95/593/EG: Besluit van de Raad van 22 december 1995 betreffende een communautair actieprogramma op middellange termijn inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen (1996-2000)
Publicatieblad Nr. L 335 van 30/12/1995 blz. 0037 - 0043
BESLUIT VAN DE RAAD van 22 december 1995 betreffende een communautair actieprogramma op middellange termijn inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen (1996-2000) (95/593/EG) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235, Gezien het voorstel van de Commissie (1), Gezien het advies van het Europees Parlement (2), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3), (1) Overwegende dat de Raad zes richtlijnen, twee aanbevelingen en tien resoluties op het gebied van gelijke behandeling van en gelijke kansen voor mannen en vrouwen heeft aangenomen (4); (2) Overwegende dat deze teksten een wezenlijke rol hebben gespeeld bij de verbetering van de situatie van vrouwen; (3) Overwegende dat gelijke behandeling van en gelijke kansen voor mannen en vrouwen fundamentele beginselen vormen die door het Gemeenschapsrecht worden erkend; verzoeken aan de Commissie hebben gericht met het oog op de voorbereiding van het vierde actieprogramma inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen (1996-2000); (6) Overwegende dat het programma aansluit bij de vooruitzichten die in de conclusies van de Wereldvrouwenconferentie te Peking zijn vastgelegd; (7) Overwegende dat de Commissie in het Witboek "Groei, concurrentievermogen, werkgelegenheid" de nadruk legt op de noodzaak het beleid inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen wat de werkgelegenheid betreft te intensiveren; (8) Overwegende dat de Commissie er zich in het Witboek inzake het Europees sociaal beleid toe heeft verbonden, in de loop van 1995 een vierde actieprogramma inzake gelijke kansen voor mannen Tweede resolutie van de Raad van 24 juli 1986 betreffende bevordering van gelijke kansen voor de vrouw (PB nr. C 203 van 12. 8. 1986, blz. 2). Resolutie van de Raad van 16 december 1988 betreffende de reïntegratie en integratie op latere leeftijd van vrouwen in het arbeidsproces (PB nr. C 333 van 28. 12. 1988, blz. 1). Resolutie van de Raad van 29 mei 1990 betreffende de bescherming van de waardigheid van vrouwen en mannen op het werk (PB nr. C 157 van 27. 6. 1990, blz. 3). Resolutie van de Raad van 21 mei 1991 betreffende het derde communautaire actieprogramma op middellange termijn inzake gelijke kansen voor vrouwen en mannen (1991-1995) (PB nr. C 142 van 31. 5. 1991, blz. 1). Resolutie van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen door middel van acties van de Europese Structuurfondsen (PB nr. C 231 van 20. 8. 1994, blz. 1). Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, van december 1994 betreffende de gelijkwaardige deelneming van vrouwen aan een op groei van de werkgelegenheid in de Europese Unie gericht economische ontwikkelingsstrategie (PB nr. C 368 van 23. 12. 1994, blz. 3). Resolutie van de Raad van 27 maart 1995 betreffende de evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen aan de besluitvorming (PB nr. C 168 van 4. 7. 1995, blz. 3). en vrouwen te presenteren, dat in 1996 van kracht moet worden; (9) Overwegende dat het Europees Parlement er herhaaldelijk krachtig bij de Europese Unie op heeft aangedrongen, haar beleid op het gebied van de gelijke behandeling van en gelijke kansen voor mannen en vrouwen te versterken; (10) Overwegende dat de eerste drie communautaire actieprogramma's op middellange termijn inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen (1982-1985, 1986-1990 en 1991-1995) een grote rol hebben gespeeld bij de verbetering van de situatie van vrouwen en de bevordering van samenwerking op alle niveaus op dit gebied; (11) Overwegende dat de resultaten die in het raam van deze drie programma's bereikt zijn, moeten worden geconsolideerd en ontwikkeld; dat, ondanks de inspanningen die zowel op nationaal als op communautair niveau zijn gedaan, ongelijkheden blijven bestaan, met name ten aanzien van de werkgelegenheid van