Verordening (EEG) nr. 2069/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees
Publicatieblad Nr. L 215 van 30/07/1992 blz. 0059 - 0062
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 43 blz. 0205
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 43 blz. 0205
VERORDENING (EEG) Nr. 2069/92 VAN DE RAAD van 30 juni 1992 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en met name op artikel 43, Gezien het voorstel van de Commissie (1), Gezien het advies van het Europese Parlement (2), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3), Overwegende dat de ervaring heeft geleerd dat Verordening (EEG) nr. 3013/89 (4) op bepaalde punten moet worden gewijzigd; Overwegende dat het wenselijk is om terwille van een deugdelijk administratief beheer, de uiterste datum voor de uitkering van de in artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 3013/89 bedoelde premie te laten samenvallen met het einde van het begrotingsjaar; Overwegende dat de toename van het ooienbestand in de Gemeenschap tot een aanzienlijke daling van de prijzen heeft geleid en dat dit ernstige gevolgen heeft voor het marktevenwicht; dat deze ontwikkeling door de verschillende maatregelen die de laatste jaren zijn toegepast, met name op het gebied van de prijzen en de stabilisatoren, weliswaar gedeeltelijk is afgeremd, maar desondanks heeft geleid tot een stijging van de produktie en van de uitgaven van het EOGFL in de laatste vier jaar; Overwegende dat bijgevolg nieuwe, strengere maatregelen moeten worden genomen door, onverminderd bijzondere bepalingen voor de producentengroeperingen, voor elke producent een individueel maximumaantal vast te stellen op basis van het totaal van de premies die hem in het verkoopseizoen 1991 zijn uitgekeerd; Overwegende dat evenwel, om rekening te houden met de stijgende productietendens in de gehele Gemeenschap, op dit totaal een voor elke Lid-Staat vastgestelde coëficiënt moet worden toegepast die de verhouding weergeeft tussen het totale aantal in aanmerking komende ooien in het begin van 1989, 1990 of 1991 en het totale aantal in aanmerking komende dieren dat recht geeft op de premie voor het verkoopseizoen 1991; dat evenwel bijzondere bepalingen moeten worden vastgesteld voor Duitsland, ten einde rekening te houden met bepaalde specifieke problemen in de nieuwe Deelstaten; Overwegende dat nieuwe producenten, alsmede producenten wier referentiebeslag niet overeenstemt met de normale ontwikkeling van het schapenbestand, niet van het recht op de premie mogen worden uitgesloten; dat daartoe moet worden bepaald dat een nationale reserve moet worden aangelegd die aanvankelijk zal worden gevormd met een forfaitaire korting op de individuele maximumaantallen van alle producenten; dat regelingen moeten worden getroffen om de reserve in probleemgebieden te vergroten; Overwegende dat bepaalde ontwikkelingen in de produktie noodzakelijk kunnen worden in verband met mogelijke wijzigingen in de bestanden of de produktiecapaciteit van de begunstigden; dat het daarom dienstig is te bepalen dat de op het gebied van de individuele maximumaantallen verworven rechten op bepaalde voorwaarden aan andere producenten kunnen worden overgedragen; dat het, ten einde de overdrachtregeling zo soepel mogelijk te maken, passend is toe te staan dat de overdracht van rechten ook zonder overdracht van het bedrijf geschiedt; dat het passend is de overdracht te onderwerpen aan regels die inhouden dat bepaalde rechten zonder betaling aan de nationale reserve mogen worden afgestaan, opdat deze met name rechten voor nieuwe producenten kunnen openen; Overwegende dat, ten einde rekening te houden met het feit dat de producenten moet worden toegestaan hun produktie gedurende een beperkte periode te verminderen, het passend is de Lid-Staten te machtigen te voorzien in de mogelijkheid van tijdelijke overdracht van premierechten; Overwegende dat het wenselijk is