31995D0455

95/455/EG: Beschikking van de Commissie van 1 maart 1995 betreffende de maatregelen inzake de verminderingen van de sociale lasten voor de bedrijven in de Mezzogiorno en de fiscalisatie van sommige van deze lasten (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 265 van 08/11/1995 blz. 0023 - 0029


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 1 maart 1995 betreffende de maatregelen inzake de verminderingen van de sociale lasten voor de bedrijven in de Mezzogiorno en de fiscalisatie van sommige van deze lasten (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst) (95/455/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 93, lid 2, eerste alinea,

Na de belanghebbenden overeenkomstig artikel 93 van het Verdrag te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken,

Overwegende hetgeen volgt:

I

(1) Bij schrijven van 8 oktober 1992 hebben die Italiaanse autoriteiten overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag de Commissie in kennis gesteld van wetsontwerp nr. 1536 van 8 september 1992 houdende, onder meer:

- in artikel 1: de verlenging, met toewijzing van nieuwe begrotingsmiddelen, van de vermindering van sociale lasten zoals bedoeld in wet nr. 64 van 1 maart 1986 betreffende de kaderregeling voor de buitengewone steun in de Mezzogiorno;

- in artikel 2: een maatregel inzake de fiscalisatie (het ten laste van de staatsbegroting brengen) van sociale lasten houdende de selectieve vermindering van de sociale lasten ten gunste van de bedrijven in de Mezzogiorno op een later tijdstip.

Deze maatregelen hadden, wat artikel 1 betreft, voor de periode van 1 december 1991 tot en met 30 november 1992 en, wat artikel 2 betreft, van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1993 van toepassing moeten zijn. Het wetsontwerp diende ter vervanging van wetsbesluit nr. 14 van 21 januari 1992 betreffende hetzelfde onderwerp, dat niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie was aangemeld, laatstelijk opnieuw uitgevaardigd bij een evenmin aangemeld wetsbesluit van 21 juli 1992, ten aanzien waarvan de Commissie bij besluit van 25 juni 1992 de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag heeft ingeleid (1).

(2) Aangezien genoemde wetsbesluiten niet binnen de door de Italiaanse grondwet gestelde termijn in wetten waren omgezet en door het hier onderzochte wetsontwerp nr. 1536 waren vervangen, stelde de Commissie bij besluit van 18 november 1992 overeenkomstig artikel 93, lid 2, van het Verdrag (2) vast dat haar bekendmaking van 25 juni 1992 was achterhaald en leidde zij de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in ten aanzien van wetsontwerp nr. 1536, voor zover het op de genoemde maatregelen betrekking heeft.

Dit besluit werd op 18 november 1992 aan de Italiaanse regering en, door de bekendmaking ervan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, aan de overige Lid-Staten en andere belanghebbenden medegedeeld. Zowel Italië als de overige Lid-Staten en andere belanghebbenden kregen een maand de tijd om hun opmerkingen kenbaar te maken.

Geen enkele andere Lid-Staat of belanghebbende heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid opmerkingen te maken. De Italiaanse regering verzocht aanvankelijk om verlenging van de vastgestelde termijn. Vervolgens hadden verscheidene bijeenkomsten met de betrokken diensten plaats: op 14 december 1992, 11 februari 1993, 15 februari 1993, 1 juli 1993, 4 februari 1994, 4 juli 1994, 1 augustus 1994, 25 oktober 1994, 24 november 1994 en 10 januari 1995. Het ter zake bevoegde Lid van de Commissie had op 13 januari 1995 een onderhoud over deze zaak met de Italiaanse minister van Begroting en van Economische Zaken.

