VERORDENING (EEG) Nr. 3437/89 VAN DE COMMISSIE van 15 november 1989 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 685/69 betreffende de uitvoeringsbepalingen van interventiemaatregelen op de markt voor boter en room -
Publicatieblad Nr. L 331 van 16/11/1989 blz. 0029 - 0029
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 30 blz. 0203
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 30 blz. 0203
***** VERORDENING (EEG) Nr. 3437/89 VAN DE COMMISSIE van 15 november 1989 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 685/69 betreffende de uitvoeringsbepalingen van interventiemaatregelen op de markt voor boter en room DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 763/89 (2), en met name op artikel 6, lid 7, Overwegende dat in artikel 23, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 685/69 van de Commissie (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3600/88 (4), is bepaald dat wanneer de boter in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van vervaardiging wordt opgeslagen, het opslagcontract slechts mag worden gesloten indien het bewijs wordt geleverd dat de boter aan de in de Lid-Staat van vervaardiging geldende voorwaarden voor de toekenning van steun voor particuliere opslag voldoet; Overwegende dat krachtens artikel 23, lid 6, van voornoemde verordening de steunaanvraag uiterlijk dertig dagen na de dag van inslag bij het interventiebureau moet worden ingediend en dat binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen na de dag van registrering van voornoemde aanvraag het opslagcontract moet worden gesloten; Overwegende dat voor de particuliere opslag van produkten in de gevallen waarbij boter in een andere Lid-Staat dan in die waarin zij is vervaardigd, is opgeslagen bovenbedoeld bewijs niet altijd binnen de voor het sluiten van de contracten vastgestelde termijn kan worden geleverd omdat er ten gevolge van de administratieve procedures, en niet ten gevolge van nalatigheid van de opslagbedrijven, vertraging is ontstaan; Overwegende dat rekening houdende met deze moeilijkheid artikel 23, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 685/69 in die zin moet worden gewijzigd dat voor het sluiten van de opslagcontracten in de in lid 5 van genoemd artikel bedoelde gevallen, een termijn moet gelden van ten hoogste zestig dagen na de dag van inslag; Overwegende dat, op verzoek van de betrokkenen, moet worden toegestaan dat deze bepaling voor de inslagperiode van 1 april tot en met 15 september 1989 met terugwerkende kracht geldt voor zover bovenbedoeld bewijs niet binnen de vastgestelde termijn kon worden geleverd, maar de opslagbedrijven daarbij geen schuld treft; Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelprodukten, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Aan artikel 23, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 685/69 wordt de volgende alinea toegevoegd: »In het in lid 5 bedoelde geval moet het opslagcontract worden gesloten binnen een termijn van ten hoogste zestig dagen na de dag van inslag.". Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Wanneer de boter is opgeslagen in een andere Lid-Staat dan in die waarin zij is vervaardigd, kan voor boter die met ingang van 1 april 1989 is ingeslagen, het opslagcontract worden gesloten wanneer de betrokkene daarom verzoekt en wanneer hij aan de bevoegde instantie kan aantonen dat het in artikel 23, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 685/69 bedoelde bewijs buiten zijn wil en uitsluitend ten gevolge van vertraging bij de administratieve procedures niet binnen de termijn van dertig dagen na de dag van registrering van de aanvraag, doch wel binnen een termijn van ten hoogste zestig dagen na de datum van inslag kon worden geleverd. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 15 november 1989. Voor de Commissie Ray MAC SHARRY Lid van de Commissie (1) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 13. (2) PB nr. L 84 van 29. 3. 1989, blz. 1. (3) PB nr. L 90 van 15. 4. 1969, blz. 12. (4) PB nr. L 313 van 19. 11. 1988, blz. 21.