31992R2079

Verordening (EEG) nr. 2079/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector

Publicatieblad Nr. L 215 van 30/07/1992 blz. 0091 - 0095
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 43 blz. 0229
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 43 blz. 0229


VERORDENING (EEG) Nr. 2079/92 VAN DE RAAD van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 42 en 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat, gezien de vooruitzichten op middellange en lange termijn voor de landbouw in de Gemeenschap, en als gevolg van de hervorming van de marktondersteuningsregeling, van de landbouwbedrijfshoofden een nog grotere aanpassing wordt gevergd dan voorheen;

Overwegende dat vervroegde bedrijfsbeëindiging in de landbouw moet worden bevorderd om de levensvatbaarheid van de landbouwbedrijven te vergroten;

Overwegende dat een steunregeling voor vervroegde uittredig ertoe kan bijdragen dat aan oudere bedrijfshoofden die tot beëindiging van hun landbouwactiviteit besluiten een inkomen kan worden verschaft, dat deze oudere bedrijfshoofden worden vervangen door landbouwers die in staat zijn de levensvatbaarheid van de overblijvende bedrijven te verbeteren en dat, wanneer er geen landbouwers zijn die de bedrijven voldoende levensvatbaar kunnen maken, de landbouwgrond een niet-agrarische bestemming krijgt;

Overwegende dat het verdwijnen van bedrijven waarop oudere meewerkende gezinsleden of oudere agrarische werknemers werkzaam zijn, tot gevolg kan hebben dat de betrokkenen hun werk en hun inkomen verliezen; dat derhalve ook aan deze personen een inkomen moet worden verschaft;

Overwegende dat, om de maatregel doeltreffend te maken, een regeling moet worden getroffen voor de overdracht en vergroting van landbouwbedrijven en de bestemming van landbouwgrond voor niet-agrarische doeleinden, zulks met inachtneming van een rationeel gebruik van het platteland; dat de Lid-Staten dit doel kunnen bereiken door hun bestaande diensten van de nodige middelen te voorzien of door nieuwe diensten in het leven te roepen;

Overwegende dat, gelet op de verschillen qua oorzaak, aard en omvang van de structuurproblemen in de landbouw, oplossingen nodig kunnen zijn die naar gebied verschillen en die in de loop van de tijd kunnen worden aangepast; dat de algemene sociaal-economische ontwikkeling van elk betrokken gebied dient te worden bevorderd; dat een optimaal effect kan worden bereikt als de Lid-Staten, met inachtneming van communautaire criteria, de regeling ten uitvoer leggen via in overleg met de Commissie opgestelde meerjarenprogramma's en de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ter uitvoering van deze programma's aannemen;

Overwegende dat in een procedure moet worden voorzien om indien nodig bepalingen ter uitvoering van deze verordening, en met name controlevoorschriften, vast te stellen;

Overwegende dat de voor de uitvoering van de maatregelen van deze verordening beschikbare middelen moeten worden gevoegd bij de welke zijn uitgetrokken voor de uitvoering van de taken in het kader van de verordeningen betreffende de Structuurfondsen, met name in de gebieden die vallen onder de in artikel 1, onder 1 en 5 b), van Verordening (EEG) nr. 2052/88 (4) omschreven doelstellingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstellingen van de steunregeling voor vervroegde uittreding

1. Ter begeleiding van de veranderingen in de context van de gemeenschappelijke martkordeningen kunnen de Lid-Staten onder de bij deze verordening vastgestelde voorwaarden een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding instellen die medegefinancierd wordt door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie.

2. De steunregeling voor vervroegde uittreding moet gelijktijdig bijdragen tot:

a) het verschaffen van een inkomen aan oudere agrarische bedrijfshoofden die besluiten de landbouwactiviteit te beëindigen;

b) de vervanging van deze oudere bedrijfshoofden door landbouwers die in staat zijn de economische levensvatbaarheid van de resterende bedrijven te verbeteren;

c) het gebruik van landbouwgronden voor niet-agrarische doeleinden, wanneer deze niet voor de landbouw kunnen worden gebruikt in een levensvatbaar exploitatieverband.