II

(3) Wet nr. 64 van 1 maart 1986 is bij Beschikking 88/318/EEG van de Commissie (1) onder bepaalde voorwaarden verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard. In deze wet is onder meer in de mogelijkheid voorzien, dat de Italiaanse autoriteiten op de sociale lasten voor in de Mezzogiorno gelegen bedrijven verminderingen toepassen. In Italië bedragen de sociale lasten gemiddeld 45 % van het belastbare salaris. De bedoelde vermindering bestond onder meer in een volledige vrijstelling voor alle bedrijven buiten de landbouw van sociale lasten voor de eerste tien jaar na de aanstelling voor iedere nieuwe arbeidsplaats, en een algemene vermindering met 8,50 % van het belastbare salaris. Daarenboven werden, naar gelang van de datum van aanstelling, zeer aanzienlijke extra verminderingen toegestaan. Het hiervoor door artikel 18 van de wet bestemde begrotingsbedrag bedroeg 30 000 miljard lire (15 000 miljoen ecu) op een totaal beschikbaar bedrag van 120 000 miljard lire (60 000 miljoen ecu).

De Italiaanse autoriteiten hebben van de hun geboden mogelijkheid inzake de sociale lasten gebruik gemaakt. Zo hebben zij in de loop der jaren verscheidene besluiten genomen, op grond waarvan de bedrijven in de Mezzogiorno ononderbroken de maximaal toegestane verminderingen konden verkrijgen. De gemiddelde vermindering per bedrijf (basistarief en aanvullende verminderingen) bedroeg ongeveer 20 %. Aangezien het vastgestelde begrotingsbedrag van 30 000 miljard lire in de loop van 1989 was opgebruikt, werd de maatregel verlengd bij verschillende besluiten die niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag waren aangemeld en waarvoor een begrotingsbedrag van in totaal 8 188 miljard lire (4 094 miljoen ecu) beschikbaar werd gesteld. De Commissie heeft deze verlenging bij beschikking van 2 oktober 1991 verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard.

(4) Artikel 1 van het wetsontwerp verlengt de vermindering van de sociale lasten in de Mezzogiorno van 1 december 1991 tot en met 30 november 1992, beperkt de volledige vrijstelling tot één jaar, verlaagt de algemene vermindering tot 7,50 % en wijst voor de maatregel een begrotingsbedrag toe van in totaal 6 766 miljard lire (3 383 miljoen ecu).

(5) Sinds het einde van de jaren zeventig hebben de Italiaanse autoriteiten aan bepaalde ondernemingen andere verminderingen van sociale lasten verleend in verband met het zogenoemde fiscalisatiebeleid van sommige van deze lasten. Op grond van een eerste wetsbesluit (nr. 102) van 7 februari 1977 zijn deze maatregelen in een tiental wettelijke regelingen vastgelegd.

Het fiscalisatiebeleid beoogt met name het sociale beleid (met name de ziektekostenverzekering) ten laste van de staatsbegroting te brengen. Deze voorzieningen zijn weliswaar uitgebreid tot de gehele bevolking, maar werden van oudsher bekostigd uit de zogenoemde "oneigenlijkse" sociale lasten ten laste van de ondernemingen. Blijkens de gegevens die de Italiaanse autoriteiten tijdens de in overweging 2 genoemde bijeenkomsten hebben verstrekt, bedroegen deze oneigenlijke lasten 17 % van de loonkosten van de werknemers, bij een totaal aan sociale lasten van 45 %. Om historische redenen zijn de oneigenlijke lasten in de industrie omvangrijker dan in de andere sectoren. Daar de nationale begroting een fiscalisatie van deze omvang niet in één keer kon dragen, is deze slechts gedeeltelijk en etappegewijs ingevoerd. In de loop der jaren heeft dit in een vermindering van sociale lasten geresulteerd, die aanvankelijk per sector en, na wet nr. 687 van 28 oktober 1980, per regio uiteenliep. Met name genoten de bedrijven van de Mezzogiorno na 1 juli 1990 op grond van wet nr. 687 van 28 oktober 1980 ten opzichte van de bedrijven in andere regio's van een selectieve vermindering van 2,54 %. Door de ontwikkeling van de wetgeving steeg dit voordeel na wetsbesluit nr. 210 van 4 juni 1990 tot 6,20 %. Sinds 1990 zijn de sectoriële verschillen verdwenen.

