31994D0916

94/916/EG: Beschikking van de Raad van 15 december 1994 tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling, inclusief demonstratie, op het gebied van de opleiding en mobiliteit van onderzoekers (1994-1998)

Publicatieblad Nr. L 361 van 31/12/1994 blz. 0090 - 0100
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 29 blz. 0246
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 29 blz. 0246


BESCHIKKING VAN DE RAAD van 15 december 1994 tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling, inclusief demonstratie, op het gebied van de opleiding en mobiliteit van onderzoekers (1994-1998) (94/916/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 I, lid 4,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat het Europees Parlement en de Raad bij Besluit nr. 1110/94/EG (4) een vierde kaderprogramma voor communautaire acties op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (OTO) hebben vastgesteld voor de periode 1994-1998, waarin met name de activiteiten zijn omschreven die moeten worden uitgevoerd op het gebied van de opleiding en de mobiliteit van onderzoekers; dat in deze beschikking rekening wordt gehouden met de in de preambule van dat besluit uiteengezette overwegingen;

Overwegende dat in artikel 130 I, lid 3, van het Verdrag is bepaald dat het kaderprogramma moet worden uitgevoerd door middel van specifieke programma's die binnen elke activiteit van het kaderprogramma worden ontwikkeld en dat in elk specifiek programma de nadere bepalingen voor de uitvoering ervan, de looptijd en de noodzakelijk geachte middelen worden vastgesteld;

Overwegende dat het voor de uitvoering van dit programma noodzakelijk geachte bedrag 744 miljoen ecu beloopt, dat de kredieten per begrotingsjaar worden vastgesteld door de begrotingsautoriteit afhankelijk van de volgens de financiële vooruitzichten beschikbare middelen en de in artikel 1, lid 3, van Besluit nr. 1110/94/EG vastgestelde voorwaarden;

Overwegende dat de ontwikkeling en een beter gebruik van menselijk potentieel in de Gemeenschap door middel van de opleiding en mobiliteit van onderzoekers een van de prioriteiten van het vierde kaderprogramma is;

Overwegende dat de communautaire activiteiten op het gebied van de opleiding en mobiliteit van onderzoekers moeten bijdragen tot een stijgende welvaart in de Gemeenschap, op basis van industrieel concurrentievermogen, kwaliteit van het bestaan en duurzame ontwikkeling, alsmede tot steun voor groei en een hoge graad van werkgelegenheid;

Overwegende dat de bevordering van het menselijk potentieel ook moet bijdragen tot de wetenschappelijke samenhang van de Gemeenschap doordat aan de wetenschappelijke instellingen en de onderzoekers in minder ontwikkelde regio's opleidings- en onderzoekmogelijkheden worden geboden die hen in staat stellen een hoog kwaliteitsniveau te verwerven;

Overwegende dat intensivering van de communautaire samenwerking door middel van netwerken (inclusief jumelage) van laboratoria en onderzoeksteams in verschillende landen een belangrijk middel is om de Europese onderzoeksbasis te versterken; dat het ook van belang is om de toegang van de onderzoekers van de Gemeenschap tot grote installaties die van essentieel belang zijn voor onderzoek van hoge kwaliteit, te vergemakkelijken;

Overwegende dat de deelneming aan laboratorianetwerken en onderzoeksteams in minder ontwikkelde regio's, samen met maatregelen waarbij vooraanstaande wetenschappers aangemoedigd worden om voor langere tijd in die regio's te werken, zal bijdragen tot de versterking en de harmonisatie van de wetenschappelijke en technische capaciteiten en het wetenschappelijke en technische potentieel in de Gemeenschap in haar geheel;

Overwegende dat opleidingsactiviteiten, netwerken en vergemakkelijking van de toegang tot grote installaties passende begeleidende maatregelen vereisen, zoals conferenties en cursussen, prijzen voor jonge wetenschappers, verspreiding en gebruik van onderzoeksresultaten en de raadpleging van eminente Europese wetenschappers en vertegenwoordigers van de industrie;

Overwegende dat de inhoud van het vierde kaderprogramma voor communautaire OTO-acties is vastgesteld in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel; dat in dit specifieke programma de inhoud is omschreven van de overeenkomstig dat beginsel uit te voeren activiteiten op het gebied van de opleiding en mobiliteit van onderzoekers;

Overwegende dat in Besluit nr. 1110/94/EG is bepaald dat een communautaire actie onder meer is gerechtvaardigd als onderzoek bijdraagt tot de versterking van de economische en sociale samenhang van de Gemeenschap en de harmonieuze algemene ontwikkeling daarvan bevordert, met inachtneming van de wetenschappelijke en technische kwaliteit; dat dit programma beoogt bij te dragen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen;

Overwegende dat de Gemeenschap enkel hoogwaardige OTO-activiteiten moet steunen;

Overwegende dat de regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra (waaronder het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO)) en universiteiten alsmede de regels voor de verspreiding van de onderzoeksresultaten als vermeld bij de maatregelen van artikel 130 J op dit specifieke programma van toepassing zijn;

