31990L0656

Richtlijn 90/656/EEG van de Raad van 4 december 1990 inzake de in Duitsland toepasselijke overgangsmaatregelen met betrekking tot sommige communautaire bepalingen op het gebied van milieubescherming

Publicatieblad Nr. L 353 van 17/12/1990 blz. 0059 - 0064
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 10 blz. 0019
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 10 blz. 0019


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 4 december 1990 inzake de in Duitsland toepasselijke overgangsmaatregelen met betrekking tot sommige communautaire bepalingen op het gebied van milieubescherming (90/656/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel

130 S,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Europese Parlement(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

Overwegende dat de Gemeenschap een complex van bepalingen inzake milieubescherming heeft vastgesteld;

Overwegende dat vanaf het tijdstip van de Duitse eenwording het Gemeenschapsrecht van rechtswege van toepassing is op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek;

Overwegende dat echter rekening dient te worden gehouden met de aldaar heersende bijzondere situatie inzake het milieu;

Overwegende dat Duitsland ertoe in staat moet worden gesteld voor de invoering van bepaalde regelingen op dit grondgebied overeenkomstig het Gemeenschapsrecht een afwijkende termijn vast te stellen;

Overwegende dat de afwijkingen waartoe in dit verband wordt besloten, van tijdelijke aard dienen te zijn en het functioneren van de gemeenschappelijke markt, en met name de mededingingssituatie, zo weinig mogelijk dienen te verstoren; dat deze afwijkingen niet gelden voor nieuwe installaties;

Overwegende dat de toestand van het milieu op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek zodanig is dat een ingrijpende sanering vereist is om aan de in de communautaire wetgeving opgenomen kwaliteitsnormen, grenswaarden en andere verplichtingen inzake milieubescherming te voldoen;

Overwegende dat de voor de aanpassing vereiste tijd afhankelijk is van de uitgangssituatie op het betrokken grondgebied enerzijds, en van de maatregelen die noodzakelijk zijn om aan de communautaire eisen te voldoen anderzijds; dat derhalve geen uniforme termijn kan worden vastgesteld;

Overwegende dat de maatregelen die op de diverse, door deze richtlijn bestreken terreinen moeten worden genomen, dikwijls niet alleen een aanpassing van de produktie, maar ook de bouw van nieuwe installaties vereisen; dat deze maatregelen het bestaan van een aangepaste administratieve structuur en de invoering van meet- en controlenetten impliceert; dat bijgevolg rekening moet worden gehouden met termijnen van verscheidene jaren om de situatie op milieugebied met het Gemeenschapsrecht in overeenstemming te brengen;

Overwegende dat aan de hand van de beschikbare informatie over de situatie op het gebied van regelgeving en over de toestand van het milieu op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratisch Republiek de aard van de aanpassingen en de draagwijdte van de vereiste afwijkingen niet definitief kunnen worden vastgesteld; dat, om rekening te kunnen houden met de ontwikkeling van deze situatie, in een vereenvoudigde procedure dient te worden voorzien, overeenkomstig artikel 145, derde streepje, van het Verdrag,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Kwaliteit van het oppervlaktewater

1. In afwijking van Richtlijn 75/440/EEG(4) en van Richtlijn 79/869/EEG(5) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen dat de kwaliteitsnormen voor oppervlaktewater, alsook de referentiemeetmethoden en de bemonsterings- en analysefrequenties waarin bij deze richtlijnen is voorzien, uiterlijk op 31 december 1995 in acht moeten worden genomen.

2. Duitsland dient uiterlijk op 31 december 1992 bij de Commissie een saneringsplan in waarin is aangegeven door middel van welke maatregelen de doelstellingen van de in lid 1 genoemde richtlijnen binnen de vermelde termijn kunnen worden bereikt.

Artikel 2

Kwaliteit van het zwemwater

In afwijking van Richtlijn 76/160/EEG(6) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen dat de uit genoemde richtlijn voortvloeiende verplichtingen uiterlijk op 31 december 1993 moeten worden nagekomen.

