van de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa (LMOE's) opengesteld overeenkomstig de voorwaarden die voor de deelname aan communautaire programma's worden gesteld in de aanvullende protocollen bij de associatieover- eenkomsten die met deze landen zullen worden gesloten. Dit programma wordt, volgens dezelfde regels als ten aanzien van de EVA-landen worden toegepast, op basis van aanvullende kredieten opengesteld voor deelname van Cyprus en Malta, volgens met deze landen overeen te komen procedures.

5. De niet-gedecentraliseerde projecten en andere activiteiten worden met het advies van de betrokken Staat bij de Commissie ingediend.

Artikel 8

Samenhang met andere communautaire acties en samenwerking met de bevoegde internationale organisaties De Commissie en de Lid-Staten zien erop toe dat het programma en de andere activiteiten van de Lid-Staten en van de Gemeenschap voor jongeren met elkaar verenigbaar zijn en elkaar aanvullen.

Zij bevorderen een zodanige samenwerking in verband met dit programma dat de acties een aanvulling kunnen vormen op die van de bevoegde internationale organisaties, in het bijzonder van de Raad van Europa.

Artikel 9

Controle en evaluatie Vanaf het moment dat het onderhavige besluit ten uitvoer wordt gelegd, neemt de Commissie de nodige maatregelen voor de controle en de continue evaluatie van het programma, waarbij zij rekening houdt met de algemene doelstellingen als vervat in artikel 3, lid 1, met de specifieke doelstellingen als omschreven in de bijlage, en met de in artikel 4 bedoelde maatregelen, alsmede met de eventuele aanwijzingen van het comité van artikel 6.

Tijdens het derde jaar van het programma dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een evaluatieverslag over de eerste twee uitvoeringsjaren in, dat gebruikt zal worden voor de herdefiniëring en eventuele aanpassing van de richtsnoeren voor het programma.

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Gedaan te Straatsburg, 14 maart 1995.

Voor het Europees Parlement De Voorzitter K. HAENSCH Voor de Raad De Voorzitter A. LAMASSOURE

(1) PB nr. C 160 van 11. 6. 1994, blz. 8.

(2) PB nr. C 148 van 30. 5. 1994, blz. 9.

(3) PB nr. C 217 van 6. 8. 1994, blz. 24.

(4) Advies van het Europees Parlement van 19 april 1994 (PB nr. C 128 van 9. 5. 1994, blz. 78), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 11 juli 1994 (PB nr. C 232 van 20. 8. 1994, blz. 57) en besluit van het Europees Parlement van 26 oktober 1994 (PB nr. C 323 van 21. 11. 1994, blz. 47). Gemeenschappelijk ontwerp van het Bemiddelingscomité van 31 januari 1995.

(5) PB nr. L 158 van 25. 6. 1988, blz. 42.

(6) PB nr. L 217 van 6. 8. 1991, blz. 25.

(7) PB nr. L 346 van 10. 12. 1987, blz. 31. Besluit gewijzigd bij Besluit 91/387/EEG (PB nr. L 214 van 2. 8. 1991, blz. 69).

(8) PB nr. L 239 van 16. 8. 1989, blz. 24.

(9) PB nr. C 208 van 9. 8. 1991, blz. 1.

BIJLAGE

Voor de verwezenlijking van de in artikel 3, lid 1, van het besluit omschreven algemene doelstellingen worden vijf hoofdacties onderscheiden, elk met haar eigen doelstellingen, teneinde een betere samenhang tussen de verschillende activiteiten op het gebied van de jeugd te waarborgen:

- Actie A: Intracommunautaire activiteiten waarbij de jongeren rechtstreeks worden betrokken;

- Actie B: Jeugdwerkers;

- Actie C: Samenwerking tussen de structuren van de Lid-Staten;

- Actie D: Uitwisselingen met derde landen;

- Actie E: Jongerenvoorlichting en onderzoek op het gebied van de jeugd.

Ten aanzien van alle aan hun voorgelegde projecten zien de Commissie en de Lid-Staten erop toe dat zij berusten op een pedagogische benadering die erop gericht is jongeren meer bewust te maken van hun Europese burgerschap.

In het kader van de tenuitvoerlegging van dit programma streven de Commissie en de Lid-Staten ernaar rekening te houden met de bijzondere behoeften van de kansarme jongeren die als gevolg van permanente onzekerheid, met name op het gebied van werkgelegenheid en opleiding, in een moeilijke situatie verkeren die door zorgen of uitsluitingen nog wordt verergerd, teneinde hun toegang tot de acties A tot en met E te vergemakkelijken.