Overwegende dat de Commissie haar inspanningen om de aanmeldings- en selectieprocedures te vereenvoudigen, te bespoedigen en doorzichtiger te maken, moet voortzetten om te bewerkstelligen dat het programma effectief wordt uitgevoerd en het voor bedrijven, met name voor het midden- en kleinbedrijf (MKB), onderzoekcentra en universiteiten gemakkelijker te maken om aan een communautair OTO-project deel te nemen;

Overwegende dat dit programma zal bijdragen tot een grotere synergie tussen de OTO-activiteiten die op het gebied van de opleiding en mobiliteit van onderzoekers door onderzoekcentra, universiteiten en bedrijven, met name het MKB worden uitgevoerd, in de Lid-Staten en tussen deze activiteiten en overeenkomstige communautaire OTO-activiteiten;

Overwegende dat de opleidingsactiviteiten voor onderzoekers in de specifieke programma's van de eerste, de tweede en de derde activiteit van het vierde kaderprogramma moeten worden gecooerdineerd;

Overwegende dat het passend kan zijn internationale samenwerking met internationale organisaties en derde landen op te zetten om dit programma uit te voeren;

Overwegende dat dit programma ook activiteiten moet omvatten voor de verspreiding en de exploitatie van de OTO-resultaten, met name ten behoeve van het MKB, in het bijzonder in de Lid-Staten of regio's die het minst bij het programma zijn betrokken;

Overwegende dat het mogelijk economisch en sociaal effect en de eventuele technologische risico's van dit programma moeten worden beoordeeld;

Overwegende dat de voortgang van dit programma voortdurend en systematisch moet worden bekeken teneinde het programma eventueel aan te passen aan de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen op dit gebied; dat te zijner tijd ook een onafhankelijke evaluatie van de voortgang van het programma moet worden verricht, waarmee alle nodige elementen moeten worden aangereikt om de doelstellingen van het vijfde OTO-kaderprogramma te kunnen bepalen; dat tenslotte na afloop van dit programma een eindevaluatie van de resultaten moet worden verricht in het licht van de in deze beschikking omschreven doelstellingen;

Overwegende dat het GCO kan deelnemen aan werkzaamheden onder contract in het kader van dit programma;

Overwegende dat het Comité voor wetenschappelijk en technisch onderzoek (Crest) is geraadpleegd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de periode van de datum van goedkeuring van deze beschikking tot 31 december 1998 wordt het in bijlage I nader omschreven specifieke programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van de opleiding en mobiliteit van onderzoekers vastgesteld.

Artikel 2

1. Het bedrag dat noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van het programma beloopt 744 miljoen ecu, waarvan maximaal 5,6 % voor personeels- en huishoudelijke uitgaven van de Commissie.

2. Een indicatieve verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage II.

3. De begrotingsautoriteit stelt voor elk begrotingsjaar de kredieten vast afhankelijk van de beschikbaarheid van middelen binnen de financiële vooruitzichten en overeenkomstig de voorwaarden die zijn weergegeven in artikel 1, lid 3, van Besluit nr. 1110/94/EG, met inachtneming van de beginselen van goed beheer die worden genoemd in artikel 2 van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 3

1. De algemene regels voor de financiële bijdrage van de Gemeenschap zijn weergegeven in bijlage IV bij Besluit nr. 1110/94/EG.

2. De regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten en voor de verspreiding van de resultaten worden bepaald zoals bedoeld in artikel 130 J van het Verdrag.

3. Bijlage III bevat de specifieke regels voor de uitvoering van dit programma, naast die waarnaar wordt verwezen in de leden 1 en 2.

Artikel 4

1. Teneinde onder meer een kostenefficiënte uitvoering van dit programma te garanderen, bekijkt de Commissie voortdurend en systematisch, met passende hulp van onafhankelijke externe deskundigen, de voortgang van dit programma in het licht van de in bijlage I aangegeven doelstellingen, zoals deze zijn verruimd in het werkprogramma. In het bijzonder onderzoekt zij of de doelstellingen, prioriteiten en financiële middelen nog altijd aangepast zijn aan de ontwikkeling van de situatie. Indien nodig dient zij, met de resultaten van dit onderzoek als basis, voorstellen in ter aanpassing of aanvulling van dit programma.

2. Als bijdrage tot de algehele evaluatie van de communautaire werkzaamheden, die is vereist bij artikel 4, lid 2, van Besluit nr. 1110/94/EG en overeenkomstig het in dat tweede lid bepaalde tijdschema, laat de Commissie door onafhankelijke deskundigen een externe evaluatie uitvoeren van de werkzaamheden die in de loop van de vijf aan deze evaluatie voorafgaande jaren op het rechtstreeks onder dit programma vallende gebied zijn uitgevoerd, en van het beheer van deze werkzaamheden in die periode.

