BESCHIKKING VAN DE RAAD van 29 april 1992 tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van metingen en proeven (1990-1994) (92/247/EEG) -
Publicatieblad Nr. L 126 van 12/05/1992 blz. 0012 - 0018
BESCHIKKING VAN DE RAAD van 29 april 1992 tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van metingen en proeven (1990-1994) (92/247/EEG) DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 Q, lid 2, Gezien het voorstel van de Commissie (1), In samenwerking met het Europese Parlement (2), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3), Overwegende dat de Raad bij Besluit 90/221/Euratom, EEG (4) een derde kaderprogramma van communautaire werkzaamheden op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling (1990-1994) heeft vastgesteld waarin met name de maatregelen worden omschreven die moeten worden ondernomen om bepaalde belemmeringen voor de handel in de interne markt op te heffen door test-, meet- en analysemethodes beter te harmoniseren; dat de onderhavige beschikking in het licht van de in de preambule van genoemd besluit vervatte overwegingen dient te worden vastgesteld; Overwegende dat in artikel 130 K van het Verdrag is bepaald dat het kaderprogramma ten uitvoer wordt gelegd door middel van specifieke programma's die binnen elke actie worden ontwikkeld; Overwegende dat het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) met zijn eigen programma een bijdrage levert tot de uitvoering van deze acties; dat er een hechte samenwerking tussen het Centrum en dit specifieke programma moet worden gegarandeerd; Overwegende dat, krachtens artikel 4 en bijlage I van Besluit 90/221/Euratom, EEG, het voor het kaderprogramma als geheel noodzakelijk geachte bedrag een bedrag van 57 miljoen ecu voor gecentraliseerde verspreiding en exploitatie van de resultaten omvat, dat naar rato van het voor elk van de acties uitgetrokken bedrag moet worden verdeeld; Overwegende dat het wenselijk is dat in het kader van dit programma het economische en sociale effect en de eventuele technologische risico's worden geëvalueerd; Overwegende dat fundamenteel onderzoek op het gebied van metingen en proeven in de gehele Gemeenschap moet worden aangemoedigd; Overwegende dat het nodig is om, naast het specifieke programma inzake menselijk kapitaal en mobiliteit, de opleiding van onderzoekers in het kader van het onderhavige programma aan te moedigen; Overwegende dat in Besluit 90/221/Euratom, EEG wordt bepaald dat het communautaire onderzoek in het bijzonder ten doel heeft de wetenschappelijke en technologische grondslag van de Europese industrie te versterken en haar internationale concurrentiepositie te bevorderen; dat in dat besluit tevens is bepaald dat communautaire actie gerechtvaardigd is wanneer het onderzoek er onder andere toe bijdraagt de economische en sociale samenhang van de Gemeenschap te versterken en de harmonische ontwikkeling van de Gemeenschap in haar geheel te bevorderen, zulks met inachtneming van de beoogde wetenschappelijke en technische kwaliteit; dat het de bedoeling is dat dit programma ertoe bijdraagt de desbetreffende doelstellingen te verwezenlijken; Overwegende dat het noodzakelijk is het midden- en kleinbedrijf (MKB) in de mate van het mogelijke aan dit programma te laten deelnemen; dat, onverminderd de wetenschappelijke en technische kwaliteit van het onderhavige programma, met hun bijzondere eisen rekening moet worden gehouden; Overwegende dat volgens artikel 130 G van het Verdrag de acties die door de Gemeenschap worden gevoerd om de wetenschappelijke en technologische grondslag van de Europese industrie te versterken en de ontwikkeling van haar concurrentievermogen te bevorderen, stimulering van de samenwerking op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling met derde landen, met name Europese landen, en internationale organisaties omvatten; dat een dergelijke samenwerking voor de ontwikkeling van dit programma bijzonder vruchtbaar kan blijken; Overwegende dat, zoals bepaald in bijlage II bij Besluit 90/221/Euratom, EEG, de laboratoria in de Lid-Staten dienen te beschikken over de technische middelen die nodig zijn om op geharmoniseerde wijze metingen en tests te verrichten, zodat zij