94/763/EG: Besluit van de Raad van 21 november 1994 betreffende de regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten aan de activiteiten van de Europese Gemeenschap op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie
Publicatieblad Nr. L 306 van 30/11/1994 blz. 0008 - 0011
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 27 blz. 0049
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 27 blz. 0049
BESLUIT VAN DE RAAD van 21 november 1994 betreffende de regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten aan de activiteiten van de Europese Gemeenschap op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (94/763/EG) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 J, juncto artikel 130 O, lid 2, Gezien het voorstel van de Commissie (1), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2), Volgens de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (3), Overwegende dat titel XV van het Verdrag voorziet in een samenhangend kader van voorzieningen voor een communautair optreden op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling; Overwegende dat artikel 130 F van het Verdrag bepaalt dat de Gemeenschap de ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, de onderzoekcentra en de universiteiten stimuleert bij hun inspanningen op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling en hun streven naar onderlinge samenwerking ondersteunt; Overwegende dat artikel 130 I van het Verdrag bepaalt dat alle activiteiten van de Gemeenschap op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (hierna "OTO" genoemd) worden opgenomen in een meerjarenkaderprogramma; Overwegende dat bij Besluit nr. 1110/94/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) het vierde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap van communautaire werkzaamheden op het gebied van OTO (1994-1998) is aangenomen; Overwegende dat in dit kaderprogramma nadere bepalingen worden vastgesteld voor de financiële deelneming van de Gemeenschap in door derden en door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (hierna "het GCO" genoemd) op dezelfde basis als derden uitgevoerde OTO-activiteiten; Overwegende dat artikel 130 J van het Verdrag bepaalt dat voor de tenuitvoerlegging van het meerjarenkaderprogramma de Raad de regels vaststelt voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten; Overwegende dat artikel 130 I van het Verdrag bepaalt dat het kaderprogramma ten uitvoer wordt gelegd door middel van specifieke OTO-programma's; dat de specifieke programma's moeten worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van lid 4 van dit artikel; Overwegende dat de Gemeenschap krachtens artikel 130 M van het Verdrag bij de tenuitvoerlegging van het meerjarenkaderprogramma kan voorzien in samenwerking inzake communautair onderzoek en communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie met derde landen en internationale organisaties; dat het kaderprogramma voor de periode van 1994 tot 1998 in dergelijke samenwerking voorziet; dat het noodzakelijk is hiermee rekening te houden bij de opstelling van de regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten; Overwegende dat de financiële bijdrage van de Gemeenschap normaliter aan deelnemers zou worden uitbetaald op basis van een verantwoording van de feitelijke kosten; dat, waar passend, overeenstemming kan worden bereikt over andere methodes, met inbegrip van vaste bedragen; Overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat in de specifieke OTO-programma's de in dit besluit opgenomen regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten nader kunnen worden gedetailleerd, kunnen worden aangevuld of aan voorwaarden of beperkingen kunnen worden onderworpen voor zover dit noodzakelijk is ter uitvoering van de voor deze programma's specifieke doelstellingen of maatregelen; Overwegende dat OTO-activiteiten ten uitvoer moeten worden gelegd met name overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer, zuinigheid