een koppeling tussen gevoelige gebieden of plaatsen en de produktie van schapen en geiten tot stand te brengen, ten einde te waarborgen dat deze produktie met name wordt gehandhaafd in gebieden zonder teeltalternatief; Overwegende dat door de invoering van vorenbeschreven regeling de huidige omvang van het bestand moet kunnen worden gehandhaafd en tegelijk het gevaar voor budgetoverschrijding aanzienlijk moet kunnen worden beperkt; dat het dan ook dienstig is de in artikel 8, lid 2, van die verordening bedoelde coëfficiënt voor de verlaging van de basisprijs vast te stellen op hetzelfde niveau als voor het verkoopseizoen 1990, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Verordening (EEG) nr. 3013/89 wordt als volgt gewijzigd: 1. in artikel 5: - wordt in de leden 3 en 5 het percentage van 70 % vervangen door 80 %; - wordt de vierde alinea van lid 6 als volgt gelezen: "Het bedrag van de definitieve premie wordt na afloop van het betrokken verkoopseizoen onverwijld, en uiterlijk op 31 maart vastgesteld. Vóór 15 oktober van hetzelfde jaar wordt het eventuele saldo uitgekeerd."; 2. de volgende artikelen worden ingevoegd: "Artikel 5 bis 1. De in artikel 5 bedoelde premie wordt slechts voor een per producent verschillend maximumaantal dieren toegekend. Aan producenten aan wie reeds vóór het verkoopseizoen 1992 de premie is toegekend, wordt voor het verkoopseizoen 1993 en de volgende verkoopseizoenen de volle premie betaald voor maximaal het aantal dieren waarvoor de premie voor het verkoopseizoen 1991 is uitgekeerd, vermenigvuldigd met de in lid 5 bedoelde coëficiënt. Indien deze coëfficiënt echter groter is dan één, mogen de Lid-Staten besluiten het aantal extra premierechten dat daaruit voortvloeit geheel of gedeeltelijk te gebruiken ter aanvulling van de in artikel 5 ter, lid 1, bedoelde reserve. De maxima worden zodanig verminderd dat de in artikel 5 ter, lid 1, bedoelde nationale reserve kan worden ingesteld. 2. Indien over het verkoopseizoen 1991 geen premie is uitgekeerd of de premie is verminderd tengevolge van natuurlijke omstandigheden, wordt het aantal dieren in aanmerking genomen waarvoor de premie is uitgekeerd in het meest recente verkoopseizoen. Indien over het verkoopseizoen 1991 geen premie is uitgekeerd of de premie is verminderd als gevolg van de toepassing van sancties, wordt het aantaal dieren in aanmerking genomen dat is geconstateerd tijdens de controle op grond waarvan de sancties zijn getroffen. 3. Voor producentengroeperingen of -verenigingen, of andere samenwerkingsverbanden van producenten, worden de in lid 1 genoemde maxima op elke aangesloten producent afzonderlijk toegepast volgens de volgende regel: a) indien de sleutel voor de verdeling van het bestand, als bedoeld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2385/91 (5), voor het verkoopseizoen 1991 door de groepering aan de bevoegde autoriteit is meegedeeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van die verordening, worden deze maxima voor elke aangesloten producent vastgesteld op basis van deze verdeelsleutel; b) indien de onder a) bedoelde verdeelsleutel voor het verkoopseizoen 1991 door de groepering niet is meegedeeld, wordt de premie overeenkomstig de in lid 1 bepaalde regel aan de groepering uitgekeerd voor maximaal het aantal dieren waarvoor de premie voor het verkoopseizoen 1991 aan de groepering was uitgekeerd. Er wordt voor elke aangesloten producent een individueel maximumaantal vastgesteld op basis van de door de groepering voor het verkoopseizoen 1993 meegedeelde verdeelsleutel. Indien zich achteraf wijzigingen voordoen in de samenstelling van de groepering, wordt bij de uitkering van de premie aan de groepering rekening gehouden met de individuele maximumaantallen van elke producent die tot de groepering is toegetreden of de groepering heeft verlaten. 