31992R2158

Verordening (EEG) nr. 2158/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de bescherming van de bossen in de Gemeenschap tegen brand

Publicatieblad Nr. L 217 van 31/07/1992 blz. 0003 - 0007
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 44 blz. 0003
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 44 blz. 0003


VERORDENING (EEG) Nr. 2158/92 VAN DE RAAD van 23 juli 1992 betreffende de bescherming van de bossen in de Gemeenschap tegen brand

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 43 en 130 S,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat bossen van essentiële betekenis zijn voor de handhaving van het fundamentele evenwicht in met name de bodem, de waterhuishouding, het klimaat en de flora en fauna;

Overwegende dat bossen derhalve bijdragen tot het behoud en de ontwikkeling van landbouw en platteland, die voor hun voortbestaan sterk afhankelijk kunnen zijn van de aanwezigheid en de goede conditie van nabijgelegen bossen;

Overwegende dat vooral in het zuiden van de Gemeenschap de bossen deze functies moeilijker kunnen vervullen als gevolg van bosbranden die jaarlijks grote oppervlakten bos teisteren;

Overwegende dat de bescherming van de bossen tegen brand voor de Gemeenschap een bijzonder belangrijke en urgente zaak is en dat de Gemeenschap een grotere bijdrage dient te leveren aan de activiteiten die de Lid-Staten ontplooien om deze bescherming te verbeteren;

Overwegende dat, om het aantal branden en de omvang van de verbrande oppervlakten te verminderen, de communautaire bijdrage moet worden toegespitst op bestrijding van de oorzaken van bosbranden, op maatregelen ter voorkoming van deze branden en op maatregelen voor de bewaking van de bossen;

Overwegende dat de bijdrage van de Gemeenschap bij voorrang die gebieden ten goede moet komen waar voortdurend of in bepaalde perioden van het jaar brandgevaar dreigt; dat het derhalve dienstig is het grondgebied van de Gemeenschap in te delen naar de brandgevaarlijkheid van de bossen en de bijdrage van de Gemeenschap te differentiëren volgens het risico dat de onderscheiden gebieden lopen;

Overwegende dat de Gemeenschap met name voor de zeer brandgevaarlijke gebieden moet bijdragen tot de uitvoering van geïntegreerde plannen voor de bescherming van de bossen tegen brand, die zowel het wegnemen van de oorzaken als de invoering en verbetering van preventie- en bewakingssystemen dienen te betreffen;

Overwegende dat databanken in de Lid-Staten en voor de hele Gemeenschap van groot nut kunnen zijn voor de verbetering van de bescherming van de bossen tegen brand;

Overwegende dat ter vergemakkelijking van de beoogde activiteiten een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie tot stand dient te worden gebracht; dat het Permanent Comité voor de bosbouw voor deze samenwerking kan zorgen;

Overwegende dat er reden is om voor de toepassing van deze verordening een programma met een looptijd van vijf jaar vast te stellen;

Overwegende dat voor de uitvoering van dit meerjarenprogramma een bedrag van 70 miljoen ecu noodzakelijk wordt geacht; dat het noodzakelijk geachte bedrag voor 1992 in het kader van de huidige financiële vooruitzichten 12 miljoen ecu bedraagt;

Overwegende dat de bedragen die voor de financiering van het programma moeten worden vastgelegd voor de periode na het begrotingsjaar 1992, moeten worden ingepast in het geldende communautaire financiële kader,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Om de bossen beter te beschermen en met name de activiteiten te bevorderen die worden ontplooid op het gebied van de instandhouding en bewaking van de bosecosystemen en de veiligstelling van de diverse functies die de bossen ten bate van de plattelandsgebieden vervullen, wordt een communautaire actie ondernomen ter bescherming van de bossen tegen brand, hierna "actie" genoemd.

2. Doel van de actie is te bereiken dat:

- er minder bosbranden uitbreken,

- de verbrande oppervlakten afnemen.

3. De actie omvat:

a) maatregelen om na te gaan wat de oorzaken van bosbranden zijn en met name met welke middelen deze oorzaken kunnen worden bestreden, en in het bijzonder:

- onderzoek naar de oorzaken van branden en naar de omstandigheden die tot deze oorzaken leiden;

- studies betreffende voorstellen voor maatregelen om deze oorzaken en de omstandigheden die ertoe leiden weg te nemen;

