31991D0298

91/298/EEG: Beschikking van de Commissie van 19 december 1990 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/33.133-B: Natriumcarbonaat - Solvay/CFK) (Slechts de teksten in de Duitse en de Franse taal zijn authentiek)

Publicatieblad Nr. L 152 van 15/06/1991 blz. 0016 - 0020


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 19 december 1990 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag IV/33.133-B: Natriumcarbonaat - Solvay/CFK (Slechts de teksten in de Franse en in de Duitse taal zijn authentiek) (91/298/EEG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste Verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (1), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal, inzonderheid op artikelen 3 en 15,

Gezien het besluit van de Commissie van 19 februari 1990 om overeenkomstig artikel 3 van Verordening nr. 17 ambtshalve een procedure in te leiden.

Na de partijen overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening nr. 17 en overeenkomstig Verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van Verordening nr. 17 van de Raad (2), in de gelegenheid te hebben gesteld hun standpunt ter zake van de punten van bezwaar welke de Commissie in aanmerking heeft genomen, kenbaar te maken,

Na het Raadgevend Comité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities te hebben geraadpleegd,

Overwegende hetgeen volgt:

DEEL I DE FEITEN A. Beknopte beschrijving van de inbreuk (1) a) Deze beschikking volgt op de verificaties die door de Commissie in maart 1989 op grond van artikel 14, lid 3, van Verordening nr. 17 bij de producenten van natriumcarbonaat in de Gemeenschap werden verricht. Bij de verificatie en in het kader van de daarbij aansluitende verzoeken om inlichtingen overeenkomstig artikel 11 van Verordening nr. 17 ontdekte de Commissie bewijsstukken waaruit (onder andere) bleek dat er een inbreuk op artikel 85 van het EEG-Verdrag was gepleegd:

- Solvay et Cie SA, Brussel hierna "Solvay" genoemd;

- Chemische Fabrik Kalk, Keulen hierna "CFK" genoemd.

b) De inbreuk kan als volgt beknopt worden weergegeven:

Inbreuk van Solvay en CFK op artikel 85 Vanaf een onbekende datum omstreeks 1987 tot ten minste 1989 hebben Solvay en CFK zich schuldig gemaakt aan een met artikel 85 strijdige overeenkomst en/of strijdige onderling afgestemde feitelijke gedragingen, waarbij Solvay, voor elk der jaren 1987, 1988 en 1989 aan CFK een minimumafzet garandeerde die werd berekend aan de hand van een formule welke op het afzetvolume van CFK in Duitsland in 1986 van 179 kiloton was gebaseerd, en waarbij CFK bij daling van de afzet het verschil met het gegarandeerde minimum compenseerde.

B. Inbreuk op artikel 85 door Solvay en CFK 1. Toelichting (2) Voor nadere bijzonderheden betreffende het produkt en de markt voor natriumcarbonaat wordt verwezen naar deel I, onder B, van Beschikking 91/297/EEG van de Commissie (Solvay/ICI) (3).

(3) CFK is een dochteronderneming van Kali & Salz AG (Basf-groep), hierna "Kali & Salz" genoemd, en is een van de drie in Duitsland gevestigde producenten van synthetisch natriumcarbonaat. De onderneming heeft momenteel een produktiecapaciteit van circa 260 kiloton. Haar marktaandeel in Duitsland bedraagt rond 15 %.

Solvay is veruit de grootste leverancier op de Duitse markt en heeft een marktaandeel van meer dan 50 %. In Duitsland heeft de onderneming steeds haar activiteiten op het gebied van natriumcarbonaat met inschakeling van haar dochteronderneming Deutsche Solvay Werke, hierna DSW genoemd, uitgeoefend. Tot 1985 was een andere dochteronderneming van Solvay, Kali Chemie (KC), eveneens actief in de natriumcarbonaatsector, doch de activiteiten van deze onderneming zijn volledig opgegaan in die van DSW.