3. Na afloop van dit programma laat de Commissie een onafhankelijke eindevaluatie van de verkregen resultaten uitvoeren in het licht van de doelstellingen als omschreven in bijlage III van Besluit nr. 1110/94/EG en bijlage I van deze beschikking. Het verslag van de eindevaluatie wordt ingediend bij de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel 5

1. Overeenkomstig de doelstellingen van bijlage I en de indicatieve financiële verdeling in bijlage II, wordt door de Commissie een werkprogramma opgesteld en zo nodig bijgewerkt. Hierin wordt het volgende nader omschreven:

- de wetenschappelijke en technologische doelstellingen en onderzoekstaken,

- het uitvoeringsschema, met inbegrip van data voor uitnodigingen tot het indienen van voorstellen,

- de voorgestelde financiële en beheersregelingen, met inbegrip van voorbereidende, begeleidende en ondersteunende maatregelen,

- regelingen voor de cooerdinatie met andere OTO-werkzaamheden in deze sector, inzonderheid in het kader van andere specifieke programma's,

- regelingen voor de verspreiding, bescherming en exploitatie van de resultaten van in het kader van dit programma uitgevoerde OTO-werkzaamheden.

2. De Commissie stelt op basis van het werkprogramma uitnodigingen tot het indienen van voorstellen voor projecten op.

Artikel 6

1. De Commissie wordt belast met de uitvoering van het programma.

2. In de gevallen bedoeld in artikel 7, lid 1, wordt de Commissie bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

3. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

4. De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.

5. Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

6. Indien de Raad, na verloop van een termijn van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

Artikel 7

1. De procedure van artikel 6, leden 2 tot en met 6, geldt voor:

- de opstelling en bijwerking van het werkprogramma bedoeld in artikel 5, lid 1,

- de inhoud van de uitnodigingen tot het indienen van voorstellen en de vaststelling van criteria en mechanismen voor de selectie en goedkeuring van projecten (inclusief individuele opleidingsbeurzen),

- de evaluatie van de voor communautaire financiering voorgestelde OTO-activiteiten en het geraamde bedrag van de bijdrage van de Gemeenschap voor iedere activiteit afzonderlijk - met uitzondering van individuele opleidingsbeurzen - wanneer die bijdrage ten minste 100 000 ecu bedraagt of, in geval van Euroconferenties, ten minste 50 000 ecu,

- iedere aanpassing van de in bijlage II vermelde indicatieve verdeling van het bedrag,

- specifieke bepalingen voor de financiële deelneming van de Gemeenschap in de diverse overwogen activiteiten,

- de maatregelen en opdrachten voor de beoordeling van het programma,

- elke afwijking van de in bijlage III weergegeven regels,

- deelneming aan de acties door rechtspersonen uit derde landen en internationale organisaties.

2. Wanneer de communautaire bijdrage bedoeld in lid 1, derde streepje, lager is dan 100 000 ecu, of in geval van Euroconferenties, 50 000 ecu, stelt de Commissie het comité in kennis van de activiteiten, alsmede van het resultaat van de evaluatie ervan.

3. Wat individuele opleidingsbeurzen betreft, licht de Commissie het comité in over de ontvangen voorstellen en over het resultaat van de evaluatie daarvan.

Artikel 8

Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 15 december 1994.

Voor de Raad

De Voorzitter

A. MERKEL

(1) PB nr. C 228 van 17. 8. 1994, blz. 209, en PB nr. C 262 van 20. 9. 1994, blz. 27.(2) PB nr. C 205 van 25. 7. 1994, blz. 322.(3) Advies uitgebracht op 14 september 1994 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).(4) PB nr. L 126 van 18. 5. 1994, blz. 1.

BIJLAGE I

WETENSCHAPPELIJKE EN TECHNOLOGISCHE DOELSTELLINGEN EN INHOUD Dit specifieke programma is volledig in overeenstemming met de oriëntaties van het vierde kaderprogramma; de selectiecriteria worden hierin toegepast en de wetenschappelijke en technologische doelstellingen ervan worden hierin nader omschreven.

De in bijlage III van genoemd kaderprogramma voorkomende tekst over de vierde activiteit vormt een integrerend deel van dit specifieke programma.

1. ACHTERGROND

1.1. Belang

Optimaal gebruik van menselijke hulpbronnen is een fundamentele parameter van iedere sociaal-economische activiteit. Het Witboek over groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid wijst met name op het belang vanhet niveau van de opleiding van onderzoekers, de mate waarin deze is aangepast aan de behoeften van in volle ontwikkeling verkerende sectoren en de mate waarin dit menselijk kapitaal wordt benut, voor het leveren van een bijdrage tot het weer op gang brengen van de groei, het versterken van het concurrentievermogen en het scheppen van werkgelegenheid in de Gemeenschap.

Hoewel Europa op onderzoeksgebied over een aanzienlijk menselijk potentieel beschikt dat in de hele wereld aanzien geniet, is het benutten ervan vaak een moeizame en trage aangelegenheid wegens de barrières die Lid-Staten isoleren en disciplines scheiden. De ontwikkeling van der menselijke hulpbronnen door opleiding door onderzoek en een betere exploitatie ervan door transnationale mobiliteit en samenwerking zijn essentiële middelen om te voldoen aan de algemene doelstellingen van het kaderprogramma. Het is in deze context ook van wezenlijk belang toe te zien op gelijke kansen voor vrouwen en mannen.