(6) De Commissie heeft kennis genomen van de eerste fiscalisatiebesluiten tot en met wetsbesluit nr. 633 van 30 december 1979 en heeft deze bij Beschikking 80/932/EEG (2) aan artikel 92 van het Verdrag getoetst.

Daar het systeem - rechtstreeks of zijdelings - op sectoriële verschillen in fiscalisatie was gebaseerd, kwam de Commissie tot het oordeel, dat sommige van deze verschillen, enkel wegens hun tijdelijke karakter en hun marginale selectiviteit, niet als staatssteun konden worden aangemerkt.

Sindsdien is - tot de aanmelding van het onderhavige wetsontwerp - geen enkele wettelijke regeling betreffende deze materie ingevolge artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag ter kennis van de Commissie gebracht.

(7) Artikel 2 van het onderhavige wetsontwerp verhoogt - tot 31 december 1993 - de oneigenlijke sociale lasten ten laste van de staatsbegroting: deze verhoging bedraagt 1,44 % voor bedrijven in Midden- en Noord-Italië en 1,40 % voor bedrijven in de overige streken. Zoals de Italiaanse autoriteiten tijdens de in overweging 2 genoemde bijeenkomsten opmerkten, werd het relatieve voordeel voor de bedrijven in de Mezzogiorno ten gevolge van de fiscalisatie, dat na wetsbesluit nr. 210 van 4 juni 1990 6,20 % bedroeg, dus met 0,04 % - van 6,20 % tot 6,16 % - verminderd.

In artikel 2, lid 4, wordt ten slotte een nieuwe vrijstelling ingevoerd van 0,40 % voor bepaalde bedrijven in de bouwsector. Volgens de Italiaanse autoriteiten is deze maatregel voor het gehele nationale grondgebied gelijk en niet selectief naar sector. De bouwsector was namelijk op het gehele nationale grondgebied uitgesloten van de aan alle andere sectoren toegekende vrijstelling. De toekenning van een fiscalisatie van 0,40 % voor het gehele grondgebied is een eerste stap naar opheffing van deze discriminerende situatie. Deze maatregel is derhalve geen steunmaatregel.

De voor deze fiscalisatiemaatregelen uitgetrokken begrotingsmiddelen bedragen 4 200 miljard lire (2 100 miljoen ecu).

III

(8) Tijdens de procedure hebben de Italiaanse autoriteiten, afgezien van de hierboven uiteengezette opmerkingen over de feiten, betoogd, dat rekening moest worden gehouden met de moeilijkheden - ook van sociale aard - als gevolg van een herziening van de steunmaatregelen in de probleemgebieden en van de wettelijke maatregelen van de Italiaanse regering ter ondersteuning van de werkgelegenheid.

(9) Inmiddels zijn de in het aangemelde wetsontwerp vastgelegde maatregelen in werking getreden bij verscheidene wettelijke regelingen, met name bij wetsbesluiten die laatstelijk zijn gewijzigd bij wet nr. 151 van 20 mei 1993, op haar beurt gewijzigd bij wetsbesluit nr. 245 van 20 juli 1993. Een nadere regeling ter zake werd vastgesteld bij wet nr. 21 van 14 januari 1994, waarin onder meer de verminderingspercentages van de sociale lasten tot 30 juni 1994 werden vastgesteld.

Geen dezer besluiten is ingevolge artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag ter kennis van de Commissie gebracht. Artikel 1, lid 4, van wetsbesluit nr. 12 van 18 januari 1993 - dat niet in een wet is omgezet - bepaalde dat de minister van Arbeid en Sociale Voorzieningen in overleg met de ministers van de Schatkist en de Begroting de criteria vaststelt voor de herziening van de maatregelen ten behoeve van de werkgelegenheid, de verenigbaarheid hiervan met de communautaire richtsnoeren in aanmerking genomen. Deze bepaling is eveneens vervat in wet nr. 21 van 14 januari 1994, waarin onder meer aan deze drie ministers de bevoegdheid wordt verleend nieuwe verminderingspercentages vast te stellen.