de geldigheid van elkaars resultaten kunnen erkennen, hetgeen voor een adequate werking van de interne markt van het hoogste belang wordt geacht; Overwegende dat het Comité voor Wetenschappelijk en Technisch Onderzoek (Crest) is geraadpleegd, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD: Artikel 1 Voor de periode vanaf 29 april 1992 en eindigend op 31 december 1994 wordt een in bijlage I nader omschreven specifiek programma van de Europese Economische Gemeenschap voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van metingen en proeven vastgesteld. Artikel 2 1. Het voor de uitvoering van het programma noodzakelijk geachte bedrag beloopt 47,52 miljoen ecu, de personeelskosten en administratieve uitgaven ten bedrage van 9 miljoen ecu inbegrepen. 2. Een indicatieve verdeling van de middelen is in bijlage II vervat. 3. In geval de Raad overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Besluit 90/221/Euratom, EEG, een besluit neemt, wordt de onderhavige beschikking dienovereenkomstig aangepast. Artikel 3 Bijlage III behelst de nadere regels voor de uitvoering van het programma en het bedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap. Artikel 4 1. In de loop van het tweede toepassingsjaar evalueert de Commissie het programma en legt zij over de uitkomsten van die evaluatie aan het Europese Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag voor; zo nodig gaat dit verslag vergezeld van voorstellen tot wijziging van het programma. 2. Aan het eind van het programma evalueert een groep onafhankelijke deskundigen, in opdracht van de Commissie, de bereikte resultaten. Het verslag van de groep zal te zamen met de opmerkingen van de Commissie aan het Europese Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité worden voorgelegd. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde verslagen worden opgesteld aan de hand van de in bijlage I omschreven doelstellingen en overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Besluit 90/221/Euratom, EEG. Artikel 5 1. In de door de Commissie gesloten contracten worden de rechten en verplichtingen van iedere partij vastgesteld en met name de regeling voor de verspreiding, de bescherming en de exploitatie van de onderzoekresultaten, overeenkomstig de krachtens artikel 130 K, tweede alinea, van het Verdrag vastgestelde bepalingen. 2. Overeenkomstig de doelstellingen van bijlage I wordt een werkprogramma vastgesteld en, zo nodig, bijgewerkt, waarin gedetailleerde doelstellingen en de aard van de te ondernemen projecten worden aangegeven en waarin tevens de ter zake vast te stellen financiële bepalingen worden omschreven. De Commissie doet op grond van het werkprogramma uitnodigingen tot het indienen van voorstellen voor projecten uitgaan. Artikel 6 1. De Commissie is voor de uitvoering van het programma verantwoordelijk. Zij wordt bijgestaan door een comité van raadgevende aard, bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. 2. In de in artikel 7, lid 1, bedoelde gevallen legt de vertegenwoordiger van de Commissie het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen al naar gelang van de urgentie van de aangelegenheid, advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming. 3. Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere Lid-Staat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen. 4. De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies. Artikel 7 1. De procedure van artikel 6 geldt met name voor: - de opstelling en bijwerking van het in artikel 5, lid 2, bedoelde werkprogramma; - de inhoud van de aanbestedingen; - de beoordeling van de in bijlage III bedoelde onderzoekprojecten alsmede het geraamde bedrag van de bijdrage van de Gemeenschap voor deze projecten; - de uitzonderingen op de algemene regels, vastgesteld in bijlage III; - de deelneming aan de acties door instanties en ondernemingen van derde landen, bedoeld in artikel 8; - iedere aanpassing van de indicatieve verdeling van het bedrag in bijlage II; - de maatregelen die moeten worden getroffen om het programma te beoordelen; - de regeling voor de verspreiding, de bescherming en de exploitatie van de resultaten van het onderzoek dat in het kader van het programma is verricht. 