31991D0665

91/665/EEG: Beschikking van de Raad van 11 december 1991 tot aanwijzing van een communautair coördinatie- instituut voor mond- en klauwzeervaccins en tot vaststelling van de bevoegdheden en taken van dat instituut

Publicatieblad Nr. L 368 van 31/12/1991 blz. 0019 - 0020
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 39 blz. 0260
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 39 blz. 0260


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 11 december 1991

tot aanwijzing van een communautair cooerdinatie-instituut voor mond- en klauwzeervaccins en tot vaststelling van de bevoegdheden en taken van dat instituut

(91/665/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/423/EEG (2), inzonderheid op artikel 14,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende dat in artikel 14, lid 1, van die richtlijn is bepaald dat de Lid-Staten reserves van antigenen mogen aanhouden en inrichtingen aanwijzen voor de verpakking en de opslag van gebruiksklare vaccins voor noodinenting;

Overwegende dat in artikel 14, lid 3, van die richtlijn is bepaald dat de Commissie voorstellen moet indienen betreffende de vorming van ten minste twee communautaire reserves van mond- en klauwzeervaccins;

Overwegende dat in artikel 14, lid 2, van die richtlijn is bepaald dat een gespecialiseerd instituut voor de controles van de mond- en klauwzeervaccins en van de gekruiste immuniteit moet worden aangewezen en dat de bevoegdheden en taken van dat instituut moeten worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het Centraal Diergeneeskundig Instituut, Lelystad, Nederland, hierna "Communautair Cooerdinatie-instituut" genoemd, draagt zorg voor de cooerdinatie van de controle van de mond- en klauwzeervaccins die in de Gemeenschap worden gebruikt.

Artikel 2

De bevoegdheden en taken van het Communautair Cooerdinatie-instituut omvatten:

1. het harmoniseren van de methoden voor de door de nationale instituten te verrichten controles van antigenen en vaccins tegen mond- en klauwzeer, bestemd om te worden gebruikt overeenkomstig artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 1, van Richtlijn 85/511/EEG;

2.

het cooerdineren van de controles van mond- en klauwzeervaccins door de nationale instituten van de Lid-Staten, met name door:

a) op gezette tijden of op verzoek van het Instituut of van de Commissie, representatieve monsters in ontvangst te nemen van partijen mond- en klauwzeervaccin bestemd voor gebruik in de Gemeenschap, alsmede van partijen in derde landen geproduceerd vaccin bestemd voor gebruik in de Gemeenschap of in het kader van met steun van de Gemeenschap gevoerde vaccinatiecampagnes, en die vaccins op veiligheid en immuniserend vermogen te onderzoeken;

b)

vergelijkende tests te verrichten om erop toe te zien dat bij het onderzoek op veiligheid en immuniserend vermogen in alle Lid-Staten vergelijkbare methoden worden gebruikt;

c)

door middel van proeven inzake gekruiste immuniteit bij levende runderen de doeltreffendheid van bestaande vaccins tegen belangrijke nieuwe "wilde stammen" van het mond- en klauwzeervirus te onderzoeken en de resultaten van die proeven onverwijld aan de Commissie en aan de Lid-Staten mede te delen;

d)

informatie te verzamelen over de controlemethoden en de proeven met vaccins, en die informatie op gezette tijden aan de Commissie en aan de Lid-Staten mede te delen;

3.

a)

het treffen en toepassen van de nodige regelingen voor de bijscholing van deskundigen inzake controle van en proeven met vaccins, ten einde de desbetreffende technieken te harmoniseren;

b)

het organiseren van een jaarlijkse vergadering waar vertegenwoordigers van de nationale instituten een overzicht wordt geboden van de technieken op het gebied van controle van en proeven met vaccins, en van de vooruitgang op het gebied van de cooerdinatie;

4.

a)

het onderzoeken van antigeen dat is geleverd voor de overeenkomstig Beschikking 91/666/EEG (3) aangewezen communautaire reserves van mond- en klauwzeervaccins, op immuniserend vermogen en veiligheid, en het nagaan of aan de veterinair-technische leveringsvoorwaarden is voldaan;

b)

het als routinemaatregel onderzoeken van antigeen uit de communautaire reserves van mond- en klauwzeervaccins op immuniserend vermogen;

c)

het controleren van de steriliteit van eventueel met antigeen uit de communautaire antigeenreserves aangemaakt vaccin, overeenkomstig de bepalingen van de Europese Farmacopee;