Artikel 3

Lozing van gevaarlijke stoffen

1. In afwijking van de Richlijnen 76/464/EEG(7), 82/176/EEG(8), 83/513/EEG(9), 84/156/EEG(10), 84/491/EEG(11), 86/280/EEG(12) en 88/347/EEG(13) wordt Duitsland gemachtigd om de bij deze richtlijnen vastgestelde bepalingen ten aanzien van de industriële bedrijven die op de datum van de Duitse eenwording op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek zijn gevestigd, uiterlijk met ingang van 31 december 1992 toe te passen.

2. Een aanzienlijke uitbreiding van de capaciteit voor de verwerking van gevaarlijke stoffen van een bestaand bedrijf wordt beschouwd als een nieuw bedrijf in de zin van artikel 2, onder g), van Richtlijn 86/280/EEG.

3. De leden 1 en 2 zijn, wat Richtlijn 86/280/EEG betreft, alleen van toepassing op de in bijlage II bij deze richtlijn voorkomende stoffen.

4. De in artikel 4 van Richtlijn 84/156/EEG en in artikel 5 van Richtlijn 86/280/EEG bedoelde specifieke programma's moeten uiterlijk op 31 december 1992 zijn voltooid en ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 4

Kwaliteit van het viswater

In afwijking van Richtlijn 78/659/EEG(14) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen dat de uit genoemde richtlijn voortvloeiende verplichtingen uiterlijk met ingang van 31 december 1992 moeten worden nagekomen.

Artikel 5

De vogelstand

In afwijking van Richtlijn 79/409/EEG(15) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen dat de uit de artikelen 3 en 4 van genoemde richtlijn voortvloeiende verplichtingen inzake de instelling van beschermingszones en de toezending van gegevens uiterlijk op 31 december 1992 moeten worden nagekomen.

Binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de Duitse eenwording dient Duitsland de gebieden te bepalen om deze onder de speciale beschermingszones te brengen.

In afwachting van de inwerkingtreding van de beschermingsmaatregelen overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van genoemde richtlijn vergewist Duitsland zich ervan dat aan het beschermingspotentieel van die gebieden door optreden van overheidswege geen afbreut wordt gedaan.

Artikel 6

Bescherming van het grondwater tegen verontreiniging

1. In afwijking van Richtlijn 80/68/EEG(16) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen dat de uit genoemde richtlijn voortvloeiende verplichtingen uiterlijk op 31 december 1995 moeten worden nagekomen voor de lozingen van tot lijst I of lijst II behorende stoffen die al vóór de datum van de Duitse eenwording plaatsvonden.

2. De in artikel 15 van Richtlijn 80/68/EEG bedoelde inventarissen van vergunningen moeten zo spoedig mogelijk en in ieder geval vóór het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn worden voltooid.

3. Duitsland dient uiterlijk op 31 december 1992 bij de Commissie een saneringsprogramma in voor het in dit artikel bedoelde grondwater met het doel het doordringen van tot lijst I en lijst II behorende stoffen in het grondwater te verhinderen respectievelijk te beperken overeenkomstig Richtlijn 80/68/EEG.

Artikel 7

Kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water

1. In afwijking van Richtlijn 80/778/EEG(17) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen dat de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen uiterlijk op 31 december 1995 moeten worden nagekomen. Duitsland dient zich echter in te spannen om dit doel reeds vanaf 31 december 1991 te verwezenlijken. Indien de kwaliteits()normen van Richtlijn 80/778/EEG op deze datum niet zijn gehaald, verstrekt Duitsland aan de Commissie onmiddellijk alle ter zake dienstige inlichtingen, vergezeld van een saneringsplan waarin wordt aangegeven door middel van welke maatregelen ervoor kan worden gezorgd dat uiterlijk op 31 december 1995 aan de normen van de richtlijn wordt voldaan.

