31987R2501

Verordening (EEG) nr. 2501/87 van de Commissie van 24 juni 1987 houdende vaststelling van de kenmerken van elke in de Gemeenschap geproduceerde tabakssoort

Publicatieblad Nr. L 237 van 20/08/1987 blz. 0001 - 0023
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 24 blz. 0073
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 24 blz. 0073


VERORDENING (EEG) Nr. 2501/87 VAN DE COMMISSIE

van 24 juni 1987

houdende vaststelling van de kenmerken van elke in de Gemeenschap geproduceerde tabakssoort

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE

GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 727/70 van de Raad van 21 april 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1576/86 (2), en met name op artikel 2, lid 6,

Overwegende dat in artikel 2, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 727/70 een definitie wordt gegeven van het begrip tabakssoort volgens de botanische kenmerken, de teelttechnieken en de produktiegebieden; dat al deze elementen samen een nauwkeurige identificatie van elke soort mogelijk maken;

Overwegende dat op basis van de waarnemingen en de beschikbare technische gegevens voor elke soort een fiche kon worden opgesteld waarin, onder de rubrieken »specifieke kenmerken" en »produktieomstandigheden", bovengenoemde elementen zijn verwerkt, met uitzondering van de produktiegebieden, die bij een andere maatregel zijn vastgesteld; dat, rekening houdend met de gegevens die jaarlijks door de Lid-Staten worden medegedeeld, de gegevens op elke fiche voor de betrokken soort kunnen worden gewijzigd; dat momenteel de in de bijlage genoemde elementen moeten worden aangehouden;

Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor tabak,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

De botanische kenmerken en de teelttechnieken als bedoeld in artikel 2, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 727/70 worden voor elke in de Gemeenschap geproduceerde tabakssoort vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende in de bijlage opgenomen fiches.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van de oogst 1987.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 24 juni 1987.

Voor de Commissie

Frans ANDRIESSEN

Vice-Voorzitter

(1) PB nr. L 94 van 28. 4. 1970, blz. 1.

(2) PB nr. L 139 van 24. 5. 1986, blz. 1.

BIJLAGE

Soort nr. 1: Badischer Geudertheimer en hybriden daarvan

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Na generaties uit oude landrassen verkregen soort van Duitse oorsprong; zuiver uitgeselecteerd; gecertificeerd zaad of verkregen van gecertificeerd zaad. // 1.2. Botanische en morfologische: // Onder normale teeltomstandigheden ongeveer 1,70 m hoge plant met gemiddeld 15 tot 20 oogstbare bladeren die schuin op de stengel staan met een gemiddelde bladafstand van 10 tot 11 cm. Bladeren rechtop, top van de bladschijf afhangend. Bladeren groot, ovaal of elliptisch, groen tot donkergroen, licht glanzend. Onder normale teeltomstandigheden vroegrijp. // 1.3. Pedoklimatologische: // Lichte en diepe humusgrond met voldoende watertoevoer in laaggelegen gebieden met een matige luchtvochtigheid. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 32 000 tot 38 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Met de hand of machinaal bij volle bloei; eventueel wegnemen van de dieven. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad per bladsoort. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld 2 500 tot 3 000 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »air curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // Naar bladsoort (laagblad, laag middenblad, hoog middenblad en topblad) en in ten minste drie kwaliteitsklassen gesorteerde tabak. Presentatie: gebost, in losblad of in gestrekt losblad in homogene balen.

Soort nr. 2: Badischer Burley E en hybriden daarvan

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // a) Badischer Burley: geslaagd Burley-type, teruggekruist uit White-Burley en dubbele Geudertheimer. Zuiver uitgeselecteerd. Gecertificeerd zaad of verkregen van gecertificeerd zaad. // // b) Bursanica: Burley-type, resistent tegen Peronospora, kruising met Bel 61/10. Zuiver uitgeselecteerd. Gecertificeerd zaad of verkregen van gecertificeerd zaad. // // c) BB16F, kruising B21 x Bel en White Burley. // 1.2. Botanische en morfologische: // a) Badischer Burley: Onder normale teeltomstandigheden hoge plant, ongeveer 1,80 m met gemiddeld 15 tot 20 oogstbare bladeren. Laagblad en laag middenblad horizontaal op de stengel en topblad rechtop met een bladafstand van gemiddeld 10 cm. Grote bladeren, breed-ovaal, lichtgroen tot geelgroen. Onder normale teeltomstandigheden vroege bloei van het middengedeelte en topblad zeer onregelmatig vroegrijpend. // // b) Bursanica: Onder normale teeltomstandigheden zeer hoge plant, ongeveer 1,90 m met gemiddeld 17 tot 22 oogstbare bladeren. Laagblad en laag middenblad horizontaal op de stengel en topblad rechtop. Grote bladeren, ovaal of breed-ovaal, lichtgroen tot geelgroen, rimpelig tot zeer rimpelig. Onder normale teeltomstandigheden middentijds tot laat bloeiend en middentijds tot laat rijpend met bladeren die lichter worden of vroegtijdig geel worden. // // c) BB16F: Onder normale teeltomstandigheden konische plant, ongeveer 1,60 m met 15 tot 18 oogstbare bladeren. Bladeren halfelliptisch of elliptisch, lichtgroen tot geelgroen wanneer rijp. Hexagonale inflorescentie met roze bloemen. // 1.3. Pedoklimatologische: // Zand- en leemachtige gronden, met voldoende watertoevoer en een matige luchtvochtigheid. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Badischer Burley en Bursanica: gemiddeld 32 000 tot 35 000 planten/ha. BB16F: gemiddeld 28 000 tot 32 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Met de hand of machinaal bij volle bloei, eventueel wegnemen van de dieven. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad per bladsoort of gehele plant. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 2 200 tot 3 000 kg/ha. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »air curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // Tabak gesorteerd per bladsoort (laagblad, laag middenblad, hoog middenblad en topblad) en in ten minste drie kwaliteitsklassen; gebost of in homogene balen met losblad of gestrekt losblad.

Soort nr. 3: Virgin D

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Duitse Virginia-variëteit, sedert midden van de vijftiger jaren geteeld, Y-virus-resistent. Selectie van het Instituut van Forchheim uit Amerikaanse Virginia. Zuiver uitgeselecteerd; gecertificeerd zaad of verkregen van gecertificeerd zaad. // 1.2. Botanische en morfologische: // Onder normale teeltomstandigheden hoge plant, ongeveer 1,80 m, gemiddeld 14 tot 18 oogstbare bladeren; bladeren rechtopstaand, middelmatig tot groot, ovaal of breed-ovaal, geprononceerde nervatuur, lichtgroen. Bladafstand gemiddeld 10 tot 11 cm. Middenvroeg bloeiend en rijpend. // 1.3. Pedoklimatologische: // Snel opwarmende lichte zandachtige tot leemachtige grond, met voldoende watertoevoer. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // a) Gemiddeld 30 000 tot 35 000 planten/ha. // // b) Gemiddeld 18 000 tot 22 000 planten/ha op zeer zandachtige en zeer filtrerende gronden. // 2.2. Toppen: // Over het algemeen niet of laat; wegnemen van de dieven. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, al naar gelang van de rijpheid, per bladsoort. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 600 tot 2 000 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Heteluchtdroging in speciale ovens (bulks) die geschikt zijn voor »flue curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // Tabak gesorteerd naar bladsoort in drie klassen: I, II of III; presentatie: gebost of in homogene balen met losblad of gestrekt losblad.

Soort nr. 4 a): Paraguay en hybriden daarvan

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Cultivar PB (Paraguay x Bell). Gecertificeerd zaad of verkregen van gecertificeerd zaad. // 1.2. Botanische en morfologische: // Konische plant; bladeren afstaand of rechtop, schuin tot schuin verticaal op de stengel. Bladeren iets toegespitst, over het algemeen ovaal, min of meer afgeplat, vrij stevig; zijnerven min of meer scherphoekig op de hoofdnerf. Compact bloemgestel met enkelvoudige vertakkingen. Bloemen met weinig toegespitste kelkbladeren die vastzitten aan de bloembuis. Roze of rode samengegroeide kroonbladeren. Onder normale teeltomstandigheden hoge plant, ongeveer 1,70 m, met gemiddeld 14 tot 16 oogstbare bladeren. // 1.3. Pedoklimatologische: // Lichte en diepe humusgrond in laaggelegen streken en heuvelgebieden met gematigd klimaat. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 34 000 tot 40 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Bij 14 tot 16 bladeren per plant; wegnemen van de dieven. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad per bladsoort (drie of vier) of gehele plant. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 2 200 tot 3 200 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »air curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // Per bladsoort, vier bladsoorten in homogene balen.

