Verordening (EEG) nr. 1674/87 van de Raad van 11 juni 1987 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 222/77 betreffende communautair douanevervoer
Publicatieblad Nr. L 157 van 17/06/1987 blz. 0001 - 0002
***** VERORDENING (EEG) Nr. 1674/87 VAN DE RAAD van 11 juni 1987 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 222/77 betreffende communautair douanevervoer DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235, Gezien het voorstel van de Commissie (1), Gezien het advies van het Europese Parlement (2), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3), Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (4), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal, als algemene regel voorziet in de verplichting tot zekerheidstelling voor verrichtingen op het gebied van het communautaire douanevervoer; Overwegende dat opheffing van de zekerheidstelling voor verrichtingen op het gebied van het interne communautaire douanevervoer, met uitzondering van die met betrekking tot goederen die een bepaalde drempelwaarde overschrijden of aan hoge heffingen zijn onderworpen, een aanzienlijke vooruitgang op de weg naar het vrije verkeer van goederen in de Gemeenschap zou betekenen; Overwegende echter dat opheffing van de zekerheidstelling verbonden moet zijn met een aantal objectieve criteria om risico van niet-inning van eventueel invorderbare heffingen te voorkomen, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 In Verordening (EEG) nr. 222/77 wordt het volgende artikel ingevoegd: »Artikel 40 bis 1. Elke persoon die voldoet aan de in lid 2 bepaalde voorwaarden kan van de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waarin hij gevestigd is, en binnen de in lid 3 bepaalde beperkingen, vrijstelling van zekerheidstelling verkrijgen voor door hem gepleegde verrichtingen op het gebied van het interne communautaire douanevervoer, ongeacht de Lid-Staat van vertrek en de Lid-Staten wier grondgebied voor deze verrichtingen wordt gebruikt. 2. De in lid 1 bedoelde vrijstelling van zekerheidstelling wordt slechts verleend aan die personen: a) die hun woonplaats hebben in de Lid-Staat waar de vrijstelling van zekerheidstelling wordt verleend, b) die de regeling inzake het communautaire douanevervoer op niet-incidentele wijze gebruiken, c) die financieel in staat zijn aan hun verplichtingen te voldoen, d) die geen ernstige inbreuk hebben gemaakt op de douane- en de belastingwetgeving, en e) die zich ertoe hebben verbonden op het eerste schriftelijk verzoek van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten de bedragen te betalen die worden gevorderd uit hoofde van de door hen gepleegde verrichtingen op het gebied van het communautaire douanevervoer. 3. De vrijstelling van zekerheidstelling die wordt verleend overeenkomstig de leden 1 en 2 is niet van toepassing op verrichtingen op het gebied van het interne communautaire douanevervoer met betrekking tot goederen: a) met een totale waarde van meer dan 50 000 Ecu, of b) die verhoogde risico's met zich meebrengen, gezien de hoogte van de rechten en andere belastingen die over deze goederen in één of meer Lid-Staten moeten worden betaald. 4. Aan elk persoon die vrijstelling heeft verkregen van zekerheidstelling wordt door de autoriteiten die de vrijstelling hebben verleend, in één of meer exemplaren een certificaat inzake vrijstelling van zekerheidstelling verstrekt. Bij toepassing van de vrijstelling van zekerheidstelling moet op de overeenkomende verklaring T 2 naar dit certificaat worden verwezen. 5. De douaneautoriteiten die de vrijstelling van zekerheidstelling hebben verleend, trekken deze vrijstelling in: a) in geval van ernstige onregelmatige handelingen, begaan door degene aan wie de vrijstelling is verleend, als aangever van een verrichting op het gebied van het communautaire douanevervoer; b) indien niet meer wordt voldaan aan een van de in lid 2 bedoelde voorwaarden; c) indien de belanghebbende de verbintenis die hij op grond van lid 2, onder e), is aangegaan, niet is nagekomen. Elke Lid-Staat stelt de andere Lid-Staten in kennis van elke intrekking van een vrijstelling van zekerheidstelling. 6. Volgens de procedure van artikel 57 worden vastgesteld: a) het model van de verbintenis die overeenkomstig lid 2, onder e), door de belanghebbende moet worden ondertekend; b) de goederen waarvoor de vrijstelling van zekerheidstelling overeenkomstig lid 3, onder b), niet van toepassing is; c) het model en de gebruiksvoorwaarden van het in lid 4 bedoelde certificaat inzake vrijstelling van zekerheidstelling.". Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op 1 juli 1988. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Luxemburg, 11 juni 1987. Voor de Raad De Voorzitter P. DE KEERSMAEKER (1) PB nr. C 24 van 26. 9. 1979, blz. 6. (2) PB nr. C 59 van 10. 3. 1980, blz. 67. (3) PB nr. C 83 van 2. 4. 1980, blz. 13. (4) PB nr. L 38 van 9. 2. 1977, blz. 1.