Artikel 8

Luchtkwaliteit voor zwaveldioxyde en zwevende deeltjes

1. In afwijking van Richtlijn 80/779/EEG(18) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen, wat deze richtlijn betreft, dat:

de in artikel 3, lid 1, van voornoemde richtlijn bedoelde verplichtingen uiterlijk op 31 december 1991 moeten worden nagekomen;

de in artikel 3, lid 2, van voornoemde richtlijn bedoelde verplichtingen, waaraan tegen 1 oktober 1982, respectievelijk 1 april 1986 dient te worden voldaan, uiterlijk op 31 december 1991, respectievelijk 31 december 1995, moeten worden nagekomen.

Artikel 9

Risico's van zware ongevallen

1. In afwijking van Richtlijn 82/501/EEG(19) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen dat de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot de industriële activiteiten die aldaar op de datum van de Duitse eenwording worden uitgeoefend, uiterlijk op 1 juli 1992 moeten worden nagekomen.

2. Wat de in lid 1 bedoelde industriële activiteiten betreft, wordt Duitsland gemachtigd om te bepalen dat de in artikel 9, lid 4, van Richlijn 82/501/EEG en artikel 2, lid 2, van Richtlijn 87/216/EEG(20) bedoelde aanvullende verklaring uiterlijk op 1 juli 1994 bij de bevoegde autoriteit moet worden ingediend.

Artikel 10

Lood in de lucht

In afwijking van Richtlijn 82/884/EEG(21) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen, wat deze richtlijn betreft, dat:

de in artikel 3, lid 1, van voornoemde richtlijn bedoelde verplichting uiterlijk op 31 december 1991 moet worden nagekomen;

de in artikel 3, lid 2, van voornoemde richtlijn bedoelde verplichting om de Commissie in te lichten uiterlijk op 31 december 1991 moet worden nagekomen;

()de verplichting om bij de Commissie projecten voor een geleidelijke verbetering in te dienen, als bedoeld in artikel 3, lid 3, eerste zin, van voornoemde richtlijn uiterlijk op 31 december 1992 moet worden nagekomen;

de verplichting om de in de richtlijn vastgestelde grenswaarden te halen , als bedoeld in artikel 3, lid 3, derde zin, van voornoemde richtlijn uiterlijk op 1 juli 1994 moet worden nagekomen.

Artikel 11

Door industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging

In afwijking van Richtlijn 84/360/EEG(22) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen dat als datum waarmee in artikel 2, punt 3, van voornoemde richtlijn voor het omschrijven van de bestaande inrichtingen wordt gerekend, de datum van de Duitse eenwording geldt.

Artikel 12

Luchtkwaliteitsnormen voor stikstofdioxyde

In afwijking van Richtlijn 85/203/EEG(23) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen, wat deze richtlijn betreft, dat:

de verplichting om de in artikel 3, lid 1, van voornoemde richtlijn bedoelde grenswaarde voor stikstofconcentraties in de lucht in acht te nemen, uiterlijk op 31 december 1991 van voornoemde richtlijn moet worden nagekomen;

de in artikel 3, lid 2, van voornoemde richtlijn bedoelde termijnen worden verlengd tot uiterlijk 31 december 1991;

de termijn voor het mededelen van verbeteringsplannen, als bedoeld in artikel 3, lid 2, tweede alinea, eerste zin, van voornoemde richtlijn wordt vastgesteld op uiterlijk 31 december 1992;

de in artikel 3, lid 2, in fine, van voornoemde richtlijn vermelde maximumtermijn tot uiterlijk 31 december 1995 wordt verlengd.

Artikel 13

Verwijdering van afgewerkte olie

In afwijking van Richtlijn 87/101/EEG(24) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek, wat deze richtlijn betreft, te bepalen dat als datum waarmee in artikel 3 voor het omschrijven van bestaande bedrijven wordt gerekend, de datum van de Duitse eenwording geldt.