Soort nr. 4 b): Dragon vert en hybriden daarvan, Philippin, Appelterre, Flobecq en Semois

Dragon vert

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Oorsprong onbekend; deze soort is ca. 1870 in Noord-Frankrijk binnengebracht. // 1.2. Botanische en morfologische: // Middelmatig grote, tamelijk vroegrijpe plant in de vorm van twee kegels met eenzelfde basis. Vrij korte internodiën. Bladstand 5/13. Ovale, lancetvormige bladeren met een lange, zeer dikke bladsteel met brede en golvende vleugels, weinig ontwikkelde bladoortjes die lichtjes op de stengel aflopen en afhangende bladpunt. De nervatuur van de bladeren is erg ontwikkeld, de hoofdnerf is vrij dik en de talrijke zijnerven staan in een scherpe hoek op de hoofdnerf. // 1.3. Pedoklimatologische: // Groeit goed op diepe humusgrond in gebieden met een gematigd klimaat die de invloed ondergaan van de zee. Goede resistentie tegen de wind. // 2. Produktievoorwaarden // Zoals voor soort nr. 4 a) - Paraguay.

Philippin

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Inheemse Belgische soort die sedert 1947 wordt verbouwd. Selectie uit een oude soort uit de streek van Wervik. // 1.2. Botanische en morfologische: // Halfcilindrische, breed uitlopende plant. Bladeren groot, ovaal, halfopgericht; vroegrijp; gesloten bladstand. Kleur van de bladeren: groen, roze bloemen. // 1.3. Pedoklimatologische: // Kleiachtige zandgrond met voldoende watertoevoer; gematigd maritiem klimaat. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 25 000 tot 35 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Bij 16 tot 20 bladeren per plant; wegnemen van de dieven. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, voor de drie bladsoorten. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld ongeveer 3 500 tot 3 700 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging gedurende drie weken onder plastic of in tunnel, vervolgens »fire curing" waarbij cokes of gas als brandstof wordt gebruikt. // 2.6. Presentatie en sortering: // Gewoonlijk ongebost, maar altijd in balen, tabak gesorteerd in drie klassen.

Appelterre

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Lokale soort uit de streek rond Appelterre (Oost-Vlaanderen). // 1.2. Botanische en morfologische: // Piramidale plant. Bladeren lancetvormig, middelmatig groot, vroegrijp, stevig weefsel. Gesloten bladstand. Kleur van de bloemen lichtroze - wit. // 1.3. Pedoklimatologische: // Kleiachtige zandgrond; gematigd maritiem klimaat. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 25 000 tot 35 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Bij 16 tot 20 bladeren per plant; wegnemen van de dieven. // 2.3. Oogst: // Boomoogst (gehele plant). // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld ongeveer 2 500 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging onder afdak of in droogschuren die geschikt zijn voor »air curing"; achteraf geen »fire curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // Ongebost in balen; tabak gesorteerd in drie klassen.

Flobecq

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Oude soort uit Henegouwen en Oost-Vlaanderen. // 1.2. Botanische en morfologische: // Piramidale plant, vrij klein. Bladeren lancetvormig. Vroegrijp. Gemiddeld 40 tot 50 cm hoog. Bladeren 12 tot 13 cm breed. Kleur van de bladeren groen tot blauwachtig groen, roze bladeren. // 1.3. Pedoklimatologische: // Kleiachtige zandgrond tot kleiachtige grond, gematigd klimaat. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // ± 26 000 planten/ha, soms 28 000 planten. // 2.2. Toppen: // Bij 15 tot 17 bladeren per plant; wegnemen van de dieven (olie of »off-shoot"). // 2.3. Oogst: // Boomoogst (gehele plant). // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden ongeveer 2 500 kg/ha. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »air curing" of in plastic tunnel; achteraf geen »fire curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // De tabak is altijd gebost. Gesorteerd in drie klassen.

Semois

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen door selectie in een populatie van de Semoisvallei uit lokale soorten. // 1.2. Botanische en morfologische: // Piramidale plant. Bladeren breed, zeer lancetvorming en langgerekt, vroegrijp. Gesloten bladstand. Kleur van de bladeren: blauwgroen, roze bloemen. // 1.3. Pedoklimatologische: // Kleiachtige steengrond met voldoende watertoevoer; vochtig klimaat. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 30 000 tot 35 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Bij 16 tot 20 bladeren per plant; wegnemen van de dieven. // 2.3. Oogst: // Boomoogst (gehele plant). // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld ongeveer 1 500 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in schuren die geschikt zijn voor »air curing"; achteraf geen »fire curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // In ongeboste of geboste balen; tabak gesorteerd in drie klassen.

Soort nr. 5: Nijkerk

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Stamt af van een oude Hollandse soort van het Virginia-type. Gecertificeerd zaad of verkregen van gecertificeerd zaad. // 1.2. Botanische en morfologische: // Wortelstelsel krachtig en vertakt. Stengel dik en erg konische plant met korte internodiën; bladeren zittend met brede oortjes, aflopend op de stengel, met glimmende bladschijf. Bladstand: 3/8. Plant met vertakte stengel en konische vorm. Bladeren schuin tot horizontaal, schuin verticaal op de stengel, vrij smal, lang, lancetvormig, vrij stevige structuur; zijnerven in scherpe hoek op de hoofdnerf. Inflorescentie met uiteenstaande vertakkingen en dicht opeen. Bloemen met weinig toegespitste kelkbladeren die aan de bloembuis vastzitten. Roze of rode samengegroeide, maar eerder lange bloemkroonbladeren. Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld ongeveer 1,70 m hoge plant. // 1.3. Pedoklimatologische: // Middelmatige tot zware grond in droge produktiegebieden. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 12 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Bij 10 tot 12 bladeren; wegnemen van de dieven. // 2.3. Oogst: // Gehele plant. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld 900 tot 1 300 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »air curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // Per bladsoort, in balen met gestrekt losblad.

Soort nr. 6: Misionero en hybriden daarvan

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Soort Caiollo Misionero, van oorsprong uit Argentinië. // 1.2. Botanische en morfologische: // Vertakt, vrij goed ontwikkeld wortelgestel. Rechte, konische stengel met vrij korte internodiën. Zittende bladeren met vrij geprononceerde oortjes. Bladstand: 3/8. Rechte, konische plant; bladeren half opgericht; schuin horizontaal op de stengel. Bladeren niet toegespitst, zeer smal, elliptisch, gemiddelde structuur; zijnerven scherphoekig op de hoofdnerf. Roze bloemen met weinig toegespitste kelkbladeren en samengegroeide kroonbladeren. Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld 20 tot 25 oogstbare bladeren per plant. // 1.3. Pedoklimatologische: // Vrij diepe grond in laaggelegen streken en heuvelgebieden met gematigd klimaat. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 28 000 tot 32 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Wordt over het algemeen niet toegepast. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld 1 600 tot 2 200 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »air curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // Naar kwaliteit, alle bladsoorten dooreen in balen met losblad.

Soort nr. 7: Bright

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Door kruising en/of selectie verkregen uit Virginia van Noordamerikaanse oorsprong. // 1.2. Botanische en morfologische: // Onder normale teeltomstandigheden zeer hoge plant, gemiddeld ongeveer 2 meter hoog, met 28 tot 35 bladeren, cilindrisch of konisch afgeplat; vertakt wortelgestel; stevige, groene stengel; bladeren zittend, eirond of lancetvormig, groen, geribd, regelmatige en weinig geprononceerde nerven; open inflorescentie met witte tot roze bloemen. // 1.3. Pedoklimatologische: // Luchtige tot lichte, diepe grond, fris met voldoende watertoevoer. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // a) Gemiddeld 30 000 tot 40 000 planten/ha om produkten te verkrijgen die nicotinearm zijn en een matig aroma hebben. // // b) Gemiddeld 15 000 tot 30 000 planten/ha en getopt om produkten te krijgen die rijker zijn aan een meer uitgesproken aroma. // 2.2. Toppen: // Alleen voor de plantdichtheid 15 000 tot 30 000 planten/ha. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad in vier tot zes keer. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld // // a) 2 200 tot 2 700 kg/ha, // // b) 2 000 tot 2 400 kg/ha. // 2.5. Droging: // Heteluchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »flue curing" (bulks). // 2.6. Presentatie en sortering: // Los, per oogst, over het algemeen in balen.

