31994D0374

94/374/EG: Beschikking van de Commissie van 2 februari 1994 betreffende regionale wet 23/1991 van de regio Sicilië houdende buitengewone steunmaatregelen ten behoeve van de industrie en betreffende artikel 5 van regionale wet 8/1991 van de regio Sicilië betreffende in het bijzonder financieringen ten behoeve van de vennootschap Sitas (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 170 van 05/07/1994 blz. 0036 - 0043


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 2 februari 1994 betreffende regionale wet 23/1991 van de regio Sicilië houdende buitengewone steunmaatregelen ten behoeve van de industrie en betreffende artikel 5 van regionale wet 8/1991 van de regio Sicilië betreffende in het bijzonder financieringen ten behoeve van de vennootschap Sitas (Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst) (94/374/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid artikel 93, lid 2, eerste alinea,

Na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken overeenkomstig het bepaalde in artikel 93, lid 2, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

I Bij de sluiting van de procedure welke krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag was ingeleid ten aanzien van maatregelen die in het kader van steun ten behoeve van kalizouten waren onderzocht, en waarvan de Italiaanse Regering bij brief van 9 februari 1993 (steunzaak C-35/91) (1) in kennis was gesteld, had de Commissie zich het recht voorbehouden zich uit te spreken over artikel 5 van regionale wet 8/1991 van de regio Sicilië, hierna "wet 8/1991" genoemd, ter zake van een kapitaalverstrekking van 20 miljard lire aan de vennootschap Sitas.

Voorts had de Commissie er de Italiaanse Regering bij brief van 6 mei 1992 van in kennis gesteld dat zij had besloten een procedure krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden ten aanzien van wet 23/1991 van de regio Sicilië houdende buitengewone steunmaatregelen ten behoeve van de industrie, hierna "wet 23/1991" genoemd.

De Commissie heeft de Italiaanse Regering verzocht haar opmerkingen kenbaar te maken en - gezien het geringe aantal gegevens waarover zij op die datum betreffende deze wet beschikte - alle nodige inlichtingen te verstrekken om de verenigbaarheid van de betrokken bepalingen met het Gemeenschapsrecht te kunnen beoordelen.

De overige Lid-Staten en andere belanghebbenden zijn met een mededeling in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (2) ingelicht. Geen hunner heeft in deze opmerkingen kenbaar gemaakt.

II De voor het onderzoek noodzakelijke gegevens zijn bij brieven van de Permanente Vertegenwoordiging van Italië van 5 augustus 1992, 14 september 1992, 15 januari 1993 en 2 februari 1993 toegezonden. Andere gegevens zijn verkregen op twee bijeenkomsten van de diensten van de Commissie en een vertegenwoordiging van de nationale overheid, welke op 15 juni 1992 en 19 februari 1993 te Brussel plaatsvonden.

III Wet 23/1991 bevat een reeks maatregelen ten behoeve van ondernemingen uit de openbare sector, particuliere ondernemingen, regionale openbare lichamen en particulieren, die als volgt kunnen worden samengevat:

Artikel 1: De wet verhoogt de dotatie aan een speciaal fonds, dat beheerd wordt door Resais, een dienstverlenende onderneming die belast is met het voeren van het beheer van overtollig personeel van ondernemingen die onder controle staan van de regionale holdingvennootschap ESPI alsmede van de twee andere regionale holdings Az.A.S. en EMS, met 125 miljard lire (± 67,57 miljoen ecu).

De Italiaanse autoriteiten hebben gepreciseerd dat Resais geen produktieactiviteit verricht. Haar taak bestaat uit het beheer van door de regionale holdings ontslagen werknemers ten behoeve van hun opneming - voor zover mogelijk en aan de hand van de ontvangen aanvragen - in onder het regionale bestuur ressorterende organismen. Het gaat in feite om een verlenging van de werkloosheidsregeling voor deze werknemers in een specifieke context en volgens bijzondere modaliteiten. De aan Resais toegekende bedragen beogen de dekking van de exploitatiekosten van de onderneming.

Artikel 2: Dit artikel staat op bepaalde voorwaarden de overneming door Resais van overtollige werknemers van Imesi en IMEA, vennootschappen onder controle van ESPI, toe overeenkomstig het in artikel 1 toegelichte stelsel.

Artikel 3: Het gaat hier om een ander concreet geval van overgang naar Resais van overtollig personeel van een door ESPI gecontroleerde vennootschap.

Artikel 4: Bij dit artikel wordt aan de regionale holding ESPI 4 miljard lire (± 2,16 miljoen ecu) toegekend om verliezen te dekken die door de door haar gecontroleerde Sirap, een engineeringvennootschap, bij haar activiteiten zouden zijn geleden.

Artikel 5: Deze bepaling voorziet in de uitkering van 65 miljard lire (± 35,14 miljoen ecu) aan de regionale holding EMS.