ACTIE A: INTRACOMMUNAUTAIRE ACTIVITEITEN WAARBIJ DE JONGEREN RECHT- STREEKS WORDEN BETROKKEN

Participatie, initiatief en solidariteit vormen de grondslagen van de specifieke doelstellingen van actie A, die uit twee onderdelen bestaat:

- Actie A.I: Uitwisseling en mobiliteit van jongeren;

- Actie A.II: Ondernemingsgeest, creativiteit en solidariteit.

Actie A.I: Uitwisseling en mobiliteit van jongeren

1. De Gemeenschap werkt voort aan de ontwikkeling van haar stelsel van directe financiële steun voor bilaterale en multilaterale uitwisselingen en ontmoetingen van minimaal één week die worden georganiseerd op basis van gemeenschappelijke projecten binnen de Gemeenschap tussen groepen jongeren van 15 tot 25 jaar uit een of meerdere Lid-Staten, met uitzondering van projecten die in onderwijsverband of in het kader van een beroepsopleiding plaatsvinden.

2. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan de aansluiting van deze projecten op andere in het kader van het programma beoogde activiteiten voor jongeren.

3. De steun voor uitwisselingen uit hoofde van deze actie mag niet meer dan 50 % van de in totaal gemaakte kosten belopen (reis en programma), onder voorbehoud van het bepaalde in punt 5.

4. Op basis van factoren zoals het aantal jongeren van 15 tot 25 jaar dat de bevolking telt, de geografische afstand, het herstel van het evenwicht in de uitwisselingsstromen tegen de achtergrond van de taalsituatie in de Lid-Staten, het bruto binnenlands produkt tegen courante marktprijzen, wordt in overleg met de Lid-Staten bij de verdeling van de steun rekening gehouden met de noodzaak te zorgen voor een evenwicht in de uitwisselingsstromen en voor gelijke kansen bij de toegang van de jongeren uit elke Lid-Staat.

5. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het besluit moet ten minste één derde van de voor deze actie uitgetrokken kredieten worden bestemd voor jongeren die uit cultureel, sociaal, economisch, lichamelijk, geestelijk of geografisch oogpunt minder zijn bedeeld. In dit verband:

- zullen de nodige kredieten worden gereserveerd om voor uitwisselingen meer financiële steun te kunnen verlenen dan de in punt 3 vastgestelde 50 %, of om zo nodig andere activiteiten te ondersteunen die de participatie van kansarme jongeren kunnen vergemakkelijken, met inbegrip van de werkzaamheden ter voorbereiding en controle van de voor hen georganiseerde uitwisselingen.

Actie A.II: Ondernemingsgeest, creativiteit en solidariteit

1. Jongereninitiatieven a) De Gemeenschap ondersteunt projecten waarbij jongeren actief en rechtstreeks deelnemen aan vernieuwende en creatieve initiatieven en aan initiatieven met een communautaire dimensie die gericht zijn op de solidariteit van jongeren op lokaal, regionaal, nationaal of Europees niveau.

b) Deze activiteiten kunnen samenhangen met de uit hoofde van actie A.I ondersteunde activiteiten inzake uitwisseling en mobiliteit, hetzij omdat zij daar de eerste fase van vormen, hetzij omdat zij er het resultaat van zijn.

c) In het bijzonder moeten initiatieven ter aanscherping van het besef van de aan uitsluiting verbonden gevaren worden aangemoedigd en gestimuleerd.

d) Voorts zal de Gemeenschap aandacht hebben voor de initiatieven waarbij de culturele expressie het middel bij uitstek vormt voor de communicatie tussen jongeren op communautair niveau.

e) De steun voor jongereninitiatieven kan worden gespreid over twee opeenvolgende jaren en enerzijds worden gebruikt ter ondersteuning van projecten met een communautaire dimensie op lokaal, regionaal of nationaal niveau en de eerste werkzaamheden met betrekking tot het transnationale aspect, terwijl anderzijds ook de steun voor de daadwerkelijke oprichting van partnerschappen of samenwerkingsnetwerken ermee kan worden gedekt, waarbij de effectieve mobiliteit dan wel de mobiliteit via diverse vormen van communicatie tussen jongeren uit verschillende bevolkingsgroepen en regio's wordt bevorderd.

f) De steun voor initiatieven ten gunste van jongeren moet zo flexibel zijn dat hij een stimulans vormt voor initiatieven met een bijzonder innoverend karakter.