Soort nr. 8: Burley I

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen, door kruising en/of selectie, van Noordamerikaanse White Burley. // 1.2. Botanische en morfologische: // Onder normale teeltomstandigheden zeer hoge plant, gemiddeld ongeveer 2,0 m, met 40 tot 50 bladeren, cilindrisch tot afgeknot kegelvormig; vertakt wortelgestel, sterke lichtgroene tot roomkleurig witte stengel, lichte en niet kleverige bladeren; weinig geprononceerde middennerf; halfopen inflorescentie met roomkleurige tot roze bloemen. // 1.3. Pedoklimatologische: // Diepe, halflichte, luchtige en frisse, vruchtbare grond, met voldoende watertoevoer. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // a) Gemiddeld 30 000 tot 40 000 planten/ha voor het verkrijgen van produkten met een matig tot gering nicotinegehalte met bladoogst en -droging. // // b) Gemiddeld 18 000 tot 25 000 planten/ha voor het verkrijgen van produkten met een hoog nicotinegehalte en een typisch geprononceerd aroma en gemengde oogst en droging (blad voor blad en gehele plant). // 2.2. Toppen: // Alleen bij plantdichtheid b). // 2.3. Oogst: // Blad voor blad bij plantdichtheid a) en gemengd (blad voor blad en gehele plant) bij plantdichtheid b). // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld: // // a) 2 500 tot 3 500 kg/ha, // // b) 2 200 tot 2 700 kg/ha. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »air curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // In losblad of gebost, over het algemeen verpakt in balen.

Soort nr. 9: Maryland

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen, door kruising en/of selectie, van Amerikaanse Maryland. // 1.2. Botanische en morfologische: // Onder normale teeltomstandigheden hoge plant, gemiddeld ongeveer 1,80 m, met 30 tot 35 bladeren, afgeknot kegelvormig; sterke helgroene bladeren. Bladeren zittend, eirond of lancetvormig, helgroen, licht en weinig kleverig, middennerf en zijnerven weinig geprononceerd. Inflorescentie met min of meer helroze bloemen. // 1.3. Pedoklimatologische: // Diepe, vruchtbare, frisse grond met voldoende watertoevoer. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // a) Gemiddeld 30 000 tot 40 000 planten/ha om een produkt te verkrijgen met een gering nicotinegehalte, een typische smaak en een eerder matig aroma. // // b) Gemiddeld 18 000 tot 25 000 planten/ha om een produkt te verkrijgen dat meer wordt gekenmerkt door de volheid van smaak en het aroma. // 2.2. Toppen: // Wordt over het algemeen niet toegepast. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad of boomoogst (gehele plant). // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddelde plantdichtheid a) en b): 2 200 tot 2 700 kg/ha. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »air curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // Losblad of gebost, over het algemeen verpakt in balen.

Soort nr. 10: Kentucky

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen, door kruising en/of selectie, van het Noordamerikaanse »fire cured"-type. // 1.2. Botanische en morfologische: // Onder normale teeltomstandigheden sterke, cilindrische of konische plant, gemiddeld 1,8 tot 2,0 m, 24 tot 28 bladeren; bladeren zittend, voetblad eirond, topblad lancetvormig, donkergroen. Middennerf en zijnerven vrij geprononceerd, vrij stevige structuur, open inflorescentie met lichtroze bloemkroon. // 1.3. Pedoklimatologische: // Tamelijk lichte, frisse, diepe grond, van nature vruchtbaar en rijk aan organische stoffen. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 10 000 tot 12 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Bij 14 tot 20 bruikbare bladeren per plant. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, zelden boomoogst (gehele plant). // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld 1 500 tot 2 100 kg/ha. // 2.5. Droging: // Heteluchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »fire curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // Gebost, over het algemeen verpakt in balen.

Soort nr. 11: Forchheimer Havana II c)

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Selectie van Forchheimer. // 1.2. Botanische en morfologische: // Sterke plant, cilindrisch; onder normale teeltomstandigheden tot 35 bladeren, rechthoekig op de stengel. Bladeren zittend, eirond of elliptisch, met weinig geprononceerde hoofdnerf en zijnerven; tamelijk stevige structuur. Halfopen inflorescentie met bloemen die een lichtroze bloemkroon vormen. // 1.3. Pedoklimatologische: // Diepe en vruchtbare humusgrond. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 25 000 tot 28 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Hoog, bij 18 tot 20 bladeren. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld 2 000 tot 2 500 kg/ha. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in rudimentaire lokalen van diverse structuur en gebouwd met allerhand materiaal. // 2.6. Presentatie en sortering: // Per bladsoort, gebost, over het algemeen verpakt in balen.

Soort nr. 11 b): Nostrano del Brenta

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Inheems ras, dat van ouds geacclimatiseerd is. // 1.2. Botanische en morfologische: // Kegelvormige plant; onder normale teeltomstandigheden 20 tot 24 bladeren, min (»avanetta") of meer (»avanone") rechtopstaand; donkergroene stengel; zeer losse inflorescentie; bladeren zittend, eirond (»avanone") of afgerond (»avanetta"), donkergroen naar blauw zwemend, glad (»avanone"), (»avanetta liscia") of gerimpeld (»avanetta riccia"). Geprononceerde hoofdnerf. De bloem vormt een lichtroze bloemkroon. // 1.3. Pedoklimatologische: // Gedijt goed op kalkhoudende grond, bij voorkeur op de bodem van het dal of op het laagste gedeelte van de helling. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 28 000 tot 30 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Laag, bij 10 tot 12 bladeren. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad of gehele plant. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden gemiddeld 1 500 tot 1 900 kg/ha. // 2.5. Droging: // Luchtdroging in droogschuren die geschikt zijn voor »air curing" met voorbehandeling van de groene bladeren voor Nostrano. // 2.6. Presentatie en sortering: // Gebost, in balen.

Soort nr. 11 c): Resistente 142

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen uit Noordamerikaanse »Comstok Spanish". // 1.2. Botanische en morfologische: // Tamelijk ontwikkelde, kegelvormige plant; onder normale teeltomstandigheden 22 tot 26 rechtopstaande bladeren; groene stengel; halfopen inflorescentie, bladeren zittend, eirond, glad, groen; hoofdnerf en zijnerven regelmatig, tamelijk stevige structuur. Bloem die een bleekroze bloemkroon vormt.

De overige punten, zoals voor soort nr. 11 b) - Nostrano del Brenta.

Soort nr. 11 d): Gojano

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Van oudsher geacclimatiseerde soort. // 1.2. Botanische en morfologische: // Sterke, kegelvormige plant, onder normale teeltomstandigheden 28 tot 30 horizontale bladeren, rechtopstaand aan de top. Lichtgroene stengel; inflorescentie met rode bloemen. Bladeren zittend, elliptisch, bobbelig aan de rand en aan de top (»Gojano riccio"), lichtgroen, weinig geprononceerde hoofdnerven en zijnerven.

De overige punten, zoals voor soort nr. 11 b) - Nostrano del Brenta. Soort nr. 12 a): Beneventano

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen van Brasile bahia, van oudsher geacclimatiseerd in Italië. // 1.2. Botanische en morfologische: // Kegelvormige plant; onder normale teeltomstandigheden 20 tot 25 rechtopstaande bladeren; bladeren zittend, lancetvormig, smal aan de voet, de top iets gekromd en ontwikkeld; bladoortjes; glad en glimmend, zachtgroen; hoofdnerf en zijnerven weinig geprononceerd. Bloemen die een lichtroze bloemkroon vormen. // 1.3. Pedoklimatologische: // Gedijt bij voorkeur op zonnig, heuvelachtig terrein met luchtige, diepe en vrij vruchtbare grond. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 24 000 tot 26 000 planten per ha. // 2.2. Toppen: // Bij 14 tot 18 bladeren. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 000 tot 1 200 kg/ha. // 2.5. Droging: // Massaal gefermenteerd wanneer de bladeren nog groen zijn. // 2.6. Presentatie en sortering: // Gebost, in balen.