4. a) Het premierecht is verbonden aan de producenten die de premie over het verkoopseizoen 1991 hebben ontvangen en die eveneens een premie over het verkoopseizoen 1992 hebben aangevraagd. b) Wanneer een producent zijn bedrijf verkoopt of anderszins overdraagt, kan hij al zijn premierechten aan degene die zijn bedrijf overneemt overdragen. Hij kan zijn rechten ook geheel of gedeeltelijk aan andere producenten overdragen zonder zijn bedrijf over te dragen. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 30 bijzondere regels vaststellen betreffende het minimumaantal rechten dat voor een gedeeltelijke overdracht in aanmerking kan komen. In het geval van overdracht zonder overdracht van bedrijf wordt een bepaald deel van zijn rechten zonder betaling afgestaan aan de nationale reserve van de Lid-Staat waar zijn bedrijf gevestigd is. Dat deel mag niet meer dan 15 % bedragen. De zonder betaling door de nationale reserve verkregen rechten worden gratis toegewezen aan nieuwe producenten of andere producenten als bedoeld in artikel 5 ter, lid 2, die voorrang hebben. c) De Lid-Staten: - nemen de nodige maatregelen om te voorkomen dat de premierechten worden onttrokken aan de gevoelige gebieden of regio's waar de schapenhouderij bijzonder belangrijk is voor de plaatselijke economie; - kunnen bepalen dat de overdracht van rechten zonder overdracht van het bedrijf hetzij rechtstreeks tussen producenten hetzij via de nationale reserves plaatsvinden. d) De Lid-Staten kunnen voor een nog vast te stellen datum tijdelijke overdrachten toestaan van het deel van de premierechten dat de daarop rechthebbende producent niet van plan is te gebruiken. e) De aan een producent overgedragen of tijdelijk overgedragen premierechten moeten bij de hem oorspronkelijk toegekende rechten worden gevoegd. De daadwerkelijk toegekende volledige premie mag evenwel de in artikel 5, lid 7, neergelegde grenzen niet overschrijden. f) De Commissie stelt de bepalingen ter uitvoering van dit lid volgens de procedure van artikel 30 vast, en met name die welke de Lid-Staten in staat stellen om, rekening houdende met de structuur van hun ooienbestanden, de in lid 1 bedoelde vermindering vast te stellen, alsmede die bepalingen die het de Lid-Staten mogelijk maken de bijzondere problemen op te lossen die zijn verbonden aan de overdracht van premierechten door producenten die geen eigenaar zijn van de door hun bedrijven gebruikte oppervlakten. 5. Met het oog op de tenuitvoerlegging van lid 1, stellen de Lid-Staten de coëfficiënt vast die de verhouding weergeeft tussen: a) enerzijds, het aantal voor de premie in aanmerking genomen dieren dat in het begin van een van de verkoopseizoenen 1989, 1990 of 1991 op de bedrijven van begunstigden aanwezig was, en b) anderzijds, het aantal in het verkoopseizoen 1991 voor de premie in aanmerking genomen dieren. De Lid-Staten delen de Commissie vóór 31 oktober 1992 mee welk verkoopseizoen zij met het oog op het bepaalde sub a) hierboven hebben gekozen. Artikel 5ter 1. Elke Lid-Staat legt een nationale reserve aan die aanvankelijk gelijk is aan minstens 1 % en hoogstens 3 % van de som van de individuele maximumaantallen van de producenten wier bedrijven op zijn grondgebied zijn gevestigd. De nationale reserve wordt eveneens gevormd met de overeenkomstig artikel 5 bis, lid 4, onder b), verworven rechten. Voor Duitsland wordt de aanvankelijke nationale reserve berekend op basis van het totaal van de individuele maxima van de producenten wier bedrijven in de oude Duitse Deelstaten gevestigd zijn. Deze reserve geldt alleen voor deze producenten. 