BESLUIT VAN DE RAAD van 29 juli 1991 tot vaststelling van het Jeugd voor Europa-programma (tweede fase) (91/395/EEG) -
Publicatieblad Nr. L 217 van 06/08/1991 blz. 0025 - 0030
BESLUIT VAN DE RAAD van 29 juli 1991 tot vaststelling van het Jeugd voor Europa-programma (tweede fase) (91/395/EEG) DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235, Gezien het voorstel van de Commissie (1), Gezien het advies van het Europese Parlement (2), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3), Overwegende dat de Lid-Staten, toen zij partij werden bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, hebben verklaard "vastberaden te zijn de grondslagen te leggen voor een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren"; Overwegende dat het Verdrag daartoe in de nodige bevoegdheden voorziet om het vrije verkeer van werknemers, zelfstandigen en personen voor wie diensten worden verricht, te waarborgen; Overwegende dat het dienstig is specifieke maatregelen te treffen om jongeren te helpen zin voor initiatief te ontwikkelen en om hen van hun capaciteiten en verantwoordelijkheden bewust te maken; Overwegende dat de Raad en de Ministers van Onderwijs, in het kader van de Raad bijeen, in hun resoluties van 13 december 1976 (4) en 12 juli 1982 (5), de noodzaak hebben erkend van een degelijke voorbereiding van jongeren op het leven als volwassene en in een beroep en dienovereenkomstig actieprogramma's hebben goedgekeurd; Overwegende dat de Europese Raad van 28 en 29 juni 1985 de conclusies heeft goedgekeurd van het ad hoc-Comité "Europa van de burgers", waarin werd gepleit voor de bevordering van uitwisselingen van jongeren in de Gemeenschap en de oprichting van een doeltreffend netwerk voor uitwisselingen in elk van de Lid-Staten en tussen deze onderling; Overwegende dat het Europese Parlement in zijn resoluties van 12 maart 1981 over jeugdactiviteiten (6), van 7 juni 1983 betreffende een programma van de Europese Gemeenschappen inzake uitwisseling van jongeren (7) en van 16 december 1983 over een Europees programma voor burgerdienst voor jongeren (8) op een versterking van de Gemeenschapsactiviteiten op deze gebieden heeft aangedrongen; Overwegende dat uitwisselingen van jongeren een passend middel zijn om de Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten beter te leren kennen en de sociale samenhang van de Gemeenschap te bevorderen en aldus bijdragen tot hun vorming en voorbereiding op het leven als volwassene en in een beroep, evenals tot de ontwikkeling van een groter bewustzijn van hun capaciteiten en verantwoordelijkheden; Overwegende dat de uitwisseling en de mobiliteit van jongeren in de Gemeenschap, zowel kwalitatief als kwantitatief, aanzienlijk kunnen worden verbeterd door middel van een reeks ondersteunende maatregelen op Gemeenschapsniveau die een aanvulling vormen op de door de Lid-Staten zelf genomen maatregelen, en waarbij rekening wordt gehouden met de ervaring en de huidige bijdrage van de reeds op dit terrein werkzame instellingen; Overwegende dat de Raad op 16 juni 1988 Besluit 88/348/EEG tot vaststelling van het Jeugd voor Europa-programma ter bevordering van de uitwisseling van jongeren in de Gemeenschap (4) heeft goedgekeurd; dat het wenselijk is dit programma thans uit te breiden; Overwegende dat er een programma met een looptijd van drie jaar dient te worden vastgesteld; Overwegende dat een bedrag van 25 miljoen ecu noodzakelijk wordt geacht voor de tenuitvoerlegging van dit meerjarenprogramma; dat het noodzakelijk geachte bedrag voor het jaar 1992 in het kader van de huidige financiële vooruitzichten 10 miljoen ecu bedraagt; Overwegende dat de bedragen die voor de financiering van het programma moeten worden vastgelegd voor de periode na het begrotingsjaar 1992, moeten worden ingepast in het dan geldende communautaire financiële kader; Overwegende dat het Verdrag, afgezien van artikel 235, niet in de voor de aanneming van dit besluit vereiste bevoegdheden voorziet, BESLUIT: Artikel 1 De tweede fase van het Jeugd voor Europa-programma, hierna "programma" genoemd, ter bevordering van de uitwisseling en de mobiliteit van jongeren in de Gemeenschap wordt hierbij vastgesteld voor de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1994. Artikel 2 Het voor de tenuitvoerlegging van dit programma noodzakelijk geachte bedrag aan communautaire financiële middelen beloopt 25 miljoen ecu, waarvan 10 miljoen ecu voor het jaar 1992 in het kader van de financiële vooruitzichten 1988-1992. Voor de verdere toepassingsperiode