De tenuitvoerlegging van de maatregelen in het wetsontwerp dat voorwerp is van de onderhavige beschikking, omvatte blijkens deze besluiten de volgende onderdelen:

- de verminderingen van de sociale lasten in de Mezzogiorno werden op 30 juni 1994 tot de lopende betalingsperiode verlengd;

- de volledige vrijstelling van premies voor nieuwe arbeidsplaatsen werd tot een jaar beperkt. De algemene vermindering werd beperkt tot 5 % in plaats van 8,50 %. Gemiddeld beliep de vermindering per bedrijf 16 %;

- de in het wetsontwerp voorziene fiscalisatie werd tot en met 31 december 1994 toegekend.

Op bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de betrokken diensten hebben de Italiaanse autoriteiten erop gewezen, dat de mededeling in wetsbesluit nr. 12 van 18 januari 1993 volgens welke de regering in het kader van de herziening van de steunmaatregelen in de Mezzogiorno rekening heeft gehouden met de verenigbaarheid daarvan met de communautaire richtsnoeren, het begin van de aanpassing van het Italiaanse stelsel aan de gemeenschappelijke markt zou zijn.

IV

(10) Ongeacht het ermee beoogde economische en sociale doel zijn de maatregelen betreffende de selectieve vermindering van de sociale lasten zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2 van wetsontwerp nr. 1536, steunmaatregelen in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, aangezien zij tot gevolg hebben dat de kosten die normaal voor rekening van het Italiaanse bedrijfsleven zelf komen, voor de bedrijven in de Mezzogiorno worden verlaagd. Hierdoor vervalsen zij de mededinging en kunnen zij, doordat zij van toepassing zijn op alle in deze regio's gelegen bedrijven, het handelsverkeer ongunstig beïnvloeden. Bijgevolg zijn deze maatregelen op zich verboden steunmaatregelen in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.

Wat de zogenoemde fiscalisatiemaatregelen betreft, zijn maatregelen van algemene aard die beogen de kosten van de sociale lasten voor het gehele bedrijfsleven van een Lid-Staat te verminderen, geen steunmaatregelen. Daarentegen zijn selectieve verminderingen waardoor bepaalde bedrijven ten opzichte van andere worden bevoordeeld, ongeacht of deze selectiviteit individueel, sectorieel of regionaal (zoals in het onderhavige geval) van aard is, voor het gedifferentieerde gedeelte van de vermindering, steunmaatregelen in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag.

Al zijn de bij wet nr. 64 van 1 maart 1986 ingevoerde verminderingen van de sociale lasten door de Commissie in haar beschikkingen over de verenigbaarheid van wet nr. 64 krachtens artikel 92, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag met de gemeenschappelijke markt, verenigbaar verklaard, de verlenging ervan voor de periode na 30 november 1991 is - gelet met name op de cumulering met het verschil in fiscalisatie dat de in de Mezzogiorno gevestigde bedrijven vanaf ten minste 4 juni 1990 hebben genoten en op het fiscalisatieverschil in de fiscalisatieregelingen na de vaststelling van artikel 2 van het onderhavige wetsontwerp -, op zich niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar.

In haar beschikkingen over de verenigbaarheid van de wet betreffende de Mezzogiorno heeft de Commissie de - reeds bestaande - vermindering van sociale lasten in de zin van wet nr. 64 van 1 maart 1986 als verenigbaar beschouwd wegens de duidelijk omschreven omstandigheden waaronder de vermindering mag worden verleend. Hierdoor werd de bevoegdheid van de Italiaanse autoriteiten beperkt; zij konden namelijk aan in de Mezzogiorno gelegen bedrijven voor elke nieuwe arbeidsplaats voor tien jaar een volledige vrijstelling verlenen en voor andere werknemers een algemene vermindering van 8,50 % en extra verminderingen voor de gehele duur van de kaderregeling, namelijk tot 31 december 1993.

