Resolutie van de Raad van 3 december 1992 over de doorzichtigheid van kwalificaties
Publicatieblad Nr. C 049 van 19/02/1993 blz. 0001 - 0003
RESOLUTIE VAN DE RAAD van 3 december 1992 over de doorzichtigheid van kwalificaties DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Overwegende dat, op grond van artikel 3, onder c), van het Verdrag, een van de doelstellingen van de Gemeenschap wordt gevormd door de verwijdering tussen de Lid-Staten van hinderpalen voor het vrije verkeer van individuele werkenden die onderdanen van de Gemeenschap zijn; dat zulks voor de onderdanen van de Lid-Staten met name betekent dat zij als zelfstandige of in loondienst een beroep kunnen uitoefenen in een andere Lid-Staat dan die waarin zij hun beroepskwalificaties of -ervaring hebben verkregen; Overwegende dat in de Resolutie van de Raad van 18 december 1990(1) de Lid-Staten werd verzocht om verslagen over de tenuitvoerlegging van Beschikking 85/368/EEG van de Raad(2) en de verkregen resultaten in te dienen; dat de verslagen van de Lid-Staten thans zijn ingediend en dat daaruit blijkt dat er wordt betwijfeld of de werkzaamheden betreffende de vergelijkbaarheid wel het soort duidelijke informatie betreffende kwalificaties opleveren dat voor de bevordering van het vrije verkeer van werkenden noodzakelijk is; dat er derhalve moet worden gedacht aan een heroriëntering van de werkzaamheden inzake de doorzichtigheid van kwalificaties; Overwegende dat werkgevers en werknemers, in het kader van de sociale dialoog, in hun gemeenschappelijk advies van 3 juli 1992 hebben benadrukt dat de vrijheid om zich van het ene land naar het andere te verplaatsen in het belang is van de werkenden en de bedrijven, en dat de uitwerking van een gezamenlijke aanpak inzake wederzijdse informatie betreffende beroepskwalificaties en getuigschriften alsook inzake doorzichtigheid op Europees niveau, hoge prioriteit heeft; dat zij een evolutieve aanpak in plaats van een van hogerhand opgelegde uniforme regeling voorstaan; dat zij het van belang achten dat er middelen worden gevonden om rekening te houden met relevante vaardigheden en kennis die werkenden zonder officiële studie en getuigschriften hebben verworven; Overwegende dat de kwalificatiesystemen in de Gemeenschap zeer sterk uiteenlopen; dat de meeste werkzoekenden kwalificaties bezitten die door die uiteenlopende systemen zijn verleend; dat de beoordeling door de werkgevers in een bepaalde Lid-Staat van de vaardigheden en kennis van sollicitanten met in een andere Lid-Staat verkregen kwalificaties en werkervaring hierdoor kan worden bemoeilijkt en dat dit in het nadeel van die sollicitanten kan werken; Overwegende dat de toekomstige communautaire werkzaamheden inzake doorzichtigheid van kwalificaties niet in conflict mogen komen met de nationale systemen en de doelmatigheid van de tot dusver genomen communautaire maatregelen moeten verbeteren; dat er rekening moet worden gehouden met de concrete behoeften van personen en werkgevers; dat er eerst moet worden nagegaan welke specifieke informatie op communautair niveau noodzakelijk is en op welke punten de communautaire werkzaamheden moeten worden geconcentreerd, DE RAAD NEEMT DE VOLGENDE RESOLUTIE AAN: 1. WIJST EROP dat in de Resolutie van de Raad van 18 december 1990 betreffende de vergelijkbaarheid van getuigschriften van vakbekwaamheid, de Commissie wordt verzocht voorstellen in te dienen waardoor een daadwerkelijk vrij verkeer van werkenden binnen de Gemeenschap gerealiseerd kan worden. 2. IS HET EENS OVER de volgende doelstellingen: a) een ieder die zulks wenst, in staat stellen om potentiële werkgevers in de gehele Gemeenschap een duidelijk en doelmatig overzicht te geven van zijn beroepskwalificaties, opleiding en werkervaring; b) werkgevers helpen om gemakkelijk toegang te verkrijgen tot duidelijke omschrijvingen van kwalificaties en relevante beroepservaring, ten einde na te gaan of sollicitanten uit andere Lid-Staten voor een bepaalde vacature over de vereiste beroepsbekwaamheid beschikken. 3. IS HET EROVER EENS dat: a) het voor de verwezenlijking van de concrete doelstellingen van punt 2 noodzakelijk is de informatiebehoeften en -kanalen op communautair niveau vast te stellen; b) een aanpak in opeenvolgende fasen noodzakelijk is; een eerste stap is de bepaling van de specifieke informatiebehoeften op communautair niveau, de volgende stap is het uitwerken van een infrastructuur om in die behoeften te voorzien. Een verbetering van het wederzijdse inzicht en vertrouwen in de verschillende kwalificatiesystemen van de Lid-Staten en in de kwalificaties zelf zou kunnen bijdragen tot het succes van het streven om deze doelstellingen te bereiken. 