- voorlichtings- en bewustmakingscampagnes;

b) maatregelen om preventiesystemen op te zetten of te verbeteren, en met name de aanleg van beschermingsinfrastructuur zoals verharde en onverharde boswegen, bluswatervoorzieningen en brandgangen, -stroken en -singels, het op gang brengen van onderhoud aan brandgangen, -stroken en -singels, alsmede preventie bosbouwhandelingen, een en ander in het kader van een alomvattende strategie voor de bescherming van boscomplexen tegen brand;

c) maatregelen om systemen van bosbewaking, ook met een afschrikkingseffect, op te zetten of te verbeteren en met name de installatie van vaste of verplaatsbare voorzieningen voor bewaking en de aanschaf van communicatieapparatuur;

d) begeleidende maatregelen, en met name:

- de opleiding van sterk gespecialiseerd personeel;

- de uitvoering van analytische studies en van op vergroting van de efficiëntie van de actie gerichte model- en demonstratieprojecten betreffende nieuwe methoden, technieken en technologieën.

Artikel 2

1. De Lid-Staten delen hun grondgebied in naar de brandgevaarlijkheid van de bossen. De gebieden die aldus in een klasse van brandgevaarlijkheid worden ondergebracht, moeten in de regel samenvallen met een administratief gebied op ten minste het niveau NUTS III.

2. Bij de zeer brandgevaarlijke gebieden kunnen uitsluitend gebieden worden ingedeeld waar het permanente of cyclische gevaar voor bosbrand een ernstige bedreiging voor het ecologisch evenwicht of voor de veiligheid van personen en goederen vormt of bijdraagt tot een snellere woestijnvorming in plattelandsgebieden.

Bij de zeer brandgevaarlijke gebieden kunnen slechts gebieden worden ingedeeld die zijn gelegen:

- in Portugal;

- in Spanje;

- in Frankrijk: in de regio's Aquitaine, Midi-Pyrénées, Corsica, Languedoc-Roussillon en Provence-Alpes-Côte d'Azur en de departementen Ardèche en Drôme;

- in Italië: in de Mezzogiorno, Lazio, Toscane, Ligurië, Umbrië, Marche, Emilia Romagna, de provincies Cuneo en Alessandria in Piemonte, de provincie Pavia in Lombardije en de beboste berggebieden in het noorden van het land;

- in Griekenland.

Op met redenen omkleed verzoek van een Lid-Staat kunnen ook gebieden in andere dan de bovengenoemde communautaire regio's als zeer brandgevaarlijk gebied worden erkend.

3. Bij de middelmatig brandgevaarlijke gebieden kunnen die gebieden worden ingedeeld waar het gevaar voor bosbrand weliswaar geen permanent of cyclisch karakter draagt, maar toch een niet te onderschatten bedreiging voor de bosecosystemen vormt.

4. De overige communautaire gebieden worden als minder brandgevaarlijk beschouwd.

5. Binnen zes maanden, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, dienen de Lid-Staten de lijst van de naar klasse van brandgevaarlijkheid ingedeelde gebieden bij de Commissie in.

De Commissie beslist over de goedkeuring van de lijsten volgens de procedure van artikel 9.

Artikel 3

1. Voor de regio's die in de klassen zeer en middelmatig brandgevaarlijk zijn ondergebracht doen de Lid-Staten plannen voor de bescherming van de bossen tegen brand aan de Commissie toekomen; daarbij geven zij tevens aan welke maatregelen voor de bescherming van bossen tegen brand reeds met een financiële bijdrage van de Gemeenschap zijn uitgevoerd en hoe de relatieve doeltreffendheid van de verschillende soorten maatregelen beoordeeld is.

2. Voor de bij de klasse zeer brandgevaarlijk ingedeelde gebieden moeten de plannen de volgende gegevens bevatten:

a) de stand van zaken in het betrokken gebied of deelgebied ten aanzien van het bestaande preventie- en bewakingssysteem en de beschikbare middelen voor brandbestrijding, met inbegrip van een beschrijving van de methoden en technieken die voor de bescherming van de bossen tegen brand worden gebruikt;

b) een overzicht van de branden die in de afgelopen vijf jaren zijn voorgekomen, met inbegrip van een beschrijving en een analyse van de voornaamste geconstateerde oorzaken;

c) aan het einde van de looptijd van het plan te bereiken doelstellingen ten aanzien van:

- het wegnemen of beperken van de voornaamste oorzaken,

- de verbetering van de preventie- en bewakingssystemen,

- de verbetering van de systemen voor brandbestrijding;

d) een beschrijving van de maatregelen die worden overwogen om de doelstellingen te bereiken;

e) de partners die bij de bescherming van de bossen tegen brand zijn betrokken en de wijze waarop de activiteiten van deze partners worden gecooerdineerd.