Gebleken is echter dat de Italiaanse autoriteiten, met name na wetsbesluit nr. 210 van 4 juni 1990, aan dezelfde bedrijven op grond van de fiscalisatieregelingen aanzienlijk hogere verminderingen van de sociale lasten hebben verleend. De bedrijven uit de Mezzogiorno hebben immers door deze vermindering van de sociale lasten een voordeel ten opzichte van hun Italiaanse concurrenten genoten dat bestond uit een volledige vrijstelling voor tien jaar voor elke nieuwe arbeidsplaats, een vermindering van het basistarief, verhoogd met het fiscalisatieverschil en de extra verminderingen. Hierdoor kwam het gemiddelde percentage per bedrijf op de datum waarop deze procedure werd ingeleid, op circa 27 % te liggen.

Deze aanzienlijke overschrijding van het verminderingspercentage dat de Commissie in de Mezzogiorno verenigbaar acht, heeft het effect van de door de Commissie goedgekeurde verminderingen ten voordele van de in de Mezzogiorno gevestigde bedrijven sterk vervalst.

V

(11) De Italiaanse autoriteiten hebben erop gewezen, dat door hen na de inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag vastgestelde en toegepaste bepalingen de voordelen van de totale aan de bedrijven in de Mezzogiorno toegekende vermindering van de sociale lasten aanzienlijk hebben beperkt ten gevolge van:

- de beperking tot één jaar van de volledige vrijstelling voor nieuwe arbeidsplaatsen, die voorheen voor tien jaar gold;

- de verlaging van de algemene vermindering van 8,50 % tot 5 %;

- de verlaging van het fiscalisatieverschil van 6,20 % tot 6,16 %.

De gemiddelde vermindering per bedrijf zou daarom, op 30 juni 1994, zijn verminderd tot 16 %, vermeerderd met 6,16 % fiscalisatieverschil.

Bovendien - en dat zou het belangrijkste zijn - zou deze verlaging slechts het vertrekpunt zijn van een diepgaandere herziening van het systeem, die geleidelijk moet worden uitgevoerd en waarmee op termijn afschaffing van zowel de uit hoofde van wet nr. 64 toegestane vermindering als het fiscalisatieverschil wordt beoogd.

(12) In dit verband hebben de Italiaanse autoriteiten, bij brief van 5 augustus 1994 van de minister van Arbeid, de minister van de Schatkist en de minister van Begroting, de Commissie in kennis gesteld van de tekst van het interministeriële besluit van dezelfde datum, dat de in wet nr. 64 reeds vastgelegde verminderingspercentages van de sociale lasten tot en met 30 november 1996 heeft vastgesteld. In de brief deelde de Italiaanse regering bovendien haar voornemen mede, vóór 31 december 1997 iedere vermindering uit hoofde van wet nr. 64 van 1 maart 1986 volgens een bijgevoegd tijdschema af te schaffen en het fiscalisatieverschil geleidelijk op te heffen.

Het tijdschema voor de afschaffing van het stelsel van de uit hoofde van wet nr. 64 verleede verminderingen van de sociale lasten werd als volgt vastgesteld (totale verminderingen per bedrijf):

- 14,60 % per 1 juli 1994,

- 14 % per 1 december 1994,

- 10,60 % per 1 december 1995,

- 6,80 % per 1 december 1996,

- 0 % per 1 december 1997.

Voor de regio's Abruzzen en Molise, die niet langer aan de voorwaarden voor een uitzondering op het steunverbod van artikel 92, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, was het tijdschema voor de afschaffing als volgt:

- 12 % per 1 juli 1994,

- 0 % per 1 december 1994.

In alle regio's van de Mezzogiorno werd voorts de jaarlijkse vrijstelling van sociale lasten voor elke nieuwe, vóór 31 december 1997 geschapen arbeidsplaats, bevestigd.