4. IS VAN MENING dat, gezien de nationale evaluatieverslagen en de reacties van de Lid-Staten op het voorbereidende document van de Commissie over de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap, bij de voorstellen ter verwezenlijking van deze doelstellingen de volgende aspecten in aanmerking moeten worden genomen: a) zij moeten de verschillen in de vakopleidings- en kwalificatiesystemen van de Lid-Staten eerbiedigen; b) zij moeten volledig rekening houden met de bestaande communautaire regelgeving en acties en deze aanvullen; c) zij moeten terdege rekening houden met het Eures-systeem in het kader van de ondersteuning van de mobiliteit van personen; d) zij moeten een toegevoegde waarde verlenen aan het werk van personen, van hun vertegenwoordigers en van werkgevers, rendabel zijn en de extra administratieve lasten en kosten op zowel nationaal als communautair niveau beperken tot een minimum; e) zij moeten allereerst gericht zijn op de behoeften van personen die binnen de Gemeenschap mobiel willen zijn en op de beroepen waarvoor die personen kwalificaties bezitten, doch kunnen worden uitgebreid tot alle beroepen; f) zij moeten rekening houden met alle relevante vaardigheden en kennis die werkenden via kwalificaties of in de praktijk hebben verworven; g) zij moeten rekening houden met de noodzaak om persoonsgegevens te beschermen overeenkomstig de nationale praktijken en de communautaire regelgeving; h) zij moeten vrijwillige medewerking van personen en werkgevers mogelijk maken; i) men dient zoveel mogelijk te werk te gaan via de bestaande instanties en autoriteiten die in de Lid-Staten bevoegd zijn op het gebied van kwalificaties en erkenning daarvan, en de rechtstreekse contacten tussen de betrokken instanties te bevorderen; j) nationale praktijken, met inbegrip van door de sociale partners, personen en werkgevers overeengekomen regelingen, moeten geëerbiedigd worden; k) zij mogen slechts betrekking hebben op de uitwisseling van relevante informatie, niet op de controle van die informatie. 5. VERZOEKT de Commissie derhalve haar voorstellen uit te werken met inachtneming van deze resolutie en overeenkomstig de volgende prioriteiten: a) in samenwerking met de Lid-Staten en de sociale partners moet worden vastgesteld welke informatie betreffende kwalificaties en ervaring op communautair niveau noodzakelijk is om de doelstellingen van punt 2 te verwezenlijken. Bij deze maatregelen kan worden nagegaan hoe de uiteenlopende kwalificatieterminologie die in de Lid-Staten wordt gebruikt, kan worden verduidelijkt met het oog op een doelmatiger communicatie; b) in samenwerking met de Lid-Staten en de sociale partners moet worden beoordeeld op welke wijze personen en werkgevers kunnen worden geholpen om de noodzakelijke informatie te verstrekken. In het bijzonder moet erover worden nagedacht of het aanvaardbaar, haalbaar en zinvoller zou zijn dat een ieder die daarom verzoekt de beschikking krijgt over een beknopt overzicht van persoonlijke prestaties (dat "persoonlijk dossier" kan worden genoemd) met een kort verslag van zijn school- en opleidingsprestaties en werkervaring. Zonder vooruit te lopen op het resultaat van een verdere evaluatie van deze voorstellen moeten de haalbaarheidsstudies betrekking hebben op zowel de informatiebronnen als de informatiekanalen op communautair niveau. Voorbeelden: i) de gemeenschappelijke rubricering van de gegevens. Deze kunnen naar gelang het geval worden verstrekt door de betrokkene en de door de Lid-Staten aangewezen bevoegde instanties; ii) de aanwijzing, door de Lid-Staten, van de instanties die bevoegd zijn: om mee te werken aan het verstrekken van het bedoelde overzicht en om alle nodige informatie betreffende de kwalificaties van de respectieve landen te verstrekken; om met de corresponderende instanties in andere Lid-Staten contacten te onderhouden met het oog op de uitwisseling van die gegevens overeenkomstig de behoeften van personen en werkgevers; c) de Lid-Staten moeten worden gestimuleerd om maatregelen te nemen met betrekking tot de uitwisseling van relevante informatie en know-how inzake de kwalificatiesystemen en de kwalificaties zelf, ten einde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van punt 2. 6. In de voorstellen moet tevens de bijzondere bijdrage die het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, gezien zijn deskundigheid ter zake, met betrekking tot de doelstellingen van punt 2 kan leveren, opnieuw worden bezien en gedefinieerd. (1) PB nr. C 109 van 24. 4. 1991, blz. 1. (2) PB nr. L 199 van 31. 7. 1985, blz. 56.