2. De Commissie stelt het comité op de hoogte van de tenuitvoerlegging van de gecooerdineerde acties en de begeleidende maatregelen bedoeld in bijlage III. Artikel 8 1. De Commissie wordt hierbij gemachtigd om overeenkomstig artikel 130 N van het Verdrag te onderhandelen over internationale overeenkomsten met bij de COST aangesloten derde landen, met name de landen van de EVA en de landen van Midden- en Oost-Europa, ten einde deze bij het programma in zijn geheel of bij een onderdeel ervan te betrekken. 2. Indien tussen de Gemeenschap en Europese derde landen kaderovereenkomsten voor wetenschappelijke en technische samenwerking zijn gesloten, mag aan in die landen gevestigde instanties en ondernemingen, op basis van het criterium van wederzijds voordeel, worden toegestaan als partner deel te nemen aan een project in het kader van dit programma. Buiten de Gemeenschap gevestigde instanties waarmee een contract is gesloten en die als partner deelnemen aan een project in het kader van het programma, komen niet in aanmerking voor de door de Gemeenschap aan het programma verleende steun. Deze organismen dragen bij in de algemene administratiekosten. Artikel 9 Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten. Gedaan te Luxemburg, 29 april 1992. Voor de Raad De Voorzitter Luis VALENTE DE OLIVEIRA (1) PB nr. C 174 van 16. 7. 1990, blz. 35. (2) PB nr. C 326 van 16. 12. 1991, blz. 129, en besluit van 11 maart 1992 (nog niet verschenen in het Publikatieblad). (3) PB nr. C 41 van 18. 2. 1991, blz. 4. (4) PB nr. L 117 van 8. 5. 1990, blz. 28. BIJLAGE I WETENSCHAPPELIJKE EN TECHNISCHE DOELSTELLINGEN EN INHOUD Dit specifieke programma sluit qua wetenschappelijke en technische doelstellingen en achterliggende oogmerken volledig aan bij de in het derde kaderprogramma uitgezette lijnen. Punt 2.C van bijlage II van genoemd kaderprogramma maakt integrerend deel uit van dit specifieke programma. Het doel is de harmonisatie van de meet-, test- en analysemethoden te verbeteren en bij te dragen tot de ontwikkeling van nieuwe meet- en testmethoden in Europa en tot het verschaffen van een algemeen instrumentarium voor nauwkeurige, valide metingen. Derhalve is het noodzakelijk betere metingen, testtechnieken en chemische analyses te ontwikkelen daar waar deze onvoldoende nauwkeurigheid bieden zodat de laboratoria onderling geen overeenstemming kunnen bereiken over hun resultaten, en daar waar de meetmethoden onvoldoende zijn toegesneden op de nieuwe uitdagingen in de industrie, wat betreft de controle van het milieu, de kwaliteit van levensmiddelen en de gezondheid, en het vergemakkelijken van het handelsverkeer binnen de gemeenschappelijke markt. Doel is tevens het ontwikkelen van nieuwe methoden voor natuurkundige metingen en chemische en biologische analyses en het verschaffen van een goed inzicht in de algemene beperkingen en de oorzaken van fouten van de gangbare methoden, ten einde deze methoden optimaal te verbeteren. Tevens zal steun worden verleend aan samenwerkingsprojecten voor onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe of verbeterde meetnormen en innoverende ijkmiddelen, die bijdragen tot het algemene doel van het programma en die adequater of economischer op communautair niveau kunnen worden uitgevoerd. De onderzoekactiviteiten zullen worden afgestemd op de eisen van de interne markt (als omschreven in het Witboek over de voltooiing van de interne markt) en op de tenuitvoerlegging van specifieke beleidslijnen van de Gemeenschap. Tevens zal worden gezorgd voor nauwe cooerdinatie met de relevante onderzoekprogramma's, de Europese metrologie en organisaties op het gebied van de normalisering (zoals bij voorbeeld CEN/CENELEC). Op basis en uit hoofde van de voornoemde elementen volgt hierna een analytische beschrijving van de inhoud van dit specifieke programma. THEMA 1. ONDERSTEUNING VAN VERORDENINGEN EN RICHTLIJNEN Het gaat erom betere methoden te ontwikkelen om tot betrouwbare en internationaal aanvaarde resultaten te komen met het oog op de toepassing van richtlijnen betreffende onder andere levensmiddelen, industriële produkten, het milieu en de gezondheid. De werkzaamheden behelzen de ontwikkeling, verbetering