Soort nr. 12 b): Brasile Selvaggio

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Van oudsher in Italië geteelde soort. // 1.2. Botanische en morfologische: // Kegelvormige plant; stevige stengel, eerder korte internodiën; compacte inflorescentie. Blad gesteeld, eirond of langwerpig, eerder horizontaal, helgroen; vlezige en bobbelige structuur. De bloem vormt een gele kroesvormige bloemkroon. // 1.3. Pedoklimatologische: // Gedijt bij voorkeur op kleiachtige, kalkachtige grond die rijk is aan organische stoffen, diep en fris. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 12 000 tot 15 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Getopte tabak. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad of gehele plant. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 200 tot 1 800 kg/ha. // 2.5. Droging: // Massaal gefermenteerd wanneer de bladeren nog groen zijn. // 2.6. Presentatie en sortering: // Gebost.

Soort nr. 13: Xanti-Yakà

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen, door kruising en/of selectie, van Macedonische Xanti, »Nicotiana tabacum". // 1.2. Botanische en morfologische: // Dunne plant, cilindrisch of kegelvormig; in normale teeltomstandigheden 25 tot 30 bladeren, rechtopstaand, dunne stengel, lichtgroen. Bladeren zittend, eirond of elliptisch, lichtgroen; hoofdnerf en zijnerven sterk geprononceerd; lichte structuur, rijk aan harsen. Van witte tot roze inflorescentie. // 1.3. Pedoklimatologische: // Gedijt bij voorkeur op losse (zelfs keiachtige) grond, skeletbodem, weinig diep en schraal. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 140 000 tot 170 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopt. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 100 tot 1 300 kg/ha. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). // 2.6. Presentatie en sortering: // Guirlandes van bladeren die verpakt zijn in »casse a crociera" (kisten met dwarslatten).

Soort nr. 14 a): Perustitza

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen, door kruising en/of selectie, van Bulgaarse Perustitza. // 1.2. Botanische en morfologische: // Dunne plant, cilindrisch: onder normale teeltomstandigheden 27 tot 50 bladeren, lichtgroene stengel, voor bepaalde types neiging tot fasciatie. Bladeren zittend, eirond, elliptisch, glad, lichtgroen, weinig geprononceerde hoofdnerf en zijnerven; lichte structuur. Hoge en vertakte inflorescentie met bleekroze tot helrode bloemen (type Bega). // 1.3. Pedoklimatologische: // Gedijt bij voorkeur op turfachtige, losse, weinig diepe grond die arm is aan organische stikstof. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // 130 000 tot 150 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopt. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad. // 2.4. Opbrengst: // 1 200 tot 1 400 kg/ha. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). // 2.6. Presentatie en sortering: // Guirlandes van bladeren, over het algemeen verpakt in »casse a crociera" (kisten met dwarslatten) van 30 tot 40 kg of verpakt in balen van 15 tot 20 kg.

Soort nr. 14 b): Samsun

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen van Samsun van de Zwarte Zee. // 1.2. Botanische en morfologische: // Dunne plant, quasi cilindrisch; aantal bladeren 24 tot 26; lichtgroene stengel; blad halfgesteeld, quasi hartvormig, glad, groen, weinig geprononceerde hoofdnerf en zijnerven; lichte structuur. Vrij vaste inflorescentie met rode bloemen. // 1.3. Pedoklimatologische: // Gedijt bij voorkeur op eerder losse grond.

Overige punten, zoals voor soort nr. 14 a) - Perustitza.

Soort nr. 15: Erzegovina

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen, door kruising en/of selectie, van Erzegovina uit het district Stolak. // 1.2. Botanische en morfologische: // Gedrongen plant met de vorm van een omgekeerde kegel (normale Erzegovina) of cilindrisch (resistente Erzegovina), aantal bladeren tot 35, groene stengel; lage en verborgen inflorescentie (resistente Erzegovina) met bloemen die een lichtroze bloemkroon vormen; bladeren zittend, eirond of elliptisch, glad, groen, doorschijnend; weinig geprononceerde hoofdnerf en zijnerven; lichte structuur. // 1.3. Pedoklimatologische: // Gedijt bij voorkeur op weinig diepe, tamelijk vruchtbare, eerder losse grond. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 100 000 tot 120 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopt. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 300 tot 1 700 kg/ha. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). // 2.6. Presentatie en sortering: // Guirlandes van bladeren die over het algemeen verpakt zijn in »casse a crociera" (kisten met dwarslatten) van 30 tot 40 kg of verpakt in balen van 15 tot 20 kg.

Soort nr. 16 a): Round Tip

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // »Round Tip" wordt verkregen door de kruising Connecticut broadleaf × Sumatra; Scafati door de kruising Manilla × Sumatra × Round Tip. // 1.2. Botanische en morfologische: // Smalle plant, quasi cilindrisch; 28 tot 32 bladeren, half opgericht; lichtgroene stengel; regelmatige internodiën; hoge en weinig compacte inflorescentie; bladeren zittend en rond, wijder aan de voet van de plant en lancetvormig aan de top, lichtgroen; weinig geprononceerde hoofdnerven en zijnerven; zijnerven quasi rechthoekig op de hoofdnerf, symmetrisch en ver uit elkaar; lichte structuur. Bloem met een lange bloembuis met een verdikking in het midden, lichtroze bloemkroon, regelmatige keel en spitse lobben. // 1.3. Pedoklimatologische: // Gedijt bij voorkeur op diepe, eerder losse, vruchtbare en geïrrigeerde grond. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // 32 000 tot 35 000 planten/ha. Teelt uitsluitend onder kaasdoek. // 2.2. Toppen: // Niet getopt. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, in verschillende plukronden. // 2.4. Opbrengst: // Ongeveer 1 000 kg/ha. // 2.5. Droging: // In de schaduw, in gemetselde lokalen, met regelbare openingen. // 2.6. Presentatie en sortering: // Gebost, per bladsoort.

Soort nr. 17: Basmas

Er worden drie ondersoorten Basmas geteeld, namelijk Basmas Xanti, Basmas Makedonia en Zichna)

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen door kruising en selectie van oude lokale soorten. // 1.2. Botanische en morfologische: // Wijd wortelgestel, dunne stengel, cilindrisch, rechtopstaand. Zittende bladeren zonder bladoortjes. Tamelijk korte internodiën. // // Vorm van de plant: cilindrisch. Bladeren: recht tot schuin omhoogstaand. Inflorescentie bolrond en klein. Bloemen met kleine bloemkroon van bleekgele kleur. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 0,90 tot 1,20 m met 25 tot 28 bruikbare bladeren. // // i) Basmas Xanti (typische cultivar BX2a) // // Kleine bladeren die tot 20 cm lang zijn (middenblad), breed, elliptisch-eirond, tamelijk dik, zittend (brede voet, ronde top), kleverig, fijne structuur. Dunne hoofdnerf en zeer dunne zijnerven vrijwel rechthoekig op de hoofdnerf. // // ii) Basmas Makedonia (typische cultivars BZ7 en BN34/4) // // Kleine bladeren die tot 20 cm lang zijn (middenblad), middelbreed, elliptisch-eirond, tamelijk dik, zittend (middelbrede voet, ronde top), kleverig, fijn bladweefsel, dunne hoofdnerf en zeer dunne zijnerven vrijwel rechthoekig op de hoofdnerf. // // iii) Zichna (typische cultivar BP4b) // // Kleine bladeren die tot 20 cm lang zijn (middenblad), smal, elliptisch-lancetvormig, tamelijk dik, zittend (brede bladvoet, spitse top), fijn bladweefsel. Dunne hoofdnerf en zeer dunne zijnerven bijna scherphoekig op de hoofdnerf. // 1.3. Pedoklimatologische: // De tabak wordt geteeld op heuvels en op lichtglooiend terrein van variabele structuur en matige tot geringe vruchtbaarheid. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 200 000 tot 230 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopt. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad in vier tot zes plukronden; »dips" en »phyllizia" worden niet geoogst. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 750 tot 1 100 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). Plastic afdekkingen mogen alleen gebruikt worden als de zijkanten openblijven. // 2.6. Presentatie en sortering: // Op de traditionele wijze gepresenteerde balen, in twee rijen gelegde »pastali" (openliggende bladeren). Opgemerkt dient te worden dat in de streek van Astakos en Chrysoupolis de tabak in »armathodema" wordt gepresenteerd.