Uit de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte inlichtingen blijkt, dat dit bedrag bestemd is voor inbreng in Sitas, onder controle van EMS en een ander overheidsorganisme. Sitas bezit in Sicilië vier hotels, waarvan er twee door particulieren als concessionaris worden beheerd. Hiervan zou 17 miljard lire (± 9,19 miljoen ecu) dienen voor de terugkoop van het deel van het aandelenkapitaal dat wordt gehouden door particuliere partners; de resterende 48 miljard (± 25,95 miljoen ecu) zouden worden gebruikt voor een kapitaalverhoging en voor de delging van schulden.

Bovendien was aan EMS reeds 20 miljard lire (± 10,8 miljoen ecu) krachtens artikel 5 van wet 8/1991 toegekend, met het oog op de terugkoop van een deel van het aandelenkapitaal, waardoor haar deelneming in dat kapitaal op 95 % zou komen. Bij de goedkeuring van haar beschikking inzake steunzaak C-35/91 heeft de Commissie zich haar standpunt inzake deze maatregel voorbehouden ten einde rekening te houden met de resultaten van het onderzoek naar het geval dat het onderwerp vormt van dit dossier. Het hotelbedrijf is de enige activiteit van Sitas.

Artikel 6: Dit artikel regelt de aanpassing aan de kosten van het levensonderhoud van uitkeringen bij vervroegde pensionering welke worden betaald aan ex-werknemers van de zwavelmijnen welke worden beheerd door EMS, zulks door middel van de inbreng van 2,5 miljard lire (± 1,35 miljoen ecu) voor 1992 en evenvel voor 1993 in een dotatiefonds dat hiertoe bij de EMS bestaat.

Artikel 7: 5 miljard lire (± 2,7 miljoen ecu) is bestemd voor de regionale holdingvennootschap Az.A.S. voor de herstructurering van de onderneming IMAC (cementsector), uit te voeren door middel van het vervroegd pensioneren van overtollige werknemers.

Artikel 8: 25 miljard lire (13,5 miljoen ecu) wordt uitgetrokken voor de dekking van de niet door nationale voorzieningen, zoals de "Cassa integrazione" ondersteunde lonen, van de werknemers bij de ondernemingen Vetem (chemische sector). Deze maatregel wordt uitgevoerd in rechtstreeks beheer van de regionale overheid.

Artikel 9: Dit betreft de optrekking tot 1 miljard lire (± 0,54 miljoen ecu) van de bijdrage van de regio aan de beheerskosten van de "Ente autonomo per il porto di Messina", een overheidsinstantie die belast is met het havenbeheer.

Artikel 10: Dezelfde "Ente autonomo per il porto di Messina" krijgt uit hoofde van deze bepaling 1,5 miljard lire (± 0,81 miljoen ecu) voor 1991 en 1 miljard lire (± 0,54 miljoen ecu) voor buitengewone onderhoudswerken aan het droogdok voor 1992 en voor 1993.

Artikel 11: Het gaat hier om de aanpassing van de in de regionale wet 27/1987 voorziene bijdrage ten behoeve van de havenonderneming "San Sebastiano" te Siracuse, omdat de laattijdige uitbetaling van het voor haar bestemde bedrag tot extra kosten ten belope van 500 miljoen lire had geleid (± 0,27 miljoen ecu).

Regionale wet 27/1987 was door de Commissie in 1988 goedgekeurd.

Artikel 12: Bij dit artikel worden wijzigingen aangebracht in het stelsel van vervroegde pensionering van mijnwerkers (zie hierboven artikel 6) en de vervroegde pensioneringsmogelijkheid uitgebreid tot andere overtollige werknemers welke worden beheerd door Az.A.S., EMS en ESPI alsmede aan blinde telefonisten in dienst van EMS. De aan EMS toegekende bedragen belopen 3,5 miljard lire (± 1,9 miljoen ecu) voor 1992 en 5 miljard lire (± 2,7 miljoen ecu) voor 1993.

Artikel 13: Dit artikel strekt tot aanpassing van een bestaande regeling waarbij leningen met rentesubsidie konden worden verleend ten behoeve van industriële ondernemingen met ten hoogste 400 werknemers of investeringen in vaste activa tot ten hoogste 50 miljard lire (± 27,03 miljoen ecu), exclusief afschrijving en herwaardering, over de contractwaarden van de door deze ondernemingen ontvangen orders. De voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van deze regeling zijn aangepast bij regionale wet 25/1993 van de regio Sicilië, hierna "wet 25/1993" genoemd, die thans door de Commissie wordt onderzocht.

De Italiaanse autoriteiten hebben mondeling toegelicht dat deze regeling niet geldt voor de petrochemische, elektrotechnische, cement-, landbouw- en textielsector.

De voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van deze regeling worden gepreciseerd in de artikelen 30 en 31 van wet 25/1993.