In november 1989 kondigde Solvay plannen aan inzake de reorganisatie van haar activiteiten in Duitsland door de oprichting van een nieuwe 100 %-holding, Solvay Deutschland GmbH, die de zeggenschap over KC zal hebben en 59,7 % van de aandelen in DSW zal bezitten. Deze regelingen hebben echter geen enkele invloed op de verantwoordelijkheid van Solvay voor de inbreuk.

(4) In 1985 heeft DSW getracht de positie van CFK op de Duitse markt te verzwakken door een aantal grote klanten aan de onderneming te onttrekken, doch de kleinere producent compenseerde dit verlies door zelf klanten van Matthes & Weber, hierna M & W genoemd, de andere Duitse producent, over te nemen.

In de loop van 1986 besefte Solvay dat CFK een beleid van prijsverlaging voerde ten einde haar marktaandeel te behouden of uit te breiden. In een telefoongesprek tussen DSW en het hoofdkantoor van Solvay in Brussel op 24 oktober 1986 werd de mogelijkheid van een "wapenstilstand" tussen Solvay en CFK besproken. Volgens DSW zou een "wapenstilstand" met CFK onmogelijk zijn, tenzij er zou worden gesproken over een prijsstijging in 1987. Volgens Solvay moest aan CFK worden gezegd dat na een proefperiode van "wapenstilstand" er wellicht in het tweede kwartaal van 1987 over prijsverhoging zou kunnen worden onderhandeld.

Zowel Solvay als CFK ontkennen met klem ooit een "wapenstilstand" te zijn overeengekomen (in hun antwoorden op verzoeken om inlichtingen overeenkomstig artikel 11). Deze ontkenning moet echter worden beoordeeld in het licht van het bewijsmateriaal dat in de volgende punten aan de orde komt.

2. De "garantie"-overeenkomst (5) Volgens een door DSW in maart 1988 uitgevoerde evaluatie van de natriumcarbonaatmarkt, was de onenigheid met CFK toen "gesust". Uit de door de Commissie ontdekte bewijsstukken blijkt dat tussen Solvay en CFK een overeenkomst was gesloten of een regeling was getroffen waarbij Solvay aan CFK jaarlijks een minimale afzet op de Duitse markt "garandeerde".

Wanneer de verkoop van CFK in Duitsland beneden het gegarandeerde minimum zou blijven, zou Solvay het verschil van CFK kopen.

(6) Oorpsronkelijk was het aan CFK gegarandeerde minimum op 179 kiloton gesteld, een cijfer dat klaarblijkelijk op de afzet van CFK in Duitsland in 1986 was gebaseerd. Geen van de partijen voorzag dat de Duitse markt voor natriumcarbonaat, die in 1986 en 1987 in totaal rond 1 080 kiloton bedroeg, een reële groei zou vertonen.

Zowel in 1987 als in 1988 lag de verkoop van CFK iets boven het gegarandeerde minimum van 179 kiloton (respectievelijk 183 en 180 kiloton). De vraag in Duitsland was namelijk, in tegenstelling tot de verwachtingen, begonnen te stijgen en tegen het eind van 1988 was duidelijk geworden dat de totale afzet in dat jaar rond 1 170 kiloton zou bereiken, een stijging met rond 8,3 % ten opzichte van het voorgaande jaar.

Naar aanleiding van deze stijging van de vraag vroeg CFK een minimumgarantie voor 1988 en 1989 van 194 kiloton. CFK eiste aldus met terugwerkende kracht een "compensatie" van 14 kiloton (194 minus 180) over 1988: hiervan bleef, indien rekening werd gehouden met de garantie voor 1987, 11 kiloton over. De interne vooruitzichten van CFK voor 1989, die in januari van dat jaar waren herzien, bevestigen dat de onderneming haar oorspronkelike planning had gewijzigd waarbij zij de verkoop van 11 kiloton in 1989 aan haar coproducent had meeberekend.

Solvay had eind december 1988 2,5 kiloton aangekocht; CFK wilde dat het in 1989 de overige 8,5 kiloton zou overnemen.

(7) In antwoord op de eis van CFK bood Solvay een maximale compensatie voor 1988 van 4 in plaats van 8,5 kiloton. Zij stelde voor om de garantie voor 1989 slechts met 5,3 % te verhogen in plaats van met 8,3 %, waarbij zij rekening wilde houden met een "neutrale zone" van 3 %. De garantie voor 1989 zou aldus 190 kiloton bedragen in plaats van de 194 die CFK oorspronkelijk had geëist.