Door het isolement van onderzoekers te verkleinen, de communicatie te verbeteren en in de Europese onderzoekswereld een klimaat van samenwerking te scheppen levert dit programma een belangrijke bijdrage aan de onderlinge samenhang van het economisch en het sociaal beleid, waarbij net zoals bij alle communautaire OTO-programma's, wordt uitgegaan van het fundamentele beginsel dat het wetenschappelijk onderzoek van uitstekende kwaliteit moet zijn.

Het is daarbij nodig om creativiteit en innovatie aan te moedigen, de activiteiten voor transnationale opleiding en samenwerking te stimuleren die door de onderzoekers zelf worden voorgesteld en niet in het teken staan van van buitenaf opgelegde doelen of vooropgestelde doelstellingen (de zogenaamde "bottom-up"-strategie). Men moet ervoor zorgen dat zij elkaar niet overlappen (wanneer projecten die voor de vierde activiteit zijn voorgesteld, samenvallen met de specifieke doelstellingen van de eerste activiteit), maar tegelijkertijd wel elkaar aanvullen, zodat de in de communautaire programma's opgenomen activiteiten voor opleiding en mobiliteit bijdragen tot de koppeling van fundamenteel en toegepast onderzoek. Daarom zal worden voorzien in cooerdinatie met de opleidingsactiviteiten van de specifieke programma's van de eerste activiteit en de activiteiten van het GCO.

Dit specifieke programma, dat beoogt te voorzien in een opleiding van hoog niveau in laboratoria in heel de Gemeenschap, behoudt een open karakter en bevordert nadrukkelijk de samenwerking tussen de academische wereld en het bedrijfsleven.

1.2. Continuïteit en ontwikkeling van de voorgestelde activiteit

De voorgestelde activiteit is met de nodige aanpassingen een vervolg op het programma "Menselijk potentieel en mobiliteit" (1990-1994) en op de eerdere programma's "Stimulation" (1983-1988), "Science" (1988-1992), "Toegang tot grote installaties" (1989-1992) en "SPES" (1989-1992).

De voor elke activiteit van langere duur noodzakelijke continuïteit moet vooral worden gezocht in de doelstellingen (verhoging van de doelmatigheid van het onderzoek en de infrastructuren ervan in de Gemeenschap door opleiding, mobiliteit en samenwerking) en in de noodzakelijke samenhang (het inspelen op de behoeften aan gekwalificeerd wetenschappelijk personeel in de minst welvarende regio's) en subsidiariteit (het gebruik maken van de katalyserende werking van de bundeling van deskundigheid en van middelen die nu in de Gemeenschap zijn versnipperd).

2. VOORGESTELDE OTO-ACTIVITEITEN

2.1. Algemene doelstellingen

Het doel van het programma is het bevorderen van een kwantitatieve en kwalitatieve groei van de menselijke hulpbronnen in de Gemeenschap en de geassocieerde landen (1), door stimulering van opleiding en mobiliteit van onderzoekers. De algemene doelstellingen zijn de volgende:

- stimulering van opleiding door onderzoek en een doelmatigere inzet van hoog gekwalificeerde onderzoekers in de Gemeenschap door middel van samenwerking;

- verbetering van de mobiliteit van de Europese onderzoekers in heel de Gemeenschap, door zowel de interdisciplinaire mobiliteit als die tussen universiteiten, onderzoeksinstellingen en bedrijven aan te moedigen, zodat het onderzoekspotentieel in de verschillende disciplines beter kan worden benut;

- bevordering, bij voorbeeld door middel van netwerken, van transnationale samenwerking ten behoeve van vooral door onderzoekers zelf voorgesteld onderzoek dat niet kan worden gesteund in het kader van de eerste activiteit;

- terbeschikkingstelling aan alle onderzoekers in de Gemeenschap van de bestaande grote installaties die onontbeerlijk zijn voor hoogwaardig onderzoek;

- verbetering van de wetenschappelijke en technologische samenhang van de Gemeenschap en bevordering van een algemeen niveau van wetenschappelijke deskundigheid, door wetenschappelijke instanties en onderzoekers uit alle regio's kansen voor onderzoek te bieden. Net zoals in het programma "Menselijk potentieel en mobiliteit" (1992-1994) zal de terugkeer van onderzoekers naar de minst welvarende regio's worden aangemoedigd en financieel gesteund.

Deze activiteit moet betrekking hebben op de exacte en natuurwetenschappen, de economische en bedrijfsvoeringswetenschappen en de sociale en menswetenschappen die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

2.2. Specifieke activiteiten

Het programma valt uiteen in drie onderling afhankelijke gebieden (onderzoeksnetwerken, toegang tot grote installaties en opleiding door onderzoek), waaraan een activiteit is toegevoegd voor de uitvoering van begeleidende maatregelen waarmee de communicatie tussen onderzoekers en het bedrijfsleven moet worden verbeterd, jonge wetenschappers worden aangemoedigd en bekendheid wordt gegeven aan resultaten en uitkomsten van programma's.