Artikel 14: Het gaat hier om de aanpassing van een bestaande regeling met betrekking tot steun voor factoring ten behoeve van kleine en middelgrote ondernemingen als gedefinieerd in de communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor het midden- en kleinbedrijf (3). De interventie van de regio bestaat in het voor zijn rekening nemen van 30 % van de rente voor het factoringcontract.

Artikel 15: Bij dit artikel wordt een steunregeling voor voorraden aangepast, die bestemd is voor ondernemingen met ten hoogste 300 werknemers of een kapitaal van ten hoogste 500 miljoen lire (± 0,27 miljoen ecu).

De financiering wordt op 40 % van de investeringen in vaste activa gebracht na aftrek van de eventueel reeds uit dien hoofde ontvangen steun en voor een duur van vijf jaar.

Deze regeling was reeds onderzocht door de Commissie die haar in 1982 tijdelijk had aanvaard en elke toekomstige instemming afhankelijk had gesteld van de nakoming van bepaalde voorwaarden.

Artikel 16: Het betreft hier het eventuele gebruik van reeds in de regionale begroting opgenomen kredieten met het oog op de vervroegde betaling van 85 % van de door de Cassa del Mezzogiorno toegestane financieringen aan ondernemingen met ten hoogste 10 miljard lire (± 5,4 miljoen ecu) aan investeringen in vaste activa na aftrek van afschrijving en herwaarderingen, met een plafond van 800 miljoen lire (± 0,43 miljoen ecu).

Artikel 17: 25 miljard lire (± 13,5 miljoen ecu) voor 1991 en 17 miljard lire (± 9,19 miljoen ecu) voor 1992 wordt toegekend aan het consortium voor de industriële ontwikkeling van Ragusa, een overheidslichaam zonder winstoogmerk, voor de totstandbrenging van een basis voor logistieke dienstverlening voor booreilanden voor het zoeken naar koolwaterstoffen in de Pozzallo-zee.

Dit initiatief beoogt de werkzaamheden op zee van houders van een (betaalde) concessie voor het zoeken naar aardolie in het kader van het beheer van het domein van de regio te bevorderen. Voor de dienstverlening dient te worden betaald.

Artikel 18: Verschillende maatregelen tot herorganisatie van de begroting van de regio.

Artikel 19: Bij dit artikel worden wijzigingen aangebracht in een regeling tot het voorschieten van middelen van de regio ten behoeve van Siciliaanse ondernemingen die zich bezighouden met reparatie- en onderhoudswerkzaamheden alsmede met de verlening van diensten of het verstrekken van leveringen aan grote petrochemische maatschappijen die zich in een staat van "amministrazione controllata" bevinden.

De begunstigden zijn ondernemingen die crediteuren zijn van Liquichimica uit hoofde van het feit dat de situatie van "amministrazione straordinaria" van deze onderneming de opschorting van de betaling van schulden ten gevolge had gehad.

Dientengevolge was in de voorafgaande regionale wetten voorzien in het voorschieten van middelen met als uiterste termijn de maand maart 1993 in de vorm van een inbreng van 3 miljard lire (± 1,62 miljoen ecu). Bij artikel 19 wordt de voor de terugbetaling gestelde termijn afgeschaft.

Het voordien bestaande stelsel was door de Commissie tweemaal goedgekeurd in het kader van gevallen van steun ten behoeve van de industriële, handels-, ambachts-, visserij- en cooeperatieve sector in Sicilië en van steun voor de industriële ontwikkeling van Sicilië.

Artikelen 20 en 21: Deze artikelen betreffen de opneming van de nieuwe, bij wet op de begroting van de regio ingestelde uitgaven en de bekendmaking van de wettekst in het publikatieblad van de regio Sicilië.

IV Om te beginnen dient voor elk van de in deel III beschreven maatregelen afzonderlijk te worden geverifieerd of deze maatregelen steunmaatregelen van de Staat in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag zijn.

Zoals in deel III van deze beschikking is vermeld, heeft Resais, bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 van wet 23/1991, geen produktieactiviteit en betreft zij niet aan de produktie deelnemende personen. Dit geldt ook voor de maatregelen ten behoeve van ex-mijnwerkers voorzien in de artikelen 6 en 12 van wet 23/1991. Derhalve kunnen deze maatregelen niet als steunmaatregelen van de Staat in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag worden aangemerkt, aangezien zij niet bepaalde ondernemingen of een bepaalde produktie begunstigen.

De maatregel ten behoeve van Sirap, voorzien in artikel 4 van wet 23/1991, strekt tot dekking van de door Sirap geleden exploitatieverliezen, in die zin, dat zij gericht is op de financiering van de beheerskosten die niet door inkomsten worden bestreken (artikel 4, lid 2, van wet 23/1991). De begunstigde van deze steun is een onderneming die op de engineeringmarkt actief is en die concurreert met particuliere marktdeelnemers, zowel in nationaal als in communautair verband, die niet op overheidssteun kunnen rekenen om eventuele passiva aan te zuiveren.