3. In het kader van de steunregeling voor vervroegde uittreding kunnen maatregelen worden vastgesteld om:

a) een inkomen te verschaffen aan oudere medewerkende gezinsleden en oudere werknemers in de landbouw die door de vervroegde uittreding van het bedrijfshoofd werkloos worden;

b) de overdracht en de vergroting van de landbouwbedrijven en het gebruik van landbouwgronden voor niet-agrarische doeleinden te organiseren en daarbij zorg te dragen voor een rationeel gebruik van het platteland.

Artikel 2

Definities

In de zin van deze verordening wordt verstaan onder:

- "cedent": het bedrijfshoofd dat in het kader van deze steunregeling voor vervroegde uittreding zijn commerciële landbouwactiviteit volledig en definitief beëindigt;

- "werknemers": medewerkende gezinsleden en agrarische werknemers die vóór de vervroegde uittreding van de cedent op zijn bedrijf werkzaam waren en die hun landbouwactiviteit volledig en definitief beëindigen;

- "overnemer-landbouwer": de persoon die de cedent aan het hoofd van het landbouwbedrijf opvolgt en het bedrijf vergroot, of het bedrijfshoofd dat de vrijgekomen grond van de cedent geheel of gedeeltelijk overneemt om zodoende zijn eigen bedrijf te vergroten;

- "overnemer-niet-landbouwer": elke persoon of iedere instelling die de vrijgekomen grond geheel of gedeeltelijk overneemt en deze bestemt voor niet-agrarische doeleinden, bosbouw of de aanleg van ecologische reservaten;

- "vrijgekomen grond": de grond die de cedent vóór de beëindiging van de lanbouwactiviteit voor commerciële doeleinden exploiteerde en die hij niet meer voor landbouwdoeleinden gebruikt;

- "landbouw als hoofdberoep": de activiteit die wordt uitgeoefend onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (5).

Artikel 3

Steunregeling

1. De aan de cedenten verleende steun voor vervroegde uittreding kan worden toegekend in de vorm van:

a) een uittredingspremie;

b) een jaarlijkse uitkering die niet gerelateerd is aan de oppervlakte van de vrijgekomen grond;

c) een jaarlijkse premie per hectare vrijgekomen grond;

d) een aanvullend pensioen, wanneer het in het kader van de nationale pensioenregeling vastgestelde bedrag te gering is om de beëindiging van de landbouwactiviteit te stimuleren.

De hierboven genoemde vormen van steun kunnen gecombineerd worden waarbij eventueel een jaarlijks afnemend bedrag wordt betaald.

Het voor medefinanciering in aanmerking komende totale bedrag per bedrijf wordt berekend aan de hand van een referentiemethode die gebaseerd is op de volgende elementen:

a) vanaf het tijdstip waarop de cedent de minimumleeftijd voor vervroegde uittreding bereikt tot wanneer hij de normale pensioengerechtigde leeftijd bereikt, betaling van een jaarlijkse uitkering van 4 000 ecu per bedrijf, vermeerderd met een jaarlijkse premie van 250 ecu per hectare, tot ten hoogste een bedrag van 10 000 ecu per bedrijf en per jaar;

b) eventueel, jaarlijkse betaling van een aanvullend pensioen dat samen met het door de Lid-Staat betaalde normale pensioenbedrag hetzelfde totaalbedrag per jaar als dat bedoeld onder a) oplevert;

c) de onder a) en onder b) bedoelde steun mag niet langer dan tien jaar en slechts tot wanneer de cedent 70 jaar oud wordt, worden uitbetaald.

De Lid-Staten mogen de steun echter uitbetalen volgens een andere methode dan de in de derde alinea beschreven referentiemethode, met name door, eventueel onder toepassing van degressie, langer dan tien jaar en ook nadat de cedent de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt, lagere bedragen per jaar toe te kennen. In dat geval komt voor medefinanciering maximaal het bedrag in aanmerking dat zou zijn toegekend als de steun wel volgens de referentiemethode zou worden uitgekeerd. Wanneer de regeling voor vervroegde uittreding ook een uittredingspremie omvat, komt daarvan voor medefinanciering maximaal een bedrag in aanmerking van 12 000 ecu, vermeerderd met 750 ecu per ha vrijgekomen grond, tot ten hoogste een totaal bedrag van 30 000 ecu per bedrijf; het bedrag van de premie wordt meegerekend in het totale bedrag dat op grond van de referentiemethode voor medefinanciering in aanmerking komt.

