31994R3296

Verordening (EG) nr. 3296/94 van de Raad van 19 december 1994 houdende bepaalde voorwaarden voor de toepassing van de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Republiek Tsjechië, anderzijds

Publicatieblad Nr. L 341 van 30/12/1994 blz. 0014 - 0016
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 11 Deel 34 blz. 0008
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 11 Deel 34 blz. 0008


VERORDENING (EG) Nr. 3296/94 VAN DE RAAD van 19 december 1994 houdende bepaalde voorwaarden voor de toepassing van de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Republiek Tsjechië, anderzijds

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 113,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende dat op 16 december 1991 te Brussel de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek (TSFR), anderzijds, is ondertekend;

Overwegende dat, in afwachting van de inwerkingtreding van de Europa-Overeenkomst, de in de Overeenkomst vervatte bepalingen inzake de handel en aanverwante zaken sinds 1 maart 1992 worden toegepast krachtens de op 16 december 1991 te Brussel ondertekende Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en de TSFR, anderzijds (1);

Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 520/92 (2) voorziet in de tenuitvoerlegging van genoemde Interimovereenkomst;

Overwegende dat een afzonderlijke Europa-Overeenkomst met de Republiek Tsjechië werd ondertekend in Luxemburg op 4 oktober 1993, als gevolg van de ontbinding van de TSFR op 31 december 1992;

Overwegende dat naar aanleiding van de conclusies van de Europese Raad van Kopenhagen van 21 en 22 juni 1993 de Interimovereenkomst werd gewijzigd door een op 22 december 1993 ondertekend Aanvullend Protocol, teneinde bepaalde concessies van de Gemeenschap te verruimen en de toewijzing ervan te bespoedigen;

Overwegende dat een Aanvullend Protocol bij de Interimovereenkomst met de Republiek Tsjechië werd ondertekend op 21 december 1993 om de Overeenkomst aan te passen aan de ontbinding van de TSFR en de daaropvolgende opvolging door de Republiek Tsjechië;

Overwegende dat het nodig is de voorwaarden vast te stellen voor de tenuitvoerlegging van verschillende bepalingen van de Overeenkomst, waarvoor de in Verordening (EEG) nr. 520/92 vervatte bepalingen worden overgenomen;

Overwegende dat het ten aanzien van de maatregelen inzake handelsbescherming wenselijk is bijzondere bepalingen vast te stellen met betrekking tot de algemene voorschriften die met name zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 518/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 288/82 (3) en in Verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (4), voor zover zulks op grond van de bepalingen van de Overeenkomst noodzakelijk is geworden;

Overwegende dat bij het beraad om vast te stellen of er een vrijwaringsmaatregel moet worden genomen, rekening dient te worden gehouden met de verbintenissen welke in de Overeenkomst zijn omschreven;

Overwegende dat de procedures met betrekking tot de in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde vrijwaringsclausules eveneens van toepassing zijn;

Overwegende dat bijzondere voorschriften zijn vastgesteld betreffende vrijwaringsmaatregelen voor de textielprodukten die zijn opgenomen in het Aanvullend Protocol bij de Europa-Overeenkomst;

Overwegende dat het wenselijk is een aantal bijzondere procedures voor de toepassing van vrijwaringsmaatregelen in de landbouwsectoren in te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I Landbouwprodukten

Artikel 1

Voor de onder bijlage II bij het Verdrag vallende landbouwprodukten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke marktordening een heffingsregeling geldt, alsmede voor de produkten van de GN-codes 0711 90 50 en 2003 10 10 worden de toepassingsbepalingen van artikel 21, leden 2 en 4, van de Overeenkomst vastgesteld volgens de procedure van artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 1766/92 of van de overeenkomstige bepalingen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten. Waar de toepassing van de Overeenkomst nauwe samenwerking met de Republiek Tsjechië vereist, kan de Commissie maatregelen nemen die een dergelijke samenwerking waarborgen.

TITEL II Beschermende maatregelen

Artikel 2

De Raad kan, volgens de procedure van artikel 113 van het Verdrag, besluiten zich tot de bij de Overeenkomst ingestelde Associatieraad te wenden met betrekking tot de maatregelen bedoeld in de artikelen 29 en 117, lid 2, van de Overeenkomst. In voorkomend geval stelt de Raad maatregelen vast volgens dezelfde procedure.