vrouwen en de beloning van hun arbeid; (12) Overwegende dat de voorlichtingsbureaus van de Europese Unie in de Lid-Staten hun inspanningen om informatie te verspreiden over het communautaire beleid inzake gelijke behandeling en gelijke kansen, moeten intensiveren; (13) Overwegende dat de ontwikkeling van het onderwijs en de beroepsopleiding, de grote verscheidenheid aan beroepskeuzes alsmede de toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen factoren zijn die het concurrentievermogen van de Europese economie vergroten en de integratie in de arbeidsmarkt verbeteren; (14) Overwegende dat maatregelen moeten worden ontwikkeld die de sociale en economische veranderingen in aanmerking nemen en dat meer bepaald moet worden ingespeeld op de veranderingen in de gezinsstructuren, in de rol van vrouwen en mannen in de samenleving, in de organisatie van het beroepsleven en in de demografische samenstelling van de samenleving; (15) Overwegende dat in dit opzicht een actief partnerschap tussen de Commissie, de Lid-Staten, de sociale partners, de niet-gouvernementele organisaties en met name de vrouwenorganisaties moet worden bevorderd en de synergie tussen alle relevante beleidsvormen en maatregelen ter zake moet worden begunstigd; (16) Overwegende dat het onderhavige programma, krachtens artikel 3 B van het Verdrag en rekening houdend met de bevoegdheden van de Lid-Staten inzake de bevordering van gelijke behandeling en gelijke kansen, kan zorgen voor een toegevoegde waarde door goede praktijken en goed beleid te identificeren en te stimuleren, alsmede door innovatie aan te moedigen en de op dit gebied opgedane ervaringen, inclusief die betreffende positieve acties, uit te wisselen; (17) Overwegende dat dit programma niet ten doel heeft om alle acties te ondersteunen die plaatselijk ten gunste van vrouwen kunnen worden georganiseerd en die op sommige gebieden in aanmerking kunnen komen voor bijstand uit andere communautaire beleidsmaatregelen; (18) Overwegende dat de Commissie, tegelijk met het voorstel voor dit besluit, een vierde communautair actieprogramma op middellange termijn inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen heeft voorgelegd; (19) Overwegende dat een referentiebedrag, in de zin van punt 2 van de verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 6 maart 1995, in dit besluit wordt opgenomen voor de gehele duur van het programma, zulks onverminderd de bij het Verdrag vastgestelde bevoegdheden van de begrotingsautoriteit; (20) Overwegende dat het Verdrag slechts in artikel 235 bevoegdheden voor de goedkeuring van dit besluit bevat, BESLUIT: Artikel 1 Vaststelling van een communautair actieprogramma Bij dit besluit wordt een vierde communautair actieprogramma op middellange termijn inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen, hierna te noemen "het programma", vastgesteld voor de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 2000. Artikel 2 Beginsel van integratie van de dimensie van gelijke kansen in alle beleidsvormen en acties ("mainstreaming") Het programma beoogt de integratie te bevorderen van de dimensie van gelijke kansen van mannen en vrouwen in de opstelling en tenuitvoerlegging van en het toezicht op alle beleidsvormen en acties van de Europese Unie en de Lid-Staten, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden. Artikel 3 Doelstellingen 1. Het programma ondersteunt de maatregelen van de Lid-Staten inzake gelijke kansen voor vrouwen en mannen. 