Met betrekking tot artikel 5 van wet 23/1991 en artikel 5 van wet 8/1991, en volgens de inlichtingen waarover de Commissie beschikt, lijkt Sitas, ondanks aanzienlijke investeringen door de regio voor een bedrag van ongeveer 270 miljard lire (ongeveer 146 miljoen ecu) voortdurend verliezen te boeken. Volgens de meest recente door de regio verstrekte gegevens beliepen de verliezen in 1987 2,536 miljard lire, in 1988 4,49 miljard lire, in 1989 38,645 miljard lire, in 1990 2,300 miljard lire en in 1991 25,716 miljard lire. Dit komt in totaal, onafhankelijk van het eventuele passief over de boekjaren 1992 en 1993, neer op ongeveer 40 miljoen ecu. Deze negatieve resultaten gaan niet gepaard met enigerlei perspectief van sanering, zoals blijkt uit het feit dat de bestuurders van EMS hebben bevestigd dat zij willen pogen met de banken-schuldeisers tot een schikking te komen en dat destijds een liquidatieprocedure is ingeleid, die echter niet kon worden beëindigd, met name wegens het ontbreken van kopers.

In een dergelijke situatie zou geen enkele investeerder die onder marktvoorwaarden optreedt kapitaal inbrengen in en de verliezen dekken van een onderneming zonder toekomst. Rekening houdend met het door de Commissie ingenomen standpunt met betrekking tot de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag op deelneming van overheidsinstanties in het kapitaal van ondernemingen (4) moeten de betrokken bedragen als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, worden aangemerkt nu zij ertoe strekken kunstmatig de voortzetting mogelijk te maken van een onderneming waaraan elke economische grondslag ontbreekt.

Verder lijkt het duidelijk dat Sitas - een onderneming die eigenaar is van verscheidene hotels - haar activiteiten alleen zou kunnen voortzetten met voortdurende overheidssteun waarvan niet kan worden verwacht dat deze ooit terug wordt betaald, hetgeen andere in Italië en in andere Lid-Staten gevestigde concurrenten zou beletten toegang te verkrijgen tot het door deze onderneming ingenomen segment van de toeristische markt.

De maatregelen met betrekking tot de uitkeringen bij vertrek en vervroegde pensionering van artikel 7 voor overtollige werknemers van IMAC en de financiering van de werkloosheidsuitkeringen voor het personeel van Vetem, uit de chemiesector, als voorzien in artikel 8 van wet 23/1991, wijken af van de andere werkgelegenheidondersteunende maatregelen van de artikelen 1, 2, 3, 6 en 12 van dezelfde wet, omdat het optreden van de regio in het geval van IMAC plaatsvindt in het kader van een bedrijfsherstructureringsplan en in het geval van Vetem de werknemers nog ingeschakeld zijn in het produktieproces. Hieruit volgt dat het door deze maatregelen verleende voordeel niet alleen ten goede komt aan de werknemers als zodanig, doch ook aan de ondernemingen waarvan zij afhankelijk zijn. Deze maatregelen moeten derhalve worden beschouwd als steunmaatregelen van de Staat in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.

Artikel 9

en de maatregel die ermee wordt ingevoerd, ressorteren onder het beheer van de infrastructuren van het domein van de regio zodat deze niet als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag kan worden aangemerkt.

Artikel 10

heeft betrekking op de financiering van het buitengewoon onderhoud van het droogdok van de haven van Messina. De maatregelen ten behoeve van scheepsreparatie-installaties voor het droogdok van de haven van Messina moeten als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, worden beschouwd.

Artikel 11

van wet 23/1991 betreft de financiering van extra kosten welke zijn veroorzaakt door de vertraging waarmee de regionale overheid de steun ten behoeve van de havenmaatschappij "San Sebastiano" van Syracuse, die door de Commissie in het kader van de bovengenoemde steun was goedgekeurd, heeft uitgekeerd. Deze maatregel bevat derhalve geen nieuw steunelement ten aanzien van de oorspronkelijk door de Commissie goedgekeurde steun.

Artikel 13

voert een stelsel in van rentesubsidies ten behoeve van ondernemingen in vrijwel de gehele be- en verwerkende sector, ter dekking van de orders van deze ondernemingen, in de vorm van een gedeeltelijke financiering van de rente en op grond van de door de bevoegde autoriteiten aangegeven budgettaire mogelijkheden, namelijk 50 miljard lire (ongeveer 270 miljoen ecu). Deze maatregel moet als staatssteun worden beschouwd. Dit geldt ook voor de maatregel van artikel 14, waarin voorzien wordt in de reorganisatie van een steunregeling voor financiële "factoring"-operaties ten behoeve van Siciliaanse kleine en middelgrote ondernemingen, waarvan de steunintensiteit ongeveer 4,25 % bruto bedraagt. De Commissie heeft al een beslissing genomen over het onder artikel 13 vallende stelsel.

