Verordening (EEG) nr. 3068/92 van de Raad van 23 oktober 1992 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van kaliumchloride van oorsprong uit de Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland
Publicatieblad Nr. L 308 van 24/10/1992 blz. 0041 - 0045
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 11 Deel 20 blz. 0034
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 11 Deel 20 blz. 0034
VERORDENING (EEG) Nr. 3068/92 VAN DE RAAD van 23 oktober 1992 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van kaliumchloride van oorsprong uit de Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 11, Gelet op het voorstel van de Commissie, ingediend na overleg in het kader van het in genoemde verordening bedoelde Raadgevend Comité, Overwegende hetgeen volgt: A. VOORLOPIGE MAATREGELEN (1) Bij Verordening (EEG) nr. 1031/92 (2) heeft de Commissie een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld op de invoer in de Gemeenschap van kaliumchloride, van oorsprong uit de Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland. Bij Verordening (EEG) nr. 2442/92 (3) heeft de Raad de geldigheid van dit recht voor een periode van maximum twee maanden verlengd. B. VERDERE PROCEDURE (2) Na instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht hebben de exporteurs in de Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland, de producenten van de Gemeenschap en bepaalde importeurs bij de Commissie een verzoek ingediend om te worden gehoord, hetgeen hun werd toegestaan. Zij hebben hun standpunten eveneens schriftelijk uiteengezet. (3) De mondelinge en schriftelijke verklaringen van partijen zijn onderzocht en waar nodig heeft de Commissie haar conclusies gewijzigd om daarmede rekening te houden. (4) Gezien de complexiteit van de procedure, en in het bijzonder de nauwkeurige verificatie van de talrijke gegevens en argumenten, kon het onderzoek niet binnen de in artikel 7, lid 9, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2423/88 bedoelde termijn worden afgesloten. C. PRODUKT, SOORTGELIJK PRODUKT (5) Het produkt dat het voorwerp van de procedure vormt, is kaliumchloride (KCl), ook wel "potas" genoemd, welk produkt in het algemeen als meststof in de landbouw wordt gebruikt. Uit de tijdens het onderzoek verzamelde gegevens blijkt dat er twee verschillende kwaliteiten kaliumchloride beschikbaar zijn: - de zogenaamde standaardkwaliteit (poedervorm) of - de korrelkwaliteit (in de vorm van korrels). Zoals werd uiteengezet in de overwegingen (8) tot en met (10) van Verordening (EEG) nr. 1031/92 kan iedere kwaliteit verschillende kaliumgehalten hebben die in gewichtsprocenten kaliumoxyde (K2O) van het watervrije produkt in droge toestand zijn uitgedrukt. Er bestaan dus voor iedere kwaliteit drie verschillende soorten die met drie kaliumgehalten overeenkomen: - een K2O-gehalte van minder of gelijk aan 40 gewichtsprocenten, - een K2O-gehalte tussen 40 en 62 gewichtsprocenten, en - een K2O-gehalte van meer dan 62 gewichtsprocenten. Deze drie soorten stemmen respectievelijk met de volgende GN-codes overeen: 3104 20 10, 3104 20 50, 3104 20 90. (6) Voor de voorlopige bevindingen werd het produkt met een gehalte van meer dan 62 gewichtsprocenten K2O niet in aanmerking genomen om de in overweging (10) van Verordening (EEG) nr. 1031/92 uiteengezette redenen. Na de, op de publikatie van de verordening tot instelling van het voorlopige recht gevolgde hoorzittingen stelde de Commissie voor om voor haar definitieve conclusies het produkt met een gehalte van meer dan 62 gewichtsprocenten K2O in aanmerking te nemen. Uit de verschillende gegevens is namelijk gebleken dat kaliumchloride met dit gehalte, hoewel het meestal in de farmaceutische nijverheid of in de industrie wordt gebruikt, fysieke en chemische hoedanigheden vertoont