2. Vrijwilligerswerk a) De Gemeenschap verleent steun voor transnationale projecten om jongeren in staat te stellen vrijwilligerswerk in een andere Lid-Staat te verrichten. Deze werkzaamheden hebben ten doel de gemeenschapszin van jongeren te stimuleren, een vorm van sociale creativiteit bij de jongeren van de Gemeenschap te bevorderen en hun de mogelijkheid te bieden om ervaring op te doen met nieuwe vormen van activiteiten op het gebied van het gemeenschappelijk welzijn.

b) Evenals de uit hoofde van actie II ondersteunde jongereninitiatieven kunnen deze activiteiten samenhangen met de uit hoofde van actie A.I ondersteunde activiteiten inzake uitwisseling en mobiliteit omdat zij daar de aanzet toe geven of het resultaat van zijn.

c) De Gemeenschap ziet er tevens op toe dat er tijdens een voorbereidingsfase samenwerkingsnetwerken tussen de Lid-Staten worden ontwikkeld en zij tracht de ontwikkeling te stimuleren van adequate begeleidingsstructuren waar deze niet reeds bestaan.

Tijdens deze voorbereidingsfase wordt prioriteit toegekend aan studiebezoeken, praktijkstages in bestaande structuren, contactbijeenkomsten en proefprojecten ter zake waarbij jongeren rechtstreeks betrokken zijn.

d) De proefprojecten moeten het mogelijk maken te experimenteren met, zowel qua inhoud/profiel als qua duur (kort, middellang, lang), uiteenlopende vormen van vrijwilligerswerk op communautair niveau. Bij evaluatie van deze projecten moet ook worden gekeken naar de praktische aspecten waarmee in de toekomst rekening moet worden gehouden, met inbegrip van de financiering.

De financiële steun van de Gemeenschap aan deze proefprojecten wordt in de eerste plaats berekend op basis van de reiskosten, de pedagogische begeleiding, de voorbereiding en de evaluatie alsmede zonodig de verzekeringskosten inzake ziekte, ongevallen en wettelijke aansprakelijkheid.

e) De punten a) tot en met d) hebben geen betrekking op vervangende dienstplicht.

ACTIE B: JEUGDWERKERS

1. Behalve activiteiten waarbij de jongeren rechtstreeks betrokken zijn, steunt de Gemeenschap ook activiteiten voor jongerenwerkers die direct met jongerenwerk belast zijn of zich daarop voorbereiden, en voor degenen die voor hun vorming verantwoordelijk zijn.

2. Onder "jongerenwerkers" of "jeugdwerkers" worden verstaan degenen die betrokken zijn bij het jeugdwerk zoals omschreven onder 1 en die hetzij in loondienst, hetzij vrijwillig direct met jongeren werken buiten formeel school- en opleidingsverband.

Er komen twee categorieën activiteiten in aanmerking:

- Actie B.I: Ondersteuning van actie A;

- Actie B.II: Ondersteuning van Europese samenwerking op het gebied van de vorming van jeugdwerkers.

Actie B.I: Ondersteuning van actie A

1. Activiteiten (met name korte studiebezoeken, partnerbeurzen, contactbijeenkomsten en bijeenkomsten voor het beheer van de interculturele uitwisselingen en de taalkundige voorbereiding) die enerzijds ten doel hebben het zoeken van partners en/of het starten van uitwisselings- of samenwerkingsprojecten te bevorderen en anderzijds de jeugdwerkers bewust te maken van de communautaire werkelijkheid en de situatie met betrekking tot het jeugdwerk in de verschillende Lid-Staten.

2. Vorming van jeugdwerkers die bijstand moeten verlenen bij de uitwisseling en de mobiliteit van jongeren alsook bij andere jongereninitiatieven uit hoofde van het onderhavige programma, met name om de deelname van kansarme jongeren aan het programma te bevorderen.

Actie B.II: Ondersteuning van Europese samenwerking op het gebied van de vorming van jeugdwerkers

1. Activiteiten (onder meer studiebezoeken, taalkundige voorbereiding, seminars, praktijkstages) met het doel ervaringen en informatie uit te wisselen tussen degenen die verantwoordelijk zijn voor de vorming van jeugdwerkers in de Lid-Staten.