De Commissie kan de daartoe strekkende voorstellen uit eigen beweging of op verzoek van een Lid-Staat indienen.

Artikel 3

1. In geval van praktijken die toepassing door de Gemeenschap van de in artikel 64 van de Overeenkomst bedoelde maatregelen kunnen rechtvaardigen, spreekt de Commissie zich, na behandeling van het dossier, uit eigen beweging of op verzoek van een Lid-Staat uit over de verenigbaarheid van deze praktijken met de Overeenkomst. In voorkomend geval stelt zij aan de Raad voor vrijwaringsmaatregelen te nemen. De Raad beslist volgens de procedure van artikel 113 van het EG-Verdrag; indien het evenwel gaat om subsidies waarop Verordening (EEG) nr. 2423/88 van toepassing is, worden genoemde vrijwaringsmaatregelen genomen overeenkomstig de in die verordening vastgestelde procedures. Maatregelen worden alleen genomen onder de voorwaarden vermeld in artikel 64, lid 6, van de Overeenkomst.

2. In geval van praktijken die de Gemeenschap zouden kunnen blootstellen aan door de Republiek Tsjechië overeenkomstig artikel 64 van de Overeenkomst genomen maatregelen, spreekt de Commissie zich, na behandeling van het dossier, uit over de verenigbaarheid van deze praktijken met de beginselen neergelegd in de Overeenkomst. Zij neemt in voorkomend geval passende besluiten op basis van de criteria die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 85, 86 en 92 van het EG-Verdrag.

Artikel 4

In geval van praktijken op grond waarvan door de Gemeenschap de in artikel 30 van de Overeenkomst bedoelde maatregelen kunnen worden toegepast, wordt volgens de in Verordening (EEG) nr. 2423/88 vastgestelde voorschriften en met inachtneming van de procedure van artikel 34, lid 2 en lid 3, onder b) of d), van de Overeenkomst besloten tot de instelling van anti-dumpingmaatregelen.

Artikel 5

1. Wanneer een Lid-Staat de Commissie verzoekt om toepassing van vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig artikel 31 of artikel 32 van de Overeenkomst, verstrekt hij de Commissie alle benodigde inlichtingen ter staving van zijn verzoek.

Indien de Commissie besluit geen vrijwaringsmaatregelen toe te passen, stelt zij de Raad en de Lid-Staten binnen een termijn van vijf werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek van de Lid-Staat daarvan in kennis.

Iedere Lid-Staat kan de door de Commissie genomen beslissing binnen een termijn van tien werkdagen na de mededeling van die beslissing aan de Raad voorleggen.

Indien de Raad met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen zijn voornemen te kennen geeft een andere beslissing te nemen, deelt de Commissie de Republiek Tsjechië dit onverwijld mede en stelt zij dat land in kennis van de opening van het in artikel 34, leden 2 en 3, van de Overeenkomst bedoelde overleg in het kader van de Associatieraad.

De Raad kan binnen 20 werkdagen na de beëindiging van het overleg met Tsjechië in het kader van de Associatieraad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andere beslissing nemen.

2. De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 3491/93 (5).

Het comité komt bijeen op uitnodiging van zijn voorzitter. Deze verstrekt de Lid-Staten zo spoedig mogelijk alle dienstige inlichtingen.

3. Wanneer de Commissie uit eigen beweging of op verzoek van een Lid-Staat constateert dat er vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig artikel 31 of artikel 32 van de Overeenkomst dienen te worden toegepast,

- stelt zij de Lid-Staten daarvan onverwijld in kennis als zij uit eigen beweging handelt of, indien zij handelt op verzoek van een Lid-Staat, binnen een termijn van vijf werkdagen na de datum van ontvangst van dit verzoek,

- raadpleegt zij het comité,

- stelt zij daarvan tegelijkertijd de Republiek Tsjechië in kennis en deelt zij de Associatieraad mede dat het in artikel 34, leden 2 en 3, van de Overeenkomst bedoelde overleg wordt geopend,

- verstrekt zij de Associatieraad tegelijkertijd alle voor dit overleg vereiste inlichtingen.

4. Het overleg in de Associatieraad wordt in ieder geval als beëindigd beschouwd bij het verstrijken van een termijn van 30 dagen vanaf de in lid 1, vierde alinea, of in lid 3 bedoelde mededeling.