3. Voor de bij de klasse middelmatig brandgevaarlijk ingedeelde gebieden moeten de plannen ten minste de volgende gegevens bevatten:

a) de stand van zaken in het betrokken gebied of deelgebied ten aanzien van het bestaande preventie- en bewakingssysteem, met inbegrip van een beschrijving van de methoden en technieken die voor de bescherming tegen brand worden gebruikt;

b) aan het einde van de looptijd van het plan te bereiken doelstellingen ten aanzien van:

- het wegnemen of beperken van de voornaamste oorzaken,

- de verbetering van de preventie- en bewakingssystemen;

c) een beschrijving van de maatregelen die worden overwogen om de doelstellingen te bereiken;

d) de partners die bij de bescherming van de bossen tegen brand zijn betrokken en de wijze waarop de activiteiten van deze partners worden gecooerdineerd.

4. Binnen drie maanden nadat de plannen voor de bescherming van de bossen tegen brand bij de Commissie zijn ingediend, brengt deze, na raadpleging van het bij Besluit 89/367/EEG (4) ingestelde Permanent Comité voor de bosbouw, advies uit over deze plannen.

5. Met ingang van 1 januari 1993 is voor bosbouwmaatregelen in de gebieden die bij de klassen zeer en middelmatig brandgevaarlijk zijn ingedeeld, financiering in het kader van de communautaire acties nog slechts mogelijk op voorwaarde dat plannen voor de bescherming van de bossen tegen brand zijn vastgesteld en dat deze maatregelen in overeenstemming met die plannen worden uitgevoerd.

Artikel 4

1. Elk jaar leggen de Lid-Staten vóór 1 november hun projecten of programma's ter verbetering van de bescherming van de bossen tegen brand aan de Commissie voor.

2. De projecten en programma's kunnen betrekking hebben op:

- maatregelen als bedoeld in artikel 1, lid 3, onder a) tot en met d), wat de bij de klasse zeer brandgevaarlijk ingedeelde gebieden betreft;

- maatregelen als bedoeld in artikel 1, lid 3, onder b) en d), en voorlichtings- en bewustmakingscampagnes wat de bij de klasse middelmatig brandgevaarlijk ingedeelde gebieden betreft.

3. Vanaf 1 november 1992 kunnen nog slechts projecten en programma's worden ingediend die passen in plannen als bedoeld in artikel 3 waarover de Commissie een gunstig advies heeft uitgebracht.

Vanaf 1 november 1992 wordt prioriteit toegekend aan de programma's.

4. De bepalingen ter uitvoering van lid 1 worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 9.

5. In de programma's die meerdere doelstellingen behelzen, dient de kostenverdeling over de verschillende overwogen beschermingsmaatregelen te worden vermeld.

Artikel 5

1. De Commissie zorgt voor cooerdinatie van en voortgangscontrole op de in deze verordening vervatte actie ter bescherming van de bossen tegen brand. Zij kan in het bijzonder een beroep doen op onderzoekinstellingen en wetenschappelijke of technische adviseurs.

2. De cooerdinatie en voortgangscontrole hebben voorts betrekking op een communautaire bijdrage om de Lid-Staten te helpen bij het opzetten van een informatiesysteem betreffende bosbranden dat tot doel heeft:

- de uitwisseling van informatie over bosbranden te bevorderen;

- voortdurend het effect te beoordelen van de activiteiten die de Lid-Staten en de Commissie op het gebied van de bescherming van de bossen tegen brand ontplooien;

- conclusies te trekken over de brandgevaarlijke perioden, de mate van brandgevaarlijkheid en de oorzaken van brandgevaar;

- strategieën te ontwikkelen voor de bescherming van de bossen tegen brand en met name voor het wegnemen of beperken van de oorzaken.

3. De uitvoeringsbepalingen van lid 2 worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 9. Zij hebben met name betrekking op de aard, de vergelijkbaarheid en het verzamelen van de informatie, alsmede op de toegankelijkheid van de verzamelde informatie.

4. De Lid-Staten kunnen het verzamelen van de informatie beperken tot de gebieden die zijn ingedeeld bij de klassen zeer en middelmatig brandgevaarlijk.

5. Met het oog op de voorbereiding van de in lid 2 bedoelde informatiesystemen kan de Commissie modelprojecten financieren die in de eerste plaats betrekking hebben op de haalbaarheid van de verschillende doelstellingen welke met het systeem worden nagestreefd. De projecten worden opgesteld in overleg met de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten.

Artikel 6

1. De Commissie neemt een besluit over de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de door de Lid-Staten ingediende projecten en programma's als omschreven in artikel 4. Het besluit over de toekenning van de financiële bijstand wordt genomen na raadpleging van het Permanent Comité voor de bosbouw.