2. Activiteiten (onder meer ontwikkeling van gemeenschappelijke vormingsmodules door de Lid-Staten, materiaal voor de vorming van jeugdwerkers, studies) ter bevordering van een communautaire dimensie in de vorming en bij- en nascholing van jeugdwerkers.

ACTIE C: SAMENWERKING TUSSEN DE STRUCTUREN VAN DE LID-STATEN

1. Er wordt steun verleend voor activiteiten (onder andere studiebezoeken, seminars, praktijkstages) ter bevordering van de samenwerking tussen de structuren (al dan niet gouvernementele) van de Lid-Staten die actief en verantwoordelijk zijn op het gebied van de jeugd, en de ontwikkeling in dit verband van het verenigingsleven van jongeren.

2. De uit hoofde van deze actie ondersteunde activiteiten betreffen de verantwoordelijken van jeugdverenigingen en van de overheidsdiensten die met jeugdzaken zijn belast.

3. Bijzondere aandacht zal uitgaan naar de verantwoordelijken van de regionale en lokale structuren.

4. Er zullen kredieten worden gereserveerd ter ondersteuning van proefprojecten voor de oprichting van multilaterale netwerken tussen de structuren van de Lid-Staten.

5. In het kader van deze actie wordt ook steun verleend aan activiteiten en initiatieven van communautair belang die door niet-gouvernementele jongerenorganisaties worden opgezet.

ACTIE D: UITWISSELINGEN MET DERDE LANDEN

1. De Gemeenschap ondersteunt jongerenuitwisselingsactiviteiten met landen buiten de Gemeenschap.

2. Gedurende de eerste drie jaar van het programma (voorbereidingsfase) kan steun worden toegekend voor:

a) jongerenuitwisselingsactiviteiten waar ten minste twee Lid-Staten bij betrokken zijn, zoals die welke uit hoofde van actie A.I van dit besluit worden ondersteund en verkennende uitwisselingen;

b) activiteiten met het doel een solide, duurzame basis te leggen voor kwaliteitsverbetering en diversificatie van deze uitwisselingen. Deze activiteiten betreffen de jeugdwerkers en de verantwoordelijken van de jongerenorganisaties, alsook de voorlichting.

3. Gedurende de laatste twee jaar van het programma (consolideringsfase) zal voorrang worden gegeven aan activiteiten waarbij de jongeren rechtstreeks betrokken zijn en waarvan de vormen en voorwaarden in het licht van de resultaten van de evaluatie van de voorbereidingsfase en de algemene evaluatie van het programma zullen moeten worden aangepast.

ACTIE E: JONGERENVOORLICHTING EN ONDERZOEK OP HET GEBIED VAN DE JEUGD

1. In samenhang met de doelstellingen van dit programma, met name de uitwisseling en de mobiliteit van jongeren, kan de Commissie maatregelen nemen ter bevordering van de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten op Europees niveau op het gebied van de jongerenvoorlichting en studies op het gebied van de jeugd. Zij verstrekt objectieve informatie over de rechten en plichten van jongeren in het kader van de doelstellingen van het programma.

2. Op het gebied van de jongerenvoorlichting is met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma een belangrijke rol voor de Gemeenschap weggelegd bij de ondersteuning van de activiteiten van de jongereninformatiesystemen die in de Lid-Staten zijn opgericht. Bijzondere aandacht zal uitgaan naar voorlichting als onderdeel van de communicatie en de dialoog tussen de jongeren en de Gemeenschap.

De actie van de Gemeenschap zal vooral de volgende vier werkterreinen omvatten:

- ontwikkeling van de activiteiten van de structuren die verantwoordelijk zijn voor de verspreiding van informatie voor jongeren in de Lid-Staten, mede via opleidingsacties;

- exploitatie van de bestaande netwerken voor de jongerenvoorlichting op Europees niveau;

- meer gebruik van de media om aan de doelstellingen en resultaten van het programma bekendheid te geven en deze te bevorderen;

- koppeling, rationalisatie en exploitatie van gegevensbanken in een netwerk waar dit noodzakelijk is.

Er zal een bijzondere inspanning worden gedaan om ervoor te zorgen dat de informatie de doelgroepen bereikt, in het bijzonder de kansarme jongeren.

3. Wat de met de doelstellingen van het programma verband houdende studies op het gebied van de jeugd betreft, zal de Gemeenschap haar inspanningen richten op de analyse en verspreiding van gegevens, de bevordering van de uitwisseling van know-how tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en de Commissie, en de bevordering van communautaire samenwerking op dit gebied.