2. Het programma heeft ten doel: a) bevordering van de integratie van de dimensie van gelijke kansen in alle beleidsvormen en acties; b) mobilisatie van de deelnemers aan het economische en sociale leven om gelijke kansen voor mannen en vrouwen tot stand te brengen; c) bevordering van gelijke kansen in een economie in verandering, met name op het gebied van onderwijs, beroepsopleiding en arbeidsmarkt; d) combinatie van het beroeps- en gezinsleven voor vrouwen en mannen; e) bevordering van de evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen aan het besluitvormingsproces; f) verbetering van de voorwaarden voor de uitoefening van de rechten op gelijkheid. Artikel 4 Communautaire acties 1. Om de in artikel 3 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, worden de volgende acties in het kader van het programma uitgevoerd, verbeterd en/of ondersteund, met gebruikmaking van de bestaande structuren, en in voorkomend geval door de werking daarvan te verbeteren en/of ze te rationaliseren: a) teneinde de uitwisseling van informatie en ervaringen over goede praktijken mogelijk te maken, verlening van methodologische en/of technische en/of financiële bijstand voor projecten waarbij de identificatie en de ontwikkeling van goede praktijken, alsmede de overdracht van informatie en ervaringen met betrekking tot deze praktijken, mogelijk worden gemaakt; b) oberservatie van en toezicht op het relevante beleid alsmede uitvoering van studies op dit gebied; c) snelle verspreiding van de resultaten van de opgezette initiatieven en van elke andere pertinente informatie. 2. De bepalingen met betrekking tot de toepassingscriteria van dit artikel staan in de bijlage. Artikel 5 Samenhang en complementariteit De Commissie en de Lid-Staten zien erop toe dat er samenhang en complementariteit bestaat tussen de initiatieven uit hoofde van het programma en de initiatieven uit hoofde van de Structuurfondsen en andere communautaire beleidsvormen of acties, waaronder die betreffende onderwijs en beroepsopleiding, alsook de initiatieven van de Lid-Staten. Artikel 6 Deelname van andere landen 1. Welke activiteiten van dit programma open kunnen staan voor deelname van de landen van de Europese Economische Ruimte, de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa (Almoe), Cyprus en Malta en de mediterrane partners van de Unie zal worden bepaald in het kader van de betrekkingen van de Europese Unie met die landen. 2. De kosten van de in lid 1 bedoelde deelname komen ten laste van de begroting van de betrokken landen zelf, dan wel van de begrotingslijnen van de Gemeenschap met betrekking tot de tenuitvoerlegging, op het betrokken gebied, van de samenwerkings-, associatie- of partnerschapsovereenkomsten met deze landen. Artikel 7 Tenuitvoerlegging De Commissie draagt, in overleg met de Lid-Staten, zorg voor de tenuitvoerlegging van het programma overeenkomstig dit besluit. Artikel 8 Vaststelling van het bedrag van de financiële bijstand 1. Voor de acties zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), kan de financiële bijdrage van de Gemeenschap oplopen tot: - in het algemeen een maximumpercentage van 60 %; - in uitzonderlijke gevallen, volgens criteria die overeenkomstig de procedure van artikel 9 worden vastgesteld, een hoger maximumpercentage. 2. De acties bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b) en c), worden volledig door de Gemeenschap gefinancierd. Artikel 9 Comité 1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. 2. Volgens de procedure van lid 3 worden vastgesteld: - de algemene beleidsmaatregelen betreffende de steun die door de Gemeenschap wordt verstrekt; - het jaarlijkse werkprogramma en de vraagstukken inzake de uitsplitsing van dit programma; - de wijze waarop de door de Gemeenschap te steunen acties worden gekozen en de criteria voor het toezicht op en de evaluatie van deze acties en van het programma in zijn geheel, alsmede de wijze waarop de resultaten van een en ander worden verspreid en overgedragen. 3. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het advies wordt uitgebracht met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel. De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval stelt de Commissie de maatregelen waartoe zij heeft besloten twee maanden uit, te rekenen vanaf de dag waarop zij ter kennis werden gebracht. De Raad kan binnen de in de voorgaande alinea genoemde termijn met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen. Artikel 10 Financiering 1. Het referentiebedrag voor de uitvoering van het programma beloopt voor de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 2000 30 miljoen ecu. 2. De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten. Artikel 11 Toezicht en evaluatie 1. Op de door het programma gesteunde acties wordt, ter wille van de doeltreffendheid, permanent toezicht uitgeoefend aan de hand van de overeenkomstig de procedure van artikel 9 opgestelde criteria. 