VERORDENING (EEG) Nr. 1000/90 VAN DE COMMISSIE van 20 april 1990 tot voortzetting van de acties inzake verkoopbevordering en reclame in de sector melk en zuivelprodukten
Publicatieblad Nr. L 101 van 21/04/1990 blz. 0022 - 0025
***** VERORDENING (EEG) Nr. 1000/90 VAN DE COMMISSIE van 20 april 1990 tot voortzetting van de acties inzake verkoopbevordering en reclame in de sector melk en zuivelprodukten DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 1079/77 van de Raad van 17 mei 1977 inzake een medeverantwoordelijkheidsheffing en maatregelen ter verruiming van de markten in de sector melk en zuivelprodukten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1113/89 (2), en met name op artikel 4, Overwegende dat de acties inzake verkoopbevordering en reclame, waarmee krachtens Verordening (EEG) nr. 723/78 van de Commissie (3), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1223/78 (4), is begonnen en die laatstelijk op grond van Verordening (EEG) nr. 381/89 van de Commissie (5), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3748/89 (6), werden voortgezet, een doeltreffend middel zijn gebleken om de markten voor zuivelprodukten in de Gemeenschap te vergroten; dat het derhalve dienstig is deze acties ook in het melkprijsjaar 1990/1991 voort te zetten en aan te vullen; Overwegende dat derhalve aan de organisaties die de zuivelsector in een of meer Lid-Staten of in de Gemeenschap vertegenwoordigen, opnieuw dient te worden verzocht gedetailleerde door hen uit te voeren programma's voor te stellen; Overwegende dat de organisaties of de bedrijven waaraan deze acties worden toevertrouwd, aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen; dat er met name op moet worden gelet dat steun wordt verleend voor in de Gemeenschap vervaardigde zuivelprodukten; dat daarbij de richtsnoeren in aanmerking moeten worden genomen die de Commissie in haar Mededeling betreffende de betrokkenheid van de Lid-Staten bij acties ter bevordering van de verkoop van landbouw- en visserijprodukten (7) heeft vastgesteld; dat de activiteiten van deze organen of bedrijven met name niet strijdig mogen zijn met het doel van de regeling, die erin bestaat de afzet van zuivelprodukten bestemd voor rechtstreeks verbruik te bevorderen; dat het derhalve onontbeerlijk is om organen of bedrijven die zich toeleggen op de produktie, de distributie of de bevordering van de verkoop van imitatieprodukten van melk en zuivelprodukten, van de uitvoering van de acties uit te sluiten; Overwegende dat opnieuw een geïntegreerd marktonderzoek moet worden uitgevoerd en een reclamestrategie moet worden uitgewerkt om de doeltreffendheid van de ten uitvoer gelegde maatregelen na te gaan; Overwegende dat voor het overige met inachtneming van de opgedane ervaring, de bepalingen van de vroegere verordeningen grotendeels kunnen worden overgenomen; Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelprodukten, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Overeenkomstig de bepalingen van deze verordening worden acties inzake reclame en verkoopbevordering gesteund om de menselijke consumptie van melk en zuivelprodukten in de Gemeenschap te stimuleren. 2. Als acties in de zin van lid 1 gelden met name: - studiebijeenkomsten, cursussen of congressen tot verbetering van de kennis en de opleiding en/of voor de bijscholing van personen die beroepshalve betrokken zijn bij de verkoop van melk en zuivelprodukten of bij de voorlichting over het gebruik van deze produkten, - geïntegreerd marktonderzoek om de doeltreffendheid van de ten uitvoer gelegde maatregelen na te gaan, - uitwerking van een strategie voor de opzet van reclameacties op langere termijn, - ontwerpen van een Gemeenschapslogo ter bevordering van het verbruik van echte melk en zuivelprodukten, - verdere uitvoering van een voorlichtingsprogramma op communautaire schaal. De Commissie kan voor bovengenoemde maatregelen inschrijvingen houden. De inschrijvers moeten met name het bewijs leveren dat zij reeds internationaal met goed gevolg verkoopbevorderende en reclamecampagnes gevoerd hebben. 