Soort nr. 18: Katerini en vergelijkbare soorten

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen uit een oude soort uit Samsun (Zwarte Zee). Teelt van de cultivars S.53 en S. 79. // 1.2. Botanische: // i) Katerini (cultivar S.53). Bladeren tot 25 cm lang (middenblad), breed, hartvormig, tamelijk dik, gesteeld (korte en naakte steel), met dunne nerven en nogal fijne structuur. // // ii) Vergelijkbare soorten (cultivar S.79). Bladeren tot 30 cm lang (middenblad), tamelijk breed, tamelijk dik, gesteeld (korte en licht geoorde steel), met dunne nerven en nogal fijne structuur. // Morfologische: // Vorm van de plant: cilindrisch tot ellipsoïdaal; bladeren: rechtopstaand tot schuin rechtopstaand. Onder normale teeltomstandigheden, hoogte van de plant: 0,90 tot 1,20 m met 28 tot 30 bruikbare bladeren. Bladeren: 25 tot 30 cm lang (middenblad), tamelijk breed tot breed, tamelijk dik, gesteeld (korte, naakte steel: S.53; licht geoorde steel: S.79), met dunne nerven en een nogal fijne structuur. // 1.3. Pedoklimatologische: // De tabak wordt geteeld op vlak of licht glooiend terrein, op grond met een variabele structuur en een middelmatige vruchtbaarheid. De tabak verdraagt enige bemesting en irrigatie. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 120 000 tot 150 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopte tabak. // 2.3. Oogst: // In vier tot zes plukronden; »dips" en »phyllizia" worden niet geoogst. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 400 tot 1 700 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). Mag alleen worden afgedekt met doorschijnend materiaal, waarbij de zijkanten openblijven. // 2.6. Presentatie en sortering: // i) S.53: de guirlandes worden over het algemeen gebundeld in »Baski". Presentatie in balen van 25 tot 35 kg die op de traditionele »kaloupi"-wijze worden gevormd. // // ii) S.79: balen van 15 tot 30 kg die op traditionele wijze worden gepresenteerd, in twee rijen van guirlandes.

Soort nr. 19 a): Kaba Koulak (klassieke) en soort nr. 19 b): Elassona

Van Kaba Koulak (klassieke) worden vier ondersoorten verbouwd, namelijk Kaba Koulak Makedonia, Kaba Koulak Karatzova, Kontoula en Elassona.

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen door kruising en selectie van oude lokale soorten. // // i) Kaba Koulak Makedonia (typische cultivar 14a) // // Wijdvertakt wortelstelsel, tamelijk dunne stengel, cilindrisch, rechtopstaand. Bladeren zittend met brede bladoortjes. Korte internodiën. // // ii) Kaba Koulak Karatzova (typische cultivar K26) // // Wijdvertakt wortelgestel, dunne stengel, cilindrisch, rechtopstaand. Bladeren zittend met bladoortjes. Middelmatig korte internodiën. // // iii) Kontoula (typische cultivar KZ10Z) // // Wijdvertakt wortelgestel, dunne stengel, cilindrisch, rechtopstaand. Bladeren gesteeld (korte, gevleugelde steel). Korte internodiën. // // iv) Elassona // // Wijd vertakt wortelgestel, dunne stengel, cilindrisch, rechtopstaand. Zittende bladeren, middelmatig korte internodiën. // 1.2. Botanische en morfologische: // i) Kaba Koulak Makedonia // // Plant kort en cilindrisch, bladeren rechtopstaand tot schuin omhoogstaand, inflorescentie breed en dicht opeenstaand (bedekt door de bovenste bladeren); bloemen met grote, lichtroze bloemkroon. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden: 50 tot 70 cm met 24 tot 26 bruikbare bladeren. Bladeren tot 30 cm lang (middenblad), smal, elliptisch tot lancetvormig, dun, zittend (brede bladvoet, puntige top). Dunne hoofdnerf en fijne structuur. Dunne zijnerven eerder scherphoekig op de hoofdnerf. // // ii) Kaba Koulak Karatzova // // Plant cilindrisch, rechtopstaand; bladeren schuin omhoog tot rechtop; inflorescentie breed en bolrond, niet bedekt door de bovenste bladeren; bloemen met korte, brede, lichtroze bloemkroon. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden: 1 tot 1,30 m met 30 tot 32 bruikbare bladeren. Bladeren tot 25 cm lang (middenblad), tamelijk breed, elliptisch-ovaal, eerder fijn, zittend, met dunne hoofdnerf en fijne structuur. De zijnerven bijna rechthoekig op de hoofdnerf. // // iii) Kontoula // // Plant cilindrisch, rechtopstaand. Bladeren schuin verticaal. Inflorescentie bolrond, niet bedekt door de bovenste bladeren. Bloemen met korte, brede, bleekroze bloemkroon. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 0,70 tot 0,90 m met 32 tot 35 bruikbare bladeren. Bladeren tot 25 cm lang (middenblad), smal, elliptisch, tamelijk fijn, met korte steel en gelobd, dunne hoofdnerf en tamelijk fijne structuur. De zijnerven eerder rechthoekig op de hoofdnerf. // // iv) Elassona (typische cultivar K26/2) // // Plant cilindrisch, rechtopstaand. Bladeren schuin, verticaal schuin omhoog. Inflorescentie bolrond, breed, niet bedekt door de bovenste bladeren. Bloemen met korte, brede, bleekroze bloemkroon. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 1 tot 1,2 m met 28 tot 30 bruikbare bladeren. Bladeren tot 25 cm lang (middenblad), middelmatige lengte, elliptisch-ovaal, eerder fijn, zittend, met dunne hoofdnerf en fijn weefsel. De zijnerven bijna rechthoekig op de hoofdnerf. // 1.3. Pedoklimatologische: // De tabak wordt geteeld in diepe grond met een middelmatige tot lichte structuur en een middelmatige tot goede vruchtbaarheid. Een hoge vochtigheidsgraad van de lucht is gunstig gedurende de groeiperiode. De tabak verdraagt irrigatie en een matige bemesting. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 100 000 tot 120 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopte tabak. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, in vier tot vijf plukronden; »dips" en »phyllizia" worden niet geoogst. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 250 tot 1 600 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). Plasticafdekkingen mogen alleen worden gebruikt als de zijkanten openblijven. // 2.6. Presentatie en sortering: // Balen, traditioneel gepresenteerd in twee rijen »armathodema".

Soort nr. 20 a): Kaba Koulak (andere dan klassieke) en soort nr. 20 b) Myrodata Smyrne, Trapezous en Phi 1