en kosteneffectiviteit, als bedoeld in het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, BESLUIT: Artikel 1 Voor de tenuitvoerlegging van het meerjarenkaderprogramma van de activiteiten van de Europese Gemeenschap op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (OTO) en van de bijbehorende specifieke programma's, die zijn aangenomen overeenkomstig artikel 130 I van het Verdrag, zijn de regels in de volgende artikelen van toepassing op de deelneming van: a) natuurlijke personen, ondernemingen, onderzoekcentra, universiteiten en andere vormen van rechtspersonen (hierna "rechtspersonen" te noemen), en b) het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO), aan communautaire OTO-activiteiten onder contract als aangegeven in bijlage IV, punt 1, onder a), van Besluit nr. 1110/94/EG en aan de concurrentiële ondersteunende activiteiten als bedoeld in bijlage IV, punt 1, onder c), van datzelfde besluit. Artikel 2 Deelneming aan OTO-activiteiten met een financiële bijdrage van de Gemeenschap staat open voor rechtspersonen die gevestigd zijn in de Gemeenschap of in een Staat buiten de Gemeenschap die bij de tenuitvoerlegging van het betreffende specifieke programma betrokken is en daaraan financieel bijdraagt via een overeenkomstig artikel 130 M van het Verdrag met de Gemeenschap gesloten overeenkomst (hierna "bij het programma betrokken Staat" te noemen), alsmede voor het GCO, op voorwaarde dat: a) - zij OTO uitvoeren, of op het punt staan uit te voeren, in de Gemeenschap of een bij het programma betrokken Staat en beschikken over de basismiddelen om de betrokken activiteit uit te voeren, of - zij kunnen bijdragen aan de betrokken OTO-activiteit als een potentiële gebruiker van de OTO-resultaten, of voor het programma betreffende activiteiten in het kader van artikel 130 G, onder c), van het Verdrag kunnen meewerken aan het verspreiden en optimaal benutten, met inbegrip van de overdracht, van OTO-resultaten voor exploitatie in de Gemeenschap of een bij het programma betrokken Staat; b) de voorgestelde activiteiten uitgevoerd worden door: - normaliter ten minste twee rechtspersonen. Deze rechtspersonen mogen niet gelieerd zijn en moeten gevestigd zijn in verschillende Lid-Staten of ten minste in één Lid-Staat en één bij het programma betrokken Staat, of - ten minste één rechtspersoon en het GCO. Artikel 3 1. Internationale organisaties en rechtspersonen uit derde landen, andere dan de in artikel 2 bedoelde bij het programma betrokken Staten, kunnen per project deelnemen aan communautaire OTO-activiteiten, op voorwaarde dat: a) deze deelneming dienstig is voor het beleid van de Gemeenschap en b) deze deelneming plaatsvindt samen met het in artikel 2 vereiste minimumaantal rechtspersonen uit de Gemeenschap en de bij het programma betrokken Staten, en c) de betrokken rechtspersoon is gevestigd en OTO-activiteiten uitvoert in: i) een Europees derde land, of ii) een derde land dat met de Gemeenschap een overeenkomst voor wetenschappelijke en technische samenwerking heeft gesloten die betrekking heeft op activiteiten van het betreffende programma, of iii) een derde land dat voor de activiteiten die onder dat programma vallen, valt onder een doelstelling van het programma ter bevordering van de internationale samenwerking op OTO-gebied. 2. Behoudens de voorwaarden van lid 1, onder a) en b), kan deelneming van niet in lid 1, onder c), vermelde rechtspersonen worden opgenomen in het besluit tot aanneming van het desbetreffende specifieke programma, indien die deelneming daadwerkelijk bijdraagt tot de tenuitvoerlegging van het programma, zulks met inachtneming van het beginsel van wederzijds voordeel. 3. Tenzij dit in het betreffende besluit inzake het specifieke programma anders is bepaald, komt de deelneming van internationale organisaties en rechtspersonen uit derde landen uit hoofde van dit artikel niet in aanmerking voor communautaire financiering in het kader van het kaderprogramma. In nauwkeurig omschreven gevallen kan voor deelneming van in Europa gevestigde internationale onderzoekorganisaties evenwel financiële steun van de Gemeenschap worden verkregen. 