2. De aan de werknemers verleende steun voor vervroegde uittreding kan worden toegekend in de vorm van:

a) een uittredingspremie,

b) een jaarlijkse uitkering.

Deze twee vormen van steun kunnen worden gecombineerd.

Het voor medefinanciering in aanmerking komende totaalbedrag per werknemer wordt berekend aan de hand van een referentiemethode die gebaseerd is op de volgende elementen:

a) vanaf het tijdstip waarop de werknemer de leeftijd voor vervroegde uittreding bereikt tot wanneer hij de normale pensioenleeftijd bereikt, betaling van een jaarlijkse uitkering van 2 500 ecu;

b) de onder a) bedoelde uitkering mag niet langer dan tien jaar en slechts tot wanneer de werknemer de normale pensioengerechtigde leeftijd bereikt, worden uitbetaald.

De Lid-Staten mogen de steun echter uitbetalen volgens een andere methode dan de in de vorige alinea beschreven referentiemethode, met name door eventueel met toepassing van degressie, langer dan tien jaar en ook nadat de werknemer de normale pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, lagere bedragen per jaar uit te keren. In dat geval komt voor medefinanciering maximaal het bedrag in aanmerking dat zou zijn toegekend als de steun wel volgens de referentiemethode zou worden uitgekeerd. Wanneer de regeling voor vervroegde uittreding ook een uittredingspremie omvat, komt daarvan voor medefinanciering maximaal een bedrag van 7 500 ecu per werknemer in aanmerking; het bedrag van de premie wordt meegerekend in het totale bedrag dat op grond van de referentiemethode voor medefinanciering in aanmerking komt.

De steun voor vervroegde uittreding wordt voor niet meer dan twee werknemers per bedrijf door de Gemeenschap medegefinancierd.

3. De Lid-Staten kunnen aanloopsteun verlenen voor diensten en netwerken die de overdracht en vergroting van landbouwbedrijven en de bestemming van landbouwgronden voor niet-agrarische doeleinden moeten organiseren, zulks met inachtneming van het rationeel gebruik van het platteland; deze steun is bestemd om een deel van hun werkingskosten te dekken.

Deze diensten kunnen meer bepaald de over te dragen bedrijven doorlichten, een lijst van ter overname aangeboden en gevraagde gronden en bedrijven aanleggen en documenten voor een geplande aanwending van de vrijgekomen grond van de cedenten opstellen. Ook kunnen zij de vrijgekomen grond voorlopig overnemen en deze later overdragen aan overnemers die aan de voorwaarden van deze verordening voldoen.

Om voor de steun in aanmerking te komen, moeten de diensten erkend zijn door de Lid-Staat en minstens één voltijdse werknemer in dienst hebben die over de voor het vervullen van zijn taak vereiste kwalificaties beschikt.

Het voor medefinanciering door de Gemeenschap in aanmerking komend bedrag van de aanloopsteun beloopt 36 000 ecu per voltijdse werknemer. Dit bedrag wordt gespreid over de eerste vijf dienstjaren van elke werknemer.

Artikel 4

Steunprogramma's

1. De Lid-Staten leggen de steunregeling op hun gehele grondgebied ten uitvoer door middel van nationale of regionale meerjarenprogramma's.