2. De financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de maatregelen als bedoeld in artikel 1, lid 3, onder a) tot en met d), bedraagt:

- ten hoogste 50 % van de door de Commissie goedgekeurde uitgaven voor de gebieden die zijn ingedeeld bij de klasse zeer brandgevaarlijk;

- ten hoogste 30 % van de door de Commissie goedgekeurde uitgaven voor de gebieden die zijn ingedeeld bij de klasse middelmatig brandgevaarlijk.

3. De uitgaven voor cooerdinatie als bedoeld in artikel 5, lid 1, komen ten laste van de Gemeenschap. De financiële bijdrage van de Gemeenschap in de uitgaven van de Lid-Staten voor het opzetten van het informatiesysteem als bedoeld in artikel 5, lid 2, bedraagt evenwel:

- ten hoogste 50 % voor de werkzaamheden betreffende gebieden die zijn ingedeeld bij de klasse zeer brandgevaarlijk;

- ten hoogste 30 % voor de werkzaamheden betreffende gebieden die zijn ingedeeld bij de klasse middelmatig brandgevaarlijk;

- ten hoogste 15 % voor de werkzaamheden betreffende andere gebieden.

4. Projecten en programma's ter bescherming van de bossen tegen brand die reeds gefinancierd worden uit hoofde van een ander communautair financieel instrument komen niet in aanmerking voor financiële bijstand uit hoofde van deze verordening.

Artikel 7

De Lid-Staten wijzen de diensten en instellingen aan die bevoegd zijn de krachtens deze verordening genomen maatregelen uit te voeren, alsmede de diensten en instellingen waaraan de Commissiediensten de bedragen die overeenkomen met de financiële bijdrage van de Gemeenschap, vergoeden.

Artikel 8

De Lid-Staten treffen overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen de nodige maatregelen om:

- de feitelijke uitvoering en de rechtmatigheid van de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen na te gaan,

- onregelmatigheden te voorkomen,

- de als gevolg van onregelmatigheid of onachtzaamheid verloren gegane bedragen terug te vorderen.

De Lid-Staten stellen alle voor de toepassing van de eerste alinea noodzakelijke gegevens ter beschikking van de Commissie en nemen alle maatregelen om de controles, ook die ter plaatse, die de Commissie in het kader van het beheer van de communautaire financiële middelen dienstig mocht achten, te vergemakkelijken. De Lid-Staten stellen de Commissie van de daartoe getroffen maatregelen in kennis.

Artikel 9

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het Permanent Comité voor de bosbouw deze procedure bij dit Comité in, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt aan het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen, die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies wordt uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad na verloop van een termijn van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld en onmiddellijk ten uitvoer gelegd.

Artikel 10

1. De actie heeft een looptijd van vijf jaar, ingaande op 1 januari 1992.

2. Het voor de uitvoering van de actie noodzakelijk geachte bedrag aan communautaire financiële middelen beloopt 70 miljoen ecu, waarvan 12 miljoen ecu voor 1992 in het kader van de financiële vooruitzichten 1988-1992.

Voor de verdere toepassingsperiode van het programma moet het bedrag in het geldende communautaire financiële kader worden ingepast.

De begrotingsautoriteit stelt de voor elk begrotingsjaar beschikbare kredieten vast, rekening houdend met de beginselen van goed beheer bedoeld in artikel 2 van het Financieel Reglement van 21 december 1977 van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (5).

3. Vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde periode wordt deze verordening, op voorstel van de Commissie en aan de hand van een verslag over het door deze verordening bestreken terrein, aangevuld met name met informatie inzake de beoordeling van de doeltreffendheid van de maatregelen als omschreven in artikel 5, lid 2, door de Raad opnieuw bezien.

Artikel 11

Verordening (EEG) nr. 3529/86 van de Raad van 17 november 1986 betreffende de bescherming van de bossen in de Gemeenschap tegen brand (6) blijft van toepassing op de projecten en programma's die vóór 1 januari 1992 zijn ingediend.

Artikel 12

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 1992. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 1992. Voor de Raad

De Voorzitter

John COPE

(1) PB nr. C 312 van 3. 12. 1991, blz. 7. (2) Advies uitgebracht op 10 juli 1992 (nog niet verschenen in het Publikatieblad). (3) PB nr. C 106 van 27. 4. 1992, blz. 1. (4) PB nr. L 165 van 15. 6. 1989, blz. 14. (5) PB nr. L 356 van 31. 12. 1977, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 610/90 (PB nr. L 70 van 16. 3. 1990, blz 1). (6) PB nr. L 326 van 21. 11. 1986, blz. 5. Verordening gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1614/89 (PB nr. L 165 van 15. 6. 1989, blz. 10).