Artikel 15

voorziet in wijzigingen van de steunregeling voor de voorraadvorming over het algemeen, die door de Commissie in 1982 onder bepaalde voorwaarden is goedgekeurd.

Deze voorwaarden worden niet meer vervuld in het nieuwe artikel 15 van wet 23/1991, aangezien de steun geen verband meer houdt met de oorspronkelijke investering alleen.

Artikel 16

heeft betrekking op het eventuele gebruik van op de regionale begroting opgenomen middelen om voorschotten te verstrekken ten belope van 85 % van het bedrag van financieringen welke zijn toegekend in het kader van het stelsel van buitengewone maatregelen in de Mezzogiorno, dat door de Commissie op 2 maart 1988 en 9 december 1992 is goedgekeurd.

Deze maatregel houdt, evenals artikel 11 van wet 23/1991, geen nieuwe steunelementen in ten aanzien van de steunregeling ten gunste van de Mezzogiorno en valt derhalve niet onder artikel 92, lid 1.

Artikel 17

betreft de financiering van door een openbaar lichaam te verwezenlijken infrastructuren. Deze maatregelen kunnen uit dien hoofde niet als steun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag worden beschouwd.

De artikelen 18, 20 en 21, die technische bepalingen met betrekking tot de regionale begroting en de bekendmaking van de wet betreffen, kunnen evenmin als steun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag worden beschouwd.

Ten slotte worden in artikel 19 de in voorgaande bepalingen gestelde termijnen voor de terugbetaling van voorschotten afgeschaft, welke door de regio zijn verleend aan ondernemingen-schuldeisers van Liquichimica.

Deze regeling, die krachtens de goedkeuring van de Commissie in het kader van steun ten behoeve van de industriële, handels-, ambachts-, visserij- en cooeperatieve sector in Sicilië en van steun voor de industriële ontwikkeling in Sicilië wordt toegepast, zou in zijn bij wet 23/1991 gewijzigde vorm de definitieve toewijzing aan de begunstigde ondernemingen van een bedrag van ten hoogste 25 miljoen lire (ongeveer 13 500 ecu) per onderneming met zich brengen, met uitsluiting van elke cumulering met andere eventuele steunmaatregelen.

De betrokken maatregel kan niet als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, worden beschouwd uit hoofde van punt 3.2 van de communautaire kaderregeling.

De Commissie is dan ook van oordeel dat de maatregelen welke bedoeld worden in de artikelen 4, 5, 7, 8, 14 en 15 van wet 23/1991 en artikel 5 van wet 8/1991 als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag moeten worden aangemerkt.

V De in deel IV bedoelde steunmaatregelen komen ten goede aan ondernemingen die hun activiteiten in Sicilië ontwikkelen. Zij begunstigen deze ondernemingen voor zover zij niet buiten deze regio worden verleend.

De steunmaatregelen hebben tot gevolg dat de concurrentie wordt vervalst omdat zij de economische situatie van de begunstigde ondernemingen verbeteren ten opzichte van hun concurrenten die deze bijstand niet ontvangen.

De betrokken steunmaatregelen hebben bovendien een ongunstige invloed op het handelsverkeer tussen de Lid-Staten. Hoewel het bij de beoordeling van hun tenuitvoerlegging niet mogelijk is precies vast te stellen wie de begunstigden zijn - de potentiële begunstigden zijn niet alle bekend -, blijkt uit de in- en uitvoerstatistieken (zone van niveau III van de nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek "NUTS") dat een niet onaanzienlijk aandeel van de Siciliaanse produkten en diensten wordt uitgevoerd naar andere Lid-Staten. Bovendien wordt het intracommunautaire handelsverkeer ook aangetast wanneer de steun de nationale produktie en de in eigen land verleende diensten begunstigt ten nadele van de invoer uit andere Lid-Staten en dienstverrichters welke in andere Lid-Staten zijn gevestigd.

VI Wat het rechtskarakter van de betrokken steunmaatregelen betreft, moet worden geconcludeerd dat deze steun onwettig is, omdat de Italiaanse autoriteiten deze niet voorafgaand bij de Commissie hebben aangemeld ingevolge artikel 93, lid 3, van het Verdrag.

De uit deze schending van het Verdrag voortvloeiende situatie is bijzonder ernstig, omdat de betrokken steun wellicht reeds aan de begunstigden kan zijn uitgekeerd. Te dezen zij eraan herinnerd dat, wegens het dwingende karakter van de in artikel 93, lid 3, van het Verdrag neergelegde procedureregels, die eveneens belangrijk zijn uit het oogpunt van de openbare orde en waarvan de directe werking is erkend door het Hof van Justitie in arresten van 19 juni 1973 (5), 11 december 1973 (6) en 22 maart 1977 (7), de onwettigheid van de betrokken steunmaatregel niet a posteriori ongedaan kan worden gemaakt.