2.2.1. Onderzoeksnetwerken

Door middel van netwerken zullen onderzoekers van vijf of meer onderzoeksteams in ten minste drie landen hun inspanningen kunnen bundelen in een gemeenschappelijk onderzoeksproject en aldus groepen samenstellen die hoogwaardig onderzoek kunnen uitvoeren. Beperkte samenwerkingverbanden van laboratoria en onderzoeksteams uit verschillende landen (met inbegrip van twinning-overeenkomsten) kunnen ook worden gefinancierd wanneer zij worden beschouwd als startpunt voor een uitgebreider netwerk.

Er wordt een toelage verstrekt om te bevorderen dat onderzoekers gezamenlijk experimenten uitvoeren, resultaten uitwisselen, personeel kunnen aannemen in de vorm van tijdelijke wetenschappelijke medewerkers uit andere landen dan waar het team gevestigd is en, in uitzonderlijke gevallen, om de extra kosten te dekken die zijn verbonden met de wetenschappelijke apparatuur wanneer deze nodig is om de gemeenschappelijke experimenten van het netwerk te kunnen uitvoeren. De gemiddelde toelage voor een aan een netwerk deelnemend onderzoeksteam komt ongeveer overeen met de kosten voor de aanstelling van een post-doctorale onderzoeker.

Het is de taak van ieder netwerk om door middel van een doelmatig projectbeheer de verantwoordelijkheid voor het onderzoek over de onderzoeksteams te spreiden en om de cooerdinatie te verzorgen voor een zo open en doelmatig mogelijke samenwerking en communicatie. Daarbij zal telkens wanneer dit wenselijk lijkt, gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van de moderne telematica.

Verder moet elk netwerk ervoor zorgen dat zijn belangrijkste onderzoeksresultaten worden verspreid, door de tijdige publikatie van brochures en samenvattende artikelen. Er zullen stappen worden genomen voor de totstandbrenging, voor zover van toepassing, van een dialoog met de industriële laboratoria, met name in het MKB, die ontdekkingen kunnen exploiteren of op nieuwe doelstellingen gericht voortgezet onderzoek kunnen financieren. Er moet alles aan worden gedaan om het MKB in minder welvarende gebieden bij deze dialoog te betrekken en aan te moedigen deel te nemen aan transnationale onderzoeksteams.

De voorgestelde duur van een netwerk zou ten minste drie jaar moeten zijn.

2.2.2. Toegang tot grote onderzoeksinstallaties

Deze activiteit is volledig gericht op het gebruik van grote onderzoeksinstallaties; deze zijn in de Gemeenschap dun gezaaid, en een aanzienlijke inspanning op communautair niveau is gezien de hoge kosten voor de vestiging en het onderhoud en op grond van het belang voor het onderzoek meer dan gerechtvaardigd. De activiteit is vooral van belang voor wetenschappers die werken in regio's van de Gemeenschap die niet over dergelijke installaties beschikken.

De communautaire steun, die de nationale en internationale activiteiten dient aan te vullen, omvat:

- steun voor onderzoekers, teneinde hen in staat te stellen toegang te hebben tot de grote installaties en instrumenten die zij nodig hebben voor hun onderzoek maar die zeldzaam zijn in de Gemeenschap;

- steun voor de verbetering van grote installaties (b.v. de ontwikkeling van voor deze installaties essentiële nieuwe technologieën en de ontwikkeling van nieuwe generaties rand- en bedieningsapparatuur) voor zover deze steun nodig is om deze beter toegankelijk te maken voor onderzoekers uit de Gemeenschap en daardoor beter te laten gebruiken.

2.2.3. Opleiding door onderzoek

- Uitvoering van een activiteit die gericht is op opleiding door onderzoek en stimulering van de mobiliteit van onderzoekers op alle gebieden die onder het programma vallen. De opleidingsstages kunnen drie maanden tot drie jaar duren en bieden Europese onderzoekers de gelegenheid buiten hun land van herkomst een opleiding te krijgen of zich te specialiseren. Met het oog op de wetenschappelijke en technologische samenhang van de Gemeenschap zullen er maatregelen worden getroffen om onderzoekers uit de minder welvarende regio's aan te moedigen naar hun land terug te keren.

Er zullen andere maatregelen worden getroffen, met name wat de hoogte van de toelagen betreft, om hoog gekwalificeerde wetenschappers uit geïndustrialiseerde regio's de mogelijkheid te bieden om voor langere tijd in onderzoekcentra in minder welvarende regio's te werken. Hun verblijf zal voornamelijk ten doel hebben om deze centra te doen profiteren van hun kennis en van het onderzoek dat zij verrichten. Deze regelingen dienen los te staan van die welke in het kader van de opleidingsbeurzen worden getroffen.

Met inachtneming van het fundamentele beginsel van het hoge wetenschappelijke niveau zal er bijzondere aandacht worden geschonken aan opleiding in het omgaan met veranderingen binnen de bedrijven, die samenhangen met de technologische innovatie. Daarbij zal vooral aandacht worden besteed aan de opleiding van onderzoekers die tot het MKB behoren.