3. Deze acties moeten voltooid zijn binnen een termijn van één jaar na de ondertekening van het contract als bedoeld in artikel 5, lid 3, en in ieder geval vóór 1 oktober 1991. In uitzonderingsgevallen kan echter overeenkomstig artikel 5, lid 2, een langere termijn worden overeengekomen om de betrokken acties zo doeltreffend mogelijk te maken. 4. De in lid 3 vastgestelde termijn sluit niet uit dat later verlenging daarvan kan worden overeengekomen indien de contractsluitende partij vóór het verstrijken van de uitvoeringstermijn de bevoegde instantie daarom verzoekt en bewijst dat zij, wegens buitengewone omstan digheden waarvoor zij niet verantwoordelijk is, de oorspronkelijk vastgestelde termijn niet in acht kan nemen. Deze verlenging mag niet meer dan zes maanden bedragen. 5. Voor acties die worden uitgevoerd vanaf 1 februari 1990, en in geval van boterconcentraat vanaf 1 januari 1990, kan een communautaire bijdrage worden verleend, indien een contract als bedoeld in artikel 5, lid 3, wordt gesloten. Artikel 2 1. De in artikel 1, leden 1 en 2, bedoelde acties inzake reclame en verkoopbevordering: a) moeten worden voorgesteld door organisaties die de zuivelsector in een of meer Lid-Staten of in de Gemeenschap vertegenwoordigen; b) moeten beperkt blijven tot het grondgebied van de Lid-Staat of de Lid-Staten waarvan de zuivelsector door de betrokken organisatie wordt vertegenwoordigd; c) moeten voor zover mogelijk worden uitgevoerd door de organisatie die deze voorstelt. Indien deze organisatie subcontractanten moet inschakelen, moet het voorstel een behoorlijk met redenen omkleed verzoek tot afwijking van deze bepaling bevatten; d) moeten: - worden gevoerd via de meest geschikte reclamemedia, om de actie zo doeltreffend mogelijk te maken; - zijn afgestemd op de specifieke omstandigheden ten aanzien van de afzet en het verbruik van melk en zuivelprodukten in de verschillende gebieden van de Gemeenschap; - van algemene strekking zijn en met name niet zijn afgestemd op merken van private ondernemingen; - het gebruik van de in de Gemeenschap geproduceerde zuivelprodukten stimuleren zonder dat melding wordt gemaakt van het land of gebied van vervaardiging; dit sluit evenwel niet uit dat de traditionele naam van het produkt, die de naam van een plaats, een streek of een bepaald land van de Gemeenschap omvat, wordt vermeld; - eventueel de werkingssfeer van in uitvoering zijnde acties verruimen, maar mogen er niet voor in de plaats komen. Voorstellen van organisaties die zich geheel of gedeeltelijk toeleggen op de produktie, de distributie of de bevordering van de verkoop van imitatieprodukten voor melk en zuivelprodukten, worden niet in aanmerking genomen. 2. De in artikel 1 genoemde acties worden uitgevoerd door instellingen die: a) over de voor de uitvoering van de voorgestelde actie vereiste kwalificaties en ervaring beschikken; b) een goede afloop van de werkzaamheden garanderen. 3. De bijdrage van de Gemeenschap bedraagt 90 % van de uitgaven. Voor de in artikel 1, lid 2, tweede tot vijfde streepje, bedoelde acties is die bijdrage echter 100 %. 4. Voor de toepassing van lid 3 wordt geen rekening gehouden met de administratiekosten die aan de uitvoering van de betrokken acties verbonden zijn. Dat geldt niet voor de in artikel 1, lid 2, tweede tot en met vijfde streepje, genoemde acties. 5. De algemene kosten die aan de in artikel 1, leden 1 en 2, bedoelde acties zijn verbonden, worden slechts gefinancierd tot een bedrag dat binnen een maximum van 10 000 ecu ten hoogste gelijk is aan 2 % van het totale goedgekeurde bedrag. Artikel 3 1. De betrokkenen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a), wordt verzocht bij de door hun Lid-Staat aangewezen bevoegde instantie, hierna »bevoegde instantie" te noemen, gedetailleerde voorstellen voor de in artikel 1, leden 1 en 2, bedoelde acties in te dienen. Indien de voorgestelde acties geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd op het grondgebied van een of meer andere Lid-Staten dan die waar de betrokken organisatie haar zetel heeft, zendt zij een kopie van haar voorstel naar de bevoegde instanties van die andere Lid-Staten. 2. De voorstellen moeten vóór 1 juni 1990 in het bezit zijn van de bevoegde instantie. Als deze termijn niet in acht wordt genomen, wordt het voorstel als onbestaand beschouwd. 