Artikel 14

Milieuverontreiniging door asbest

In afwijking van Richtlijn 87/217/EEG(25) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen, wat deze richtlijn betreft, dat:

de uit artikel 14, lid 1, van voornoemde richtlijn voortvloeiende verplichtingen uiterlijk op 31 december 1991 moeten worden nagekomen;

de uit artikel 14, lid 2, van voornoemde richtlijn voortvloeiende verplichtingen uiterlijk op 30 juni 1993 moeten worden nagekomen.

Artikel 15

Beperking van door grote stookinstallaties veroorzaakte milieuverontreiniging

1. In afwijking van Richtlijn 88/609/EEG(26) wordt Duitsland gemachtigd om voor het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek te bepalen, wat deze richtlijn betreft, dat:

in artikel 2, punten 9 en 10, van voornoemde richtlijn de datum 1 juli 1987 wordt vervangen door 1 juli 1990;

in artikel 3, lid 1, van voornoemde richtlijn de datum 1 juli 1990 voor de opstelling van beperkingsprogramma's wordt vervangen door 1 juli 1992.

2. In bijlage I bij Richtlijn 88/609/EEG worden de gegevens betreffende Duitsland als volgt gewijzigd:

0123456789

Lid-Staat199319982003199319982003199319982003

"Duitsland5 0003 000 (3)2 0001 500-40 (3)-60-70(3)--

(3)De onder deze rubriek aangegeven waarde moet door Duitsland met ingang van 1 jaunari 1996 in acht worden genomen.".

3. In bijlage II bij Richtlijn 88/609/EEG worden de gegevens betreffende Duitsland al volgt gewijzigd:

0123456

Lid-Staat199319981993199819931998

"Duitsland1 090872 (4)654-20-40--

(4)De onder deze rubriek aangegeven waarde moet door Duitsland met ingang van 1 januari 1996 in acht worden genomen.".

Artikel 16

Afvalstoffen

1. In afwijking van artikel 8 van Richtlijn 75/442/EEG(27) en van artikel 9 van Richtlijn 78/319/EEG(28) wordt Duitsland, behoudens wat betreft nieuwe installaties, gemachtigd de nodige maatregelen te nemen om te bereiken dat uiterlijk op 31 december 1995 op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek aan de uit deze richtlijnen voortvloeiende verplichtingen wordt voldaan.

2. Duitsland dient uiterlijk op 31 december 1991 bij de Commissie saneringsplannen in die aan de eisen van artikel 6 van Richtlijn 75/442/EEG en van artikel 12 van Richtlijn 78/319/EEG beantwoorden en die het mogelijk maken de in lid 1 genoemde termijn in acht te nemen.

Artikel 17

Kennisgeving

Duitsland stelt de Commissie onverwijld in kennis van de ter uitvoering van de artikelen 1 tot en met 16 genomen maatregelen; de Commissie doet hiervan mededeling aan de andere Lid-Staten en aan het Europese Parlement.

Artikel 18

1. Er kan worden besloten om maatregelen te nemen tot aanpassing, om in manifeste leemten te voorzien, of tot technische aanpassing van de maatregelen die het voorwerp van deze richtlijn zijn.

2. De aanpassingen moeten gericht zijn op een coherente toepassing van de communautaire voorschriften op het door deze richtlijn bestreken gebied op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie aldaar en de bijzondere moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van deze voorschriften.

De aanpassingen moeten in overeenstemming zijn met de beginselen waarop deze voorschriften berusten en nauw aansluiten bij een van de in deze richtlijn beoogde afwijkingen.

3. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen worden vastgesteld:

wat artikel 1 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 11 van Richtlijn 79/869/EEG;

wat artikel 2 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 11 van Richtlijn 76/160/EEG;

wat artikel 4 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 14 van Richtlijn 78/659/EEG;

wat artikel 5 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 17 van Richtlijn 79/409/EEG;

wat artikel 7 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 15 van Richtlijn 80/778/EEG;

wat artikel 8 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 14 van Richtlijn 80/779/EEG;

wat artikel 9 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 16 van Richtlijn 82/501/EEG;

wat artikel 10 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 11 van Richtlijn 82/884/EEG;

wat artikel 12 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 14 van Richtlijn 85/203/EEG;

wat artikel 14 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 12 van Richtlijn 87/217/EEG;

wat artikel 16 betreft, overeenkomstig de procedure van artikel 19 van Richtlijn 78/319/EEG.