- Cooerdinatie van alle opleidingsactiviteiten in het kader van de specifieke programma's voor de eerste, tweede en derde activiteit van het vierde kaderprogramma. Er dient een geharmoniseerd en samenhangend kader te komen (samenhang tussen bedragen van toelagen en categorieën van bursalen, centrale instanties voor het indienen van voorstellen en het vaststellen van de bedragen, uniformisering van beoordelings- en selectieprocedures, enz.) voor de verschillende activiteiten voor opleiding door onderzoek op communautair niveau; dit mag echter niet resulteren in een gecentraliseerd systeem dat niet aansluit op de specifieke behoeften van de verschillende programma's.

- Eisen en voorwaarden voor ontvangers van een communautaire onderzoeksbeurs. In het in artikel 5 bedoelde werkprogramma worden de regelingen voor ontvangers van een communautaire onderzoeksbeurs gespecificeerd.

2.2.4. Begeleidende maatregelen

De begeleidende maatregelen dienen bij te dragen aan de doelstellingen van het programma, dat wil zeggen het bevorderen van de mobiliteit en de opleiding van onderzoekers; daarnaast zijn zij het geëigende instrument voor de bekendmaking van de voorwaarden voor deelneming aan de activiteiten van het programma en voor de verspreiding van de resultaten.

(1) "Geassocieerde landen" zijn derde landen die financieel deelnemen in dit programma. Het gaat hierbij met name om landen die de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte hebben bekrachtigd en die deelnemen aan de uitvoering van het kaderprogramma.

BIJLAGE II

INDICATIEVE VERDELING VAN HET NOODZAKELIJK GEACHTE BEDRAG "" ID="1">1. Laboratoriumnetwerken> ID="2">335 (1)"> ID="1">2. Toegang tot grote installaties> ID="2">112"> ID="1">3. Opleiding door onderzoek> ID="2">260"> ID="1">4. Begeleidende maatregelen> ID="2"> 37"> ID="1">Totaal > ID="2">744 (2)"">

Deze verdeling sluit niet uit dat een project betrekking kan hebben op verschillende gebieden.

(1) Waarvan ongeveer 50 % voor opleiding in de onderzoekteams van het netwerk gebruikt moet worden.(2) Waarvan maximaal 2,7 % voor personeelsuitgaven en 2,9 % voor huishoudelijke uitgaven.

BIJLAGE III

SPECIFIEKE REGELS VOOR DE UITVOERING VAN HET PROGRAMMA 1. Onderzoeknetwerken

Aan deze activiteit voor gezamenlijke rekening kan worden deelgenomen door onderzoeksteams van universiteiten, onderzoekinstellingen of bedrijven, die in transnationale netwerken samenwerken aan een gemeenschappelijk onderzoekproject.

In het algemeen dient een netwerk minstens vijf onderzoekteams van minstens drie verschillende landen samen te brengen; het is de bedoeling dat het netwerk gedurende minstens drie jaar bestaat. Netwerken waaraan minder dan vijf teams uit verschillende landen (inclusief twinning) deelnemen, kunnen echter wel financiering ontvangen wanneer deze netwerken de kern vormen van een nog tot stand te brengen groter netwerk. Dergelijke netwerken ontvangen tijdens de aanloopfase gedurende ten hoogste twee jaar financiële steun; of deze steun kan worden voortgezet, hangt af van het feit of het aantal deelnemers daarna is toegenomen tot minstens vijf teams uit minstens drie verschillende landen.

De door de Gemeenschap te financieren netwerken worden geselecteerd op basis van hun wetenschappelijke kwaliteit en rekening houdende met de toegevoegde waarde voor de wetenschap in Europa die is verbonden met deze samenwerking en, telkens wanneer van toepassing, met de mate waarin het bedrijfsleven aan het voorgestelde project deelneemt. Onverlet de eis dat absolute voorrang moet worden gegeven aan de wetenschappelijke kwaliteit, zal vooral worden gestreefd naar het bijeenbrengen van gerenommeerde teams van hoge kwaliteit en beloftevolle teams in de minder welvarende regio's.

De bijdrage van de Gemeenschap kan 100 % bedragen van de extra kosten die zijn verbonden met het oprichten en instandhouden van het netwerk. In het algemeen mag de bijdrage niet worden gebruikt voor de aanschaf van duurzame apparatuur of ter dekking van infrastructuurkosten. Er mag echter wel een deel van de communautaire bijdrage worden gebruikt voor infrastructuur of apparatuur wanneer deze uitgaven worden gedaan om de vestiging mogelijk te maken van een nieuw onderzoeksteam in een minder welvarende regio (1) van de Gemeenschap door een in het buitenland opgeleide onderzoeker die een postdoctorale beurs heeft ontvangen in het kader van dit programma of het oude programma "Menselijk potentieel en mobiliteit".