2. Elk programma omvat ten minste de volgende elementen:

- de afbakening van het geografisch gebied waarvoor het geldt;

- een beschrijving van de structurele situatie in het betrokken gebied met, inzonderheid, statistische gegevens over het aantal bedrijven, uitgesplitst naar oppervlakte en naar leeftijd van het bedrijfshoofd, en over de inkomens;

- een beschrijving van de in het betrokken gebied geldende regelingen inzake vervroegde uittreding en ouderdomspensioen, de mate waarin deze de laatste jaren zijn toegepast, en de problemen die zich ter zake hebben voorgedaan;

- gegevens inzake de vastgestelde steunbedragen en de toekenningsvoorwaarden voor elke categorie begunstigden, alsmede een desbetreffende motivering;

- een raming van het aantal cedenten, overnemers en werknemers die voor de steun in aanmerking komen;

- een raming van het aantal hectaren dat door de cedenten zal worden vrijgemaakt en van het gedeelte daarvan dat aan overnemers-landbouwers (bedrijfsopvolgers of andere landbouwers) of aan overnemers-niet-landbouwers zal worden overgedragen;

- een raming van de kosten van de verschillende voorgenomen steunmaatregelen en van de nodige financiële middelen, met vermelding van het verwachte bestedingstempo;

- het tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de verschillende voorgenomen steunmaatregelen.

Artikel 5

Voorwaarden waaraan de betrokkenen moeten voldoen

De Lid-Staten stellen de voorwaarden vast waaraan de betrokkenen moeten voldoen; die voorwaarden omvatten ten minste de volgende elementen:

1. cedenten moeten:

- op het moment van de bedrijfsbeëindiging minstens 55 jaar oud zijn, zonder evenwel de normale pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt,

- in de aan de bedrijfsbeëindiging voorafgaande tien jaar de landbouw als hoofdberoep hebben uitgeoefend;

2. overnemers-landbouwers moeten:

- over voldoende vakbekwaamheid beschikken in de zin van artikel 5, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2328/91,

- zich ertoe verbinden om op het betrokken bedrijf minstens vijf jaar lang de landbouw als hoofdberoep uit te oefenen onder de in artikel 6, lid 3 en lid 4, bepaalde voorwaarden;

3. werknemers moeten:

- minstens 55 jaar oud zijn, zonder evenwel de normale pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt,

- hun landbouwactiviteit volledig en definitief beëindigen, en in de voorafgaande vijf jaar minstens de helft van hun arbeidstijd aan de landbouw hebben besteed,

- in de laatste vier jaar vóór de vervroegde uittreding van de cedent ten miste het equivalent van twee jaar voltijds op diens bedrijf hebben gewerkt,

- onder het sociale-zekerheidsstelsel vallen;

4. overnemers-niet-landbouwers moeten zich ertoe verbinden de grond onder de in artikel 6, lid 5, bepaalde voorwaarden te gebruiken.

Artikel 6

Voorwaarden ten aanzien van de vrijgekomen grond

1. De in dit artikel vermelde voorwaarden inzake de vrijgekomen grond blijven ten minste van toepassing zolang de cedent steun voor vervroegde uittreding ontvangt.

2. De cedent mag hoogstens 10 % van de oppervlakte van zijn bedrijf, doch niet meer dan 1 ha, voor de landbouw blijven gebruiken, voor zover hij niet langer voor commerciële doeleinden produceert. De oppervlakte van het door de cedenten aan te houden bedrijf kan worden aangepast door de Commissie volgens de procedure van artikel 29 van Verordening (EEG) nr. 4253/88 (6). Voorts kan hij, onder door de Lid-Staat vast te stellen voorwaarden, blijven beschikken over de oppervlakte waarop zich de gebouwen bevinden waar hij met zijn gezin blijft wonen.

3. Ingevolge de overdracht van de vrijgekomen grond van de cedent moet, om de economische levensvatbaarheid van de bedrijven te verbeteren, de omvang van de betrokken landbouwbedrijven toenemen onder voorwaarden die moeten worden omschreven in termen van met name vakbekwaamheid van de overnemer, oppervlakte, werk- of inkomensvolume, naar gelang van de gebieden en de produktiesoorten. De Lid-Staten stellen deze voorwaarden vast, alsmede de termijn waarbinnen de begunstigde daaraan moet voldoen.

4. Vrijgekomen grond die aan overnemers-landbouwers wordt overgedragen, moet minstens vijf jaar lang geëxploiteerd worden, met inachtneming van de eisen inzake milieubescherming.