Niettemin moet worden aangetekend dat de Commissie gehouden is de procedure in verband met artikel 93, lid 2, voort te zetten, zoals is bevestigd in het arrest van het Hof van Justitie van 14 februari 1990 (8).

Gelet op wat voorafgaat, vormen deze steunmaatregelen steun die het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden en de concurrentie kan vervalsen, zodat is voldaan aan artikel 92, lid 1, van het Verdrag, artikel 19 daargelaten, in het licht van punt 3.2 van de communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor het MKB.

VII Artikel 92, lid 1, van het Verdrag bepaalt dat steun die aan de in die bepaling neergelegde criteria beantwoordt, in beginsel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

In het onderhavige geval zijn de in artikel 92, lid 2, van het Verdrag voorziene afwijkingen niet van toepassing omdat de betrokken steunmaatregelen niet gericht zijn op het bereiken van de in dit lid gestelde doelstellingen. Bovendien is op deze afwijking geen beroep gedaan door de Italiaanse autoriteiten.

Artikel 92, lid 3, van het Verdrag geeft aan, welke steun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd. De verenigbaarheid met het Verdrag moet worden bepaald in het kader van de Gemeenschap als geheel en niet van dat van een individuele Lid-Staat. Om de normale werking van de gemeenschappelijke markt te waarborgen en gelet op het in artikel 3, onder g), van het Verdrag aangegeven beginsel, moeten de in artikel 92, lid 3, aangegeven uitzonderingen strikt worden uitgelegd bij het onderzoek van elke steunregeling of elke individuele steunmaatregel. Met name zij erop gewezen dat alleen een beroep op deze afwijkingen kan worden gedaan als de Commissie ervan overtuigd kan worden dat bij ontstentenis van steun de marktkrachten alleen de begunstigden er niet toe zouden kunnen aanmoedigen een gedragslijn te volgen waardoor één van de in deze afwijkingen genoemde doelstellingen kan worden bereikt.

De toepassing van afwijkingen op steun die niet bijdraagt tot het bereiken van deze doelstellingen of voor het bereiken waarvan zij niet onmisbaar zijn, zou erop neerkomen dat voordelen worden verleend aan industriële sectoren of aan ondernemingen in bepaalde Lid-Staten, wier financiële situatie aldus kunstmatig zou worden versterkt, en zou er derhalve in uitmonden dat het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig zou worden beïnvloed en de mededinging zou worden vervalst, zonder dat enige rechtvaardiging op grond van het gemeenschappelijk belang als vermeld in artikel 92, lid 3, van het Verdrag, kan worden aangevoerd.

Wat de steun ten gunste van de engineeringmaatschappij Sirap betreft, concurreert deze onderneming, zoals vermeld in deel IV, met andere nationale marktdeelnemers en andere Lid-Staten in de betrokken sector.

De omvang van de voorgenomen steun (± 2,16 miljoen ecu) is zodanig dat, gezien de over het algemeen bescheiden omvang van engineeringmaatschappijen (in 1988 werden in Europa 5 636 ondernemingen geteld met gemiddeld ongeveer 29 werknemers per onderneming), zij tot gevolg zou hebben dat hetzij de toegang tot de markt onmogelijk zou worden gemaakt, hetzij de concurrenten van Sirap uit de markt zouden worden gewerkt door middel van de onrechtmatige aanvulling van haar financiële middelen.

Artikel 92, lid 3, onder a), kent een afwijking voor steun ter bevordering van de ontwikkeling van streken waar de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst. Te dezen, dit wil zeggen in een regio waarvan aanvaard is dat zij in aanmerking kan komen voor regionale steun uit hoofde van artikel 92, lid 3, onder a), dient eraan te worden herinnerd dat de betrokken steunmaatregel niet is getroffen in het kader van regionale steunprogramma's, doch op grond van door de bevoegde autoriteiten ad hoc genomen discretionaire besluiten.

Zelfs als de betrokken steunmaatregel als regionale steun zou kunnen worden aangemerkt, dan nog zou hij niet in aanmerking komen voor de afwijking van artikel 92, lid 3, onder a), aangezien de krachtens dit artikel toegestane steun moet bijdragen tot de ontwikkling van de streek op lange termijn, hetgeen in het onderhavige geval niet het geval is, aangezien de betrokken steun alleen beoogt de verliezen van de onderneming te dekken zonder enige structurele verbetering.

Wat de afwijkingen van artikel 92, lid 3, onder b), betreft, is de betrokken steun niet bestemd voor een project van gemeenschappelijk belang, noch voor een project waardoor een ernstige verstoring in de Italiaanse economie kan worden opgeheven, terwijl het evenmin de kenmerken van deze projecten draagt. Daarbij komt, dat de Italiaanse autoriteiten in hun opmerkingen aan de Commissie deze afwijking niet hebben aangevoerd.

