94/833/Euratom: Advies van de Commissie van 14 december 1994 betreffende het plan voor de lozing van radioactieve afvalstoffen, afkomstig van de kerncentrale Chooz B (Frankrijk), overeenkomstig artikel 37 van het EGA-Verdrag (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 352 van 31/12/1994 blz. 0006 - 0007
ADVIES VAN DE COMMISSIE van 14 december 1994 betreffende het plan voor de lozing van radioactieve afvalstoffen, afkomstig van de kerncentrale Chooz B (Frankrijk) overeenkomstig artikel 37 van het EGA-Verdrag (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek) (94/833/Euratom) Op 24 mei 1994 heeft de Commissie van de Franse Regering overeenkomstig artikel 37 van het EGA-Verdrag de algemene gegevens ontvangen met betrekking tot het plan voor de lozing van radioactieve afvalstoffen die onstaan bij de exploitatie van de kerncentrale Chooz B. Op een vergadering van de groep van deskundigen die in toepassing van het EGA-Verdrag is ingesteld, gehouden op 15 en 29 september 1994 in Luxemburg, hebben de vertegenwoordigers van de Franse Regering nadere inlichtingen en bijzonderheden verstrekt. Op grond van de ontvangen informatie en na raadpleging van de groep van deskundigen brengt de Commissie het volgende advies uit: 1. De kortste afstand van de installatie tot het grondgebied van een andere Lid-Staat, in dit geval België, is ongeveer 3 km; Luxemburg ligt op ongeveer 70 km afstand, Duitsland en Nederland op ongeveer 100 km. 2. Onder normale bedrijfsomstandigheden van de centrale is het niet waarschijnlijk dat de vloeibare en gasvormige radioactieve afvalstoffen leiden tot een uit gezondheidsoogpunt significante blootstelling voor de bevolking van een andere Lid-Staat. Niettemin verzoek de Commissie, zich ervan bewust zijnde dat in de Franse besluiten tot vergunningsverlening voor lozing niet alleen geëist wordt dat de in de vergunning vastgestelde grenswaarden worden aangehouden, maar ook dat de lozingen zo laag als redelijkerwijs mogelijk gehouden worden (Alara-beginsel), de Franse Regering na te gaan of dit beginsel rechtstreeks kan worden toegepast bij het vaststellen van de grenswaarden voor de lozingen in de vergunningen voor lozing van vloeibare en gasvormige afvalstoffen. De Commissie is in het bijzonder verheugd over de bilaterale gesprekken over lozingen van vloeibare afvalstoffen waarmee de Franse en Belgische autoriteiten zijn begonnen en die volgens de Franse Regering moeten leiden tot de sluiting van een overeenkomst over de lozingsgrenzen overeenkomstig het besluit van de Moezelcommissie van 27 maart 1986. 3. De vaste radioactieve afvalstoffen zullen op het terrein van de centrale worden opgeslagen alvorens te worden overgebracht naar een definitieve opslagplaats, die goedgekeurd is en gecontroleerd wordt door de bevoegde Franse autoriteiten. De bestraalde splijtstofelementen worden eerst op het terrein van de centrale opgeslagen en vervolgens voor opwerking overgebracht naar een installatie die eveneens door de bevoegde Franse autoriteiten goedgekeurd is en gecontroleerd wordt. 4. In geval van ongewilde lozing van radioactieve afvalstoffen als gevolg van een ongeval met een aard en omvang, wat de bronterm betreft, als beschouwd in de algemene gegevens, zijn de doses die de bevolking van een andere Lid-Staat zou kunnen ontvangen uit gezondheidsoogpunt niet significant. Niettemin is de Commissie van oordeel dat in bepaalde ernstigere ongevalssituaties, met lozing in de atmosfeer of in de Maas, de doses voor de bevolking dusdanige waarden zouden kunnen bereiken dat de bevoegde autoriteiten tegenmaatregelen moeten nemen. In dergelijke omstandigheden is het, aangezien de Belgische grens slechts op een afstand van ongeveer 3 km ligt, van groot belang dat er spoedig gecooerdineerde Frans-Belgische rampenplannen ten uitvoer gelegd worden. Aanbevolen wordt dus dat de bestaande bepalingen in het kader van het reeds gestarte overleg tussen de Belgische en Franse autoriteiten worden aangescherpt in die zin dat de betrokken Belgische autoriteiten even uitvoerig en snel als de Franse de benodigde specifieke gegevens voor de voorlichting en bescherming van de bevolking ontvangen. Dergelijke specifieke maatregelen zouden dan een aanvulling vormen op de bestaande bilaterale bepalingen met België, Luxemburg en Duitsland en de bepalingen op communautair niveau (uit hoofde van de beschikking van de Raad van december 1987 betreffende snelle uitwisseling van informatie in geval van stralingsgevaar) en op internationaal niveau (in het kader van het Verdrag van Wenen inzake vroegtijdige kennisgeving, dat door de IAEA wordt beheerd). Concluderend is de Commissie van oordeel dat de tenuitvoerlegging van het plan voor de lozing van radioactieve afvalstoffen van de centrale Chooz B noch in normaal bedrijf, noch in geval van een ongeval met een aard en omvang als beschouwd in de algemene gegevens, een uit gezondheidsoogpunt significante radioactieve besmetting van het water, de bodem of het luchtruim van een andere Lid-Staat ten gevolge zou kunnen hebben. Niettemin verzoekt de Commissie de Franse autoriteiten wat de lozing in normaal bedrijf betreft, opnieuw na te gaan of het Alara-beginsel kan worden toegepast bij het vaststellen van de grenswaarden die in de lozingsvergunningen worden vastgelegd. Bovendien zouden ongewilde lozingen in ernstigere situaties dan de in de algemene gegevens beschouwde kunnen leiden tot een blootstelling op het grondgebied van een andere Lid-Staat die tegenmaatregelen vereist. Voor de tenuitvoerlegging van dergelijke maatregelen moeten specifieke noodprocedures op bilateraal niveau tussen Frankrijk en België ontwikkeld worden. Daarom spoort de Commissie ertoe aan dat het reeds begonnen overleg met België betreffende de lozing van vloeibare afvalstoffen en de noodprocedures wordt voortgezet. Dit advies is gericht tot de Franse Republiek. Voor de Commissie Yannis PALEOKRASSAS Lid van de Commissie