van het programma moet het bedrag in het dan geldende communautaire financiële kader worden ingepast. De begrotingsautoriteit stelt de voor elk begrotingsjaar beschikbare kredieten vast, rekening houdend met de beginselen van goed beheer als bedoeld in artikel 2 van het Financieel Reglement van toepassing op de begroting van de Europese Gemeenschappen. Artikel 3 De tweede fase van het programma omvat een reeks in de bijlage opgenomen maatregelen om de uitwisseling en de mobiliteit van jongeren in de Gemeenschap rechtstreeks te bevorderen. Deze maatregelen zijn gericht op jongeren van 15 tot 25 jaar en op instanties die bij de bevordering van de uitwisseling en de mobiliteit van jongeren een rol vervullen. De doelstellingen ervan zijn in de bijlage uiteengezet. Artikel 4 1. De Commissie voert de tweede fase van het programma uit overeenkomstig dit besluit. 2. De Commissie wordt daarbij terzijde gestaan door een Raadgevend Comité dat bestaat uit twee vertegenwoordigers per Lid-Staat en dat door de Commissievertegenwoordiger wordt voorgezeten. De leden van het Comité mogen zich door deskundigen of adviseurs laten bijstaan. Het secretariaat van het Comité wordt waargenomen door de Commissie. Een vertegenwoordiger van de Raad van Europa en een vertegenwoordiger van het Jeugdforum van de Europese Gemeenschappen zullen als waarnemer bij de besprekingen van het Comité worden uitgenodigd. 3. Het Comité behandelt iedere kwestie betreffende de tenuitvoerlegging en de evaluatie van het programma. De Commissie moet het Comité raadplegen over: - de strekking van de in het programma beoogde maatregelen, de werking en de evaluatie van het programma; - vraagstukken in verband met het algemeen evenwicht van de uitwisselingen tussen de Lid-Staten en de verschillende soorten acties. 4. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming. Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere Lid-Staat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen. 5. De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het Comité uitgebrachte advies. Zij brengt het Comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies. Artikel 5 De Commissie wordt verzocht er op toe te zien dat het programma en de andere activiteiten van de Lid-Staten van de Gemeenschap inzake jongeren, met name de in het Tempus-programma beoogde uitwisseling van jongeren, met elkaar verenigbaar zijn en elkaar aanvullen. In dit verband wordt rekening gehouden met de activiteiten van de Raad van Europa, onder andere op het gebied van de voorlichting en de opleiding van jeugdwerkers. De Commissie onderhoudt tevens regelmatige contacten met de internationale organisaties die op het gebied van de uitwisseling en de mobiliteit van jongeren werkzaam zijn. Artikel 6 1. De Lid-Staten verlenen bijstand voor de verwezenlijking van de in de bijlage bij dit besluit omschreven doelstellingen van het programma en nemen daartoe passende maatregelen. 2. Elke Lid-Staat: a) wijst een bestaande instantie aan of richt een of meer bevoegde instanties op belast met de cooerdinatie op nationaal niveau van de uitvoering van het programma, zonder dat deze opdracht evenwel andere taken van deze instanties uitsluit. Deze instanties werken samen bij de continue evaluatie van het programma; b) streeft er zoveel mogelijk naar de nodige maatregelen te treffen waardoor jongeren die aan uitwisselingen in het kader van het programma hebben deelgenomen, hun rechten, met name op het gebied van de sociale zekerheid, niet verliezen. Artikel 7 De Commissie neemt de nodige maatregelen voor de continue evaluatie van dit programma, op basis van de door de overeenkomstig artikel 6, lid 2, onder a), aangewezen instanties verstrekte statistische en andere gegevens, en op basis van andere, onafhankelijk daarvan verzamelde gegevens en analyses. Deze evaluatie heeft betrekking op de werking van het programma en op het effect ervan voor de jongeren. Op basis van deze evaluatie legt de Commissie na het eerste jaar van de tweede fase aan het Europese Parlement en de Raad een verslag voor over de tenuitvoerlegging van het programma, waarbij zij rekening houdt met de resultaten van het programma sedert 1 juli 1988. De Raad spreekt zich, op voorstel van de Commissie, vóór het aflopen van het programma uit over een herziening van dit besluit. Gedaan te Brussel, 29 juli 1991. Voor de Raad De Voorzitter H. VAN DEN BROEK (1) PB nr. C 308 van 8. 12. 1990, blz. 6. (2) PB nr. C 158 van 17. 6. 1991. (3) PB nr. C 159 van 17. 6. 1991, blz. 5. (4) PB nr. C 308 van 30. 