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen door kruising en selectie van oude lokale soorten (Kaba Koulak Makedonia) of uit Turkije ingevoerde oude soorten (Smyrne, Trapezous) en nog maar kort geleden uit Libanon Phi 1, oorspronkelijk van herkomst uit Bulgarije. Deze groep omvat vier ondersoorten: Kaba Koulak Makedonia, Myrodata Smyrne, Trapezous en Phi 1. // 1.2. Botanische: // Wijdvertakt wortelgestel, tamelijk dunne stengel (Kaba Koulak Makedonia) of dunne stengel (alle andere soorten), cilindrisch, rechtopstaand. Bladeren zittend. Internodiën kort (Kaba Koulak Makedonia) of tamelijk kort (alle andere soorten). // Morfologische: // i) Kaba Koulak Makedonia (typische cultivar KP14a) // // Plant kort en cilindrisch. Bladeren rechtopstaand tot schuin omhoog. Inflorescentie breed met opeenstaande bloemen (bedekt door de bovenste bladeren). Bloemen met brede, bleekroze bloemkroon. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 60 tot 80 cm met 24 tot 26 bruikbare bladeren. Bladeren tot 35 cm lang (middenblad), smal elliptisch tot lancetvormig, tamelijk fijn, zittend (smalle bladvoet, puntige top), dunne hoofdnerf, tamelijk fijne structuur. De zijnerven eerder scherphoekig op de hoofdnerf. // // ii) Myrodata Smyrne (typische cultivar AS3b) // // Plant cilindrisch. Bladeren rechtop tot schuin omhoog. Inflorescentie bolrond en klein. Bloemen met korte, bleekroze bloemkroon. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 0,90 tot 1,20 m met 25 tot 28 bruikbare bladeren. Kleine bladeren tot 20 cm lang (middenblad), tamelijk breed, elliptisch-ovaal, tamelijk fijn, zittend (brede gelobde bladbasis, afgeronde punt), met bladoortjes, dunne hoofdnerf tamelijk fijne structuur. Dunne zijnerven bijna rechthoekig op de hoofdnerf. // // iii) Trapezous (typische cultivar KT135/3) // // Plant cilindrisch, enigszins ellipsoïdaal. Bladeren recht omhoog tot schuin omhoog. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 0,90 tot 1,20 m met 26 tot 28 bruikbare bladeren. Inflorescentie met vertakkingen die groter zijn dan heel wat topbladeren. Bleekroze bloemen, bladeren tot 35 cm lang (middenblad), tamelijk breed, ovaal-elliptisch, tamelijk fijn, zittend (eerder brede bladvoet en afgeronde punt), hoofdnerf tamelijk dun, tamelijk fijne structuur. De zijnerven praktisch rechthoekig op de hoofdnerf. // // iv) Phi 1 // // Plant cilindrisch. Bladeren rechtop tot schuin omhoog. Inflorescentie bolvormig, breed, niet bedekt door de topbladeren. Bleekroze bloemen. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 1 tot 1,30 m met 23 tot 25 bruikbare bladeren. Bladeren tot 25 cm lang (middenblad), tamelijk breed, ovaal-elliptisch; zittend (smalle bladvoet, vrij puntige top), middelmatige hoofdnerf, tamelijk fijne structuur. // 1.3. Pedoklimatologische: // Deze tabakssoorten worden geteeld in grond met een middelmatige tot lichte structuur en een middelmatige tot grote vruchtbaarheid. De hoge vochtigheidsgraad van de lucht is gunstig gedurende de groeiperiode van de plant. Deze tabakssoorten verdragen bemesting en een matige irrigatie. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 100 000 tot 120 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopte tabak. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, in vier tot vijf plukronden; »dips" en »phyllizia" worden niet geoogst. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 300 tot 1 800 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). Plasticafdekkingen mogen alleen worden gebruikt als de zijkanten openblijven. // 2.6. Presentatie en sortering: // Balen traditioneel gepresenteerd in »armathodema" of balen van 35 tot 50 kg in »kaloupi".

Soort nr. 21: Myrodata Agrinion

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen door kruising en selectie van een oude lokale soort. Teelt van één enkele cultivar (MAI3b). // 1.2. Botanische en morfologische: // Wijdvertakt wortelgestel, dunne stengel, cilindrisch rechtopstaand. Gesteelde bladeren (lange naakte steel). Middellange internodiën. // // Plant cilindrisch, enigszins elliptisch. Bladeren rechtop tot schuin omhoog. Inflorescentie eerder breed, lichtjes bedekt door topblad. Donkerroze bloemen. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 0,80 tot 1,10 m met 20 tot 22 bruikbare bladeren. Bladeren tot 30 cm lang (middenblad), middelbreed, haakvormig, middelfijn, gesteeld (lange en naakte steel), middeldunne hoofdnerf, middelfijne structuur. Zijnerven bijna rechthoekig op de hoofdnerf. // 1.3. Pedoklimatologische: // Deze tabak wordt geteeld in vrij diepe grond van lichte tot middelmatige structuur en een middelmatige tot hoge vruchtbaarheid. Een hoge vochtigheidsgraad van de lucht is in de groeiperiode gunstig voor de tabak. De tabak verdraagt bemesting en een matige irrigatie. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 130 000 tot 150 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopte tabak. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, in vier tot vijf plukronden; »dips" en »phylizzia" worden niet geoogst. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 200 tot 1 600 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). Plasticafdekkingen mogen alleen worden gebruikt als de zijkanten openblijven. // 2.6. Presentatie en sortering: // Balen traditioneel gepresenteerd in twee rijen »armathodema".

Soort nr. 22: Zichnomyrodata

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen door kruising en selectie van een oude lokale soort. Over het algemeen teelt van slechts één enkele cultivar (KK6/5). // 1.2. Botanische en morfologische: // Wijdvertakt wortelgestel, dunne stengel, cilindrisch, rechtopstaand. Zittende bladeren. Middelkorte internodiën. // // Plant cilindrisch. Bladeren rechtop tot schuin omhoog. Inflorescentie bolrond, breed, niet bedekt door de topbladeren. Bloemen met korte, bleekroze bloemkroon. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 0,90 tot 1,10 m, met 26 tot 28 bruikbare bladeren. Bladeren tot 25 cm lang (middenblad), elliptisch-ovaal, middelbreed, zittend, met dunne hoofdnerf, tamelijk dun, fijne structuur. Zijnerven bijna rechthoekig op de hoofdnerf. // 1.3. Pedoklimatologische: // Deze tabakssoort wordt geteeld op diepe grond met lichte tot middelmatige structuur en middelmatige tot goede vruchtbaarheid. De hoge vochtigheidsgraad van de lucht is gunstig gedurende de groeiperiode van de plant. De soort verdraagt bemesting en een matige irrigatie. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 130 000 tot 150 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopte tabak. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, in vier tot vijf plukronden; »dips" en »phylizzia" worden niet geoogst. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 350 tot 1 700 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). Plasticafdekkingen mogen alleen worden gebruikt als de zijkanten openblijven. // 2.6. Presentatie en sortering: // Balen van 15 tot 30 kg traditioneel gepresenteerd in twee rijen »armathodema".

Soort nr. 23: Tsebelia

Over het algemeen teelt van één enkele cultivar (TA21).

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen door kruising en selectie van een oude lokale soort. // 1.2. Botanische en morfologische: // Wijdvertakt wortelgestel, vrij dunne stengel, cilindrisch rechtopstaand. Zittende bladeren, vrij korte internodiën. // // Plant kort en cilindrisch. Bladeren rechtop tot schuin omhoog. Inflorescentie breed, lichtjes bedekt door de topbladeren. Bloemen met brede, bleekroze bloemkroon. Hoogte van de plant 0,60 tot 0,80 m, 22 tot 24 bruikbare bladeren. Bladeren 45 cm lang (middelblad), smal, lancetvormig, van middelmatige dikte, zittend (smalle bladvoet en spitse top), geprononceerde hoofdnerf, vrij goede structuur. Zijnerven scherphoekig op de hoofdnerf. // 1.3. Pedoklimatologische: // Deze soort wordt geteeld op vlakke of licht glooiende grond met middelmatige tot zware structuur en gemiddeld zeer vruchtbaar, met voldoende watertoevoer. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 100 000 tot 120 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopte tabak. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, in vier tot vijf plukronden; »dips" en »phylizzia" worden niet geoogst. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 100 tot 1 400 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). Plasticafdekkingen mogen alleen worden gebruikt als de zijkanten openblijven. // 2.6. Presentatie en sortering: // Balen, gepresenteerd in twee rijen »armathodema".

Soort nr. 24: Mavra

Er worden drie ondersoorten Mavra geteeld, namelijk Mavra Thessalia, Mavra Ipati en Mavra Argos.