4. Bepaalde voorbereidende, flankerende en ondersteunende maatregelen voor OTO-werkzaamheden onder contract kunnen bij wijze van uitzondering met financiële steun van de Gemeenschap worden uitgevoerd door rechtspersonen van welke Staat dan ook of door internationale organisaties, mits dit dienstig is voor het beleid van de Gemeenschap. Artikel 4 1. Als algemene regel geldt dat voorstellen voor OTO-activiteiten geselecteerd worden op basis van uitnodigingen tot het indienen van voorstellen die worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen en waarop elke rechtspersoon en het GCO overeenkomstig de artikelen 2 en 3 kunnen reflecteren. Waar passend kan de uitnodiging tot het indienen van voorstellen worden voorafgegaan door een uitnodiging om blijk te geven van belangstelling voor informatie over de activiteiten, opdat de voorstellen kunnen worden toegesneden op prioritaire onderdelen van het programma. 2. De procedure voor de indiening en selectie van de voorstellen wordt zo gekozen dat de administratieve kosten voor de indieners en de Commissie tot het noodzakelijke minimumniveau beperkt blijven. 3. Voorstellen worden geselecteerd op basis van de in het meerjarenkaderprogramma aangegeven criteria en van de doelstellingen van het betrokken specifieke programma. Daarnaast zou met de volgende factoren rekening moeten worden gehouden, tenzij die niet op de betrokken activiteit van toepassing zijn: - innoverend karakter van het voorstel, - doelmatige transnationale samenwerking, - ontwikkeling van synergie tussen verschillende categorieën deelnemers, met inbegrip van een betere integratie van de kleine en middelgrote ondernemingen, - kosteneffectiviteit van het voorstel, - deskundigheid van de deelnemers om transnationale OTO-activiteiten uit te voeren of daartoe daadwerkelijk bij te dragen, - vooruitzichten op daadwerkelijke verspreiding van de OTO-resultaten en de exploitatie daarvan, ook, waar passend, door kleine en middelgrote ondernemingen. Artikel 5 De voorwaarden in artikel 2, onder a) en b), en de regels voor de selectie van voorstellen in artikel 4 zijn niet van toepassing op: - activiteiten die bestaan uit aanbestedingen en diensten, met inbegrip van concurrentiële ondersteunende activiteiten, die onder de desbetreffende bepalingen vallen, met name de titels IV en VII van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen; - subsidies voor de kosten van conferenties, met uitzondering van Euroconferenties, workshops en seminars. Artikel 6 Voor de voorstellen die overeenkomstig artikel 4 zijn geselecteerd, worden contracten gesloten tussen de Gemeenschap en de deelnemers aan de betrokken activiteit. In de contracten worden met name de regels voor administratieve, financiële en technische controle van de actie vastgesteld en worden bepalingen omtrent intellectuele-eigendomsrechten opgenomen. Behoudens de begrotings- en administratieve maatregelen die nodig zijn om het GCO in overeenstemming met artikel 2 te kunnen laten meedingen naar communautaire OTO-activiteiten onder contract, gelden voor het GCO dezelfde voorwaarden en dezelfde rechten als voor de overige deelnemers aan de betrokken activiteiten. Artikel 7 1. De financiële bijdrage van de Gemeenschap zal bestaan in de terugbetaling van een overeenkomstig bijlage IV van het vierde kaderprogramma bepaald evenredig deel van de kosten van de activiteit. 2. De methode voor vaststelling en uitbetaling van de financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt aangegeven in de uitnodiging tot het indienen van voorstellen en in de daarbij behorende documentatie. 