12. 1976, blz. 1. (5) PB nr. C 193 van 28. 7. 1982, blz. 1. (6) PB nr. C 77 van 6. 4. 1981, blz. 58. (7) PB nr. C 184 van 11. 7. 1983, blz. 22. (8) PB nr. C 10 van 16. 1. 1984, blz. 286. (9) PB nr. L 158 van 25. 6. 1988, blz. 42. BIJLAGE ACTIE I Bevordering van tot uitwisseling en mobiliteit van jongeren leidende projecten 1. Voor deze actie wordt onder "uitwisseling van jongeren" verstaan: proejctgerichte bilaterale uitwisselingen en multilaterale uitwisselingen en ontmoetingen, die worden geregeld op basis van gemeenschappelijke projecten binnen de Gemeenschap tussen groepen jongeren van 15 tot 25 jaar uit twee of meer Lid-Staten, die niet in onderwijsverband in het kader van een beroepsopleiding geschieden. Deze uitwisselingen en ontmoetingen dienen ten minste één week te duren en moeten er specifiek op gericht zijn de deelnemers in staat te stellen vaardigheden voor het actief en werkend bestaan en het beroepsleven te ontwikkelen door: - inzicht te geven in het economische, sociale en culturele leven van het gastland, met name in de omstandigheden en de problemen van jongeren, via rechtstreeks contact met de plaatselijke bevolking van het gastland; - samenwerkingsverbanden tussen groepen jongeren uit verschillende Lid-Staten van de Gemeenschap tot stand te brengen; - hen met de aan de uitwisseling deelnemende jongeren uit andere landen van gedachten te doen wisselen en gemeenschappelijke belangstellingssferen te laten ontdekken; - te bewerkstelligen dat zij zich sterker bewust worden van het feit dat zij tot Europa behoren. 2. De doelstellingen van deze actie van het Jeugd voor Europa-programma zijn: a) bevordering van uitwisselingen van jongeren in de Europese Gemeenschap te behoeve van een toenemend aantal jongeren uit alle Lid-Staten en met name uit gebieden waar gewoonlijk weinig mogelijkheden voor dergelijke uitwisselingen bestaan; b) bevordering van verbeteringen in de kwaliteit van de uitwisselingen van jongeren, met name door bijstand te verlenen bij de voorbereiding en de organisatie van die uitwisselingen, ten einde een optimaal effect te bereiken en de betrokken jongeren er zoveel mogelijk baat bij te doen vinden, met name door hen in staat te stellen bij de organisatie van de uitwisselingen een actieve rol te spelen; c) aanmoediging van zo veel mogelijk diversificatie van uitwisselingen van jongeren en verbetering van het evenwicht daarvan tussen de Lid-Staten, onder andere door de bevordering van multilaterale uitwisselingen, door in het bijzonder jongeren met uiteenlopende sociale, economische en culturele achtergronden daarbij te betrekken; d) ondersteuning van uitwisselingen van jongeren die erop gericht zijn duurzame banden tussen jongeren te creëren. De activiteiten uit hoofde van deze actie moeten met name de deelneming bevorderen van die jongeren die de meeste moeite ondervinden om in de bestaande uitwisselingsprogramma's te worden opgenomen. Om voor communautaire steun in aanmerking te komen, moeten de projecten beantwoorden aan bepaalde gemeenschappelijke criteria ter zake van kwaliteit, effect en doelmatigheid, die aan de doelstellingen van het programma beantwoorden. 3. De volgende maatregelen worden uitgevoerd om jongeren in staat te stellen met uitwisselingen en mobiliteit hun voordeel te doen: a) Directe steun voor projecten die de uitwisseling en mobiliteit van jongeren impliceren a.1. De Gemeenschap zet de ontwikkeling voort van haar stelsel van directe financiële steun aan uitwisselingen van jongeren, die vanuit een expliciet pedagogisch oogpunt worden georganiseerd en die een coherent project vormen. a.1.1. Dergelijke projecten worden zodanig opgezet dat de effecten of de repercussies van de uitwisseling met betrekking tot de samenwerking of vorming van personen of groepen kunnen worden beoordeeld. Uitwisselingen in onderwijsverband of in het kader van een beroepsopleiding worden niet in aanmerking genomen. De steun voor uitwisseling in deze rubriek mag niet meer dan 50 % van de in totaal gemaakte kosten belopen (reis en programma); dit geldt niet voor het in punt a.1.4 bepaalde. a.1.2. Bij de berekening van de steun aan elke Lid-Staat zullen kwantitatieve doelen worden gesteld, afhankelijk van het aantal jongeren tussen 15 en 25 jaar op de totale bevolking van de Lid-Staat. Hierbij wordt eveneens rekening gehouden met: - het bruto nationaal produkt van elke Lid-Staat; - de gemiddelde kosten van de reis tussen de Lid-Staten; - het evenwicht in de uitwisselingsstroner binnen de Gemeenschap, mede in het licht van