Wat betreft de afwijkingen van artikel 92, lid 3, onder c), die van toepassing zijn op steun om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, wordt eraan herinnerd dat deze steun geen verband houdt met een herstructureringsplan waardoor wordt gewaarborgd dat de betrokken onderneming weer levensvatbaar kan worden. Het gaat derhalve om bedrijfssteun met behulp waarvan een status quo kan worden gehandhaafd door te beletten dat de marktkrachten hun normale effect sorteren.

Deze steun kan dan ook niet als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd.

Dezelfde beoordeling moet gelden voor de beide steunmaatregelen ten behoeve van Sitas, te meer omdat deze maatschappij zoals in deel III is vermeld, sinds vele jaren financiële moeilijkheden doormaakt.

Wat artikel 7 betreft, namelijk steun in de vorm van werkloosheidsuitkeringen voor werknemers van IMAC, hebben de Italiaanse autoriteiten mondeling opgemerkt dat deze maatregel wordt verleend in het kader van een herstructureringsplan waardoor de onderneming op termijn weer werkelijk levensvatbaar moet worden.

Noch het herstructureringsplan noch andere inlichtingen zijn op dit punt door de nationale autoriteiten verstrekt.

Wat artikel 8 betreft gaat het, volgens mondelinge inlichtingen van de Italiaanse autoriteiten, om het door de regio voor haar rekening nemen enerzijds van lonen van de werknemers van Vetem na het verstrijken van de overheidsbijstand uit hoofde van de "Cassa integrazione".

De in de artikelen 7 en 8 voorziene maatregelen vormen steun die aan de begunstigde ondernemingen ten goede komt door middel van het door de regio voor haar rekening nemen van een deel van hun exploitatiekosten. Het gaat hier derhalve om bedrijfssteun welke door het Gemeenschapsrecht is verboden en die slechts bij wijze van uitzondering zou kunnen worden goedgekeurd, in het geval er door de Italiaanse autoriteiten een toereikende rechtvaardiging voor zou zijn gegeven.

In het onderhavige geval is door de Italiaanse autoriteiten geen enkel ander gegeven verstrekt met betrekking tot de doelstellingen welke zouden worden nagestreefd met de herstructurering van IMAC en de gedeeltelijke verlichting van de loonkosten die normalerwijze door Vetem zouden moeten worden gedragen.

Uit het bovenstaande volgt, dat deze steun evenmin als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd.

Wat de maatregel van artikel 10 van wet 23/1991 betreft, gaat het om de herfinanciering van bepalingen die door de Commissie waren goedgekeurd in het kader van de steun betreffende de maatregelen ten behoeve van de droogdokken van Trapani en Messina, omdat deze verenigbaar waren met de beginselen van artikel 6, lid 1, van Richtlijn 87/167/EEG van de Raad (9) betreffende steunverlening aan de scheepsbouw.

Daar de aan deze goedkeuring ten grondslag liggende omstandigheden ongewijzigd zijn gebleven, dient de Commissie de te zijner tijd gegeven goedkeuring te bevestigen.

Wat de in artikel 13 bedoelde maatregelen betreft, behoudt de Commissie, omdat het gaat om een regeling die gedeeltelijk valt onder bepalingen die de Commissie onderzoekt, zich haar standpunt voor ten einde na afsluiting van het huidige onderzoek over dit stelsel in zijn totaliteit te kunnen beslissen.

Wat artikel 14 betreft, heeft dit stelsel van steun bij de factoring ten doel de kosten van de verdiscontering van handelsfacturen ten gunste van kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van de communautaire kaderregeling te verminderen. Hoewel deze regeling bedrijfssteun met zich brengt, is zij slechts ten dele van invloed op de exploitatiekosten van de begunstigden, gegeven dat de steunintensiteit maar 4,25 % bruto bedraagt.

Onder deze omstandigheden kan, gezien de sociaal-economische situatie van Sicilië en het feit dat de steun voor produktie-investeringen van kleine en middelgrote ondernemingen op basis van de geldende kaderregeling in Sicilië 65 % kan belopen en de goedkeuring van steun met andere oogmerken mogelijk is bij aanwezigheid van omstandigheden die de verlening ervan rechtvaardigen, dit stelsel in aanmerking komen voor de afwijking van artikel 92, lid 3, onder c), omdat de betrokken steun bestemd is voor de vergemakkelijking van de ontwikkeling van bepaalde vormen van bedrijvigheid zonder dat de voorwaarden waaronder het intracommunautaire handelsverkeer plaatsvindt daardoor zodanig worden veranderd, dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

Ten slotte dient er, wat de wijziging van artikel 15 met betrekking tot een algemene steunregeling bij voorraadvorming betreft, die door de Commissie in 1982 is goedgekeurd, aan te worden herinnerd dat deze goedkeuring slechts onder bepaalde voorwaarden was verleend.