of harmonisering van de testmethoden die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de bestaande richtlijnen en het opstellen van nieuwe verordeningen en richtlijnen. De werkzaamheden omvatten met name: - de analyse van landbouwprodukten, met inbegrip van voor vervoedering bestemde produkten; - de analyse van verwerkte voedingsprodukten; - onderzoek van lucht-, water- en bodemverontreiniging (inclusief bacteriologisch onderzoek); - metingen van het geluidsniveau en onderzoek naar de aanwezigheid van schadelijke stoffen op de werkplek; - biomedische analyses; - het testen van industrieprodukten. Wat de bestaande verordeningen en richtlijnen betreft, zal de samenwerking tussen laboratoria worden bevorderd met het oog op een betere aanpak van problemen bij de toepassing en harmonisatie van methoden. THEMA 2. VRAAGSTUKKEN IN VERBAND MET HET TESTEN IN BEPAALDE SECTOREN Het doel is een bijdrage te leveren tot de tenuitvoerlegging van "de globale aanpak op het gebied van de conformiteitsbeoordeling" van industrieprodukten (resolutie van de Raad van 21 december 1989 (1)), door steun te verlenen aan de Europese normalisatie, erkenning van laboratoria en onderlinge erkenning. De werkzaamheden bestaan in het opzetten van samenwerkingsprojecten met het oog op de verbetering van meet- en testtechnieken voor industriële produkten, ten einde op communautair niveau binnen een specifieke industriesector tot overeenstemmende resultaten tussen verschillende laboratoria te komen. Hieronder vallen: - samenwerkingsprojecten voor de verbetering of de ontwikkeling van nieuwe testmethoden die kunnen worden omgezet in Europese normen (CEN/CENELEC), wanneer onvoldoende vooruitgang is geboekt om voor een bepaald produkt een richtlijn vast te stellen; - samenwerkingsprojecten voor de verbetering van genormaliseerde meet- en testmethoden, wanneer de toepassing ervan problemen stelt; - steun voor vergelijkend onderzoek tussen laboratoria om regelingen voor de onderlinge erkenning van testlaboratoria te vergemakkelijken. THEMA 3. GEMEENSCHAPPELIJKE IJKMIDDELEN VOOR DE GEMEENSCHAPPEN Het doel is projecten te ondersteunen voor de ontwikkeling van ijkmiddelen die de keuringslaboratoria in de Gemeenschap nodig hebben om ervoor te zorgen dat metingen en tests op een gemeenschappelijke basis worden uitgevoerd en bovendien kunnen worden vergeleken met metingen die buiten de Gemeenschap worden gedaan. Voor natuurkundige metingen zullen omrekeningsstandaards worden vastgesteld, zodat kleinere nationale metrologische laboratoria met grotere organisaties kunnen samenwerken met het oog op de herleidbaarheid van de meetresultaten. Hierbij zal vooral aandacht worden geschonken aan de behoeften van de meer recent toegetreden Lid-Staten. Wat de chemische analyses betreft, zal steun worden verleend voor samenwerkingsprojecten gericht op het instellen van een internationaal erkend kader voor chemische metingen, waaronder primaire chemische normen en secundaire normen. Meer specifiek zullen er referentiepatronen worden ontwikkeld voor de belangrijkste parameters die worden gebruikt in de sectoren levensmiddelen, landbouw, milieu en biomedische analyse, als omschreven in thema 1. THEMA 4. ONTWIKKELING VAN NIEUWE MEETMETHODEN Het doel is nieuwe meet- en analysemethoden te ontwikkelen die nodig zijn voor het communautaire beleid. Hiervoor is een inspanning op het gebied van het fundamentele onderzoek noodzakelijk. Deze inspanning zal gericht zijn op: - O & O van meetprincipes die kunnen leiden tot nieuwe instrumenten; - nieuwe meetmethoden voor de bovengenoemde bijzondere toepassingen (thema 1), met name het bepalen van de chemische vorm van verontreinigende elementen (nieuwe soorten), voedsel- en biomedische analyses; - O & O inzake nieuwe meetmethoden waarmee vaak verrichte metingen kunnen worden ingepast in het kader van thema 3. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd in cooerdinatie met andere specifieke O & O-programma's binnen het kaderprogramma. (1) PB nr. C 10 van 16. 1. 