2. Het programma wordt onderworpen aan periodieke externe en objectieve evaluaties volgens de overeenkomstig de procedure van artikel 9 opgestelde criteria. Artikel 12 Verslagen 1. De Commissie dient uiterlijk op 31 december 1998 een tussentijds verslag over de tenuitvoerlegging van het programma in bij het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. 2. De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2001 een eindverslag over de tenuitvoerlegging van het programma in bij het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Artikel 13 Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Gedaan te Brussel, 22 december 1995. Voor de Raad De Voorzitter L. ATIENZA SERNA (1) PB nr. C 306 van 17. 11. 1995, blz. 2. (2) PB nr. C 323 van 4. 12. 1995. (3) Advies uitgebracht op 22 november 1995 (nog niet verschenen in het Publikatieblad). (4) Richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB nr. L 45 van 19. 2. 1975, blz. 19). Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB nr. L 39 van 14. 2. 1976, blz. 40). Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB nr. L 6 van 10. 1. 1979, blz. 24). Richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (PB nr. L 225 van 12. 8. 1986, blz. 40). Richtlijn 86/613/EEG van de Raad van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het moederschap (PB nr. L 359 van 19. 12. 1986, blz. 56). Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PB nr. L 348 van 28. 11. 1992, blz. 1). Aanbeveling 84/635/EEG van de Raad van 13 december 1984 betreffende de bevordering van positieve acties voor vrouwen (PB nr. L 331 van 19. 12. 1984, blz. 34). Aanbeveling 92/241/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende kinderopvang (PB nr. L 123 van 8. 5. 1992, blz. 16). Resolutie van de Raad van 12 juli 1982 betreffende de bevordering van gelijke kansen voor de vrouw (PB nr. C 186 va 21. 7. 1982, blz 3). Resolutie van de Raad van 7 juni 1984 betreffende acties ter bestrijding van de vrouwenwerkloosheid (PB nr. C 161 van 21. 6. 1984, blz. 4). Resolutie van de Raad en de ministers van Onderwijs, in het kader van de Raad bijeen, van 3 juni 1985 houdende een actieprogramma betreffende gelijke kansen voor meisjes en jongens in het onderwijs (PB nr. C 166 van 5. 7. 1985, blz. 1). (4) Overwegende dat de Staatshoofden en Regeringsleiders, in de Europese Raad bijeen op 10 en 11 december 1994 in Essen en op 26 en 27 juni 1995 in Cannes, er met nadruk op hebben gewezen dat gelijke kansen voor mannen en vrouwen, samen met de bestrijding van de werkloosheid, de belangrijkste opgave van de Europese Unie en haar Lid-Staten vormt; (5) Overwegende dat de Raad en de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, in hun resolutie van 6 december 1994 betreffende de gelijkwaardige deelneming van vrouwen aan een op groei van de werkgelegenheid in de Europese Unie gerichte economische ontwikkelingsstrategie (1) (1) PB nr. C 368 van 23. 12. 1994, blz. 3. BIJLAGE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE TOEPASSINGSCRITERIA VAN ARTIKEL 4 I. INLEIDENDE OPMERKINGEN Het programma is bestemd om de inspanningen ter bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen op het niveau van de Europese Unie en op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau te ondersteunen onder volledige eerbiediging van de respectieve bevoegdheden. Het programma vormt een belangrijke aanvulling op de in het kader van andere communautaire beleidsvormen, met inbegrip van de Structuurfondsen, ondernomen acties. Het programma is bijgevolg niet bestemd om alle acties te steunen die plaatselijk ten behoeve van vrouwen worden georganiseerd en die op sommige gebieden bijstand uit deze beleidsvormen kunnen ontvangen. De meerwaarde van het programma is gelegen in de identificatie en de uitwisseling van informatie en ervaringen over goede praktijken op het gebied van gelijke kansen. II. ACTIEGEBIEDEN De communautaire acties die in het kader van het programma kunnen worden gesteund zijn die zoals bedoeld in artikel 4 en moeten betrekking hebben op een of meer van de volgende gebieden: 1. Integratie van de dimensie van gelijke kansen in alle beleidsvormen en acties ("mainstreaming") - Bevordering en ontwikkeling van methoden, strategieën, modellen en studies die erop zijn gericht de dimensie van gelijke kansen in alle beleidsvormen en acties te integreren. 