3. De overige bepalingen voor de bediening van de voorstellen zijn die welke door de bevoegde instanties zijn bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, reeks C. Artikel 4 1. In de voorstellen moeten worden vermeld: a) de naam en het adres van de betrokkene; b) alle details over de voorgestelde acties met uitvoerige beschrijving en motivering, alsmede de termijn van uitvoering, de verwachte resultaten en de derden die eventueel bij de uitvoering betrokken worden; c) een uitvoerige toelichting bij de opzet van het hele programma; d) de voor deze acties gevraagde nettoprijs exclusief belastingen, uitgedrukt in de valuta van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de betrokkene is gevestigd, met specificatie per post en financieringsplan; posten die meer dan 20 % van het totaalbedrag uitmaken moeten worden uitgesplitst; e) de gewenste wijze van betaling van de communautaire bijdrage overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a), b) of c); f) het meest recente verslag over de werkzaamheden van de betrokkenen, voor zover de bevoegde instantie het niet reeds in haar bezit heeft. 2. Een voorstel is slechts geldig als: a) de indiener voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder a); b) het vergezeld gaat van een verklaring waarin de gegadigde zich ertoe verplicht: - de bepalingen van deze verordeningen in acht te nemen; - naast de uitvoering van de op grond van artikel 1, leden 1 en 2, voorgestelde maatregelen een bedrag voor reclameacties uit te geven, dat overeenkomt met het gemiddelde jaarlijkse bedrag dat hij in de periode van 1 januari 1975 tot en met 31 december 1977 aan soortgelijke acties heeft besteed. Artikel 5 1. Vóór 1 juli 1990: a) onderzoekt de bevoegde instantie samen met de Commissie en een groep deskundigen op het gebied van marketing, reclame en zuivelafzettechnieken of de ontvangen voorstellen en, eventueel, de aanvullende bewijsstukken formeel en materieel aan de voorwaarden voldoen. Zij gaat na of de voorstellen in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 4 en vraagt de betrokkene zo nodig om aanvullingen; b) stelt de bevoegde instantie een lijst op van alle ontvangen voorstellen en stuurt zij deze lijst naar de Commissie, samen met een kopie van elk voorstel en de eventuele aanvullende documenten, vergezeld van een met redenen omkleed advies waarin met name wordt verklaard of het voorstel al dan niet aan de bepalingen van de verordening voldoet. 2. Na de betrokken bedrijfssectoren te hebben gehoord en na onderzoek van de voorstellen door het Comité van beheer voor melk en zuivelprodukten uit hoofde van artikel 31 van Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad (1), stelt de Commissie vóór 1 augustus 1990 de lijst op van de voorstellen die voor financiering in aanmerking komen. 3. Voor de geaccepteerde acties sluiten de bevoegde instanties vóór 1 oktober 1990 met de betrokkenen contracten af die worden opgemaakt in ten minste twee exemplaren en ondertekend door de betrokkene en de bevoegde instantie. Daartoe maken de bevoegde instanties gebruik van modelcontracten die de Commissie te hunner beschikking stelt. 4. Wanneer het om de voortzetting van vroegere acties op communautaire schaal gaat, stelt de Commissie de lijst van de voorstellen die voor financiering in aanmerking komen, pas op na voorlegging van het verslag over de uitvoering van de betrokken maatregelen tot dan toe; de bevoegde instanties sluiten de contracten vóór 1 januari 1991 met de belanghebbenden af. 5. De betrokkenen worden door de bevoegde instantie zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de ten aanzien van hun voorstellen genomen beslissing. Artikel 6 1. In het in artikel 5, lid 3, bedoelde contract: a) worden de in artikel 4, lid 1, bedoelde gegevens of verwijzingen daarnaar vermeld; b) worden, eventueel, bijkomende voorwaarden voortvloeiende uit de toepassing van artikel 5, lid 1, vermeld. 