Op 14 maart 1989 werd een vergadering gehouden waarbij hoge vertegenwoordigers van CFK en de moederonderneming Kali & Salz, enerzijds, en DSW, anderzijds, aanwezig waren. Zeer veelbetekenend is dat van deze vergadering geen officieel verslag is gemaakt of notulen zijn bijgehouden; hiervan is noch bij CFK noch bij Kali & Salz enig spoor te vinden. Er is echter een korte, met de hand geschreven aantekening betreffende deze vergadering bij DSW aangetroffen. Hieruit blijkt duidelijk dat de vergadering ten doel had één probleem op te lossen, namelijk of de compensatie met terugwerkende kracht diende te worden uitgekeerd. Over het systeem zelf bestond geen onenigheid: de notitie van Solvay luidt "Verstaendnis System: i.O. (= "in Ordnung")". Solvay stelde weliswaar enkele veranderingen voor doch lijkt tevreden te zijn geweest met de wijze waarop de regeling werkte ("Schiff laufen lassen und nach vorn orientieren"). Uit de aantekening blijkt dat beide partijen waren overeengekomen dat Solvay in de volgende acht maanden 1 000 ton per maand van CFK zou aankopen.

De compensatieregeling trad in werking waarbij Solvay in de eerste helft van 1989, overeenkomstig de eis van deze onderneming, bijkomend, 8,5 kiloton van CFK aankocht.

3. Als verweer aangevoerde argumenten (8) Zowel Solvay als CFK ontkennen dat zij een geheime overeenkomst hadden gesloten of een regeling hadden getroffen. Het bezwarende materiaal dat bij DSW is gevonden, verwijst, volgens een verklaring van Solvay, naar een plan dat het in 1988 op volledig unilaterale basis had opgevat toen het overwoog om CFK over te nemen. Ten einde CFK als "going concern" gedurende de onderhandelingen in stand te houden, (zegt Solvay), berekende het (opnieuw zonder enig contact met CFK) het tonnage dat de onderneming op de Duitse markt zou moeten verkopen om een dusdanige benuttingsgraad van haar installaties te bereiken dat haar voortbestaan zou worden gewaarborgd (Solvay verklaart echter niet waarom het een beleid zou voeren dat ertoe leidt dat zij een hogere prijs voor CFK zou moeten betalen dan anders, noch waarom zij, indien het er slechts om gaat een optimale bezettingsgraad van CFK te waarborgen, specifiek naar het afzetvolume van die onderneming op de Duitse markt zou verwijzen). Dit "overlevingstonnage" werd in 1986 door Solvay op 179 kiloton vastgesteld. De regelmatige verwijzingen in de documenten naar een "eis" van CFK en de zeer gedetailleerde berekeningen ter zake impliceren, zo beweert Solvay, geen enkel contact met die onderneming, en dat geldt ook voor de verwijzingen naar een "aanbod" van Solvay of naar een "compromis". Wat de vergadering tussen DSW, CFK en Kali & Salz op 14 maart 1989 betreft, geldt dat deze slechts was bedoeld om de mogelijke verwerving door Solvay van een belang in de activiteiten op het gebied van natriumcarbonaat van CFK te bespreken: pas tijdens deze vergadering liet Solvay voor de eerste keer doorschemeren dat het overwoog CFK te helpen "overleven", doch er werden geen concrete beslissingen genomen en uit de vergadering is niets voortgekomen.

Solvay vond het niet nodig om voor te stellen de betrokken personen te raadplegen ten einde haar argumenten inzake de feiten te bevestigen, noch verzocht zij om een hoorzitting.

CFK ontkende op haar beurt alle betrokkenheid bij een geheime overeenkomst; zij kon geen verklaring geven van de bij DSW aangetroffen documenten en voerde aan dat dit een zaak was die Solvay, doch niet CFK, aanging. Zij stelde dat uit haar documenten geen enkele betrokkenheid bij geheime afspraken blijkt.