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Door kruising en selectie verkregen uit oude lokale soorten. // 1.2. Botanische en morfologische: // Wijdvertakt wortelgestel, tamelijk dunne stengel (Mavra Thessalia) of dikke stengel (overige), cilindrisch, rechtopstaand. Zittende bladeren. Middelkorte internodiën. // // i) Mavra Thessalia (typische cultivar MTh26) // // Plant cilindrisch, rechtopstaand. Bladeren rechtop tot schuin omhoog. Inflorescentie bolrond, breed, niet bedekt door de topbladeren. Bloemen met brede, bleekroze, korte bloemkroon. Hoogte van de plant 1,0 tot 1,30 m, 28 tot 30 bruikbare bladeren. Bladeren tot 30 cm lang (middenblad), middellang, elliptisch-ovaal, tamelijk dik, zittend (brede bladvoet en bijna afgeronde punt), tamelijk fijne structuur. Dunne hoofdnerf, zijnerven bijna rechthoekig op de hoofdnerf. // // ii) Mavra Ipati (typische cultivar MI) // // Plant kort en cilindrisch. Bladeren rechtop tot schuin omhoog. Inflorescentie breed, lichtjes bedekt door de topbladeren. Bloemen met donkerroze, brede bloemkroon. Hoogte van de plant 50 tot 70 cm, 20 tot 22 bruikbare bladeren. Bladeren tot 35 cm lang (middenblad), breed, elliptisch-ovaal, dik, zittend (smalle bladvoet, afgeronde top), tamelijk fijne structuur. Hoofdnerf tamelijk dik, zijnerven bijna rechthoekig op de hoofdnerf. // // iii) Mavra Argos (typische cultivar A32/4) // // Plant cilindrisch, rechtopstaand. Bladeren rechtop tot schuin omhoog. Inflorescentie breed, lichtjes bedekt door de topbladeren. Bloemen met brede, roze bloemkroon, hoogte van de plant 0,80 tot 1 m, 22 tot 24 oogstbare bladeren. Bladeren tot 40 cm lang (middenblad), eerder smal, dik, zittend (tamelijk smalle bladbasis, eerder afgeronde top). Tamelijk dikke hoofdnerf, zijnerven scherphoekig op de hoofdnerf. // 1.3. Pedoklimatologische: // Deze tabakssoorten worden geteeld op grond van allerhande structuur en vruchtbaarheid met voldoende watertoevoer. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 80 000 tot 100 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopt. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, in vier tot vijf plukronden; »dips" en »phyllizia" worden niet geoogst. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 100 tot 1 500 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Zondroging (sun curing). Plasticafdekkingen mogen alleen worden gebruikt als de zijkanten openblijven. // 2.6. Presentatie en sortering: // Balen van 30 tot 50 kg, gepresenteerd in twee rijen »armathodema".

Soort nr. 25: Burley GR

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Cultivar B21 is uit de Verenigde Staten geïmporteerd. De kruisingen daarvan zijn in Griekenland gekweekt. Teelt van vooral B21 en kruisingen daarvan. // 1.2. Botanische en morfologische: // Wijdvertakt wortelgestel. Dikke stengel, groengele kleur. Bladeren zittend, breed, lange internodiën. // // Plant konisch. Bladeren rechtop. Inflorescentie enigszins tuilvormig; roze, witgeaderde bloemen. Plant tot 2 m hoog onder normale teeltomstandigheden met 20 tot 25 bruikbare bladeren. Brede bladeren, elliptisch-lancetvormig, fijn, zittend, met smalle bladvoet en licht gelobd, geprononceerde hoofdnerf. Zijnerven scherphoekig op de hoofdnerf. Kleur van het blad groengeel tot roomkleurig wanneer rijp. // 1.3. Pedoklimatologische: // Deze tabak wordt geteeld op vlakke, zeer vruchtbare grond met een middelmatige structuur en rijk aan organische stoffen, met een voldoende watertoevoer. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // 28 000 tot 35 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopte tabak. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, in vier tot zes plukronden; »dips" en »phyllizia" worden niet geoogst. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 2 800 tot 3 100 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging, in droogschuren met regelbare luiken. // 2.6. Presentatie en sortering: // Balen van 40 kg, gepresenteerd in twee rijen »armathodema", zonder koord (losblad).

Soort nr. 26: Virgin GR

Teelt van vooral twee cultivars (C319 en C254).

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Uit de Verenigde Staten geïmporteerde cultivars van het type »flue curing" (heteluchtdroging). // 1.2. Botanische en morfologische: // Wijdvertakt wortelgestel, groene kleur. Bladeren zittend, breed, lange internodiën. // // Plant cilindrisch, bladeren rechtopstaand. Inflorescentie enigszins tuilvormig, bloemen met lange, brede, roze bloemkroon. Plant tot 2 m hoog onder normale teeltomstandigheden, met 20 tot 22 bruikbare bladeren. Bladeren meer dan 40 cm lang (middenblad), breed, lancetvormige punt, eerder smalle bladvoet, geprononceerde hoofdnerf en middelfijne structuur. // 1.3. Pedoklimatologische: // De tabak wordt geteeld op vlakke grond met middelmatige tot lichte structuur en een middelmatige vruchtbaarheid. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 28 000 tot 35 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopte tabak. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, in vier tot zes plukronden; »dips" en »phyllizia" worden niet geoogst. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 600 tot 2 300 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // In traditionele droogschuren voor heteluchtdroging (flue curing) of »bulk curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // Balen, gepresenteerd in twee rijen »armathodema" zonder koord (losblad).

Soort nr. 27: Santafé

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen door kruising van H254-D (Ky56 × Valencia) en Bel 61-10. Type Virginica. // 1.2. Botanische en morfologische: // Plant konisch of ovoïdaal, wordt na het toppen cilindrisch. Bladeren schuin tot schuin horizontaal op de stengels. Ovaalvormig; gerimpelde bladzoom, meer karakter naarmate rijper, vlakke rand, hoewel de kanten lichtjes krullen wanneer de bladeren rijp worden. Geprononceerde nervatuur. Middelgrote tot grote bladeren, lauriervormig; felgroene zoom; plant ongeveer 1,80 m hoog; middelgrote internodiën. Inflorescentie rechtop, dicht of compact en weinig geprononceerd. Bloem van felroze kleur, met paarse tinten. // 1.3. Pedoklimatologische: // Gedijt op alle soorten grond, maar het beste op stevige en vruchtbare grond. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 20 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // In het stadium van 20 tot 22 bladeren. // 2.3. Oogst: // Gehele plant. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 900 tot 2 350 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging (air curing) in voor deze techniek geschikte droogschuren. // 2.6. Presentatie en sortering: // Geselecteerde tabak in homogene balen.

Soort nr. 28: Gefermenteerde Burley

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Er bestaan verschillende autochtone lijnen die zijn aangepast aan de typische teeltgebieden, waarvan Burley MB (J) de meest representatieve is; Burley MB (J) is verkregen door kruising van Ky 35 met Jarandillano, geselecteerd in de streek van Jaraiz de la Vera (Caceres). // 1.2. Botanische en morfologische: // Hooggroeiende, ovaalvormige plant, middenblad en laagblad uitstaand, topblad afstaand. Ovaal blad, met eerder neerhangende top en aflopende, halfstengelomvattende oortjes. Effen en droge bladschijf, gekartelde rand. Geprononceerde nervatuur met zeer onregelmatige scheidingen. Grote bladeren. Lichtgroene bladschijf. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden ongeveer 1,80 m. Zeer korte internodiën. Inflorescentie los en rechtop. Effen bleekroze bloem met grote en gelobde zoom. // 1.3. Pedoklimatologische: // Deze soort gedijt zeer goed op lichte grond, hoewel zij normaal op praktisch alle gronden groeit. Vraagt warme zomers. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 22 000 tot 23 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Bij 20 tot 24 bladen. // 2.3. Oogst: // Gehele plant. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 700 tot 1 900 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging (air curing). // 2.6. Presentatie en sortering: // Geselecteerde tabak in homogene balen met losblad.

Soort nr. 29: Havana ESP

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // In 1932 uit Wisconsin (Verenigde Staten) in Spanje ingevoerd; verkregen door kruising van Habana 38 met Page's Comstock, geselecteerd via achtereenvolgende aanpassingen aan het teeltgebied. Type Havaniensis. // 1.2. Botanische en morfologische: // Kegelvormig uitgroeiende plant. Bladstand op de stengel over het algemeen afstaand. Brede en ovale bladeren, bladvoet breder naar gelang het blad lager op de stengel staat. Gladde bladschijf, met niet gekartelde rand. Geprononceerde hoofdnerf en zijnerven. Grote bladeren. Felgroene tot groene bladschijf. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden ongeveer 1,6 m, met korte internodiën. Rechtopstaande en compacte inflorescentie. Lichtroze bloem, met gelobde blaadjes. // 1.3. Pedoklimatologische: // Geschikt voor diepe en vruchtbare gronden in het noorden van het schiereiland; aangepast aan het klimaat in dat gebied. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 24 000 tot 25 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Bij 18 tot 20 bladeren. // 2.3. Oogst: // Gehele plant. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 700 tot 1 900 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging (air curing). // 2.6. Presentatie en sortering: // Geselecteerde tabak, in homogene balen.