de taalsituatie in de Europese Gemeenschap. a.1.3. Bij de toekenning van steun wordt voorrang gegeven aan projectgerichte uitwisselingen die: - meer in het bijzonder voor kansarme jongeren bestemd zijn; - jongeren met verschillende sociale, economische en culturele achtergrond samenbrengen; - jongeren bewust maken van de Europese dimensie, bij voorbeeld door de multilaterale opzet ervan; - nadruk leggen op actieve inschakeling van jongeren vanaf het begin van het project; - betrekking hebben op regio's van de Gemeenschap waar weinig uitwisselingsmogelijkheden bestaan; - bestemd zijn voor jongeren die in perifere regio's wonen en/of tot een beperkt taalgebied behoren. a.1.4. Naast de vorenomschreven steunmaatregelen ontwikkelt de Gemeenschap positieve acties ten behoeve van kansarme jongeren. In dit verband kan de financiële steun voor uitwisselingen uit hoofde van deel a.1. voor kansarme jongeren tot maximaal 75 % van de in totaal gemaakte kosten oplopen; de Gemeenschap ondersteunt voorts, voor zover nodig, andere voorbereidende en begeleidende activiteiten ter aanmoediging van de deelneming van kansarme jongeren. Minimaal een derde van de kredieten die uit hoofde van punt a.1 van deze actie van de Lid-Staten ter beschikking worden gesteld, dient ten behoeve van kansarme jongeren te worden benut. a.2. Bij wijze van proef wordt steun verleend voor transnationale projecten om jongeren in staat te stellen deel te nemen aan vrijwilligerswerk in een andere Lid-Staat. Dergelijke werkzaamheden dienen met name te worden georganiseerd op het vlak van vorming en op sociaal, cultureel of milieubeschermingsgebied. Onder "vrijwilligerswerk" worden hier activiteiten verstaan waarbij jongeren hun tijd en krachten wijden aan een maatschappelijk waardevol doel, met uitzondering van vergelijkbare werkzaamheden die in sommige Lid-Staten in het kader van de militaire of vervangende dienstplicht worden verricht. De organisatoren van de uitwisselingen zorgen voor de verzekering van de deelnemers. b) Studiebezoeken en bij- en nascholing voor jeugdwerkers In het kader van de algemene programma-ontwikkeling continueert de Gemeenschap de steun voor korte studiebezoeken voor bij- en nascholing en proefprojecten voor jeugdwerkers, zulks met name om - hen bewust te maken van de situatie van jongeren in andere Lid-Staten; - hen in staat te stellen de voor het organiseren van uitwisselingen noodzakelijke contacten te leggen; - de kennismaking met andere culturen te bevorderen. ACTIE II Begeleidende maatregelen 1. De Commissie kan de voornoemde activiteiten begeleiden en ondersteunen door onder meer maatregelen: a) ter stimulering van de uitvoering van praktische maatregelen met het oog op de bevordering van de mobiliteit van jongeren in de Lid-Staten, met name de in verscheidene Lid-Staten ingevoerde Europese jeugdkaarten, zulks ten einde hun de toegang tot de op nationaal niveau bestaande voorzieningen te vergemakkelijken; b) ter aanmoediging van gezamenlijke activiteiten op het gebied van het jeugdwerk; c) ter verschaffing van technische kennis en steun bij de tenuitvoerlegging van de steun- en subsidieregelingen; d) gericht op het zoeken naar middelen om de diverse hinderpalen voor de deelneming aan of de organisatie van uitwisselingen van jongeren uit de weg te ruimen; e) tot vaststelling, in het licht van de opgedane ervaring, van eventuele nieuwe acties die kunnen worden ondernomen om geconstateerde lacunes in de bestaande jongerenuitwisselingsprogramma's op te vullen. 2. Daarenboven verleent de Commissie bijstand voor de ontwikkeling van activiteiten voor de in artikel 6, punt 2, onder a), van dit besluit bedoelde instanties. Deze activiteiten moeten betrekking hebben op de ontwikkeling van: a) de voorlichting aan jongeren en jeugdwerkers over de uit hoofde van dit programma ondersteunde activiteiten, alsmede de tenuitvoerlegging van systemen voor de aanvraag en toekenning van steun voor elk van deze activiteiten; b) adviesverstrekking om de voorbereiding van uitwisselingen van jongeren en andere projecten die voor steun uit hoofde van dit programma in aanmerking komen, met inbegrip van de organisatie van vormingsprogramma's, waar nodig, praktisch te begeleiden; c) de cooerdinatie van de activiteiten en de uitwisseling van informatie en ervaring tussen de aangewezen instanties in de verschillende Lid-Staten. Deze instanties houden rekening met de activiteiten die op dit gebied in de Lid-Staten worden verricht; d) de evaluatie van de kwalitatieve effecten van het programma.