1990, blz. 1. BIJLAGE II INDICATIEVE VERDELING VAN DE MIDDELEN (in miljoen ecu) Thema Verdeling 1. Ondersteuning van verordeningen en richtlijnen 12 2. Vraagstukken in verband met het testen in bepaalde sectoren 11,52 3. Steun ten behoeve van ijkmiddelen 12 4. Ontwikkeling van nieuwe meetmethoden 12 47,52 (1) (2) (1) Met inbegrip van de personeelskosten (6 miljoen ecu) en de administratiekosten (3 miljoen ecu). (2) Een noodzakelijk geacht bedrag van 0,48 miljoen ecu - dat buiten de 47,52 miljoen ecu valt - wordt gereserveerd als bijdrage van het specifieke programma "metingen en proeven" aan de gecentraliseerde actie voor de verspreiding en het nuttige gebruik van de resultaten. Ten minste 10 % van het totaalbedrag wordt bestemd voor projecten tot stimulering van fundamenteel onderzoek, die duidelijk worden omschreven. Ten minste 2 % van het totaalbedrag wordt bestemd voor de opleiding van onderzoekers in de vakgebieden waarop dit specifieke programma betrekking heeft. Een extra bedrag van 92 miljoen ecu wordt uitgetrokken voor de onderzoekactiviteiten van het GCO op het gebied van metingen en proeven, met inbegrip van een bedrag van 0,92 miljoen ecu als bijdrage van het GCO aan de gecentraliseerde actie voor de verspreiding van de resultaten van dit specifieke programma. De verdeling tussen de onderscheiden thema's sluit niet uit dat projecten verscheidene thema's kunnen bestrijken. BIJLAGE III UITVOERING VAN HET PROGRAMMA 1. De Commissie voert het programma uit op basis van de doelstellingen en de wetenschappelijke en technische inhoud die in bijlage I zijn vastgesteld. 2. De in artikel 3 bedoelde nadere regels voor de uitvoering van het programma hebben betrekking op projecten voor onderzoek en technologische ontwikkeling, gecooerdineerde acties en begeleidende maatregelen. Bij de selectie van deze projecten moet rekening worden gehouden met de in bijlage III van Besluit 90/221/Euratom, EEG genoemde criteria en met de doelstellingen in bijlage I van het onderhavige programma. - Projecten voor onderzoek Voor de projecten worden voor gezamenlijke rekening contracten voor onderzoek en technologische ontwikkeling gesloten. In de regel financiert de Gemeenschap deze projecten voor ten hoogste 50 %. Universiteiten en andere onderzoekcentra die aan acties voor gezamenlijke rekening deelnemen, kunnen voor elk project afzonderlijk een financiering ten belope van 50 % van de totale uitgaven aanvragen, dan wel een financiering ten belope van 100 % van de bijkomende marginale kosten. De onderzoekacties voor gezamenlijke rekening moeten in het algemeen worden uitgevoerd door in de Gemeenschap gevestigde deelnemers. De projecten waaraan bij voorbeeld universiteiten, onderzoekinstellingen en industriële ondernemingen, waaronder ook kleine en middelgrote ondernemingen, kunnen deelnemen, moeten in het algemeen voorzien in de deelneming van ten minste twee partners die onafhankelijk van elkaar zijn en gevestigd zijn in ten minste twee Lid-Staten. De contracten die betrekking hebben op onderzoekacties voor gezamenlijke rekening moeten in het algemeen worden afgesloten na een selectieprocedure die berust op in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte uitnodigingen tot inschrijving. - Gecooerdineerde acties De gecooerdineerde acties houden in dat de Gemeenschap pogingen onderneemt om de afzonderlijke onderzoekacties in de Lid-Staten te cooerdineren. De communautaire financiële deelname kan oplopen tot 100 % van de kosten. - Begeleidende maatregelen De in artikel 7 bedoelde en in bijlage I omschreven begeleidende maatregelen houden met name het volgende in: - het organiseren van studiebijeenkomsten, workshops en wetenschappelijke conferenties; - interne cooerdinatie door de instelling van integratiegroepen (met name tussen keuringslaboratoria); - opleiding van specialisten; - opslag en verspreiding van de op communautair niveau gecertificeerde referentiematerialen; - bevordering van de exploitatie van de resultaten; - onafhankelijke wetenschappelijke en strategische evaluatie van de werking van de projecten en van het programma. 3. De verspreiding van de in het kader van de uitvoering van de projecten verworven kennis vindt plaats binnen het specifieke programma en tevens door middel van een gecentraliseerde actie overeenkomstig het besluit bedoeld in artikel 4, lid 3, van Besluit 90/221/Euratom, EEG.