5.

a)

het asssisteren en adviseren van de Commissie, in samenwerking met daartoe bevoegde communautaire deskundigen, ten einde te garanderen dat instituten die mond- en klauwzeervaccins aanmaken voldoen aan bepaalde minimumveiligheidsvoorschriften en met name die welke zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Richtlijn 89/531/EEG van de Raad van 25 september 1989 tot aanwijzing van een communautair referentielaboratorium voor identificatie van mond- en klauwzeervirus en tot vaststelling van de bevoegdheden en taken daarvan (1);

b)

het in samenwerking met bevoegde communautaire deskundigen assisteren van de Commissie bij het bijwerken van de lijst van instituten en laboratoria die gemachtigd zijn om virus te manipuleren in het kader van de vaccinproduktie, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, lid 2, van Richtlijn 85/511/EEG;

6. het herzien van de lijst van stammen die in de communautaire reserves worden opgeslagen, en het verlenen van bijstand bij het selecteren van geschikte nieuwe stammen die met het oog op een latere vaccinproduktie geschikt moeten worden gemaakt voor weefselkweek, een en ander in samenwerking met de leveranciers van antigeen en met het referentielaboratorium;

7.

het opslaan van andere belangrijke uitgangsstammen van het virus dan de in de communautaire reserves van mond- en klauwzeervaccins opgeslagen stammen;

8.

het verrichten van onderzoek, op verzoek van de Commissie en met inachtneming van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, naar de doeltreffendheid en de onschadelijkheid van de vaccins, dat noodzakelijk of nuttig voor de controle ervan is, op een volgens de procedure van artikel 16 van Richtlijn 85/511/EEG nader te bepalen wijze;

9.

het samenwerken met het referentielaboratorium op alle gebieden die verband houden met mond- en klauwzeer, met name het jaarlijks publiceren van een verslag over de respectieve werkzaamheden van het Communautair Cooerdinatie-instituut in het laboratorium, en het opleiden van de betrokken dierenartsen op het gebied van klinische diagnose en epizooetiologie van mond- en klauwzeer.

Artikel 3

1. Het Communautair Cooerdinatie-instituut neemt strikt de erkende voorschriften voor beveiliging tegen besmetting in acht die zijn vermeld in de "Minimumnormen voor laboratoria die werken met mond- en klauwzeervirus in vitro en in vivo" - Europese Commissie voor de bestrijding van mond- en klauwzeer - 26e zitting, Rome, april 1985.

2. Het Communautair Cooerdinatie-instituut doet voorstellen en aanbevelingen voor veiligheidsmaatregelen tegen besmetting die, overeenkomstig de in lid 1 bedoelde normen met name voor wat betreft de controle op de mond- en klauwzeervaccins door de nationale laboratoria moeten worden genomen, met uitzondering van de taken die uit hoofde van artikel 3, lid 2, van de Beschikking 89/531/EEG zijn toevertrouwd aan het Communautaire Referentielaboratorium voor identificatie voor mond- en klauwzeervirus.

Artikel 4

De voor de financiering te volgen voorschriften worden vastgesteld overeenkomstig artikel 28 van Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (2), gewijzigd bij Beschikking 91/133/EEG (3).

Artikel 5

Het Communautair Cooerdinatie-instituut wordt aangewezen voor een periode van vijf jaar die ingaat op 1 januari 1992.

Vóór afloop van die periode besluit de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen of die periode moet worden verlengd, dan wel of deze beschikking dient te worden gewijzigd.

Artikel 6

Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 11 december 1991.

Voor de Raad

De Voorzitter

P. BUKMAN

(1) PB nr. L 315 van 26. 11. 1985, blz. 11.

(2) PB nr. L 224 van 18. 8. 1990, blz. 13.

(3) Zie bladzijde 21 van dit Publikatieblad.

(1) PB nr. L 279 van 28. 9. 1989, blz. 32.

(2) PB nr. L 224 van 18. 8. 1990, blz. 19.

(3) PB nr. L 66 van 13. 3. 1991, blz.18.