5. Vrijgekomen grond die aan overnemers-niet-landbouwers wordt overgedragen, moet worden gebruikt op een wijze die verenigbaar is met het behoud of de verbetering van de kwaliteit van milieu en natuur.

6. Vrijgekomen grond mag worden betrokken bij een ruilverkaveling of een gewone kavelruil. In dat geval moeten de voorwaarden van dit artikel worden toegepast voor percelen met een oppervlakte die overeenkomt met die van de vrijgekomen grond.

Bovendien kunnen de Lid-Staten de vrijgekomen grond laten beheren door een instantie die zich ertoe verbindt deze grond later af te staan aan overnemers die aan de voorwaarden van deze verordening voldoen.

Artikel 7

Nationale voorschriften

1. De Lid-Staten stellen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn voor de goede uitvoering van het programma. Deze maatregelen moeten het met name mogelijk maken:

- het programma voldoende aantrekkelijk te maken in vergelijking met eventuele vervroegde-uittredingsregelingen die in het door het programma bestreken gebied reeds van toepassing zijn;

- de overdracht van de vrijgekomen grond te vergemakkelijken, met name door passende vormen van aankoop of pacht van de grond te bevorderen waarbij het behoud of de verbetering van het gronderfgoed wordt gegarandeerd;

- in de overeenkomsten voor de aankoop of pacht van de vrijgekomen grond te bepalen dat de in artikel 6 bedoelde voorwaarden voor het gebruik van de grond in acht moeten worden genomen;

- de overdracht en vergroting van de landbouwbedrijven en het rationele gebruik van het platteland te organiseren door hun bestaande diensten van de nodige middelen te voorzien of door nieuwe diensten in het leven te roepen;

- in te staan voor een harmonieuze overgang van de communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding naar de nationale pensioenregeling.

2. Deze verordening laat de mogelijkheid voor de Lid-Staten onverlet om aanvullende steunmaatregelen te treffen met afwijkende toekenningsvoorwaarden of -bepalingen of waarvan de bedragen de hierin bepaalde maxima overschrijden, voor zover deze maatregelen in overeenstemming zijn met de artikelen 92, 93 en 94 van het Verdrag.

Artikel 8

Procedure voor het onderzoek van de programma's

1. De Lid-Staten delen de Commissie de bestaande of voorgenomen ontwerpen van steunprogramma's en nationale voorschriften mee.

2. De Commissie onderzoekt de meegedeelde programma's en voorschriften om

- na te gaan of ze in overeenstemming zijn met deze verordening, rekening houdend met de doelstellingen van deze verordening en de samenhang tussen de verschillende maatregelen;

- de aard van de voor medefinanciering in aanmerking komende maatregelen te bepalen;

- het totale bedrag van de voor medefinanciering in aanmerking komende uitgaven te bepalen.

3. De Commissie beslist over de goedkeuring van de programma's volgens de procedure van artikel 29 van Verordening (EEG) nr. 4253/88.

Artikel 9

Communautaire bijdrage

De communautaire bijdrage beloopt 75 % in de gebieden die vallen onder de in artikel 1, punt 1, van Verordening (EEG) nr. 2052/88 omschreven doelstelling en 50 % in de overige gebieden.

Artikel 10

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt eventueel, volgens de procedure van artikel 29 van Verordening (EEG) nr. 4253/88, de bepalingen ter uitvoering van deze verordening vast.

Artikel 11

Slotbepaling

Verordening (EEG) nr. 1096/88 (7) wordt ingetrokken. Zij blijft echter van toepassing voor steun die wordt toegekend vóór 30 juli 1993.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Luxemburg, 30 juni 1992.

Voor de Raad

De Voorzitter

Arlindo MARQUES CUNHA

(1) PB nr. C 300 van 21. 11. 1991, blz. 15.(2) PB nr. C 94 van 13. 4. 1992.(3) PB nr. C 98 van 21. 4. 1992, blz. 25.(4) PB nr. L 185 van 15. 7. 1988, blz. 9.(5) PB nr. L 218 van 6. 8. 1991, blz. 1.(6) PB nr. L 374 van 31. 12. 1988, blz. 1.(7) PB nr. L 110 van 29. 4. 1988, blz. 1.