die met die van kaliumchloride met een lager K2O-gehalte zeer sterk overeenkomen en dus laatstbedoeld produkt zou kunnen vervangen. De Commissie beschouwt derhalve de verschillende soorten kaliumchloride als één en hetzelfde produkt. Er moet evenwel op worden gewezen dat, vermoedelijk hoofdzakelijk om technische en economische redenen, er voor het hoogste gehalte aan K2O geen korrelkwaliteit bestaat. Derhalve hoeft voor het produkt met een gehalte van meer dan 62 gewichtsprocenten K2O geen onderscheid te worden gemaakt tussen korrel- en standaardkwaliteit. De Raad bevestigt deze conclusies. D. DUMPING a) Normale waarde (7) Rekening houdend met het feit dat de Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland nog steeds als landen zonder markteconomie worden beschouwd, diende de normale waarde te worden vastgesteld op basis van artikel 2, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 2423/88. Aangezien niemand de keuze van Canada, de tweede grootste wereldproducent, welk land als referentieland werd voorgesteld, heeft betwist, werd de normale waarde dus vastgesteld op basis van de prijzen voor de korrelkwaliteit op de binnenlandse markt van Canada en op basis van de prijzen voor de standaardkwaliteit op de binnenlandse markt van de Verenigde Staten en Canada; laatstgenoemde kwaliteit werd in Canada in ontoereikende hoeveelheden verkocht en deze hoeveelheden vormden, vergeleken met de invoer in de Gemeenschap van oorsprong uit de landen van de voormalige Sowjetunie, geen representatieve basis. (8) Aangezien de produktiekosten van de mijnbouwonderneming die aan het onderzoek heeft medegewerkt, hoger lagen dan de prijzen op de binnenlandse markten van Canada en de Verenigde Staten hebben de producenten van de Gemeenschap om vaststelling van de normale waarde op basis van de produktiekosten van die onderneming verzocht. Tijdens haar onderzoek heeft de Commissie zich evenwel ervan vergewist dat de prijzen op de binnenlandse markten van Canada en van de Verenigde Staten andere producenten in staat stelden in het kader van normale handelstransacties winst te boeken. Toen bleek dat de betrokken mijnbouwonderneming tengevolge van de bijzondere situatie van deze mijnstreek in Canada en van het vrij recente in produktie komen van haar mijn met tijdelijke en buitengewone kosten te kampen had. Deze kosten laten drukken op de uitvoer van de voormalige Sowjetunie zou onredelijk en in strijd met artikel 2, lid 5, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2423/88 zijn geweest. Vaststelling van de normale waarde op basis van het niveau van de prijzen die op de concurrerende markten van Canada en van de Verenigde Staten worden gehanteerd, is dus een redelijke en gepaste methode. De Raad bevestigt deze conclusies van de Commissie alsmede die in de overwegingen (13) en (16) van Verordening (EEG) nr. 1031/92. b) Prijzen bij uitvoer (9) De prijzen bij uitvoer van door de producenten van de voormalige Sowjetunie uitgevoerde kaliumchloride werden vastgesteld op de wijze die in de overwegingen (17) tot en met (20) van Verordening (EEG) nr. 1031/92 is aangegeven en overeenkomstig artikel 2, lid 8, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2423/88. c) Vergelijking (10) De vergelijking tussen de normale waarde en de prijzen bij uitvoer gebeurde op transactie-per-transactie-basis en op het niveau af mijn. (11) Voor de aftrek van de kosten voor het zeevervoer hebben bepaalde importeurs een aanpassing bepleit. Zij wezen erop dat zij voor het vervoer tussen de havens van de voormalige Sowjetunie en de Gemeenschap tegen lagere tarieven (dit wil zeggen dan die welke door andere maatschappijen werden toegepast) van schepen van oorsprong uit de voormalige Sowjetunie gebruik maakten. De kosten die door de Commissie in aanmerking werden genomen, zijn