(9) De Commissie wijst de door Solvay naar voren gebrachte verklaringen, die hoe dan ook volledig in strijd zijn met de in Solvay's eigen documenten gebruikte bewoordingen, als volkomen ongeloofwaardig van de hand. Het is misschien eveneens veelbetekenend dat een aantal van de desbetreffende documenten over de telefax van DSW naar het hoofdkantoor van Solvay in Brussel werd overgebracht, doch dat van ontvangst ervan aldaar geen spoor is te vinden. Wat de argumenten van CFK betreft, is het een algemene regel dat documenten die bij een onderneming worden aangetroffen en die voor een andere onderneming bezwarend zijn, zowel als bewijs tegen de laatstbedoelde als tegen de eerstbedoelde onderneming kunnen gelden (Arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken 40/73 t/m 48/73, 50/73, 54/73 t/m 56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Suikerunie e.a./Commissie (1) rechtsoverweging 164). Hoe dan ook zijn er verschillende voorbeelden van uitvoerige verwijzingen in de eigen documenten van CFK die eveneens in de documenten van Solvay zijn aangetroffen en die informatie bevatten waarover Solvay niet had kunnen beschikken tenzij deze aan de onderneming was verstrekt. CFK kon geen verklaring geven voor de overeenkomst van de gegevensn haar documenten met die van een andere producent.

DEEL II JURIDISCHE BEOORDELING A. Artikel 85 van het Verdrag 1. Artikel 75, lid 1 (10) Volgens artikel 85, lid 1, van het Verdrag zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

In artikel 85, lid 1 worden als voorbeelden van verboden overeenkomsten met name die overeenkomsten genoemd welke bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van verkoopprijzen, het beperken of controleren van markten of het verdelen van markten tussen producenten.

2. Overeenkomsten/onderling afgestemde feitelijke gedragingen (11) Bij artikel 85, lid 1, worden zowel overeenkomsten als onderling afgestemde gedragingen verboden. In het onderhavige geval meent de Commissie dat, hoewel het onderscheid tussen de twee vormen van verboden heimelijke verstandhouding niet van belang is, de afspraak tussen Solvay en CFK het best kan worden aangemerkt als "overeenkomst" in de zin van artikel 85, lid 1.

Er is sprake van een "overeenkomst" wanneer de partijen het eens worden over een plan waardoor hun commerciële vrijheid wordt of naar alle waarschijnlijkheid zal worden beperkt, doordat wordt vastgesteld hoe zij zich op de markt jegens elkaar zullen gedragen of zich van een bepaald gedrag zullen onthouden. Het is niet noodzakelijk dat partijen de overeenkomst als rechtens bindend beschouwen. Het is immers duidelijk dat, wanneer partijen zich terdege ervan bewust zijn dat zij onrechtmatig handelen, zij aan hun heimelijke afspraken geen contractuele kracht wensen toe te kennen. De overeenkomst behoeft niet afdwingbaar te zijn gemaakt, noch schriftelijk te zijn aangegaan.

3. Beperking van de mededinging (12) In het onderhavige geval is het volmaakt duidelijk dat de overeenkomst ertoe strekt en ten gevolge heeft dat de mededinging wordt beperkt.

Het doel was duidelijk erop gericht om op kunstmatige wijze stabiele marktomstandigheden te creëren. In ruil voor de terugkeer naar een prijsbeleid dat door Solvay niet als verstorend werd beschouwd, garandeerde Solvay aan CFK een minimumaandeel van de Duitse markt. Door het tonnage dat CFK niet kon verkopen, uit de markt te nemen, zorgde Solvay ervoor, dat de prijsniveaus niet als gevolg van de concurrentie daalden. Uit de bewijsstukken blijkt dat de afspraken in praktijk werden gebracht en het beoogde effect hadden. Dergelijke klassieke, voor kartelvorming kenmerkende afspraken zijn van nature concurrentiebeperkend in de zin van artikel 85, lid 1.