2. Toegang tot grote installaties

Onder grote installatie wordt verstaan, een installatie die in de Gemeenschap zeldzaam is en waarvan de met de bouw en het gebruik ervan verbonden kosten en het belang ervan voor het onderzoek een substantiële inspanning van de Gemeenschap rechtvaardigt om de toegang ertoe van jonge onderzoekers en het efficiënter gebruik ervan te bevorderen. Een aantal op dezelfde locatie opgestelde kleinere en elkaar aanvullende installaties kan ook als een grote installatie worden beschouwd, wanneer dit geheel voldoet aan dezelfde eigenschappen die hierboven voor een grote installatie zijn omschreven.

De toegang tot grote installaties wordt door de Gemeenschap gefinancierd op grond van de volgende selectiecriteria:

- de kwaliteit van de installatie, met name het oorspronkelijke karakter ervan en de verscheidenheid van experimenten die ermee mogelijk zijn, alsmede de capaciteiten van de wetenschappelijke, technische en logistieke infrastructuur;

- de mate waarin potentiële nieuwe gebruikers op adequate wijze blijk geven van hun belangstelling;

- de kosten/batenverhouding van de communautaire steun;

- de waarde voor de Gemeenschap in het kader van de beoogde bevordering van het wetenschappelijk en technisch potentieel van de minder welvarende regio's.

In het geval van voorstellen ter verbetering van installaties wordt communautaire steun uitsluitend verleend voor transnationale installaties. Selectiecriteria zijn onder meer:

- de geschatte toename van mogelijkheden van installaties om onderzoekers ruimer toegang te bieden;

- het belang voor de Gemeenschap van de voorgestelde ontwikkeling, met name het oorspronkelijk karakter en de aanvullende functie ervan ten opzichte van elders bestaande installaties (ontwikkelingen die leiden tot het repliceren van bij andere installaties in de Gemeenschap bestaande apparatuur en gebruiksvoorzieningen worden niet gefinancierd).

Werkzaamheden voor gezamenlijke rekening

De bijdrage van de Gemeenschap kan 100 % bedragen van de extra kosten die zijn verbonden met het gebruik van bestaande installaties door onderzoekers van andere centra dan de gastorganisatie. Er wordt prioriteit gegeven aan nieuwe gebruikers en onderzoekers uit andere landen dan die waar de installatie gevestigd is. Een toelage kan worden toegekend ter dekking van reis- en verblijfskosten van de onderzoekers, de gebruikskosten van de installatie (met inbegrip van inleidende cursussen voor nieuwe gebruikers) en de kosten die zijn verbonden met de publikatie en verspreiding van de wetenschappelijke resultaten. Deze toelagen mogen niet worden gebruikt voor de aanschaf van duurzame apparatuur of ter dekking van infrastructuurkosten.

Wanneer het gaat om de verbetering van installaties, bedraagt de financiering van de Gemeenschap niet meer dan 50 % van de kosten van het project, waarbij de bijdrage geleidelijk lager is naarmate het project zich dichter bij de marktfase bevindt. Universiteiten en andere instellingen die geen analytische boekhouding voeren, worden vergoed op basis van 100 % van de extra kosten. Indien er voor de doelstellingen van het programma apparatuur moet worden aangeschaft, is de steun van de Gemeenschap evenredig met het gebruik van de apparatuur in het kader van het programma.

Bijzondere ondersteunende maatregelen

Er wordt ook bijstand verleend aan bijzondere ondersteunende maatregelen (onderzoeken, studiebijeenkomsten, workshops, enz.), teneinde als aanvulling op nationale en internationale inspanningen een betere uitwisseling van informatie tussen grote installaties en Europese onderzoekers over onderwerpen van gemeenschappelijk belang mogelijk te maken.

3. Opleiding door onderzoek

De deelnemers aan deze activiteit zijn enerzijds onderzoekers (hoofdzakelijk met een doctoraatsdiploma of een gelijkwaardig opleidingsniveau) die buiten hun eigen land een opleiding of specialisatie wensen te volgen, en anderzijds de gast-onderzoekinstellingen.

De onderzoekers moeten onderdaan zijn van een van de Lid-Staten van de Gemeenschap of van een geassocieerd land.

De onderzoekinstellingen moeten over rechtspersoonlijkheid beschikken, gevestigd zijn in de Gemeenschap of een geassocieerd land en in staat zijn te voorzien in opleiding door onderzoek.

De activiteit wordt gefinancierd met communautaire toelagen voor opleiding en mobiliteit, om de verblijfs- en mobiliteitsuitgaven van de onderzoekers te dekken en een adequate bijdrage te leveren aan de onderzoeks- en beheerskosten, inclusief die van de gastlaboratoria. In de te treffen regelingen wordt, met inachtneming van de lokale omstandigheden gestreefd naar een vergelijkbare wijze van betaling en ondersteuning van de onderzoekers in alle programma's en Lid-Staten. De duur van de opleiding kan variëren van drie maanden tot drie jaar.

Het opleidingsprogramma omvat onderzoek in alle exacte en natuurwetenschappen, economische en bedrijfsvoeringswetenschappen, alsmede in de mens- en maatschappijwetenschappen die bijdragen tot de communautaire doelstellingen inzake OTO.