die welke werkelijk door de voornaamste importeur werden betaald. Op deze basis heeft de Commissie de kosten voor het zeevervoer opnieuw berekend hetgeen een lager resultaat opleverde dan het bedrag voor het zeevervoer dat in Verordening (EEG) nr. 1031/92 is vastgesteld. (12) In verband met de kosten voor vervoer over land tussen de mijnen en de havens van de voormalige Sowjetunie die op basis van de vervoerkosten tussen mijnen en havens in Canada werden berekend, zoals in overweging (20) van Verordening (EEG) nr. 1031/92 is aangegeven, heeft een importeur aangevoerd dat één van de drie produktiecentra (de mijn van Biéloruskali) dichter bij de haven lag en dat hiermee rekening diende te worden gehouden. Na onderzoek van dit argument is gebleken dat geen enkel element in het dossier van de procedure, noch in de antwoorden van de importeurs, noch in die van de exporteurs bij de potas van oorsprong uit de voormalige Sowjetunie die in de Gemeenschap was ingevoerd, een aanwijzing bood waar deze vandaan kwam en welk gedeelte bijgevolg van het dichtstbijzijnde produktiecentrum afkomstig was. Derhalve heeft de Commissie het redelijk en passend geacht ervan uit te gaan dat ieder produktiecentrum in gelijke mate tot de uitvoer van kaliumchloride naar de Gemeenschap bijdroeg. De kosten voor het vervoer van kaliumchloride van de fabrieken naar de havens van de voormalige Sowjetunie werden derhalve vastgesteld op basis van de vervoerkosten in Canada waarbij evenwel met de afstand van elk van de produktieplaatsen in de voormalige Sowjetunie tot de havens rekening werd gehouden. (13) De exporteurs alsmede enkele importeurs voerden aan dat een verschil in kwaliteit van de produkten alsmede behandelingen tegen het aaneenkoeken die, naar zij stelden, voor bepaalde eindtoepassingen noodzakelijk zouden zijn, factoren waren om de prijzen van de produkten van oorsprong uit de voormalige Sowjetunie naar beneden aan te passen. Rekening houdend met de zeer sterke overeenkomst tussen de chemische hoedanigheden van kaliumchloride van oorsprong uit, respectievelijk, Canada, de landen van de voormalige Sowjetunie en de Gemeenschap, heeft de Commissie dit argument in verband met de kwaliteit van het produkt buiten beschouwing moeten laten. Wat de behandeling om samenkoeken te voorkomen betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat er tussen de fabricageprocédés geen enkel verschil bestond en dat aan de hand van het onderzoek niet kon worden aangetoond dat de kaliumchloride van oorsprong uit de landen van de voormalige Sowjetunie vergeleken met kaliumchloride uit andere landen aan deze of gene specifieke behandeling diende te worden onderworpen ten einde deze voor gebruik ervan geschikt te maken; bijgevolg kan geen enkele aanpassing worden toegestaan. (14) Uit de vaststellingen van de Commissie blijkt evenwel dat kaliumchloride van oorsprong uit de landen van de voormalige Sowjetunie, wat de afmetingen van de kristallen ervan betreft, niet steeds volledig met het produkt van oorsprong uit de Gemeenschap, respectievelijk Canada, overeenkomt. Bovendien hebben de exporteurs en sommige importeurs gewezen op een beperktere betrouwbaarheid bij leveringen of vervoer van kaliumchloride van oorsprong uit de voormalige Sowjetunie. Hoewel deze elementen de wezenlijke hoedanigheden van dit produkt niet beïnvloeden, rechtvaardigen zij toch een aanpassing van 2 % die door de Commissie redelijk wordt geacht gezien de wijze waarop kaliumchloride van oorsprong uit de voormalige Sowjetunie bij de consumenten in de markt ligt. De Raad bevestigt deze conclusies. E. DUMPINGMARGE (15) Uit het uiteindelijke onderzoek van de gegevens is gebleken dat kaliumchloride van oorsprong uit de Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland met dumping was ingevoerd. De