3. De gebruikelijke methode zal bestaan in tijdige uitbetaling, behoudens verantwoording door de deelnemer van de feitelijke kosten van de middelen die aan de activiteit zijn besteed, met inbegrip van de indirecte algemene kosten. Eventueel kan de betaling, indien de deelnemers dit specifiek overeenkomen, volgens een van de volgende methoden worden verricht: a) vaste samengestelde tarieven om enkele of alle gebruikelijke middelen voor de uitvoering van OTO te dekken. Bij de vaststelling van deze tarieven zal rekening worden gehouden met verschillen tussen typen van rechtspersonen en activiteiten in de Lid-Staten, en, waar mogelijk en passend, nationale tarieven voor soortgelijke activiteiten; b) vaste bedragen die gekoppeld zijn aan contractueel vastgestelde doelstellingen; c) voor kleinschalige projecten, vaste bedragen die zijn vastgesteld op basis van een raming van de voorgestelde kosten van de activiteiten. De keuze van de passende methode voor de overeenkomstig artikel 4 geselecteerde projecten wordt overeengekomen met iedere deelnemer en vastgelegd in de in artikel 6 bedoelde contracten. 4. Voor werkzaamheden voor gezamenlijke rekening met rechtspersonen blijven de "extra kosten" beperkt tot i) de voor de activiteit gemaakte directe kosten waartoe de rechtspersoon niet uit anderen hoofde is verplicht; ii) een passende bijdrage in de indirecte algemene kosten. "Extra kosten" worden door rechtspersonen voor OTO-projecten opgevoerd wanneer aan de hand van de analytische boekhouding van de rechtspersoon naar de mening van de Commissie de volledige kosten van de OTO-activiteit niet nauwkeurig genoeg kunnen worden aangegeven. Artikel 8 1. Ter stimulering van de technologie kunnen in de Gemeenschap of in een bij het programma betrokken Staat gevestigde kleine en middelgrote ondernemingen: a) die gelijksoortige technische problemen hebben, maar niet over adequate eigen onderzoekfaciliteiten beschikken, deelnemen aan het "onderzoek in samenwerking" waarbij zij andere rechtspersonen kunnen verzoeken voor hen OTO uit te voeren; b) steun krijgen, onder andere via netwerken voor gedecentraliseerde bijstand, bij het vinden van partners en bij het opstellen van projectvoorstellen. Ook kunnen zij financiële steun ontvangen voor de uitvoering, normaliter op basis van samenwerking, van de verkennende fase van een OTO-activiteit, om na te gaan of de activiteit uitvoerbaar is en vervolgens om deze als volwaardig voorstel voor een communautaire activiteit, inclusief "onderzoek in samenwerking", in te dienen. 2. Na de eerste uitnodiging kunnen voorstellen voor "onderzoek in samenwerking" en schema's van voorstellen voor dergelijke verkennende werkzaamheden op elk moment worden ingediend. Artikel 9 Voor zover zulks voor de verwezenlijking van voor een programma specifieke doelstellingen of maatregelen noodzakelijk is, en met name in het geval van activiteiten als bedoeld onder b), c) en d) van artikel 130 G van het Verdrag, kunnen de regels van dit besluit in het besluit tot vaststelling van het specifieke programma nader worden gedetailleerd, aangevuld of onderworpen aan voorwaarden of beperkingen. Artikel 10 1. Het jaarverslag dat de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Besluit nr. 1110/94/EG aan het Europees Parlement en de Raad voorlegt, bevat informatie over de tenuitvoerlegging van dit besluit. 2. Dit besluit is van toepassing op activiteiten die voortvloeien uit het vierde meerjarenkaderprogramma 1994-1998. 3. Vóór het eind van het vierde kaderprogramma dient de Commissie bij de Raad een verslag in over de toepassing van dit besluit, vergezeld van passende voorstellen voor verlenging of aanpassing. Gedaan te Brussel, 21 november 1994. Voor de Raad De Voorzitter M. WISSMANN (1) PB nr. C 81 van 18. 3. 1994, blz. 9.(2) PB nr. C 295 van 22. 10. 1994, blz. 31.(3) Advies van het Europees Parlement van 5 mei 1994 (PB nr. C 205 van 25. 7. 1994, blz. 313), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 18 juli 1994 (PB nr. C 244 van 31. 8. 1994, blz. 76) en besluit van het Europees Parlement van 27 oktober 1994 (PB nr. C 323 van 21. 11. 1994).(4) PB nr. L 126 van 18. 5. 1994, blz. 1.