2. De Lid-Staten gebruiken hun nationale reserve voor de toekenning, binnen de perken van deze reserve, van rechten met name aan de in het onderstaande bedoelde producenten: a) producenten die vóór het verkoopseizoen 1992 een premie-aanvraag hebben ingediend en die ten genoegen van de bevoegde autoriteit hebben aangetoond dat de toepassing van de maxima overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 bis, de levensvatbaarheid van hun bedrijf in gevaar zou kunnen brengen in verband met het feit dat een vóór 1 januari 1993 gepland investeringsprogramma ten behoeve van de schapen-/geitenhouderij ten uitvoer wordt gelegd; b) producenten die voor het verkoopseizoen 1991 een premie-aanvraag hebben ingediend die, als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden, niet overeenkomt met de in de voorafgaande verkoopseizoenen geconstateerde werkelijke situatie; c) producenten die regelmatig een premie-aanvraag hebben ingediend zonder een premie-aanvraag over het verkoopseizoenen 1991 te hebben ingediend; d) producenten die in 1993 of in de daaropvolgende verkoopseizoenen voor het eerst een premie-aanvraag indienen; e) producenten die een deel van de tevoren door andere producenten voor de schapen- en/of geitenhouderij gebruikte grond hebben overgenomen. 3. Er wordt een extra reserve gevormd gelijk aan 1 % van de som van de individuele maxima van de producenten in de probleemgebieden van elke Lid-Staat; deze reserve komt volgens door de Lid-Staten vast te stellen criteria, uitsluitend aan deze zelfde gebieden ten goede. Voor Duitsland is de extra nationale reserve gelijk aan 1 % van de som van de individuele maxima van de producenten wier bedrijven in de probleemgebieden van de oude Duitse Deelstaten gevestigd zijn. Deze reserve geldt alleen voor deze producenten. 4. De bepalingen ter uitvoering van artikel 5 bis en van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30. Volgens dezelfde procedure worden vastgesteld: - de maatregelen die gelden wanneer een Lid-Staat geen gebruik maakt van zijn nationale reserve; - de overgangsmaatregelen die nodig zijn ter vergemakkelijking van de overgang van de vroegere naar de bij deze verordening vastgestelde regelingen en met name die welke gelden voor de in artikel 5 bis, leden 1 en 3, bedoelde producenten en groeperingen die de premie voor het eerst over het verkoopseizoen 1992 hebben ontvangen. 5. Vóór 1 juli 1996 dient de Commissie bij de Raad een verslag in over de toepassing van de in artikel 5 bis en in dit artikel bedoelde regelingen, eventueel vergezeld van passende voorstellen. Artikel 5 quater 1. In afwijking van artikel 5 bis, lid 1, geldt het volgende voor de nieuwe Deelstaten van Duitsland: a) er wordt een regionaal maximum van 1 miljoen in aanmerking komende dieren vastgesteld; deze hoeveelheid omvat zowel de aanvankelijk te verdelen hoeveelheden als de voor dit gebied aan te leggen reserve. b) Duitsland stelt de voorwaarden voor de verdeling van dit maximum en de regionale onderverdeling ervan vast. 2. De Commissie stelt de bepalingen ter uitvoering van dit lid volgens de procedure van artikel 30 vast. 3. Vóór het einde van het verkoopseizoen 1995 dient de Commissie bij de Raad een verslag in, vergezeld van voorstellen voor de toepassing op het grondgebied van de nieuwe Deelstaten van Duitsland van de bepalingen die in de rest van de Gemeenschap van toepassing zijn. Vóór het einde van het verkoopseizoen 1996 besluit de Raad over genoemde voorstellen.". 3. artikel 8, lid 4, wordt als volgt gelezen: "4. Vanaf het verkoopseizoen 1993 wordt de in lid 2 bedoelde coëfficiënt voor het verlagen van de basisprijs echter vastgesteld op 7 %.". Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij is van toepassing met ingang van het verkoopseizoen 1993, met uitzondering van artikel 1, punt 1, eerste streepje, dat met ingang van het verkoopseizoen 1992 van toepassing is. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Luxemburg, 30 juni 1992. Voor de Raad De Voorzitter Arlindo MARQUES CUNHA (1) PB nr. C 303 van 22. 11. 1991, blz. 35.(2) PB nr. C 125 van 18. 5. 1992.(3) PB nr. C 98 van 21. 4. 1992, blz. 20.(4) PB nr. L 289 van 7. 10. 1989, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3246/91 (PB nr. L 307 van 8. 11. 1991, blz. 16).(5) PB nr. L 219 van 7. 8. 1991, blz. 15.