De Commissie had destijds gepreciseerd dat zij in de toekomst een eventuele verdere financiering van de steun alleen zou goedkeuren op voorwaarde dat de berekeningswijze zodanig zou worden gewijzigd, dat de voorraden zouden worden afgestemd op de initiële produktie-investeringen van de onderneming. De betrokken bepaling stemt daarentegen de steun af op de reeds verwezenlijkte en in de laatste balans opgenomen produktie-investeringen, hetgeen tot gevolg heeft dat het bedrag daarvan wordt verhoogd en de ondoorzichtigheid die door de voorwaarde welke de Commissie had gesteld moest worden uitgeschakeld, wordt vergroot.

Daar de Commissie derhalve artikel 15 in zijn huidige vorm niet kan goedkeuren, moet zij vaststellen dat dit artikel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

VIII Conclusie: de krachtens de artikelen 4, 5, 7, 8 en 15 van wet 23/1991 en artikel 5 van wet 8/1991 verleende steun is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. De betrokken steunmaatregelen dienen te worden ingetrokken en alle reeds uitgekeerde bedragen moeten worden teruggevorderd.

Wanneer een steunmaatregel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt kan de Commissie immers gebruik maken van de mogelijkheid die haar door het Hof van Justitie is gegeven bij arrest van 12 juli 1973 (10), bevestigd door het arrest van 24 februari 1987 (11), en de Lid-Staten gelasten de onrechtmatig verleende steun terug te vorderen.

De terugbetaling dient te geschieden in overeenstemming met de procedures en de bepalingen van de Italiaanse wet, in het bijzonder die met betrekking tot moratoire rente over schulden aan de Staat, welke verschuldigd is vanaf de datum van verlening van de onrechtmatige steun. Deze maatregel lijkt noodzakelijk om de vroegere situatie weer te herstellen door alle financiële voordelen teniet te doen die de ontvanger van de onrechtmatig verleende steun ten onrechte zou hebben genoten sinds de datum van de toekenning ervan (arrest van het Hof van Justitie van 21 maart 1990) (12).

Het zij nog herhaald dat de procedures en bepalingen van het nationale recht "aldus moeten worden toegepast dat de door het Gemeenschapsrecht verlangde terugvordering niet praktisch onmogelijk wordt gemaakt" (arrest van het Hof van Justitie van 2 februari 1989) (13),

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1. De in de artikelen 4, 5, 7, 8, 14 en 15 van wet 23/1991 en artikel 5 van wet 8/1991 bedoelde steunmaatregelen zijn onrechtmatig, aangezien de Italiaanse autoriteiten deze niet voorafgaand hebben aangemeld overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag.

2. De in artikel 14 van wet 23/1991 bedoelde steun is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 3, onder c), van het Verdrag voor zover de begunstigden voldoen aan de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen als bedoeld in de communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor het midden- en kleinbedrijf.

3. De krachtens de artikelen 4, 5, 7, 8 en 15 van wet 23/1991 en artikel 5 van wet 8/1991, waarin in buitengewone maatregelen voor de industrie, respectievelijk in steunmaatregelen ten behoeve van kalizouten wordt voorzien, verleende steun is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.

Artikel 2

Italië mag de in artikel 1, lid 3, genoemde steunmaatregelen niet ten uitvoer leggen en dient bij wege van terugvordering over te gaan tot opheffing van de steun die reeds zou zijn uitbetaald.

Deze terugvordering dient te geschieden in overeenstemming met de nationale procedures en wetten, met name die met betrekking tot de moratoire rente over schulden aan de Staat, welke verschuldigd is vanaf de datum waarop de steun is verleend.

Artikel 3

Italië stelt de Commissie binnen twee maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving van deze beschikking, in kennis van de maatregelen die zijn genomen om daaraan gevolg te geven.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 2 februari 1994.

Voor de Commissie

Karel VAN MIERT

Lid van de Commissie

(1) PB nr. C 59 van 2. 3. 1993, blz. 4.

(2) PB nr. C 137 van 27. 5. 1992, blz. 4.

(3) PB nr. C 213 van 19. 8. 1992, blz. 2.

(4) Bulletin EG nr. 9-1984, blz. 98, en mededeling van de Commissie in PB nr. C 273 van 18. 3. 1991, blz. 2.

(5) Zaak 77/72, Capolongo/Maya, Jurispr. 1973, blz. 611.

(6) Zaak 120/73, Lorenz/Duitsland, Jurispr. 1973, blz. 1471.

(7) Zaak 78/76, Steinicke en Weinlig/Duitsland, Jurispr. 1977, blz. 595.

(8) Zaak C-301/87, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-307.

(9) PB nr. L 69 van 12. 3. 1987, blz. 55.

(10) Zaak 70/72, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1973, blz. 813.

(11) Zaak 310/85, Deufill/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 901.

(12) Zaak C 142/87, België/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-959.

(13) Zaak 94/87, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1989, blz. 175 en 192, r.o. 12.