4. Invloed op de handel tussen de Lid-Staten (13) Dat het gegarandeerde minimumtonnage slechts betrekking had op de afzet op de Duitse markt sluit de toepassing van artikel 85 geenszins uit. Uit de betrokkenheid van de in Brussel gevestigde onderneming Solvay blijkt duidelijk dat de overeenkomst een onderdeel vormde van haar algemene beleid, dat erop is gericht de markt voor natriumcarbonaat in de Gemeenschap te beheersen. Doel van de afspraken tussen Solvay en CFK was niet alleen om de concurrentie in een aanzienlijk deel van de Gemeenschap te beperken doch tevens om de rigiditeit van de bestaande marktstructuur alsmede de verdeling van deze markt langs nationale grenzen, te handhaven. Het is ook heel wel mogelijk dat het door Solvay op grond van de garantieafspraken overgenomen tonnage anders door CFK op andere communautaire markten zou zijn afgezet.

5. Conclusie (14) De Commissie meent derhalve dat Solvay en CFK inbreuk hebben gepleegd op artikel 85 van het Verdrag doordat zij vanaf omstreeks 1986 tot heden hebben deelgenomen aan een overeenkomst waarbij Solvay aan CFK jaarlijks een minimumafzet in Duitsland garandeerde en, indien de afzet bij het afgesproken minimumtonnage achterbleef, het verschil aankocht.

B.Maatregelen en sancties 1. Verordening nr. 17, artikel 3 (15) Wanneer de Commissie een inbreuk op artikel 85 vaststelt, kan zij overeenkomstig artikel 3 van Verordening nr. 17 de betrokken ondernemingen verplichten daaraan een einde te maken.

In dit geval werden de afspraken in het geheim gemaakt en ondanks het zeer overtuigende bewijsmateriaal, hebben zowel Solvay als CFK steeds ontkend dat zij onderling heimelijke afspraken hadden gemaakt. Het is derhalve onzeker of zij stappen hebben gedaan om aan de heimelijke verstandhouding een eind te maken. Het is dan ook, overeenkomstig artikel 3 van Verordening nr. 17, noodzakelijk van Solvay en CFK te eisen dat zij de inbreuk onmiddellijk beëindigen.

Tevens moeten de partijen zich van overeenkomsten of onderling afgestemde gedragingen met een soortgelijk gevolg onthouden.

2. Verordening nr. 17, artikel 15, lid 2 (16) Op grond van artikel 15, lid 2, van Verordening nr. 17 kan de Commissie aan elk der ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, of artikel 86, deelnemen, bij beschikking geldboeten opleggen van ten minste 1 000 en ten hoogste 1 miljoen ecu, of een hoger bedrag, voor zover dit 10 % van de omzet van de betrokken onderneming in het voorafgaande boekjaar niet overschrijdt. Bij de vaststelling van een geldboete moet niet alleen rekening worden gehouden met de zwaarte, doch ook met de duur van de inbreuk.

a) Zwaarte van de inbreuk (17) De Commissie is van mening dat de inbreuk ernstig was. Overeenkomsten inzake de verdeling van markten zijn van nature sterk concurrentiebeperkend. In het onderhavige geval beperkten de partijen de onderlinge concurrentie door op kunstmatige wijze te trachten stabiele marktomstandigheden te scheppen. Het streven van CFK om een bepaald afzetvolume te bereiken werd verwezenlijkt zonder dat het desbetreffende tonnage tegen concurrerende prijzen in de handel behoefde te worden gebracht. Bij het maken van de afspraken werd tevens een aanzienlijke mate van geheimhouding betracht.

b) Duur van de inbreuk (18) Gezien de weigering van de ondernemingen om inlichtingen te verstrekken is het niet mogelijk om met zekerheid vast te stellen wanneer de overeenkomst werd gesloten. De afspraken werden voor 1987 voor het eerst toegepast op de verkopen van CFK. Bij de vaststelling van de geldboete kan derhalve ervan worden uitgegaan dat de overeenkomst in de loop van dat jaar werd gesloten.

Voor de vaststelling van de hoogte van de geldboete die aan elke producent moet worden opgelegd, neemt de Commissie de machtspositie van Solvay als grootste producent in Duitsland en in de Gemeenschap in aanmerking. Solvay meent dat zij in die hoedanigheid in het bijzonder verantwoordelijk is voor de "stabiliteit" van de markt. CFK is een betrekkelijk kleine natriumcarbonaatproducent, doch was een bereidwillige partner bij de heimelijke onderneming.

