Verordening (EEG) nr. 2204/90 van de Raad van 24 juli 1990 tot vaststelling van aanvullende algemene voorschriften van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ten aanzien van kaas
Publicatieblad Nr. L 201 van 31/07/1990 blz. 0007 - 0008
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 33 blz. 0078
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 33 blz. 0078
***** VERORDENING (EEG) Nr. 2204/90 VAN DE RAAD van 24 juli 1990 tot vaststelling van aanvullende algemene voorschriften van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ten aanzien van kaas DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Europese Parlement (1), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2), Overwegende dat op grond van artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3879/89 (4), vanaf de invoering van die marktordening steun wordt verleend voor in de Gemeenschap geproduceerde en tot caseïne en caseïnaten verwerkte ondermelk; dat deze steun voor de afzet ten doel heeft ervoor te zorgen dat de concurrentiepositie van de producenten van caseïne en caseïnaten in de Gemeenschap vergelijkbaar is met die van de producenten buiten de Gemeenschap wier produkten wegens consolidatie van de douanerechten op de markt van de Gemeenschap tegen wereldmarktprijzen beschikbaar zijn; Overwegende dat de ontwikkeling van de techniek in samenhang met de regeling ter beheersing van de melkproduktie tot gevolg gehad heeft dat caseïne en caseïnaten worden gebruikt in produkten waarvoor de betrokken steun eigenlijk niet was bestemd; dat deze substituties afbreuk hebben gedaan aan de stabiliteit van de zuivelmarkt; dat het weliswaar om concurrentieredenen onontbeerlijk is de steun verder op een behoorlijk peil te handhaven, maar dat tegelijkertijd de nodige maatregelen moeten worden getroffen om te waarborgen dat het evenwicht op de zuivelmarkt niet wordt verstoord en dat caseïne en caseïnaten van oorsprong uit de Gemeenschap en van buiten de Gemeenschap op gelijke voet worden behandeld; Overwegende dat caseïne en caseïnaten enerzijds en kaas anderzijds veel gemeenschappelijke kenmerken hebben zodat kaas een produkt is dat bijzonder gevoelig is voor bovengenoemde substituties; dat het derhalve dienstig is op communautair vlak alleen voorschriften te stellen voor het gebruik van caseïne en caseïnaten in kaas; Overwegende dat de Lid-Staten voor het goed functioneren van die regeling moeten toezien op de inachtneming van de desbetreffende verplichtingen; dat daartoe met name controlevoorschriften en strafmaatregelen moeten worden vastgesteld; dat deze strafmaatregelen van die aard moeten zijn dat daardoor minstens het uit het ongeoorloofde gebruik van de betrokken produkten voortvloeiende economische voordeel wordt opgeheven, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Caseïne en caseïnaten mogen niet zonder voorafgaande toestemming bij de bereiding van kaas worden gebruik, welke toestemming slechts wordt verleend als dit gebruik een noodzakelijke voorwaarde voor de bereiding van de produkten vormt. Volgens de procedure van artikel 30 van Verordening (EEG) nr. 804/68 bepaalt de Commissie, aan de hand van objectieve criteria die worden opgesteld rekening houdend met wat technologisch noodzakelijk is, de omstandigheden waarin de Lid-Staten deze toestemming verlenen alsmede de maximale verwerkingspercentages. Artikel 2 In de zin van deze verordening wordt verstaan onder: a) kaas: op het grondgebied van de Gemeenschap bereide produkten van GN-code 0406; b) caseïne en caseïnaten: produkten van de GN-codes 3501 10 90 en 3501 90 90, als zodanig of gemengd gebruikt. Artikel 3 1. De Lid-Staten voeren een regeling in met volgende administratieve en fysieke controles: a) verplichte aangifte van de vervaardigde hoeveelheden en soorten kaas en van de in de verschillende produkten verwerkte hoeveelheden caseïne en caseïnaten; b) de verplichting voor elk bedrijf een voorraadadministratie bij te houden die het mogelijk maakt de vervaardigde hoeveelheden en soorten kaas, de aangekochte en/of vervaardigde hoeveelheden caseïne en caseïnaten en bestemming en/of gebruik daarvan na te gaan; c) frequente en onaangekondigde controles ter plaatse om de voorraadadministratie te vergelijken met de betreffende handelsbescheiden en de feitelijke voorraden; deze controles moeten betrekking hebben op een representatief percentage van de onder a) bedoelde aangiften om de juistheid daarvan na te gaan. 2. De Lid-Staten delen de Commissie alle maatregelen ter uitvoering van deze verordening mee, alsmede de maatregelen om te garanderen dat de betrokkenen op de hoogte worden gesteld van de strafrechtelijke maatregelen of van de bestuursrechtelijke sancties die tegen hen kunnen worden getroffen bij overtreding van deze verordening die aan het licht komt - hetzij op grond van volgens lid 1 genomen maatregelen, - hetzij bij welke controle dan ook die de overheid uitvoert ten opzichte van ondernemingen die kaas bereiden, maar die niet aan lid 1 zijn onderworpen. 3. Onverminderd de door de betrokken Lid-Staat vastgestelde of nog vast te stellen strafmaatregelen moet voor de zonder toestemming gebruikte hoeveelheden caseïne en caseïnaten een bedrag worden betaald dat gelijk is aan het verschil tussen de op basis van de interventieprijs voor magere-melkpoeder bepaalde waarde van de ondermelk enerzijds en de marktprijs voor caseïne en caseïnaten anderzijds, vermeerderd met 10 %. De betrokken waarden en prijzen worden bepaald volgens de procedure van artikel 30 van Verordening (EEG) nr. 804/68. Artikel 4 Na één jaar toepassing van het door deze verordening ingestelde stelsel, stelt de Commissie een verslag op betreffende de werking en de invloed ervan, eventueel vergezeld van passende voorstellen. Artikel 5 De uitvoeringsbepalingen van deze verordening worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30 van Verordening (EEG) nr. 804/68. Artikel 6 Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij is van toepassing met ingang van 15 oktober 1990. Tot aan die datum blijven de van kracht zijnde bepalingen, en met name die van artikel 2, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 987/68 van de Raad van 15 juli 1968 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van steun voor ondermelk die tot caseïne en caseïnaten is verwerkt (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1435/90 (2), van toepassing. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 24 juli 1990. Voor de Raad De Voorzitter C. MANNINO (1) Advies uitgebracht op 13 juli 1990 (nog niet verschenen in het Publikatieblad). (2) Advies uitgebracht op 4 juli 1990 (nog niet verschenen in het Publikatieblad). (3) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 13. (4) PB nr. L 378 van 27. 12. 1989, blz. 1. (1) PB nr. L 169 van 18. 7. 1968, blz. 6. (2) PB nr. L 138 van 31. 5. 1990, blz. 8.