Na het overleg of, in voorkomend geval, bij het verstrijken van deze termijn van 30 dagen, kan de Commissie, indien er geen andere regeling kon worden getroffen, na raadpleging van het comité, passende maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 31 en 32 van de Overeenkomst nemen.

5. De in lid 4 bedoelde beslissing wordt onmiddellijk medegedeeld aan de Raad, aan de Lid-Staten en aan de Republiek Tsjechië; er wordt eveneens kennisgeving van gedaan aan de Associatieraad.

Zij is onmiddellijk van toepassing.

6. Iedere Lid-Staat kan de in lid 4 bedoelde beslissing van de Commissie aan de Raad voorleggen binnen een termijn van tien werkdagen na de mededeling van die beslissing.

7. Indien de Commissie tien werkdagen na het einde van het overleg in de Associatieraad of, in voorkomend geval, het verstrijken van de termijn van 30 dagen, geen beslissing in de zin van lid 4, tweede alinea, heeft genomen, kan iedere Lid-Staat die een verzoek overeenkomstig lid 3 bij de Commissie heeft ingediend, de kwestie aan de Raad voorleggen.

8. In de gevallen genoemd in de leden 6 en 7 kan de Raad binnen twee maanden met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andere beslissing nemen.

Artikel 6

1. In geval van uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 34, lid 3, onder d), van de Overeenkomst kan de Commissie onmiddellijk vrijwaringsmaatregelen treffen in de in de artikelen 31 en 32 van de Overeenkomst bedoelde gevallen.

2. Indien een Lid-Staat een verzoek voorlegt aan de Commissie, beslist deze hierover binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek.

De Raad en de Lid-Staten worden in kennis gesteld van de beslissing van de Commissie.

3. Iedere Lid-Staat kan de beslissing van de Commissie volgens de in artikel 5, lid 6, omschreven procedure voorleggen aan de Raad.

De in artikel 5, leden 7 en 8, omschreven procedure is van toepassing.

Indien de Commissie binnen de in lid 2 vermelde termijn geen beslissing heeft genomen, kan elke Lid-Staat die een verzoek aan de Commissie heeft voorgelegd, de kwestie overeenkomstig de in de eerste en tweede alinea van dit lid omschreven procedures aan de Raad voorleggen.

Artikel 7

De in de artikelen 5 en 6 vermelde procedures zijn niet van toepassing op de produkten waarop Protocol nr. 1 bij de Overeenkomst van toepassing is.

Artikel 8

Wanneer het op grond van de omstandigheden noodzakelijk is maatregelen voor landbouwprodukten uit hoofde van artikel 22 of artikel 31 van de Overeenkomst of van de bepalingen in de bijlagen met betrekking tot deze produkten te nemen, worden deze maatregelen, in afwijking van de artikelen 5 en 6, vastgesteld volgens de procedures van de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten en van de specifieke voorschriften die zijn vastgesteld op de grondslag van artikel 235 van het EG-Verdrag en die gelden voor goederen verkregen door verwerking van landbouwprodukten, onder voorbehoud van de naleving van de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 22 of artikel 34, leden 2 en 3, van de Overeenkomst.

Artikel 9

De Commissie verricht namens de Gemeenschap de in de Overeenkomst bedoelde kennisgevingen aan de Associatieraad.

Artikel 10

Het bepaalde in deze verordening vormt geen beletsel voor de toepassing van de in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name in de artikelen 109 H en 109 I, bedoelde vrijwaringsmaatregelen volgens de bij dat Verdrag vastgestelde procedures.

Artikel 11

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Europa-Overeenkomst (6).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 19 december 1994.

Voor de Raad

De Voorzitter

K. KINKEL

(1) PB nr. L 115 van 30. 4. 1992, blz. 2.

(2) PB nr. L 56 van 29. 2. 1992, blz. 9.

(3) PB nr. L 67 van 10. 3. 1994, blz. 77.

(4) PB nr. L 209 van 2. 8. 1988, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 522/94 (PB nr. L 66 van 10. 3. 1994, blz. 10).

(5) PB nr. L 319 van 21. 12. 1993, blz. 1.

(6) Niet later dan 1 februari 1995.