dumpingmarge is gelijk aan het verschil tussen de normale waarde en de prijs bij uitvoer. Rekening houdend met het feit dat de exporteurs die aan het onderzoek hebben medegewerkt, door één enkele staatsorganisatie werden vertegenwoordigd, werd voor alle exporteurs één enkele dumpingmarge vastgesteld. Op deze basis werd de gewogen gemiddelde dumpingmarge op 24 % van de totale cif-waarde van de betrokken uitvoer gesteld. De Raad bevestigt deze conclusies. F. SCHADE (16) De Commissie heeft er in haar voorlopige conclusies op gewezen dat de produktie van de Gemeenschap belangrijke schade had geleden (overwegingen (24) tot en met (33) van Verordening (EEG) nr. 1031/92). Ter zake werd geen enkel nieuw argument verschaft. De Raad bevestigt dat de produktie van de Gemeenschap belangrijke schade heeft geleden. G. OORZAKELIJK VERBAND TUSSEN SCHADE EN DUMPING (17) In de overwegingen (34) tot en met (37) van Verordening (EEG) nr. 1031/92 heeft de Commissie opgemerkt dat de toename van de invoer van kaliumchloride van oorsprong uit de landen van de voormalige Sowjetunie tegen lagere prijzen samenviel met stijgende verliezen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Alle betrokken partijen hebben erkend dat de kaliumchloridemarkt een doorzichtige, voor de evolutie van de prijzen zeer gevoelige markt was. Bijgevolg blijkt duidelijk dat de invoer van kaliumchloride van oorsprong uit de voormalige Sowjetunie tegen lagere prijzen dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap deze bedrijfstak schade heeft berokkend. Wat andere factoren betreft, is het niet uitgesloten dat de invoer uit andere landen weerslag op de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft gehad, maar de Commissie heeft eventuele negatieve gevolgen van deze invoer los gezien van de schade die teweeg is gebracht door de invoer die in onderhavige procedure wordt behandeld. De ingevoerde hoeveelheden waren namelijk betrekkelijk klein en geen enkele prijsonderbieding werd vastgesteld. Bovendien is de Commissie zich ervan bewust dat de vraag naar kaliumchloride de laatste jaren is gedaald; de gevolgen van deze factor werden evenwel los gezien van de schade die door de invoer uit de voormalige Sowjetunie teweeg werd gebracht. De schade kwam immers hoofdzakelijk tot uiting in grotere verliezen. De Commissie heeft voorts tijdens het onderzoek geen enkel element ontdekt dat erop wijst of erop zou kunnen wijzen dat het bedrijfsbeheer van de producenten van de Gemeenschap tot de belangrijke schade zou hebben kunnen bijdragen. (18) Om al deze redenen alsmede om die welke in de overwegingen (34) tot en met (37) van Verordening (EEG) nr. 1031/92 zijn genoemd, bevestigt de Raad dat de invoer met dumping van kaliumchloride van oorsprong uit de Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland op zichzelf beschouwd belangrijke schade aan de produktie van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft toegebracht. H. RECHT (19) De Commissie heeft het recht dat nodig is om de schade op te heffen, opnieuw berekend op basis van de methode die in overweging (38) van Verordening (EEG) nr. 1031/92 is uiteengezet. Tegen deze methode werd geen enkel bezwaar gemaakt en de Raad bevestigt dat het definitieve recht gelijk zou moeten zijn aan de dumpingmarge. Wat de vorm van het recht betreft, oordeelt de Commissie voorts dat, gezien de bewegingsvrijheid van de exporteurs in landen die nog geen markteconomie hebben en rekening houdend met de gevolgen van een, weliswaar lichte, prijsonderbieding voor de gehele kaliumchloridemarkt, een recht in de vorm van een vast bedrag of een ad valorem-recht de opheffing van de schadelijke gevolgen die door de dumping teweeg worden gebracht, niet zou garanderen. Aangezien ter zake geen enkel nieuw argument werd ontvouwd, besloot de Commissie een anti-dumpingrecht in de vorm van een minimumprijs vast te stellen. (20) Aangezien de waarde van de produkten hoofdzakelijk met het K2O-gehalte verband houdt, zou de minimumprijs bij wijze van definitieve maatregel en voor elk van de drie soorten en voor de standaard- en de korrelkwaliteit ervan, volgens de in overweging (40) van de verordening tot instelling van het voorlopige recht beschreven methode moeten worden berekend. De Raad bevestigt deze conclusies. I. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP (21) Geen enkele partij heeft de Commissie andere gegevens verstrekt of haar argumenten in verband met het belang van de Gemeenschap verschaft. De Raad bevestigt bijgevolg de conclusies van de Commissie in de overwegingen (41) tot en met (48) van Verordening (EEG) nr. 1031/92, die erop neerkomen dat het in het belang van de Gemeenschap is om door middel van anti-dumpingmaatregelen de schadelijke gevolgen op te heffen van de dumping die door de invoer uit de Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland is teweeggebracht en bijgevolg de verdere daling van de produktie van de Gemeenschap te beletten zonder evenwel bedoelde exporteurs de toegang tot de communautaire markt te ontzeggen. J. VERBINTENIS (22) De producenten en exporteurs van de Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland hebben een prijsverbintenis aangeboden. Zij beperken zich evenwel tot een principiële verbintenis waarbij van een concreet prijsniveau geen sprake was. De Commissie heeft geoordeeld dat een gewone principiële verbintenis niet aanvaardbaar was en heeft de betrokken exporteurs van dit besluit alsmede van de daartoe geleid hebbende redenen op de hoogte gebracht. K. INNING VAN DE VOORLOPIGE RECHTEN (23) Gezien de vastgestelde dumpingmarges en de belangrijke schade die aan de bedrijfstak van de Gemeenschap is toegebracht, acht de Raad het noodzakelijk dat de bedragen die als voorlopig anti-dumpingrecht werden geïnd, ten belope van het bedrag van het definitief ingestelde recht, definitief worden geïnd, terwijl de bedragen die boven dit bedrag liggen, dienen te worden vrijgegeven, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Op de invoer van kaliumchloride (KCl), van oorsprong uit de Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland, van de GN-codes 3104 20 10, 3104 20 50 en 3104 20 90, wordt een definitief anti-dumpingrecht geheven. Het bedrag van het recht is gelijk aan het verschil tussen de hierna vermelde minimumprijzen en de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard: - kaliumchloride met een K2O-gehalte minder dan of gelijk aan 40 gewichtsprocenten: - voor de standaardkwaliteit 57,95 ecu/mt KCl (Taric-code 3104 20 10*10), - voor de korrelkwaliteit 65,76 ecu/mt KCl (Taric-code 3104 20 10*20); - kaliumchloride met een K2O-gehalte van meer dan 40 en ten hoogste 62 gewichtsprocenten: - voor de standaardkwaliteit 86,93 ecu/mt KCl (Taric-code 3104 20 50*10), - voor de korrelkwaliteit 98,65 ecu/mt KCl (Taric-code 3104 20 50*20); - kaliumchloride met een K2O-gehalte van meer dan 62 gewichtsprocenten 133,87 ecu/mt KCl. 2. De ter zake van douanerechten geldende bepalingen zijn van toepassing. Artikel 2 De bedragen die uit hoofde van het bij Verordening (EEG) nr. 1031/92 ingestelde voorlopige anti-dumpingrecht als waarborg zijn gesteld, worden definitief geïnd ten belope van de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van het bij artikel 1, lid 1, ingestelde definitieve recht. De als waarborg gestelde bedragen die deze bedragen overschrijden, worden vrijgegeven. Artikel 3 Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 23 oktober 1992. Voor de Raad De Voorzitter J. COPE (1) PB nr. L 209 van 2. 8. 1988, blz. 1. (2) PB nr. L 110 van 28. 4. 1992, blz. 5. (3) PB nr. L 243 van 25. 8. 1992, blz. 1.