2. Werkgelegenheid en beroepsleven - Onderwijs, opleiding en voortgezette opleiding, alsmede de bevordering van gelijke kansen op het gebied van de werkgelegenheid. - Toegang tot werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden. - Bevordering van de economische onafhankelijkheid. - Verticale en horizontale desegregratie van de arbeidsmarkt. - Gelijk loon gelijk werk en van gelijke waarde. - Organisatie en flexibiliteit van het beroepsleven. - Aspecten in verband met het arbeidsmilieu, met inbegrip van sexuele intimidatie. - Ondernemerschap. - Combinatie van de verantwoordelijkheden in het beroep en als ouder, met inbegrip van de rol van de man. 3. Besluitvorming - Opstellen van en toezicht op methoden, strategieën en acties ter bevordering van een evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen aan de besluitvorming, ook op hoge posten. 4. Informatie en onderzoek - Bevordering van informatie, onderzoek , studies en andere acties ter verhoging van de kennis en ter bevordering van positieve attitudes ten aanzien van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. 5. Statistische gegevens - Beter gebruik en ontwikkeling van statistische gegevens naar geslacht, in overleg met de bevoegde nationale organen. III. SELECTIECRITERIA 1. Om voor steun uit hoofde van het programma in aanmerking te komen, dienen de acties te voldoen aan de volgende criteria: - zij moeten binnen de Europese Unie een meerwaarde vertegenwoordigen; - zij moeten de bevordering van de beste praktijken op het betrokken gebied/de betrokken gebieden ten doel hebben; - zij moeten bijdragen tot een of meer van de in artikel 3 genoemde doelstellingen; - zij moeten transnationale uitwisselingen mogelijk maken; - zij moeten gericht zijn op resultaten die kunnen worden overgedragen; - zij moeten worden ingediend en uitgevoerd door openbare of particuliere actoren en organisaties die over passende kwalificaties en/of ervaring beschikken; - zij moeten duidelijke doeleinden en een in het licht van deze doelstellingen realistische duur hebben: - zij moeten regelmatig objectief worden geëvalueerd. 2. Voor de acties zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), zal voorrang worden verleend aan de acties die voldoen aan een of meer van de volgende criteria; - in specifieke gevallen moeten zij voorzien in de deelneming van verschillende actoren, met name sociale partners, niet-gouvernementele organisaties en meer bepaald vrouwenorganisaties en lokale instanties; - zij moeten betrekking hebben op praktische maatregelen die de bevordering van gelijke kansen van vrouwen en mannen op de bovengenoemde gebieden beogen; - zij moeten qua inhoud en organisatie zoveel mogelijk innoverend zijn; - zij moeten zich lenen voor de ruimst mogelijke overdracht binnen de Europese Unie; - zij moeten medefinanciering aanmoedigen. IV. WIJZE VAN INDIENING VAN DE STEUNAANVRAGEN 1. De aanvragen om steun uit hoofde van het programma moeten de volgende elementen bevatten: - nauwkeurige opgave van de volledige identiteit van de ontwikkelaars en de partners van de actie; - gedetailleerde beschrijving van de overwogen actie; - gedetailleerde begroting voor de gehele actie waarin alle reeds vaststaande en/of verwachte financieringsbronnen worden vermeld; - samenvatting van de eventuele financieringsaanvraag. 2. De steunaanvragen worden ingediend bij de Commissie en tegelijkertijd, ter informatie en in voorkomend geval voor advies, overeenkomstig de nationale praktijken, bij de betrokken Lid-Staten.