Wie komt in aanmerking?

Voor een toelage komen in aanmerking de personen wier studie of carrière hen tot een van de volgende niveaus heeft gebracht:

- postdoctoraal: een onderzoeker die houder is van een doctoraatsdiploma of een gelijkwaardig opleidingsniveau bezit, dan wel ten minste vier jaar voltijds als onderzoeker op postgraduaal niveau werkzaam is geweest;

- ervaren onderzoeker: een onderzoeker die ten minste acht jaar voltijds als onderzoeker op postgraduaal niveau werkzaam is geweest;

- postgraduaat: een houder van een diploma afgegeven door een universiteit of een daaraan gelijkwaardige instelling voor hoger onderwijs, dat rechtstreeks toegang geeft tot de doctoraatfase of een gelijkwaardige graad.

Terugkeertoelagen

Terugkeertoelagen worden voor één jaar toegekend en zijn uitsluitend bestemd voor onderzoekers uit minder welvarende regio's, die gedurende ten minste twee jaar een toelage voor opleiding door onderzoek hebben genoten. Zij dienen de terugkeer van de onderzoeker naar zijn gebied van herkomst mogelijk te maken; de banden met dat gebied moet hij kunnen aantonen (geboorte of langdurig verblijf tijdens de afgelopen paar jaar). De aanvragen voor dergelijke toelagen kunnen zes maanden vóór het einde van de opleidingsperiode worden ingediend; na een eerste beoordeling hangt de uiteindelijke goedkeuring en de uitbetaling van de toelage af van de vraag of de gegadigde het opleidingsproject met goed gevolg heeft voltooid.

Selectiecriteria

Het curriculum vitae van de kandidaat voor een toelage;

ervaring op onderzoekgebied;

wetenschappelijk belang van het voorstel;

nut en realiteitsgehalte van de werkzaamheden;

kwaliteit en competentie van het gastlaboratorium.

De dossiers van de kandidaten kunnen alleen worden ingediend met instemming van het gastlaboratorium waar zij hun stage willen doorbrengen.

Uitnodigingen tot het indienen van voorstellen

Uitnodigingen tot het indienen van voorstellen worden gedurende de looptijd van het programma regelmatig op vooraf bepaalde data gepubliceerd.

4. Begeleidende maatregelen

De in bijlage I uiteengezette begeleidende maatregelen behelzen met name:

- de ontwikkeling van een Euroconferentiesysteem;

- de organisatie van praktijkstages in laboratoria, met inbegrip van industrielaboratoria, zodat de onderzoekers vertrouwd kunnen raken met nieuwe, moderne of minder gebruikelijke technieken en methodes. Dergelijke stages zullen zoveel mogelijk in de minst welvarende regio's van de Gemeenschap worden georganiseerd;

- zomercursussen of vergelijkbare activiteiten die bijdragen tot de opleiding van jonge onderzoekers;

- de instelling van prijzen voor jonge, niet afgestudeerde universitaire wetenschappers en een prijsvraag voor jonge talentvolle onderzoekers op middelbare-schoolniveau;

- het verrichten van studie naar de deelname aan het programma van vrouwelijke onderzoekers en van maatregelen ter verhoging van het aantal deelneemsters;

- het stimuleren van de minst welvarende regio's tot deelname aan het programma;

- de publikatie en verspreiding met alle geëigende middelen van informatie betreffende de doelstellingen, deelnemingsvoorwaarden, activiteiten en resultaten van het programma;

- het organiseren van seminaries om met de bursalen van gedachten te kunnen wisselen over het effect van het programma op hun wetenschappelijke activiteiten en hun carrière;

- het evalueren van de economische en maatschappelijke effecten en de potentiële technologische risico's die zijn verbonden met de activiteiten van dit programma:

- het regelmatig evalueren in nauw overleg met de Lid-Staten van de vorderingen op het gebied van de samenhang die in het kader van het programma worden gemaakt;

- het uitvoeren van een onderzoek naar de haalbaarheid van afstandsonderwijsactiviteiten ten behoeve van minder welvarende regio's in de Gemeenschap, in nauw overleg met andere communautaire programma's.

Uitnodigingen voor het indienen van voorstellen voor Euroconferenties, praktijkstages en zomercursussen worden op gezette tijden bekendgemaakt. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de deelneming van jonge onderzoekers en wordt gestreefd naar een hoog wetenschappelijk niveau van de activiteiten.

Financiering

Voor de geselecteerde begeleidende maatregelen wordt een contract aangegaan tussen de Commissie en de indiener(s). In het contract kan een communautaire deelneming tot 100 % van de erkende kosten worden overeengekomen.

(1) De regio van doelstelling 1 van Verordening (EEG) nr. 2081/93 van de Raad (PB nr. L 193 van 31. 7. 1993, blz. 5) en de regio van doelstelling 6 van Protocol nr. 6 over bijzondere bepalingen voor doelstelling 6 in het kader van de Structuurfondsen in Finland, Noorwegen en Zweden.