(13) Bij brief van 16 december 1994, zoals gewijzigd bij brief van 17 januari 1995, heeft de Italiaanse minister van Begroting ingevolge artikel 93, lid 3, van het Verdrag een aantal voorgenomen overheidsmaatregelen ten behoeve van het Italiaanse bedrijfsleven aangemeld, waarin de reeds onderzochte maatregelen werden bevestigd en onder andere het voornemen kenbaar werd gemaakt tot geleidelijke afschaffing over te gaan van het fiscalisatieverschil van de sociale lasten dat de bedrijven in de Mezzogiorno tot nog toe genoten. Bij de afschaffing zou het verschil als volgt geleidelijk worden verminderd:

in andere regio's dan de Abruzzen:

- 5 % per 1 juli 1995,

- 4 % per 1 januari 1996,

- 3 % per 1 januari 1997,

- 2 % per 1 januari 1998,

- 1 % per 1 januari 1999,

- 0 % per 1 januari 2000;

in de regio Abruzzen - 5 % per 1 juli 1995,

- 3 % per 1 januari 1996,

- 1 % per 1 juli 1996,

- 0 % per 1 januari 1997.

VI

(14) De Commissie - die zich in het kader van de procedure betreffende steunmaatregel N 40/95 over de andere maatregelen van de voorgenomen regeling uitspreekt - is enerzijds van oordeel dat het door de Italiaanse autoriteiten gehanteerde stelsel van verminderingen en fiscalisatieverschillen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is; anderzijds meent zij echter, dat de in het kader van het vastgestelde plan tot geleidelijke afschaffing verleende steun wel met het Verdrag verenigbaar is.

De andere regio's dan de Abruzzen en Molise voldoen aan alle voorwaarden voor de afwijking van artikel 92, lid 3, onder a), van het Verdrag voor steun aan bedrijven ter bevordering van de regionale ontwikkeling. Hun BBP per inwoner bedraagt ten opzichte van het gemiddelde in de Gemeenschap: Campanië 69,75 %, Basilicata 64,98 %, Apulië, 74,30 %, Calabrië 58,60 %, Sicilië 68,35 % en Sardinië 74,40 %. De methode voor de toepassing van artikel 92, lid 3, onder a) en c) (1), maakt het voorts mogelijk in deze regio's exploitatiesteun te verlenen, mits deze degressief is. Gelet op de situatie in de betrokken regio's, die meer nog dan de andere regio's de gevolgen van de recente conjunctuurcrisis ondervinden en door de Gemeenschap bij de steungebieden van doelstelling 1 van de structuurfondsen worden ingedeeld, is het ondenkbaar dat het zwakke produktiesysteem van de ene dag op de andere het hoofd zou kunnen bieden aan een plotselinge, forse stijging van de arbeidskosten ten gevolge van de stijging van de sociale lasten als gevolg van het eenvoudigweg afschaffen van de verminderingen. De afschaffing moet daarom over een redelijke periode worden gespreid en het door de Italiaanse autoriteiten toegepaste en voorgestelde tijdschema waarmee in cumulatieve zin ongeveer 5 % per jaar wordt bereikt, bevat een goed evenwicht tussen de vereisten inzake de mededinging en de noodzaak om, in het belang van de betrokken gebieden, aldaar levensvatbare produktiemiddelen in stand te houden. Het voortbestaan van het fiscalisatieverschil is in het bijzonder gerechtvaardigd - behalve door de geringe omvang van de overblijvende steun - doordat afschaffing ervan op de nationale begroting drukt door de bespoediging van het fiscalisatieproces in Midden- en Noord-Italië.