(19) De inbreuk werd opzettelijk gepleegd en beide partijen moeten zich van de volstrekte onverenigbaarheid van hun afspraken met het Gemeenschapsrecht terdege bewust zijn geweest.

Aan Solvay werden door de Commissie reeds eerder aanzienlijke geldboeten opgelegd ter zake van heimelijke verstandhouding in de chemische industrie: Beschikking 85/74/EEG (peroxydeprodukten) (1); Beschikking 86/398/EEG (Polypropyleen) (2); Beschikking 89/190/EEG (PVC) (3). Haar activiteiten op het gebied van soda-ash zijn in 1980-1982 door de Commissie aan een onderzoek onderworpen. Hoewel de Commissie zich toen meer in het bijzonder bezighield met de exclusieve verkoopregelingen van Solvay met haar afnemers, moeten degenen die verantwoordelijk waren voor de activiteiten op het gebied van natriumcarbonaat op de hoogte zijn geweest van de noodzaak om de communautaire wetgeving na te leven,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Solvay et Cie SA (Solvay) en Chemische Fabrik Kalk Gmbh (CFK) hebben inbreuk gemaakt op artikel 85 van het EEG-Verdrag door vanaf omstreeks 1987 tot heden deel te nemen aan een overeenkomst inzake de verdeling van de markt waarbij Solvay aan CFK jaarlijks een minimumafzet van natriumcarbonaat in Duitsland garandeerde die op basis van de afzet van CFK in 1986 werd berekend, en waarbij Solvay bij eventuele daling van de afzet, van CFK het verschil met het gegarandeerde minimum aankocht.

Artikel 2

Solvay en CFK dienen onverwijld een einde te maken aan de inbreuk (indien zij dit niet reeds hebben gedaan) en dienen zich voortaan te onthouden van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kunnen hebben.

Artikel 3

Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuk de volgende geldboeten opgelegd:

a) Solvay et Cie SA, Brussel: een boete van 3 miljoen ecu;

b) Chemische Fabrik Kalk GmbH, Keulen: een boete van 1 miljoen ecu.

Artikel 4

De in artikel 3 bedoelde gelboeten dienen binnen drie maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking te worden gestort op of overgeschreven naar de volgende bankrekening:

Nr. 310-0933000-43 Banque Bruxelles Lambert Agence européenne Rond-Point Schuman 5 B-1040 Brussel.

Na afloop van genoemde betalingstermijn is van rechtswege rente verschuldigd tegen de voet die door het Europees Fonds voor Monetaire Samenwerking ter zake van zijn verrichtingen in ecu wordt toegepast op de eerste werkdag van de maand waarin deze beschikking is gegeven, vermeerderd met 3,5 percentpunten, of wel 14 %.

Bij betaling in de nationale valuta van de Lid-Staat waar de voor de betaling aangewezen bank is gevestigd, geschiedt de omrekening op basis van de wisselkoers van de dag voorafgaande aan die waarop de storting geschiedt.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot:

- Solvay et CIE, SA. Prins Albertstraat 33, B-1050 Brussel;

- Chemische Fabrik Kalk GmbH, Kalker Hauptstrasse 22, D-5000 Koeln 91.

Deze beschikking vormt overeenkomstig artikel 192 van het EEG-Verdrag executoriale titel.

Gedaan te Brussel, 19 december 1990.

Voor de Commissie Leon BRITTAN Vice-Voorzitter

(1) PB nr. 13 van 21. 2. 1962, blz. 204/62.

(2) PB nr. 127 van 20. 8. 1963, blz. 2268/63.

(3) Zie bladzijde 1 van dit Publikatieblad.

(1) Jurisprudentie 1975, blz. 1663.

(1) PB nr. L 35 van 7. 2. 1985, blz. 1.

(2) PB nr. L 230 van 18. 8. 1986, blz. 1.

(3) PB nr. L 74 van 17. 3. 1989, blz. 1.