Soort nr. 30: Round Scafati

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Verkregen door kruising van Italiaanse Scafati met Florida 513. Er wordt eveneens een autochtone lijn geteeld die gedurende jaren is geselecteerd wegens de aanpassing daarvan aan de weersomstandigheden in Noord-Spanje en de geschiktheid ervan voor dekbladeren van sigaren. // 1.2. Botanische en morfologische: // Plant cilindrisch. Bladeren afstaand op de stengel. Bladeren zittend, afgerond of elliptisch afgerond. Bladschijf met lichtgeplooid oppervlak en licht gekartelde rand. Weinig geprononceerde nervatuur. De zijnerven quasi rechthoekig op de hoofdnerf. Middelgrote bladeren met een afgeronde vorm. Lichtgroene bladschijf. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 2,50 tot 2,80 m met zeer lange internodiën. Inflorescentie rechtop, los, vertakt en weinig compact. Lichtroze, gelobde bloem. // 1.3. Pedoklimatologische: // Geteeld bij voorkeur op vruchtbare, frisse en goed gedraineerde grond. Het parenchym is dunner in een vrij vochtig klimaat met overvloedige en frequente nevelvorming en bij zachte temperaturen tijdens de groeiperiode. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 20 000 tot 24 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Niet getopt. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad, naarmate zij rijp worden. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 350 tot 1 600 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging (air curing) in droogschuren waar de bladeren aaneen worden geregen voor het ophangen, met bovendien een frequente aanvoer van warme lucht. // 2.6. Presentatie en sortering: // In homogene balen met bosjes die zijn vastgebonden met een snoer dat van een ander materiaal is dan tabak.

Soort nr. 31: Virginia ESP

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Er worden lijnen van Amerikaanse oorsprong geteeld, meestal Speight G-28. Er worden eveneens lijnen van Italiaanse oorsprong geteeld. // 1.2. Botanische en morfologische: // Cilindervormige plant. Bladeren afstaand, overhangend op de stengel. Lancetvormige bladeren met aflopende oortjes. Geprononceerde hoofdnerf. Middelgrote tot grote bladeren. Bladschijf groen tot felgroen. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden 1,20 tot 1,40 m met korte internodiën. Losse, overvloedige en rechtopstaande inflorescentie. Bleekroze tot roze, gelobde bloem. // 1.3. Pedoklimatologische: // Soort die bijzonder geschikt is voor lichte en zandige grond, hoewel zij ook kan worden geteeld op middelmatige grond. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 16 000 tot 20 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Bij 18 tot 20 bladeren. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 700 tot 2 000 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Kunstmatige droging type »bulk curing". // 2.6. Presentatie en sortering: // In homogene balen met losblad, gesepareerd naar bladsoort.

Soort nr. 32: Burley ESP

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Teelt van uit de Verenigde Staten afkomstige lijnen, waarvan Kentucky 14 (KY-14) de meest karakteristieke is. // 1.2. Botanische en morfologische: // Hooggroeiende, cilindervormige plant. Bladeren afstaand of uitstaand op de stengel. Naar gelang van de ontwikkeling van de bladeren, bladeren lancetvormig tot ellipsoïdaal met neerhangende top. Aflopende oortjes. Geplooide bladschijf en lichtjes gekartelde bladrand. Fijne nervatuur. Grote bladeren. Fel groene bladschijf. Hoogte van de plant onder normale teeltomstandigheden ongeveer 1,80 m, met korte internodiën. Inflorescentie los, rechtopstaand en halfrond. Roze, gelobde bloem, met scherpe lobben, met ondiepe uitsnijdingen. // 1.3. Pedoklimatologische: // Gedijt bij voorkeur op vruchtbare, diepe en goed gedraineerde grond, hoewel deze soort zich kan aanpassen aan zandige en lichte grond. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 18 000 tot 20 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Bij 20 tot 22 bladeren. // 2.3. Oogst: // Gehele plant. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 800 tot 2 100 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging (air curing), in droogschuren met regelbare ventilatie. // 2.6. Presentatie en sortering: // In homogene balen, losblad, gesepareerd naar bladsoort.

Soort nr. 33: Virginia PORT

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Amerikaanse soorten (Coker 347, McNair 944) en Italiaanse kruisingen (FO103 en C60BH11). // 1.2. Botanische en morfologische: // Voetblad afstaand tot horizontaal; topblad afstaand. Bladeren afstaand tot horizontaal op de stengel, top van de bladschijf lichtjes afhangend. Smalle tot middelmatige bladvoet, rechtopstaand, 2,5 tot 3 cm lange, aflopende bladoortjes. Bladschijf vrij generfd, lichtjes gerimpeld, vrij gezwollen, gebogen hoofdnerf en zijnerven scherphoekig op de hoofdnerf. Ovale tot ovaal-lancetvormige bladschijf. Enigszins tot middelmatig gekartelde bladrand. Vóór het begin van de rijping donkergroene bladschijf. Afmetingen van de bladschijf: groot; verhouding lengte/breedte voor voetblad 1,8; voor middenblad 1,95 en voor topblad 2,1. Onder normale teeltomstandigheden 20 tot 22 bladeren (getopt), zeer hoge plant, gemiddeld 1,80 tot 2,20 m. Internodiën gemiddeld 7,8 cm. Begint normaal op de 65e dag te bloeien; normale rijpheid, voor de hogere bladsoorten 2,3 bladeren per week. // 1.3. Pedoklimatologische: // Lichte zandachtige leemgrond, die gemakkelijk opwarmt, die arm is aan organische stoffen (0,5 tot 1 %), goed waterdoorlatend, diep, pH 5,5 tot 6, met een voldoende watertoevoer. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // Gemiddeld 20 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // De planten worden getopt wanneer de bloemknoppen verschijnen, wanneer het laatste blad ongeveer 20 tot 25 cm groot is, met wegnemen van de dieven. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad (twee tot drie per week onder normale teeltomstandigheden). // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 1 800 tot 2 200 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Heteluchtdroging (bulk curing). // 2.6. Presentatie en sortering: // Balen (»serpillières"); gestrekt losblad; balen van ongeveer 45 kg.

Soort nr. 34: Burley PORT

1.2 // 1. Specifieke kenmerken // // 1.1. Genetische: // Amerikaanse soorten (Burley 21) en Italiaanse kruisingen (C 103). // 1.2. Botanische en morfologische: // Blad in een scherpe tot zeer scherpe hoek op de stengel, bladeren zittend, vrij rechtopstaand, top van de bladschijf in een rechte lijn en lichtjes aflopend. Bladvoet: aflopende oortjes, breed tot middelbreed, sterk golvend, spits. Bladschijf erg generfd, glad, de zijnerven stomp-, bijna rechthoekig op de hoofdnerf, brede en ovale bladschijf. Lichtgroene tot geelachtig groene bladschijf, die bij rijping roomkleurig-geel wordt, en lichte golving van de bladrand. Grote bladschijf; verhouding lengte/breedte: laagblad 1,95, middenblad 2,25 en topblad 2,30. In normale teeltomstandigheden gemiddeld 23 tot 26 oogstbare bladeren (getopt) en 28 tot 33 (niet getopt); zeer hoge plant, gemiddeld 1,80 tot 2,20 m. Sterke bleekgroene stengel met gemiddeld 8 tot 9 cm lange internodiën. Begin van de bloei: 64e tot 65e dag met bij normale rijpheid 2 tot 3 bladeren per week. // 1.3. Pedoklimatologische: // Leemachtige, zandachtig-kleiachtige, zandachtig-leemachtige grond, water doorlatend, met voldoende watertoevoer, goed gedraineerd, organische stof 2 tot 4 %, pH 5,5 tot 6, vrij vruchtbaar en diep, luchtvochtigheid 65 tot 75 %. // 2. Produktievoorwaarden // // 2.1. Plantdichtheid: // 30 000 planten/ha. // 2.2. Toppen: // Vrij laat, na het opengaan van de eerste bloemen, bij ongeveer 23 oogstbare bladeren. // 2.3. Oogst: // Blad voor blad of beide (gehele plant na de oogst van 6 tot 8 laagbladeren). Verliest gemakkelijk laagblad. // 2.4. Opbrengst: // Onder normale teeltomstandigheden 2 200 tot 2 600 kg/ha al naar gelang van het produktiegebied. // 2.5. Droging: // Luchtdroging (air curing) in droogschuren met regelbare plastic ventilatieopeningen of afdaken. // 2.6. Presentatie en sortering: // Balen (»serpillières"); gestrekt losblad; balen van ongeveer 35 kg.