(15) Wat de Abruzzen en Molise betreft, bevat het dossier geen enkel element dat een afwijking van het steunverbod uit hoofde van artikel 92, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag rechtvaardigt. Al wijzen sommige indicatoren van de sociaal-economische situatie op een aantal moeilijkheden waaraan deze regio's in vergelijking met die in Midden- en Noord-Italië het hoofd moeten bieden, wijzen zij niet op een abnormaal lage levensstandaard of een ernstig structureel gebrek aan werkgelegenheid. Bovendien bedraagt het BBP per inwoner van deze regio's, gemeten naar de koopkrachtstandaard van het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen - de in de genoemde methode voor de toepassing van artikel 92, lid 3, onder a) en c), van het EG-Verdrag voorziene indicator - voor de Abruzzen 89,85 % van het gemiddelde in de Gemeenschap en voor Molise 78,97 % van dit gemiddelde. Het ligt dus ruim boven de drempel voor de in artikel 92, lid 3, onder a), bedoelde afwijking, die door de methode op 75 % is vastgesteld. In dit verband zijn de gesignaleerde moeilijkheden elementen waarmee rekening moet worden gehouden uit hoofde van de in artikel 92, lid 3, onder c), bedoelde afwijking. Alle provincies (NUTS III) van deze twee regio's voldoen namelijk aan de voorwaarden voor deze afwijking: krachtens de eerste fase van de genoemde methode, de provincies Pescara (BBP 77,54 %), Chieti (werkloosheid 119,68 %), Isernia (BBP 81,75 %, werkloosheid 114,15 %) en Campobasso (BBP 75,17 %, werkloosheid 140,75 %), waarbij de nationale index gelijk is aan 100; krachtens de tweede fase (relatief zwakke situatie van de industriële sector, toename van de jongerenwerkloosheid, isolement, vergrijzing van de bevolking) de provincies Aquila en Teramo. Deze regio's vallen beide onder doelstelling 1 van de structuurfondsen, waarbij voor de Abruzzen 31 december 1996 als uiterste datum geldt. In de methode is verlening van exploitatiesteun aan regio's waarop de afwijking van artikel 92, lid 3, onder c), van toepassing is, niet voorzien. Niettemin houdt de Commissie er rekening mee dat op de beide regio's tot en met 31 december 1993 de afwijking van artikel 92, lid 3, onder a), van toepassing was en dat zij, in het enige vergelijkbare geval waarin een regio aan dezelfde voorwaarden voldeed (de afwijking van artikel 92, lid 3, onder a), was niet langer van toepassing en de afwijking van artikel 92, lid 3, onder c), wel), bij de artikelen 2, 3, 4 en 7 van Beschikking 88/318/EEG (1), mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvond daardoor niet zodanig werden veranderd dat het gemeenschappelijk belang werd geschaad, het wenselijk en verenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft geacht dat begeleidende maatregelen van tijdelijke aard, onder meer bestaande uit bepaalde vormen van exploitatiesteun, werden toegestaan ter bevordering van de aanpassing van de bedrijven in de regio - die nog met ontwikkelingsproblemen te kampen hadden - aan nieuwe, minder ingrijpende, vormen van ondersteuning van de economie. De Commissie is van oordeel dat het hier een algemeen beginsel betreft, dat rekening wordt gehouden met in objectieve zin specifieke kenmerken van situaties die niet vergelijkbaar zijn met die van andere regio's die voor een afwijking uit hoofde van artikel 92, lid 3, onder c), in aanmerking komen. Zij zal zich aan dit beginsel blijven houden, met dien verstande dat onder dezelfde omstandigheden bij uitzondering tijdelijk een geringe exploitatiesteun kan worden toegestaan. Tegen deze achtergrond beschouwt zij in dit geval als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt de door de Italiaane autoriteiten in de kaderregeling aangegeven maatregelen en meer in het bijzonder - wat de onderhavige beschikking betreft - de bij interministerieel besluit van 5 augustus 1994 in de beide regio's verleende verminderingen van sociale lasten alsmede de geleidelijke vermindering van het fiscalisatieverschil, waarbij het verschil in ontwikkelingsniveau van Molise ten opzichte van de Abruzzen in aanmerking wordt genomen.