2. De bevoegde instantie ziet met name door middel van controles ter plaatse toe op de naleving van de contractuele bepalingen. Artikel 7 1. De bevoegde instantie betaalt de betrokkene, overeenkomstig de in zijn voorstel vermelde keuze: a) hetzij binnen zes weken na de dag van ondertekening van het contract, één voorschot ten belope van 60 % van de overeengekomen bijdrage van de Gemeenschap; b) hetzij met tussenpozen van twee maanden, vier gelijke voorschotten, elk ten bedrage van 20 % van de overeengekomen bijdrage van de Gemeenschap, waarbij het eerste voorschot wordt betaald binnen zes weken na de dag van ondertekening van het contract; c) hetzij binnen zes weken na de dag van ondertekening van het contract, één voorschot ten belope van 80 % van de overeengekomen bijdrage van de Gemeenschap; deze wijze van betaling kan echter slechts worden bedongen voor acties die volledig worden uitgevoerd binnen een termijn van ten hoogste twee maanden na de dag van ondertekening van het contract. Tijdens de uitvoering van een contract kan de bevoegde instantie echter: - de uitbetaling van een voorschot geheel of ten dele uitstellen indien zij, met name bij de in artikel 6, lid 3, bedoelde controles, constateert dat er onregelmatigheden zijn gebeurd bij de uitvoering van de betrokken acties of dat er een aanzienlijk tijdsverschil is tussen de datum waarop het voorschot zou worden uitbetaald en de datum waarop de betrokkene de voorgenomen uitgaven werkelijk zal doen; - in uitzonderingsgevallen de uitbetaling van een voorschot, op een met redenen omkleed verzoek van de betrokkene, geheel of ten dele vervroegen wanneer de betrokkene een aanzienlijk deel van de uitgaven moet doen op een datum die veel vroeger valt dan de datum waarop de bijdrage van de Gemeenschap in deze uitgaven zou worden uitbetaald. 2. Een voorschot mag pas worden uitbetaald nadat bij de bevoegde instantie een zekerheid is gesteld die gelijk is aan het voorschot, verhoogd met 10 %. 3. De zekerheden mogen slechts worden vrijgegeven en het saldo mag door de bevoegde instantie slechts worden uitbetaald, indien: a) de bevoegde instantie heeft vastgesteld dat de betrokkene de in het contract vastgestelde verplichtingen is nagekomen; b) het in artikel 8, lid 1, bedoelde verslag bij de bevoegde instantie is ingediend en deze laatste de in het verslag vermelde gegevens heeft geverifieerd. Op een met redenen omkleed verzoek van de betrokkene kan het saldo echter na uitvoering van de maatregel en na bediening van het in artikel 8 bedoelde verslag worden uitbetaald, mits zekerheden zijn gesteld ter dekking van de totale bijdrage van de Gemeenschap, verhoogd met 10 %; c) de bevoegde instantie heeft geconstateerd dat de betrokkene, of een in het contract genoemde derde, zijn eigen bijdrage voor de vastgestelde doeleinden heeft uitgegeven. 4. Voor zover niet aan de in lid 3 bedoelde voorwaarden is voldaan, worden de zekerheden verbeurd. In dat geval wordt het betrokken bedrag in mindering gebracht op de uitgaven van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, en meer in het bijzonder op de uitgaven voor de maatregelen bedoeld in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 1079/77. Artikel 8 1. Alle betrokkenen aan wie de uitvoering van een actie als bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, is opgedragen, moeten binnen vier maanden na de in het contract voor de uitvoering van de actie vastgestelde einddatum bij de bevoegde instantie een gedetailleerd verslag indienen over de aanwending van de toegewezen communautaire middelen en over de verwachte resultaten van de betrokken acties, met name ten aanzien van de ontwikkeling van de verkoop van melk en zuivelprodukten. 2. De bevoegde instantie doet de Commissie voor elk uitgevoerd contract een verklaring toekomen volgens welke het contract naar behoren is uitgevoerd, alsmede een exemplaar van het eindverslag. Artikel 9 Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 20 april 1990. Voor de Commissie Ray MAC SHARRY Lid van de Commissie (1) PB nr. L 131 van 26. 5. 1977, blz. 6. (2) PB nr. L 118 van 29. 4. 1989, blz. 5. (3) PB nr. L 98 van 11. 4. 1978, blz. 5. (4) PB nr. L 152 van 8. 6. 1978, blz. 11. (5) PB nr. L 44 van 16. 2. 1989, blz. 24. (6) PB nr. L 364 van 14. 12. 1989, blz. 57. (7) PB nr. C 272 van 28. 10. 1986, blz. 3. (1) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 13.