4. In de gevallen die niet onder de in lid 1 vermelde procedures vallen, kunnen de maatregelen bedoeld in lid 3 worden vastgesteld overeenkomstig de volgende procedure, na bijeenroeping van een ad hoc comité, samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie.

Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven door de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad na verloop van een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de indiening van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

5. De in de leden 1 en 2 bedoelde aanpassingen kunnen slechts worden vastgesteld tot de uiterste data die in deze richtlijn voor de integrale toepassing van de respectieve richtlijnen zijn bepaald; de toepassing ervan is tot dezelfde data beperkt. De op basis van dit artikel mogelijk geworden aanvullingen kunnen slechts tot en met 31 december 1992 worden vastgesteld; de toepassing ervan is beperkt tot de uiterste data die in deze richtlijn voor de integrale toepassing van de respectieve richtlijnen zijn vastgesteld, en bij gebreke van dergelijke data tot ten laatste 31 december 1995.

6. Indien het noodzakelijk blijkt om een bij deze richtlijn vastgestelde uiterste datum voor de toepassing van een afwijking te verschuiven, kan deze datum volgens de procedure van lid 3 of lid 4 worden verschoven, maar niet tot na 31 december 1995.

7. Bij eventuele moelijkheden kunnen de Lid-Staten zich tot de Commissie wenden. De Commissie onderzoekt de kwestie met spoed en legt haar conclusies voor, die enventueel vergezeld gaan van passende maatregelen.

Artikel 19

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 4 december 1990.

Voor de RaadDe VoorzitterG. DE MICHELIS

(1)PB nr. L 263 van 26. 9. 1990, blz. 42, gewijzigd op 25 oktober 1990 en 28 november 1990.

(2)Advies uitgebracht op 21 november 1990 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).

(3)Advies uitgebracht op 20 november 1990 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).

(4)PB nr. L 194 van 25. 7. 1975, blz. 34.

(5)PB nr. L 271 van 29. 10. 1979, blz. 44.

(6)PB nr. L 31 van 5. 2. 1976, blz. 1.

(7)PB nr. L 129 van 18. 5. 1976, blz. 23.

(8)PB nr. L 81 van 27. 3. 1982, blz. 29.

(9)PB nr. L 291 van 24. 10. 1983, blz. 1.

(10)PB nr. L 74 van 17. 3. 1984, blz. 49.

(11)PB nr. L 274 van 17. 10. 1984, blz. 11.

(12)PB nr. L 181 van 4. 7. 1986, blz. 16.

(13)PB nr. L 158 van 25. 5. 1988, blz. 35.

(14)PB nr. L 222 van 14. 8. 1978, blz. 1.

(15)PB nr. L 103 van 25. 4. 1979, blz. 1.

(16)PB nr. L 20 van 26. 1. 1980, blz. 43.

(17)PB nr. L 229 van 30. 8. 1980, blz. 11.

(18)PB nr. L 229 van 30. 8. 1980, blz. 30.

(19)PB nr. L 230 van 5. 8. 1982, blz. 1.

(20)PB nr. L 85 van 28. 3. 1987, blz. 36.

(21)PB nr. L 378 van 31. 12. 1982, blz. 15.

(22)PB nr. L 188 van 26. 7. 1984, blz. 20.

(23)PB nr. L 87 van 27. 3. 1985, blz. 1.

(24)PB nr. L 42 van 11. 1. 1987, blz. 43.

(25)PB nr. L 85 van 28. 3. 1987, blz. 40.

(26)PB nr. L 336 van 7. 12. 1988, blz. 1.

(27)PB nr. L 194 van 25. 7. 1975, blz. 39.

(28)PB nr. L 84 van 31. 3. 1978, blz. 43.