In alle betrokken regio's is voorts de jaarlijkse vrijstelling van sociale lasten voor alle vóór 31 december 1997 geschapen nieuwe arbeidsplaatsen verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Dit is een steunmaatregel voor het scheppen van werkgelegenheid die, als geheel genomen, ver onder de gewoonlijk op dit gebied goedgekeurde steunintensiteit blijft.

(16) De Commissie moet vaststellen dat alle verminderingen die de bedrijven van de Mezzogiorno tot nog toe hebben genoten, vanaf 1 december 1991 ten aanzien van de al bij wet nr. 64 van 1 maart 1986 geregelde verminderingen van sociale lasten en vanaf 1 juli 1990 ten aanzien van het fiscalisatieverschil onwettig zijn, omdat zij in strijd met artikel 93, lid 3, van het Verdrag zijn toegekend.

(17) De Commissie is van oordeel dat het, gezien de door haar reeds geuite bezwaren ten aanzien van de instandhouding van de produktiemiddelen in de betrokken regio's en de moeilijkheid, het bedrag van de door elk van de begunstigde bedrijven ontvangen voordelen vast te stellen, niet wenselijk is de betrokken Lid-Staat te gelasten de reeds uitgekeerde, onverenigbare, steunbedragen terug te vorderen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De steunmaatregelen in de vorm van vrijstelling en verminderingen van sociale lasten in de regio's van de Mezzogiorno die in de artikelen 2, 3 en 4 worden genoemd, zijn onder de daarin vervatte voorwaarden verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

De jaarlijkse vrijstelling van de sociale lasten voor iedere nieuwe arbeidsplaats is beperkt tot de uiterlijk op 31 december 1997 geschapen nieuwe arbeidsplaatsen.

Artikel 3

In de regio's Campanië, Basilicata, Apulië, Calabrië, Sicilië en Sardinië zijn de totale verminderingen van de sociale lasten, zoals vastgelegd in artikel 1 van het betrokken Italiaanse interministeriële besluit van 5 augustus 1994, beperkt tot:

- 14,60 % met ingang van 1 juli 1994,

- 14 % met ingang van 1 december 1994,

- 10,60 % met ingang van 1 december 1995,

- 6,80 % met ingang van 1 december 1996,

- 0 % met ingang van 1 december 1997.

In de regio's Abruzzen en Molise zijn deze verminderingen beperkt tot:

- 12 % met ingang van 1 juli 1994,

- 0 % met ingang van 1 november 1994.

Artikel 4

In de regio's Campanië, Basilicata, Apulië, Calabrië, Sicilië, Sardinië en Molise is het fiscalisatieverschil ten opzichte van de regio's in Midden- en Noord-Italië beperkt tot:

- 5 % met ingang van 1 juli 1995,

- 4 % met ingang van 1 januari 1996,

- 3 % met ingang van 1 januari 1997,

- 2 % met ingang van 1 januari 1998,

- 1 % met ingang van 1 januari 1999,

- 0 % met ingang van 1 januari 2000.

In de regio Abruzzen is dit voordeel beperkt tot:

- 5 % met ingang van 1 juli 1995,

- 3 % met ingang van 1 januari 1996,

- 1 % met ingang van 1 juli 1996,

- 0 % met ingang van 1 januari 1997.

Artikel 5

De Italiaanse Republiek neemt alle algemene maatregelen die nodig zijn om uiterlijk op 30 juni 1996 aan de artikelen 2 en 3 te voldoen. Zij deelt deze uiterlijk op 30 juli 1996 aan de Commissie mede.

De Italiaanse Republiek neemt alle algemene maatregelen die nodig zijn om artikel 4 uiterlijk op 15 april 1995 toepassing te doen vinden. Zij deelt deze uiterlijk op 30 april 1995 aan de Commissie mede.

Artikel 6

Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 1 maart 1995.

Voor de Commissie Karel VAN MIERT Lid van de Commissie

(1) PB nr. C 212 van 12. 8. 1988, blz. 2.

(1) PB nr. L 143 van 10. 6. 1988, artikelen 2, 3, 4 en 7.